Crescas handje
Bel Crescas: 020 - 640 23 80
Crescas schoolbord
Columns
Weblogs disclaimer

Ewoud Sanders

Ewoud Sanders is historicus en journalist. Hij is columnist bij NRC Handelsblad en vaste medewerker van onder meer Onze Taal, KB.nl en het Nieuw Israelietisch Weekblad. Ewoud Sanders heeft verschillende taalboeken op zijn naam staan en is bezig met een onderzoek naar het beeld van de Joden in kinderboeken én in de Nederlandse taal.
vrijdag 8 januari 2010
reageer op deze column
Delen |

Je smoesjes zijn goed

Tot de meest wijdverbreide ‘Joodse’ woorden in het Nederlands behoort het woord smoes. Smoes, zo weet iedereen, wordt gebruikt voor ‘praatje, vertelsel, uitvlucht’. De Grote Van Dale vermeldt bij smoes nog twee andere betekenissen, namelijk ‘grap, aardigheid’ (met de kanttekening dat dit weinig wordt gebruikt) en ‘flauw, onbenullig praatje’. Bij die laatste betekenis vinden we de uitdrukking om een smoesje verlegen zitten voor ‘onder voorwendsel van iets anders komen aanlopen om een praatje te maken’.

Andere bekende uitdrukkingen met smoes zijn: iemand smoesjes verkopen voor ‘iemand iets wijsmaken’, en je smoesjes zijn goed, maar je praatjes deugen niet. Die laatste uitdrukking heb ik zelf vaak te horen gekregen op de middelbare school, en ook later nog wel eens. Ik heb er geen weerzin aan overgehouden: ik vind het een van de betere uitdrukkingen in het Nederlands.

We mogen aannemen dat het verzinnen van smoezen zo oud is als de mensheid (‘nee echt, een slang heeft mij gezegd dat ik van die appel mocht eten’), maar kennelijk ontstond er halverwege de 19de eeuw in het Nederlands behoefte aan een nieuw woord voor dit verschijnsel. Men vond dit in het Bargoens, ook wel de dieventaal genoemd. Daar werd smoessie omstreeks 1860 voor het eerst opgetekend in een Bargoense woordenlijst, opgesteld door M. Verwoert, indertijd directeur van een gevangenis te Utrecht. Hij noteerde als betekenissen ‘praatje’ en ‘voorwendsel’. In een later woordenboek, uit 1899, karakteriseerden De Beer en Laurillard smoesjes verkoopen als ‘soldatentaal’ voor ‘onwaarheden of uitvluchten opdisschen’. Of soldaten indertijd inderdaad bovenmatig veel smoesjes verkochten weet ik niet; wel is zeker dat smoes via het Jiddisj is ontleend aan het Hebreeuwse sjemoea, dat ‘gerucht’ of ‘overlevering’ betekent.

In literaire bronnen is smoes in 1879 voor het eerst aangetroffen, in een boek van Justus van Maurik, de chroniqueur van het Amsterdamse volksleven. In Uit het volk voert hij een bedelend kind op, dat tegen een ander kind zegt: ,,Wat kijk je me raar an; ik kan wel zien, dat je een nieuweling bent. Jij kunt je woord niet doen. Je moet een mooi smoesje over je hebben, dan geven de lui.’’

Herman Heijermans gebruikte smoes in 1899 in zijn boek Ghetto (,,Allemaal praatjes, uitvluchten, smoesjes! Morgen vraagt-ie je weer centen!’’) en we komen het ook tegen (in de betekenis ‘praatje’) in een gedicht van J.H. Speenhoff, getiteld ‘Meneer Bourgeois’:

Meneer Piet Lut heeft ’n koetsier,
En een open koessie.
Ze rijden samen langs de straat
Enkel voor ’n smoessie.
Dan zie j’ nooit wie van de twee
Of toch de koetsier is;
’t Eenige wat je goed kan zien
Is wie de grootste klier is.

Ik heb de indruk dat smoezen voor ‘praten in het algemeen’ (als neutraal woord) vooral door Joden wordt gebruikt, terwijl niet-Joden het vooral gebruiken voor ‘bedekt en zacht met iemand praten, al dan niet ten koste van iemand anders’ (hier heeft smoezen dus een negatieve lading). Of vergis ik mij hierin? Zoals eerder gezegd: dit is een interactieve rubriek. Wat is uw ervaring: herkent u dit verschil in gebruik van smoezen tussen Joden en niet-Joden, of zie ik het verkeerd?

Uw reactie:

Naam
Email
Reactie
vul de beveiligings-code in