
Dit is voorlopig mijn laatste column voor Crescas. Ik schrijf ze met plezier, maar ik heb de neiging teveel hooi op mijn vork te nemen en op een dag moet je besluiten daarmee te stoppen – al was het maar voor een tijdje.
Wellicht zult u mij hier af en toe nog een keer terugzien – als de leiding van Crescas dat goed vindt – maar voorlopig even niet.
Ik wil besluiten met de geschiedenis van een van die vele woorden in het Nederlands die een 'Joodse' herkomst hebben.
Het gaat om het woord smeris, dat omstreeks 1800 voor het eerst is opgenomen in een Bargoense woordenlijst, samengesteld uit de processtukken van de zogenoemde Brabantse Bende. In die lijst komt het woord voor in de vorm smeer en heeft het als betekenis 'ijder persoon die op schildwacht moet staan'. Vervolgens vinden we het in 1844 terug in de Algemeene Konst- en Letterbode, indertijd een bekend tijdschrift, in de uitdrukking zij staan smeris voor 'zij staan op de uitkijk'. Smeris komt in deze tekst ook voor in de betekenis 'wachter, oppasser'. Via het Jiddisje sjemiere is het ontleend aan het Hebreeuwse sjemiera, beide voor 'wachter' en 'bewaking'. In andere bronnen komen we het tegen in de vormen smieris en smeres.

Aanvankelijk werd smeris vooral gebruikt voor de crimineel die de uitkijk hield – die op smeris stond. Vervolgens vinden we smeris voor de overheidsdienaar die een oogje in het zeil houdt, voor de 'politieagent' dus. In die betekenis is smeris in 1887 voor het eerst opgetekend, in het weekblad De Amsterdammer. Het komt voor in een onderschrift bij een spotprent van Johan Braakensiek waarop we een beschonken matroos op straat een agent zien aanhouden met de tekst: 'Zeg ereis smeris! Ken jij de drankwet, ouwe jongen!'
Smeris had een negatieve bijklank, zo schreef Justus van Maurik in 1899 in het tijdschrift Eigen Haard, in een reportage over een huldeblijk aan de Amsterdamse politie:
Aan het begin van de 20ste was de gevoelswaarde van smeris zelfs onderwerp van een rechtszaak. Hierover schreef F.A. Stoett op 5 november 1905 in De Amsterdammer:
Smeris is in diverse samenstellingen aangetroffen. Het mooist is het rijtje: knopsmeris, knolsmeris en knopknolsmeris – wellicht bij oudere Amsterdammers nog bekend. Knopsmeris betekent 'brigadier' (de brigadier had een knop op zijn helm), knolsmeris betekent 'bereden agent' (hij reed op een knol, een 'paard') en knopknolsmeris betekent – uiteraard – 'bereden brigadier'. Ik dank de lezers voor hun aandacht en hun aanvullingen. Tot bij een volgende gelegenheid!
Hans Vuijsje, directeur van Joods Maatschappelijk Werk, zei het afgelopen woensdag nog tijdens de presentatie van het rapport De Joden in Nederland, anno 2009: 'De Nederlandse Joden zijn volledig geïntegreerd.' Desalniettemin is het aantal meldingen van antisemitisme in 2009 flink toegenomen, wat toch een andere kant op lijkt te wijzen, want volledige integratie en discriminatie gaan niet hand in hand.
Over de geschiedenis van het antisemitisme is al heel veel geschreven. Veel uitingen van antisemitisme zijn al in kaart gebracht, maar wat bij mijn weten nog niet is onderzocht, zijn (oude, historische) straat-, spot- en gelegenheidsliedjes waar Joden in voorkomen. Voor mijn proefschrift, dat als werktitel heeft 'Het beeld van de Joden in de Nederlandse taal', ben ik zoek naar dergelijke liedjes. Hieronder geef ik drie voorbeelden. Van de lezers van Crescas hoop ik meer voorbeelden te ontvangen, of achtergrondinformatie.
Het eerste voorbeeld is een zogenaamd springliedje: een liedje dat door meisjes werd gezongen tijdens het touwtjespringen. Ik heb dit liedje van diverse oudere vrouwen toegestuurd gekregen. Eentje heeft het zelfs een keer voor me gezongen. De vrouw voelde zich nogal gegeneerd. 'Sinds de oorlog kijk ik hier met schaamte op terug. Ja, dit zongen wij vroeger op het schoolplein. Ik had geen idee wat Joden waren – ik had ze zelden of nooit van nabij gezien. Maar als meisjes zongen wij dit dus, in pure onschuld.'

Het liedje gaat als volgt:
Vraag aan de lezers van deze column: van dit liedje bestaan diverse tekstvarianten. Kent u een andere variant? Heeft u dit liedje ooit gehoord, en zo ja: waar en wanneer?
Bruiloftliedje
Voor de Tweede Wereldoorlog – en wellicht ook nog later – werd het volgende liedje op bruiloften gezongen:
Refrein: Onze vader Abraham die is dood.
[De] Joodse kalveren hebben geen poten
Hun poten zijn de pilaren van de tempel van Mozes
Refrein
[De] Joodse kalveren hebben geen poeperd
Hun poeperd is de uitgang van de tempel van Mozes
Vraag: van dit liedje bestaan diverse tekstvarianten. Kent u een andere variant? Heeft u dit liedje ooit gehoord, en zo ja: waar en wanneer?
Straatversje
Sommige kinderen zongen vroeger op straat, bij een spelletje:
Maar bij wèlk kinderspel werd dit liedje gezongen? Kent u tekstvarianten? En waar en wanneer heeft u dit liedje gehoord?
Zo zijn er vast nog veel meer straat-, spot- en gelegenheidsliedjes waarin Joden voorkomen. Ik ben benieuwd welke u kent en waar en wanneer u ze heeft gehoord. De vraag is natuurlijk waarom ik dergelijke liedjes – die sommige mensen aanstootgevend vinden – in kaart zou willen brengen. Welnu, omdat de geschiedenis van de Joden laat zien hoe moeizaam een integratieproces kan verlopen en hoe wijd vertakt sommige uitingen van discriminatie of risjes kunnen zijn. Maar bovenal: omdat dit alles mijns inziens onlosmakelijk is verbonden met de geschiedenis van de Nederlandse Joden. Die liedjes behoren tot ons culturele erfgoed en daarom hoop ik dat de Crescaslezers me aanvullende informatie kunnen geven. Bij voorbaat dank voor de moeite!
Omdat ik niet echt kan leven van mijn werkzaamheden voor Crescas, althans niet op de voet die ik zou willen, doe ik er af en toe nog iets bij. Zo heb ik een taalrubriek in NRC Handelsblad en daarin kwam de afgelopen week een onderwerp ter sprake dat ook lezers van deze column zou kunnen interesseren, namelijk de uitdrukking: blijf met je rotpoten van onze rotjoden af.
Niet de allersympathiekste uitdrukking in de Nederlandse taal, dat zullen velen van u met mij eens zijn, maar wel een uitdrukking die sinds de Tweede Wereldoorlog een eigen leven is gaan leiden. Het is ook een uitdrukking die veel navolging heeft gekregen. Ik noem enkele varianten:
Waar komt de oorspronkelijke uitdrukking – blijf met je rotpoten van onze rotjoden af – vandaan?
In allerlei bronnen staat dat het hier gaat om een Amsterdamse muurtekst uit de Tweede Wereldoorlog. Volgens sommigen dateert die tekst uit 1943, anderen houden het erop dat hij ontstond tijdens de Februaristaking. Zoals bekend brak op 25 februari 1941 in Amsterdam een algemene staking uit, georganiseerd door de CPN, als reactie op razzia's in de Jodenbuurt enkele dagen daarvoor.
Het probleem is dat al die bronnen van na de Tweede Wereldoorlog dateren. De oudste bron dateert bij mijn weten van 1952. Het gaat hier om de 'Kroniek der jodenvervolging' door Abel J. Herzberg, opgenomen in deel 3 van Onderdrukking en verzet. Herzberg beschrijft de gebeurtenissen in Amsterdam van januari en februari 1941 die de opmaat tot de Februaristaking vormden. Op bladzijde 84 schrijft hij: "Uit die dagen dateert de zin, die een straatjongen met krijt op een muur geschreven had: Blijf met je Moffenpoten van onze rotjoden af."
Nu is 1952 niet lang na de Tweede Wereldoorlog, maar toch is het geen contemporaine bron. Er bestaan geen foto's van deze muurtekst, zoals sommige mensen denken, en ook in de standaardwerken over de Februaristaking – studies van onder anderen Ben Sijes en Gerard Maas – komt de uitdrukking niet voor. Het geheugen is voor dit soort dingen een notoir onbetrouwbare bron, maar een brief of dagboekfragment uit de Tweede Wereldoorlog zou mij wel overtuigen, schreef ik in mijn taalrubriek.
Nog diezelfde avond mailde een lezer: "Mijn moeder hield gedurende de oorlog een dagboek bij. 'Er moet een pogrom gaande zijn in Amsterdam', schrijft ze op 13 februari 1941. En op 4 maart 1941 doet zij verslag van wat mijn ouders die toen op Walcheren woonden, gehoord hadden over wat wij inmiddels de Februaristaking noemen. Het verhaal ging rond, schrijft ze, dat een groep Rotterdamse havenarbeiders op weg naar Amsterdam zou zijn gegaan onder de leuze: 'De rotmoffen moeten met hun rotpoten van onze rotjoden afblijven'."
Helaas bleek mijn informant zich te hebben gebaseerd op een register dat hij op zijn moeders dagboeken had gemaakt. Toen ik vroeg om de oorspronkelijke dagboekpagina, antwoordde hij: "Ik heb weer een lesje in de onbetrouwbaarheid van het eigen geheugen gekregen." Zijn ouders bleken in 1941 niet op Walcheren maar (nog) in Utrecht te wonen en het citaat – de kern van de zaak – bleek niet letterlijk te zijn overgenomen.
Wat stond er wel? "B. heeft gehoord dat een troep Rotterdammers met de fiets naar Amsterdam is gegaan om daar mee te knokken tijdens de relletjes, onder het motto: 'Van onze smouzen moeten ze afblijven'."
Was getekend 4 maart 1941, een kleine week na het uitbreken van de Februaristaking. Geen rotmoffen, geen rotpoten en geen rotjoden, maar wel smousen – ooit een tamelijk neutraal woord voor 'Duitse Joden', maar toen al sinds lang een scheldwoord voor 'Joden' in het algemeen.
'Van onze smouzen moeten ze afblijven' ademt weliswaar de geest van de Februaristaking, maar er ontbreken te veel elementen om hierin de moeder van de blijf met je rotpoten-uitdrukking te zien.
Stand van zaken: we hebben nog steeds geen eigentijdse schriftelijke bron. Voorlopig denk ik dat die uitdrukking een naoorlogs verzinsel is. Met haar combinatie van heroïek en antipathie geeft zij als geen andere uitdrukking de ambivalente houding ten opzichte van Joden weer.
Gaat het hier inderdaad om een naoorlogs verzinsel? Wellicht zijn er lezers die het beter weten. Op voorhand zeg ik: alleen schriftelijke vindplaatsen zullen mij overtuigen.
Het is waarschijnlijk begonnen met de lokeend, een woord dat al in 1864 te vinden is in de eerste editie van wat nu de Grote Van Dale heet. In de tweede helft van de 20ste eeuw volgden samenstellingen als lokfiets, lokauto en lokvrachtwagen, hulpmiddelen om dieven te betrappen of te kunnen opsporen (dankzij verstopte zendapparatuur).
In 2008 stelde de Amsterdamse afdeling van de PvdA voor om loktieners in te zetten om slijters en supermarkten te kunnen betrappen op de verkoop van alcohol aan minderjarigen. Eveneens nieuw in 2008 waren de lokpatiënt, ingezet om misbruik bij de verkoop van medicijnen via internet op te sporen en de lokloverboy, om goedgelovige tienermeisjes te waarschuwen.
Nog twee voorbeelden van menselijke lokeenden: de lokoma (lees lok-oma, geïntroduceerd in 1993) en de lokhomo (uit 2007).
Ik bedoel maar: de lokjood komt niet de lucht vallen. Heeft u nog niet van de lokjood gehoord? Dan heeft u waarschijnlijk teveel naar voetbal gekeken.
Het woord lokjood (ook gespeld lok-jood en lok-Jood) werd onlangs geïntroduceerd door Ahmed Marcouch. Marcouch was stadsdeelvoorzitter van Slotervaart en is sinds kort Tweede Kamerlid voor de PvdA. In een interview met BNR Nieuwsradio zei hij, over straatagressie tegen Joden in Amsterdam door met name Marokkaanse jongeren: 'Ik vind dat je alles moet doen om die etters, die kwelgeesten, die criminelen te pakken. Wat mij betreft zet je een lokjood in, maar je pakt ze. Je moet alles doen om de pakkans te vergroten. Het lijken incidentjes, maar dit is ernstig.'
Ik denk dat Marcouch gelijk heeft en ook het Centrum Informatie en Documentatie Israel (CIDI) steunt hem, maar toch stuit het woord lokjood mij tegen de borst.
Ik heb daar geen rationele verklaring voor. Lokjood is goed te vergelijken met lokhomo en lokoma, maar terwijl ik lokoma grappig vind klinken (je zou het overvallers toewensen dat ze een keer een agent overvallen die als lokoma is verkleed), heb ik een naar gevoel bij lokjood. Kennelijk ben ik daar niet de enige in. Bij het Meldpunt Taal, een website die recent online is gegaan (www.meldpunttaal.nl), schreef iemand: 'Ben een groot liefhebber van nieuwe woorden, vooral van inventieve neologismen. Maar ik wens te protesteren tegen het woord "lokjood". Dat kan echt niet.'
Vanwaar die weerzin? Ik vermoed dat het komt omdat het lijkt alsof je daarmee onderschrijft dat een Jood die in orthodoxe kleding is gestoken, dan wel iemand die een keppeltje draagt, geweld uitlokt.
Een lokoma is simpelweg oud en kwetsbaar, en daarmee een potentieel slachtoffer voor bijvoorbeeld tasjesdieven. Ik ken weinig lokhomo's, maar ik vermoed dat ze de aandacht trekken door bepaald gedrag (hand in hand lopen, zoenen), niet door bepaalde kleding. Het is natuurlijk absurd dat dit agressie zou uitlokken, maar in de praktijk is dat helaas soms het geval.
Alleen bij de lokjood ga je er vanuit dat het dragen van bepaalde kleding aanstootgevend zou kunnen zijn. Dat het agressie oproept, net zoals het dragen van een boerka bijvoorbeeld. Anders dan bij de lokhomo is er dus geen verschil in gedrag tussen de échte orthodox geklede Jood en de lokjood. Of zoek ik er teveel achter? Is het simpelweg omdat Jood niet vaak meer op deze manier wordt gebruikt? Nog een andere mogelijkheid: lokjood roept bij mij associaties op met antisemitische verhalen over kinderlokkende Joden.
Nou ja, u ziet, ik kom er niet helemaal uit. Misschien moet ik hiermee volstaan: ik vind lokjood een rotwoord.

Wat zijn Joden? Volgens sommige mensen zijn dit extra intelligente katholieken, zo ontdekte Ewoud Sanders deze week.
Deze week had ik een wonderlijk gesprek met onze hulp in de huishouding. Onze hulp, die ik hier F. zal noemen, komt uit Oeganda. Zij is veertig jaar oud en woont en werkt al zeven jaar in Nederland.
Als zij klaar is met schoonmaken maak ik meestal een lichte lunch voor haar klaar. Ze heeft er niet veel tijd voor, want ze moet snel door naar een ander adres, maar soms hebben we een kort gesprek.
Meestal praten we over haar kinderen, die nog in Oeganda wonen en worden opgevoed door haar moeder. Ze heeft ze al zeven jaar niet gezien, maar ze belt ze wel regelmatig.
Vaak ben ik diegene die het gesprek begint, want F. is zeer bescheiden, maar ditmaal nam zij het voortouw, met een onverwachte vraag.
'What are Jews?'
Hoewel F. al jaren in Nederland woont, kent ze slechts een handvol Nederlandse woorden, dus onze conversatie heeft altijd plaats in het Engels.
Ik keek haar verbaasd aan. 'What do you mean?'
'What are Jews?', herhaalde ze, nu met een glimlach.
Ik ben van nature achterdochtig en ik had haar nu kunnen vragen: 'Why do you ask?', maar ik was als de dood dat ik dan een of ander merkwaardig vooroordeel over Joden te horen zou krijgen. Niet alleen zou ik het vervelend vinden om dat te horen, maar ik zou ook háár daarmee in verlegenheid kunnen brengen, en dat zou ik nog naarder vinden. Dus besloot ik om maar meteen uit de kast te komen.
'I am a Jew', zei ik, breed lachend. Ik stapte een stukje van het aanrecht vandaan, waar ik boterhammen voor haar stond te smeren, zodat ze haar eerste Jood van top tot teen in ogenschouw kon nemen.
Voor de goede orde: er staat hier een menora op de schoorsteenmantel – een erfstuk van mijn grootouders – er zijn veel Joodse boeken in huis en zonder twijfel heeft F. hier weleens een davidster of keppeltje gezien, maar kennelijk is bij haar niet bekend dat dit iets met het jodendom te maken kan hebben.
'They say Jews are very intelligent', vervolgde F.
Ik vroeg haar wié dat had gezegd. Nou ja, de mensen, antwoordde zij. Ik zei dat ik ook Joden kende die niet meteen uitblonken door intelligentie, maar F. liet zich niet afleiden en kwam terug op haar oorspronkelijke vraag.
'But what are Jews? Are they catholics?'
U moet weten dat Oeganda voor het overgrote deel katholiek is. Ook F. zelf is katholiek, zij is zelfs erg gelovig.
Ik heb ooit een verhaal van Rudy Kousbroek gelezen over een Japanner die in een beroemde kathedraal in Parijs naar een kruisbeeld wees en aan een gids vroeg: wie is die man daar en waarom hangt dat beeld hier? Ik kon toen niet geloven dat dit op waarheid berustte. Ik bedoel: dat je in Japan een heel eind kunt komen zonder tegen een kruisbeeld op te botsen, dat zal duidelijk zijn, maar als toerist in Europa? En vóór die tijd: in films, op tv, in boeken, in musea, op school? Dan moet je toch wel oliedom zijn, leek mij zo.
Maar F. is helemaal niet dom. Zij is hier naartoe gekomen als politieke vluchteling. En zij is hier gebleven om haar kinderen een betere toekomst te geven. Niet dom dus, maar haar enige notie van Joden was dat dit weleens een extra intelligente variant van katholieken konden zijn.
F. kwam nog met een verhaal over Joden. Of beter: over Chinese vrouwen. Zij had gehoord dat er Chinese vrouwen naar Israël waren gestuurd om daar zwanger te raken van Joden. Waarom? Omdat ze daardoor slimmere kinderen zouden krijgen, wat uiteindelijk goed zou zijn voor China.
'These woman got paid to get pregnant', zei F. met een misprijzende uitdrukking op haar gezicht.
Leefden er in Oeganda ook Joden, wilde ik nog weten. F. dacht van niet.
Veertig jaar oud, al zeven jaar in Nederland, en een totaal gebrek aan kennis over wie en wat Joden nu precies zijn – ik vond het een nuttige relativering en een leerzame lunch, hoe kort ook.