Crescas handje
Bel Crescas: 020 - 640 23 80
Crescas schoolbord
Columns
Weblogs disclaimer

Leo Frijda

Leo Frijda was rechter en bestuurslid van verschillende Joodse organisaties. Na zijn pensionering is hij over literatuur gaan schrijven, eerst in Kol Mokum, het kwartaalblad van de Liberaal Joodse Gemeente Amsterdam, waarvan hij redacteur was, en daarna ook voor de website van Crescas. Hij werkte mee aan Ik heb u den Havelaar niet verkocht, Multatuli contra Van Lennep, in 2010 verschenen bij uitgeverij Bas Lubberhuizen. Najaar 2011 publiceerde Amphora Books een aantal van zijn columns, uitgebreid met een laatste, meer persoonlijk gekleurd hoofdstuk, onder de titel Het Jodendom laat je niet los.
vrijdag 1 juli 2011
reageer op deze column
Delen |

Joseph Roth in Amsterdam

Der Antichrist, schrijft Els Snick in het laatste nummer van De Parelduiker, bood critici van allerlei slag de mogelijkheid om zich te positioneren en te profileren in de strijd tegen het oprukkend fascisme en een standpunt in te nemen over de politieke ontwikkelingen in Duitsland. Dat is dan de positieve uitwerking van dit in 1934 verschenen boek, waarvan Joseph Roth later niet ten onrechte zei dat hij het te haastig had geschreven. Ook is uit zijn mond opgetekend: das ist ja der richtige Antichrist, dass man hier in der Hauptstadt von Holland die Cafés um ein Uhr morgens schliesst.

Vooral voor het onderhouden van contacten met zijn Nederlandse uitgevers kwam Joseph Roth af en toe naar Amsterdam. In 1936 zelfs twee keer en voor een iets langere tijd, van maart tot juli en de maanden oktober en november. De te vroege sluitingstijd van de Amsterdamse cafés hield hem niet tegen. Hij logeerde dan in het Eden Hotel aan de Warmoesstraat (Von Sternburg situeert in zijn biografie dat hotel abusievelijk aan het Leidseplein).


Eden Hotel met hotelboot, gezien vanaf het Damrak (1935)

De Engelbewaarder heeft gereconstrueerd hoe een dag van Joseph Roth in Amsterdam eruit zag. Na een korte nachtrust stond hij laat op, las de kranten, ontbeet nauwelijks. Om een uur of één ’s middags liet hij zich met de hotelboot overzetten en wandelde het Damrak op, richting café De Pool. In de namiddag ging hij naar café Scheltema aan de Nieuwezijds Voorburgwal. Tegen de avond verhuisde Roth naar café Reynders aan het Leidseplein, daar zat hij aan het derde tafeltje vanaf het raam, tegen de muur. Als Reynders om één uur sloot, dan ging men naar De Kring, vanwaar Roth laat in de nacht of vroeg in de morgen terugkeerde in het hotel om een paar uur te slapen.

Joseph Roth, die meegenomen werd naar De Kring, had dus over de te vroege sluitingstijd van de Amsterdamse cafés niet zoveel te klagen. Uit alle verhalen komt naar voren dat hij veel dronk maar nooit haastig, in een gestaag en rustig tempo. Bij iemand thuis ging hij bijna nooit op bezoek. Dat wimpelde hij af, want daar zou toch nooit genoeg alcohol zijn. Over het alcoholgebruik van Roth zijn de nodige anekdotes in omloop. Toen men hem tijdens een verblijf in Oostende vroeg mee te gaan zwemmen, moet hij geantwoord hebben: Waarom? De vissen komen toch ook niet in het café. Als hij een lezing gaf, wilde hij dat op de lessenaar een karaf werd gezet die met jenever was gevuld. Toen dat een keer niet het geval was, moet Roth na het nemen van een slok geheel ontdaan zijn weggelopen, er schande van sprekend dat in de karaf water zat.

Ach, het zijn anekdotes uit een sombere tijd, in het algemeen maar ook voor Roth privé. Opvallend is dat Joseph Roth niettemin steeds bleef schrijven, in hotels en in cafés. Ich glaube, dass ich nicht schreiben könnte, wenn ich einen ständigen Wohnsitz hätte, zei hij eens. Je kunt het je bijna niet voorstellen dat het Roth onder die omstandigheden gelukt is nog zoveel te schrijven. Het ene boek na het andere. Tot het laatst toe. Een kelner die indertijd in café De Pool had gewerkt, heeft aan Bronsen verteld dat Roth pas begon te schrijven als de fles jenever half leeg was. In zijn herinnering denkt man nicht an ihm, wie er steht und geht, sondern wie er sitzt, schreibt und trinkt. In De Engelbewaarder wordt die zin overigens toegeschreven aan de journalist en schrijver Johan Winkler.

Roth schreef dus door, ook als hij in Amsterdam was. En daarom rijst de vraag of je iets van Amsterdam in zijn boeken terugvindt, al is die stad niet meer dan een tussenstation geweest. In de uitgebreide literatuur over het werk van Roth is nooit geconstateerd dat Amsterdam het decor was. Maar nu hebben we het artikel van Els Snick in De Parelduiker. Snick die een proefschrift voorbereidt over Joseph Roth, meent dat Beichte eines Mörders (in het Nederlands Biecht van een moordenaar) verwantschap vertoont met een boek van Maurits Dekker, Waarom ik niet krankzinnig ben, in 1929 gepubliceerd onder het pseudoniem Boris Robazki. Het is mogelijk. Roth heeft inderdaad met Maurits Dekker contact gehad. Erg overtuigend vind ik het betoog van Snick toch niet. Maar ik heb het boek van Maurits Dekker nooit gelezen.

Aan Biecht van een moordenaar heeft Joseph Roth enkele bladzijden toegevoegd die zich afspelen in een hotel in Parijs. De hoteleigenaar geeft daarin aan een nieuwe gast kamer 12, naast die van de verteller. De verteller drinkt nog een koffie in de kleine schrijfkamer tussen een allang uitgedroogde inktkoker en een majolicavaas met celluloid-viooltjes die aan Allerzielen deden denken. Een duidelijke verwijzing naar Roths Amsterdamse hotelletje, roept Snick verheugd uit. Hier kan inderdaad wat in zitten al moet hotel Eden nogal hebben geleken op de andere hotels waar Roth verbleef. In Parijs was dat hotel Foyot. Maar het is waar, Snick heeft enkele parallellen kunnen aanwijzen. Roth logeerde in zijn Amsterdamse hotelletje volgens overlevering altijd in kamer 12a (die dan wel naast nummer 12 moet hebben gelegen) en verder staat in De Engelbewaarder een foto van het interieur van het hotel waarop een kleine schrijfkamer te zien is en de eetzaal (dus niet de schrijfkamer) met kennelijk majolicavaasjes op de tafels. Bovendien zijn er de herinneringen van Piet Blansjaar, de broer van de eigenaar van hotel Eden, die zich veertig jaar later Joseph Roth nog goed voor de geest kon halen, een kleine en zeer tengere man met een droppy moustache. Volgens Blansjaar zou op de schrijftafel altijd een inktpotje voor Roth klaar hebben gestaan (dat dan wel gevuld moet zijn geweest). Roth zou de zwart-witte kat van het hotel als inktlap hebben gebruikt. Een minder aansprekend detail van deze overigens wel aardige literatuurgeschiedenis op de vierkante millimeter.

Op 11 maart 1936 heeft Klaus Mann Joseph Roth in Amsterdam ontmoet. Een bezopen oude vent, noteert Mann in zijn dagboek. De dag daarna komt hij Roth weer tegen, in het café. Roth sympathieker en beter dan gisteren, vertelt. Spant zich in, is zelfs aandoenlijk. Maar toch een treurig gezicht. Zuipt zwart gif.

Dit komt over als een onopgesmukte dagboeknotitie die twee kanten van Roth toont, Roth de drinker en Roth de verteller. Zo vooral zullen zijn Nederlandse bekenden hem waarschijnlijk ook hebben meegemaakt. Er bestaat één foto uit die tijd, genomen in het Noord-Zuid Hollandsch Koffiehuis, waarop Roth is te zien samen met een aantal anderen. Die anderen zitten er tamelijk fris bij al staan de glazen bier op tafel. Roth echter zit terzijde, enigszins in zichzelf gekeerd. Zijn glas zie ik niet op tafel staan. Het is goed mogelijk dat hij een glaasje in zijn handen houdt.

Op een andere foto uit die tijd, en bedenk dat Roth op 2 september 1894 was geboren en dus in 1936 nog maar begin veertig was, ziet hij er precies zo uit als op de foto in het koffiehuis en in de beschrijving van Klaus Mann. Aandoenlijk. Maar toch een treurig gezicht.


Joseph Roth dertiger jaren met ‘droppy moustache’

Klaus Mann en Stefan Zweig zullen Roth beter hebben gekend dan de meeste Nederlanders met wie hij zich in het café onderhield maar met wie hij vrijwel nooit over zijn niet gemakkelijke privéleven sprak. Wel praatte Roth veel over de politieke gebeurtenissen en was hij een goed verteller. Roth kon onderhoudend zijn, zo blijkt uit de opgetekende herinneringen die in De Engelbewaarder te vinden zijn. Maar hij was ook, wat Bronsen noemt, een mythomaan. Hij gaf zich niet bloot. Veeleer vertelde hij over zichzelf feiten waarvan wij achteraf weten dat ze niet kloppen. Vooral zijn verhalen over het verloren land van zijn jeugd mengde hij met door hemzelf verzonnen details.

Het verblijf van Joseph Roth in Amsterdam viel samen met zijn ballingschap. Te betwijfelen valt of men hier wel voldoende kon doorzien wat dit voor hem betekende. Blansjaar vertelt in zijn herinneringen dat Roth liever niet alleen naar buiten ging en ook liever geen contact had met de politie toen hij een keer bestolen was. Een waarneming die overeenkomt met wat Klaus Mann in Der Wendepunkt opmerkt over de voortdurende angst waarin emigranten in die tijd leefden. Drinken en schrijven waren zijn afweermechanismen. Hij had alcohol nodig om het leven vol te kunnen houden. Roths stärkster Abwehrmechanismus, schrijft Bronsen, war seine schöpferische Arbeit. Het resultaat daarvan kunnen we gelukkig nog steeds lezen.

Aan Stefan Zweig liet Roth meer van zichzelf zien. In een door mij in een eerdere column al eens aangehaalde brief aan Stefan Zweig staat: Was ein armer kleiner Jude ist, brauchen Sie nicht ausgerechnet mir zu erzählen. Seit 1894 bin ich es und mit Stolz. Die brief schreef Joseph Roth 2 april 1936 vanuit Amsterdam, gedeeltelijk op papier van hotel Eden. Voor mij uiteindelijk veelzeggender dan al die herinneringen van degenen die de al zo door het leven getekende schrijver in een Amsterdams café hebben ontmoet.

Uw reactie:

Naam
Email
Reactie
vul de beveiligings-code in
mei 2012De odyssee van Edgar Hilsenrath
mei 2012Nacht in Mogilev-Podolski
apr 2012Sereth
apr 2012Eichmann in Wenen
apr 2012Anna Seghers ontmoet Franz Kafka
mrt 2012Anna Seghers
mrt 2012Netty Reiling
mrt 2012Fallada past zich aan
feb 2012Nico Rost en Hans Fallada
feb 2012Karel van het Reve
feb 2012Kafka, Brenner en Feuchtwanger
jan 2012Holocaust Memorial Day
jan 2012De heerlijkheid van het leven
jan 2012Wassermann, Roth en Nederland
dec 2011De Hoge Raad buigt mee
dec 2011Isaak Babel
dec 2011Gerron
nov 2011Aharon Barak
nov 2011Abraham Mapu
nov 2011Naar Kaunas
okt 2011Briefwisseling Roth en Zweig (2)
okt 2011Briefwisseling Roth en Zweig (1)
okt 2011Rabbi Nachman en Kafka (2)
sep 2011Rabbi Nachman en Kafka (1)
sep 2011Czernowitz 1907
jul 2011Kafka in Berlijn
jul 2011Met Joseph Roth naar Berlijn
jul 2011Joseph Roth in Amsterdam
jun 2011Ik teken het gezicht van de tijd
jun 2011Het Joodse geheugen
jun 2011De memoires van Claude Lanzmann
apr 2011Heinrich Heine in Jeruzalem
apr 2011Jiri Weil houdt van katten
apr 2011Jiri Weil, getuige
apr 2011Laurent Binet, HhhH
mrt 2011Dan Porat, The Boy
mrt 2011De geheugenhut
mrt 2011The Search Committee
mrt 2011De Finklerkwestie
feb 2011Stefan Zweig, Joods schrijver
feb 2011Stefan Zweig, verdreven Europeaan
feb 2011Kisch, der rasende Reporter
jan 2011Verkeerde grootouders
jan 2011Ilse Aichinger en Kafka
jan 2011Perec, een leeservaring
jan 2011Van Kafka naar Perec
dec 2010Kafka, Weltsch en het zionisme (2)
dec 2010Kafka, Weltsch en het zionisme (1)
dec 2010Franz Kafka en Mania Tschissik
nov 2010Franz Kafka en Jizchak Löwy
nov 2010Erich Fried
nov 2010Harry Mulisch is zelf een mens
nov 2010Hannah Arendt en Gershom Scholem (2)
okt 2010Hannah Arendt en Gershom Scholem (1)
okt 2010Alexander Granach: ‘Da geht ein Mensch’
okt 2010Karl Emil Franzos: ‘Der Pojaz’
okt 2010Karl Emil Franzos: Zweigeist
sep 2010Hans Keilson
sep 2010Een intelligent hart
sep 2010Ernst Toller
sep 2010Jakob Wassermann: gebroken moralist
aug 2010Jakob Wassermann: Duitser en Jood
aug 2010Byron en de Joden
jul 2010Rathenau, ein begeisterter Deutscher, ein aufrechter Jude
jul 2010Walther Rathenau: Höre, Israel!
jun 2010Multatuli en de Joden
jun 2010Multatuli en W.A. Paap
jun 2010Herman de Man: Jood onder de boeren
mei 2010Herman de Man: ik ben een Jood
mei 2010Carry van Bruggen: een moedige Jodin
mei 2010Carry van Bruggen: De verlatene
apr 2010Carry van Bruggen: Seideravond
apr 2010Izak de Haan
apr 2010Carry van Bruggen
apr 2010Franz Baermann Steiner: Gebet im Garten
mrt 2010Franz Baermann Steiner: Praag, Jeruzalem, Oxford
mrt 2010Assaf Gavron
mrt 2010Celan en Bachmann (2)
mrt 2010Celan en Bachmann (1)
feb 2010Georg Hermann, een beschaafde Duitse Jood
feb 2010Heinz Liepmann bestraft
feb 2010Tussen orthodoxie en assimilatie
jan 2010Soma Morgenstern in de vergeethoek
jan 2010Hooligan in Roemenië
jan 2010Nogmaals Feuchtwanger
jan 2010Het succes van Feuchtwanger
dec 2009Paul Hellmann, medeaanklager
dec 2009Lezen over Auschwitz
nov 2009Ernst Weiss
nov 2009Bruno Schulz
nov 2009De zwarte zwaan van Israël
okt 2009Kafka en Else Lasker-Schüler
okt 2009Rahel Varnhagen
okt 2009Jacob Israël de Haan
okt 2009Noem het slaap
okt 2009Ongemakkelijk
sep 2009Bernard Malamud
sep 2009Leo Perutz
sep 2009De kant van Jeanne Weil
sep 2009De familie Pringsheim
aug 2009Simone Veil
aug 2009Grete Weil
jun 2009Heinrich Heine
jun 2009Ferrara
mei 2009Imre Kertész
mei 2009Aharon Appelfeld
mei 2009Joseph Roth (2)
apr 2009Joseph Roth (1)
apr 2009Zoektochten
mrt 2009Tegen het vergeten
mrt 2009Jeruzalem stond om ons heen
mrt 2009Berditsjev
mrt 2009Engführung
feb 2009Het lezen van Celan
feb 2009Moederland woord
feb 2009Abraham Sonne
feb 2009Canetti en het jodendom
jan 2009Dora Diamant
jan 2009Kafka en het zionisme
jan 2009Canon