Crescas handje
Bel Crescas: 020 - 640 23 80
Crescas schoolbord
Columns
Weblogs disclaimer

Leo Frijda

Leo Frijda was rechter en bestuurslid van verschillende Joodse organisaties. Na zijn pensionering is hij over literatuur gaan schrijven, eerst in Kol Mokum, het kwartaalblad van de Liberaal Joodse Gemeente Amsterdam, waarvan hij redacteur was, en daarna ook voor de website van Crescas. Hij werkte mee aan Ik heb u den Havelaar niet verkocht, Multatuli contra Van Lennep, in 2010 verschenen bij uitgeverij Bas Lubberhuizen. Najaar 2011 publiceerde Amphora Books een aantal van zijn columns, uitgebreid met een laatste, meer persoonlijk gekleurd hoofdstuk, onder de titel Het Jodendom laat je niet los.
vrijdag 23 december 2011
reageer op deze column
Delen |

De Hoge Raad buigt mee

Met de individuele leden van de Hoge Raad was eigenlijk niet eens erg veel mis, zeker in hun eigen ogen niet, zo valt op bij het lezen van De Hoge Raad en de Tweede Wereldoorlog, Recht en rechtsbeoefening in de jaren 1930-1950, geschreven door Corjo Jansen met medewerking van Derk Venema en uitgegeven door Boom, Amsterdam. Dit nieuwe boek over de Hoge Raad in oorlogstijd, in 1984 had P.E. Mazel daarover al gepubliceerd, geeft veel informatie en is vlot en helder geschreven. Zonder meer een aanrader.

De Hoge Raad bestond aan het begin van de bezetting uit gezaghebbende juristen. Nette mensen bovendien. Veelal ingetogen en zoekend naar een afgewogen oordeel, geen scherpslijpers. Nationaalsocialisten vond je onder hen niet. Van antisemitisme was evenmin sprake, eerder het tegendeel, constateren de schrijvers. Zelfs de door de bezetter benoemde raadsheren waren, op één uitzondering na, geen lid van de NSB. Toch was na de oorlog het in de samenleving breed gedragen oordeel dat de Hoge Raad, in het understatement van Jansen en Venema, wel heel erg heeft meegebogen met de Duitse bezetter. Hoe kon een en ander gebeuren?

Al in 1937 had de regering ‘aanwijzingen’ aan de ambtenaren gegeven zo lang mogelijk in functie te blijven. Volgens de regering woog het nadeel van aanblijven veelal niet op tegen het grotere nadeel dat voor de bevolking kon voortvloeien uit het niet meer functioneren van het eigen bestuursapparaat. Het was voor de leden van de Hoge Raad elke keer opnieuw het doorslaggevende argument om de Duitsers hun zin te geven en met hen mee te buigen. Bij de raadsheren leefde sterk de vrees dat indien men er mee zou ophouden, de Duitsers vrij spel hadden en dan was men, zo was het gevoelen, nog veel verder van huis.

Als het hoogste rechtsorgaan van het land had de Hoge Raad echter ook een voorbeeldfunctie. Uit het boek van Jansen en Venema rijst het beeld op dat dit bij de te nemen beslissingen te weinig heeft meegewogen. De Hoge Raad accepteerde veel en indien men het met een al te vergaande maatregel van de bezetter niet eens was, koos men ervoor alleen via de interne kanalen protest aan te tekenen. Nooit openlijk. Daardoor verloor de Hoge Raad steeds meer aan gezag.

De Hoge Raad heeft ook onvoldoende beseft dat indien men al een keer met de Duitse bezetter heeft meegebogen, een eerste stap is gezet op een hellend vlak. Het ging van kwaad tot erger is de titel van een recensie op de website van Athenaeum Boekhandel. Die recensie, van mr. P.C. Kop, geeft een duidelijke samenvatting van het boek over de Hoge Raad en de Tweede Wereldoorlog. Daarin staan ook enkele andere onderwerpen die in het kort bestek van deze column buiten beschouwing moeten blijven. Zo wees de Hoge Raad op 12 januari 1942 het zeer omstreden toetsingsarrest, waarin het college de beslissing nam dat de verordeningen van de Duitse bezetter konden gelden als wetten waarvan de rechter de innerlijke waarde of billijkheid niet mag beoordelen. Daarmee sneed de Hoge Raad zichzelf de pas af. Gelukkig nam de Hoge Raad wel stelling toen de bezetter twee raadsheren van het gerechtshof te Leeuwarden had ontslagen nadat zij een moedige en voorbeeldige uitspraak hadden gedaan. Het hof te Leeuwarden legde een straf op gelijk aan het voorarrest, omdat een langere straf zou moeten worden uitgezeten in een gevangenkamp, kamp Erika in Ommen, waar erbarmelijke omstandigheden heersten. De Hoge Raad tekende over het ontslag van de leden van het hof protest aan in een brief aan Seyss-Inquart maar deed dat niet openlijk en consequenties werden aan het protest niet verbonden. Ondanks de flagrante inbreuk op de rechterlijke onafhankelijkheid gingen de leden van de Hoge Raad door met hun werkzaamheden.

Maar zover zijn we nog niet. De eerste stappen op het hellend vlak moesten nog worden gezet.


De raadsheer rechts is mr. L.E. Visser (1871-1942)

Na de schok van mei 1940 ging bijna iedereen, ook de Hoge Raad, over tot de orde van de dag. In het begin van de bezetting, schrijven Jansen en Venema, was sprake van een vanzelfsprekende aanvaarding van de nieuwe machtsverhoudingen en van een voortzetting van het gewone leven. Maar al spoedig veranderde dat. De eerste Duitse maatregel dateert van oktober 1940. Ambtenaren en rechters dienden de ariërverklaring in te vullen. Aan deze verplichting heeft de Hoge Raad twee vergaderingen gewijd die helaas niet zijn genotuleerd. Wel is bekend dat de stemverhouding twaalf tegen vijf is geweest. Vóór het invullen van de verklaring, wel te verstaan. De Hoge Raad besefte dat aan het insturen van de ariërverklaring gevolgen waren verbonden, zoals een mogelijke buitenfunctiestelling van Visser. Terecht vragen Jansen en Venema zich af wat de leden van de Hoge Raad wisten van hetgeen zich in Duitsland al had afgespeeld. De door hen gegeven samenvatting van wat daarover in de Nederlandse kranten en juridische tijdschriften had gestaan, is in haar beknoptheid sprekend genoeg. Men kon veel weten.

Toch ging men door de knieën. De ariërverklaringen werden ingevuld. Eén lid van de Hoge Raad, mr. J. Donner, hij was de enige die later om een andere reden alsnog is afgetreden, schreef er iets bij: Het geven van deze inlichting mag allerminst worden opgevat als medewerking aan maatregelen, met het oog waarop de inlichting mocht worden gevraagd. Maar van zo’n vrijblijvend voorbehoud lag de bezetter niet wakker.

Voor degenen die van mening waren dat de Hoge Raad het voortouw had te nemen, onder wie de Leidse hoogleraar Cleveringa, was het een deceptie dat was besloten de ariërverklaring in te sturen. Na de oorlog heeft één van de raadsheren, mr. N.C.M.A. van den Dries, de houding van de Hoge Raad proberen te verklaren. Hij schreef: Dat, gelet op de Duitsche mentaliteit en hetgeen het Hitler-regime in Duitschland aan de Joden reeds had misdreven, men zich kan indenken, dat de bezetter in het bijzonder de Joodsche ambtenaren wantrouwde en als gevaarlijk beschouwde. Met verbijstering heb ik deze tekst op me laten inwerken. Zelden is een cynischer redengeving geformuleerd als in deze kwestie door de Hoge Raad, schrijven Jansen en Venema.

Nadat de leden van de Hoge Raad in oktober 1940 de ariërverklaring hadden ondertekend, ging het snel. De bezetter liet er geen gras over groeien. Per 23 november 1940 schorste de Duitse bezetter 9 Joodse rechters en 18 Joodse rechter-plaatsvervangers. Ontslag volgde op 1 maart 1941. Onder hen het enige Joodse lid van de Hoge Raad, mr. L.E. Visser. Wel hadden vóór 1940 ook andere Joden zitting gehad in de Hoge Raad, mr. A.A. de Pinto en mr. C.D. Asser. Visser was in 1940 de president van het college, onmiskenbaar de intellectuele primus inter pares onder de leden van de Hoge Raad. Hij genoot een bijzonder gezag en was niet alleen een scherpzinnig jurist, maar ook een bevlogen en beminnelijk mens. Bij Visser, schreef Kisch na diens overlijden op 17 februari 1942, vloeiden twee karaktereigenschappen samen, beginselvastheid en gemeenschapszin.

Toch ging de Hoge Raad opnieuw door de knieën. De collega-raadsheren van Visser hebben noch tegen de schorsing noch tegen het ontslag openlijk geageerd. Dit was, zoals blijkt uit de notulen van de algemene vergadering van de Hoge Raad een bewuste keuze. De enige zinvolle reactie, stellen Jansen en Venema hiertegenover, was geweest het staken van de uitoefening van de functie door het gehele college, waartoe uiteindelijk niet is besloten in het belang van het Nederlandse volk.

De rol van Visser zelf is niet helemaal duidelijk. Daarover, schrijven Jansen en Venema, bestaat in de literatuur enige ‘ruis’. Op grond van mededelingen van andere raadsheren is tot nu toe aangenomen dat Visser zich van de beslissingen van de Hoge Raad verre heeft gehouden om die niet te belasten met zijn persoonlijk belang. Toch zijn er volgens Jansen en Venema aanwijzingen dat Visser zich wel degelijk sterk heeft gemaakt voor het niet invullen van de ariërverklaring. Visser was, dat staat vast, een principieel tegenstander van samenwerking met de Duitse bezetter. In het hoofdstuk over Visser staan Jansen en Venema uitvoerig stil bij zijn rol in de Joodse Coördinatie Commissie en zijn verzet tegen het optreden van de Joodse Raad. In een brief van 18 november 1941 aan Cohen, één van de voorzitters van de Joodse Raad, maakt Visser bezwaar tegen het standpunt van de Joodse Raad dat wij leven onder een oppermachtige bezetter en men daarom heeft te doen wat deze wil. (...) De instelling van den J.R., meent Visser, is den bezetter ter wille te zijn, zijn bevelen gedwee op te volgen. Ik zou haast zeggen hem dienstbaar te zijn, hopende aldus ’erger te voorkomen’, een hoop, die niet verwezenlijkt is.

In de woorden die Visser aan Cohen heeft geschreven, om erger te voorkomen, klinkt het argument mee dat ook de beslissingen van de Hoge Raad heeft gedragen.

Tot slot nog één keer Jansen en Venema:

Het feit dat de Hoge Raad zowel bij de ontzetting (1940) als het ontslag (1941) van Visser bewust ‘niets heeft gedaan’ (de letterlijke bewoordingen in de notulen van de vergadering van de Hoge Raad van 19 mei 1941) was een voorbode voor de houding van de Hoge Raad gedurende de rest van de bezettingstijd.

De Hoge Raad en de Tweede Wereldoorlog geeft veel stof tot nadenken. De leden van de Hoge Raad waren, zo begon ik deze column, gezaghebbende juristen en nette mensen. Veel lezers van het boek van Jansen en Venema zullen zich de vraag stellen hoe zij zich hadden gedragen als zijzelf voor zulke morele dilemma’s hadden gestaan. Die vraag laat zich niet gemakkelijk beantwoorden, vooral niet in een tijd dat het recht een rustig bezit is. Maar is het recht ooit een rustig bezit? Opletten kan in ieder geval nooit kwaad. Meebuigen helaas wel.

Uw reactie:

Naam
Email
Reactie
vul de beveiligings-code in
mei 2012De odyssee van Edgar Hilsenrath
mei 2012Nacht in Mogilev-Podolski
apr 2012Sereth
apr 2012Eichmann in Wenen
apr 2012Anna Seghers ontmoet Franz Kafka
mrt 2012Anna Seghers
mrt 2012Netty Reiling
mrt 2012Fallada past zich aan
feb 2012Nico Rost en Hans Fallada
feb 2012Karel van het Reve
feb 2012Kafka, Brenner en Feuchtwanger
jan 2012Holocaust Memorial Day
jan 2012De heerlijkheid van het leven
jan 2012Wassermann, Roth en Nederland
dec 2011De Hoge Raad buigt mee
dec 2011Isaak Babel
dec 2011Gerron
nov 2011Aharon Barak
nov 2011Abraham Mapu
nov 2011Naar Kaunas
okt 2011Briefwisseling Roth en Zweig (2)
okt 2011Briefwisseling Roth en Zweig (1)
okt 2011Rabbi Nachman en Kafka (2)
sep 2011Rabbi Nachman en Kafka (1)
sep 2011Czernowitz 1907
jul 2011Kafka in Berlijn
jul 2011Met Joseph Roth naar Berlijn
jul 2011Joseph Roth in Amsterdam
jun 2011Ik teken het gezicht van de tijd
jun 2011Het Joodse geheugen
jun 2011De memoires van Claude Lanzmann
apr 2011Heinrich Heine in Jeruzalem
apr 2011Jiri Weil houdt van katten
apr 2011Jiri Weil, getuige
apr 2011Laurent Binet, HhhH
mrt 2011Dan Porat, The Boy
mrt 2011De geheugenhut
mrt 2011The Search Committee
mrt 2011De Finklerkwestie
feb 2011Stefan Zweig, Joods schrijver
feb 2011Stefan Zweig, verdreven Europeaan
feb 2011Kisch, der rasende Reporter
jan 2011Verkeerde grootouders
jan 2011Ilse Aichinger en Kafka
jan 2011Perec, een leeservaring
jan 2011Van Kafka naar Perec
dec 2010Kafka, Weltsch en het zionisme (2)
dec 2010Kafka, Weltsch en het zionisme (1)
dec 2010Franz Kafka en Mania Tschissik
nov 2010Franz Kafka en Jizchak Löwy
nov 2010Erich Fried
nov 2010Harry Mulisch is zelf een mens
nov 2010Hannah Arendt en Gershom Scholem (2)
okt 2010Hannah Arendt en Gershom Scholem (1)
okt 2010Alexander Granach: ‘Da geht ein Mensch’
okt 2010Karl Emil Franzos: ‘Der Pojaz’
okt 2010Karl Emil Franzos: Zweigeist
sep 2010Hans Keilson
sep 2010Een intelligent hart
sep 2010Ernst Toller
sep 2010Jakob Wassermann: gebroken moralist
aug 2010Jakob Wassermann: Duitser en Jood
aug 2010Byron en de Joden
jul 2010Rathenau, ein begeisterter Deutscher, ein aufrechter Jude
jul 2010Walther Rathenau: Höre, Israel!
jun 2010Multatuli en de Joden
jun 2010Multatuli en W.A. Paap
jun 2010Herman de Man: Jood onder de boeren
mei 2010Herman de Man: ik ben een Jood
mei 2010Carry van Bruggen: een moedige Jodin
mei 2010Carry van Bruggen: De verlatene
apr 2010Carry van Bruggen: Seideravond
apr 2010Izak de Haan
apr 2010Carry van Bruggen
apr 2010Franz Baermann Steiner: Gebet im Garten
mrt 2010Franz Baermann Steiner: Praag, Jeruzalem, Oxford
mrt 2010Assaf Gavron
mrt 2010Celan en Bachmann (2)
mrt 2010Celan en Bachmann (1)
feb 2010Georg Hermann, een beschaafde Duitse Jood
feb 2010Heinz Liepmann bestraft
feb 2010Tussen orthodoxie en assimilatie
jan 2010Soma Morgenstern in de vergeethoek
jan 2010Hooligan in Roemenië
jan 2010Nogmaals Feuchtwanger
jan 2010Het succes van Feuchtwanger
dec 2009Paul Hellmann, medeaanklager
dec 2009Lezen over Auschwitz
nov 2009Ernst Weiss
nov 2009Bruno Schulz
nov 2009De zwarte zwaan van Israël
okt 2009Kafka en Else Lasker-Schüler
okt 2009Rahel Varnhagen
okt 2009Jacob Israël de Haan
okt 2009Noem het slaap
okt 2009Ongemakkelijk
sep 2009Bernard Malamud
sep 2009Leo Perutz
sep 2009De kant van Jeanne Weil
sep 2009De familie Pringsheim
aug 2009Simone Veil
aug 2009Grete Weil
jun 2009Heinrich Heine
jun 2009Ferrara
mei 2009Imre Kertész
mei 2009Aharon Appelfeld
mei 2009Joseph Roth (2)
apr 2009Joseph Roth (1)
apr 2009Zoektochten
mrt 2009Tegen het vergeten
mrt 2009Jeruzalem stond om ons heen
mrt 2009Berditsjev
mrt 2009Engführung
feb 2009Het lezen van Celan
feb 2009Moederland woord
feb 2009Abraham Sonne
feb 2009Canetti en het jodendom
jan 2009Dora Diamant
jan 2009Kafka en het zionisme
jan 2009Canon