
De odyssee van Edgar Hilsenrath, zo eindigde mijn column van vorige week. Maar, zullen we zien, het is evenzeer de odyssee van Nacht, zijn roman over het getto van Mogilev-Podolski.
De Russen bereiken Mogilev-Podolski maart 1944. De Joden zijn weer vrij. Al enkele weken later gaat de achttienjarige Hilsenrath terug naar de Boekovina. In z’n eentje. Als kwartiermaker voor zijn familie. In Die Abenteuer des Ruben Jablonski vertelt hij daarover kort en bondig:
De odyssee van Hilsenrath is begonnen. Te voet bereikt hij Czernowitz, die Perle der Bukowina. Hij weet dan al dat hij schrijver wil worden:
Als hij in Czernowitz een tante heeft gevonden, hoort hij van haar wat daar enkele jaren eerder met de Joden is gebeurd. Sie haben gleich ein paar Tausend Juden erschossen, darunter auch den Oberrabiner. Der Rest der Czernowitzer Juden wurde zum Bug abgeschoben, nach Transnistrien. Ein paar Ausnahmefälle konnten bleiben.
Aan zijn moeder laat hij weten: ... Czernowitz (war) einst eine jüdische Stadt. Die Herrengasse hat nicht mehr den alten Glanz ... Diese Zeiten sind vorbei. Czernowitz ist eine triste Stadt geworden.
Na een paar weken loopt Hilsenrath weer verder, naar Sereth, de plaats waar hij eens een gelukkige jeugd had. Hij treft er zijn familie die al enkele dagen eerder Sereth had weten te bereiken. Maar ook Sereth was een dode stad. Die Juden waren nicht mehr da. Es war, als hätte das Städtchen seine Seele verloren.
Hilsenrath besluit naar Palestina te gaan. Hij legt contact met de zionistische beweging Hanoar Hatzioni waarvan hij ook vroeger lid was geweest. Het lukt hem via Bulgarije Istanbul te bereiken om vervolgens door te reizen via Syrië naar Palestina. Daar komt hij 15 januari 1945 aan. Als wir über die palästinensische Grenze fuhren, ging ein Jubelschrei durch die Menge... Wir waren wie berauscht, als wir durch Haifa fuhren, die erste jüdische Stadt, die ich jemals gesehen hatte, obwohl Haifa auch einen arabischen Stadtteil hatte. Hilsenrath gaat werken in een kibboets in de Galil, Kfar Rupin. Maar hij is rusteloos en trekt verder naar andere kibboetsiem. In café Hirsch op de Carmel vindt hij werk als bordenwasser en in het Hadassaziekenhuis, dat geen lift heeft, bestaat zijn werk uit het dragen van brancards.
Daarnaast probeert hij te schrijven maar dat lukt niet goed. In een brief vraagt hij Max Brod om raad. Dat levert niets op want Brod antwoordt hem clichématig. Ook zijn alter ego Jablonski komt niet verder met het schrijven aan zijn roman:
Eind 1947 verlaat Hilsenrath Palestina, op een Griekse vrachtboot, met bestemming Marseille. Waarom? Verlangen naar zijn familie zal hem hebben gedreven want intussen was gebleken dat zijn vader de oorlog had overleefd, in Frankrijk, onder de naam Jean Kléber. Zijn vrouw en hun andere zoon, Manfred, hadden zich al bij hem gevoegd.
Maar er is meer. Overgeleverd is een brief die Hilsenrath 22 oktober 1945 aan zijn vader schreef. Daarin staat een opmerkelijke passage:
Bij het lezen van deze passage dacht ik aan Joseph Roth die, geworteld in Galicië, de landstreek ten noorden van de Boekovina, ook niet veel heil zag in een nationale staat, maar droomde van de ten onder gegane Oostenrijk-Hongaarse dubbelmonarchie waar, meende hij, minderheden vreedzaam naast elkaar leefden. De opvatting van Hilsenrath vind je, in meer theoretische vorm, ook bij Hannah Arendt. Hilsenrath en Arendt, zo kan je hun ideeën samenvatten, wezen het zionisme niet af maar wel het concept van een nationale staat, want dan dreigt het gevaar dat onvoldoende ruimte wordt geboden aan etnische en culturele minderheden. Net als Arendt dacht Hilsenrath in die jaren aan een binationale staat samen met de Arabieren. Jablonski laat hij het zo verwoorden: ‘Die jüdische Staat wird auch ein Araberstaat sein. Wir müssen den Zukunftsstaat zusammen machen.’

Er was voor de rusteloze Hilsenrath nog een belangrijke reden zijn odyssee te vervolgen. Hilsenrath miste in Palestina het Duits, de taal waarin hij zijn roman probeerde te schrijven. De Duitse taal zal maken dat de odyssee in Duitsland haar eindstation vindt. Maar zover is het nog niet.
Mede omdat het schrijven niet goed lukte, begon Hilsenrath in Palestina al aan depressies te lijden. Het werd er in Frankrijk niet beter op. Zijn depressies verergerden zich. De geraadpleegde artsen probeerden van alles om hem te helpen, zelfs door het toedienen van elektroshocks. Tevergeefs. Hilsenrath kwam er pas weer bovenop toen het hem lukte te schrijven. Hij zat in een café aan de Place de la Comédie, vroeg de kelner om een glas rode wijn en schrijfpapier en ontdekte dat het eindelijk zo ver was. Ich trank Wein und schrieb wie besessen, vertelt hij later. Nach zwei Stunden hatte ich dreissig Seiten geschrieben. Ich wusste plötzlich: es klappte. Ich kan schreiben. Ich bin Schriftsteller. Maar daarmee is zijn boek Nacht nog geen feit, nog lang niet.
In 1951 gaat Hilsenrath naar Amerika. New York wordt zijn nieuwe woonplaats. Tot 1975. Al die jaren zal hij met allerlei kleine baantjes in zijn levensonderhoud voorzien. Vooral als kelner. Dat geeft hem vrije tijd en die vrije tijd gebruikt hij om te schrijven. In cafés en met de pen. Maart 1954 is zijn gettoroman af. Hilsenrath koopt een tweedehands schrijfmachine en gaat het met de hand geschreven manuscript niet alleen uittypen maar ook bewerken. Ook dat kost hem jaren. 1959 – nach fünf Jahren weiterer Arbeit am Text – war die Reinschrift des Gettoromans erstellt, schrijft Helmut Braun in zijn biografie van Hilsenrath, lagen 737 Seiten Typoskripte in fünf Heftern vor, hatte der Autor seine Trauer abgearbeitet, den Kaddish für sein Volk gebetet.
Mooie woorden van Braun. Maar een uitgever voor zijn boek vindt Hilsenrath niet. Dat duurt nog tot 1964 als Kindler Verlag de roman uitgeeft, in een kleine oplage die in Duitsland nauwelijks opvalt. Achter de schermen heeft met name Ernest Landau, een Joodse medewerker van Kindler Verlag, zich tegen een ruimere verspreiding van Nacht verzet. Hij meende dat het gedrag van de Joden in het getto, zoals door Hilsenrath beschreven, de slachtoffers bezoedelde en in het naoorlogse Duitsland voedsel zou kunnen geven aan nieuwe antisemitische argumenten.
De tocht door uitgeversland is gelukkig nog niet teneinde. Een grote Amerikaanse uitgever, Doubleday & Company, bracht in 1966 een Engelse vertaling van Nacht uit die wel veel succes had. Het leidde zelfs tot een pocketuitgave bij Manor Books. Geld leverde dat alles nog niet op. Hilsenrath bleef werken als kelner. Manor Books ging naderhand failliet en eerst toen bleek dat Hilsenrath nog recht had op nooit uitbetaalde honoraria tot $ 167.500. Door het faillissement liep hij dat geld definitief mis.
Ook zijn tweede boek, in het Engels The Nazi and the Barber, kwam bij Doubleday & Company uit. In 1971. De Duitse uitgevers toonden echter geen enkele interesse. Er kwam voorshands geen uitgave in de taal waarin deze roman oorspronkelijk was geschreven. In 1975 was het voor Hilsenrath, die in Amerika het contact met de Duitse taal dreigde te verliezen, de doorslaggevende reden om naar Duitsland te verhuizen.
In 1977 ontmoet Hilsenrath Helmut Braun, die een kleine uitgeverij had en Der Nazi & der Friseur uitgeeft. In 1978 gevolgd door Nacht. En dat is het begin van het succes, ook in Duitsland. Tegen Der Nazi & der Friseur waren eveneens bedenkingen. Het is een satirische roman die daardoor irritatie kan oproepen. Maar de weerstand tegen beide romans, ook in Joodse kring, neemt af.
Dat blijkt wel als Hilsenrath in 1992 de Heinz Galinski Prijs van de Joodse Gemeente Berlijn wordt toegekend. Zijn biograaf Braun vermeldt dat in de feestrede nadrukkelijk ook Nacht* en Der Nazi & der Friseur werden genoemd. Gerade diese beiden Bücher waren bei ihrem Erscheiden unter den Juden in Deutschland und Israel umstritten und hatten für manche Irritation gesorgt. Die Preisverleihung, so empfand ich es, schrijft Braun, zeigte jetzt, dass der Autor und sein Werk nunmehr anerkannt waren und die jüdischen Institutionen ihren Frieden mit Edgar Hilsenrath geschlossen hatten.

In 2006 verscheen Berlin ... Endstation. Hilsenrath beschrijft in die roman de terugkeer naar Berlijn van Joseph Leschinsky, Lesche zoals iedereen hem noemt. Hilsenrath schrijft zijn romans vaak rond een thema dat samenvalt met zijn eigen ervaringen. Maar natuurlijk is Lesche niet één op één Hilsenrath.
De Einzelgänger Hilsenrath was buiten Duitsland van zijn enige geliefde afgesloten, de Duitse taal. ‘Es geht mir nur um die Sprache’, laat Hilsenrath Lesche zeggen. ‘Man kann die deutsche Sprache lieben, ohne die Deutschen zu lieben’. In zijn roman beschrijft Hilsenrath de tegenstrijdige gevoelens en ervaringen van een Joodse schrijver die in Berlijn gaat wonen. Het is voor Lesche niet gemakkelijk in Duitsland te leven. Hij droomt ervan een medescholier uit Halle om te brengen die hem indertijd heeft gepest omdat hij een Jood is. Die medescholier blijkt tot andere gedachten over zijn verleden te zijn gekomen. Er zijn echter in Duitsland ook neonazi’s die de woning van Lesche bekladden en hem bedreigen.
In de roman krijgt Lesche, net als Hilsenrath zelf, een beroerte. Op zijn ziekbed overdenkt Lesche zijn leven. Hij denkt ook aan zijn roman. Es war ein Ghetto-roman, und Lesche hatte ihn mit seinem Herzblut geschrieben.
Hilsenrath laat Lesche in Berlin ... Endstation overlijden. De laatste zinnen van de roman luiden:
Auschwitz is het symbool van de sjoa, schreef ik vorige week, maar daardoor kan uit het zicht raken dat in het midden en oosten van Europa veel Joden ook buiten de bekende concentratiekampen zijn omgekomen. Ongeveer 90.000 Joden zijn in 1941 uit de Boekovina naar Transnistrië en de werkkampen aan de andere kant van de Bug gedeporteerd. Lastig te achterhalen valt hoeveel van hen het leven hebben gelaten, vermoord of door honger, ziekte en uitputting omgekomen. Het zijn er, zo staat vast, in ieder geval tienduizenden geweest.
Edgar Hilsenrath en zijn familie zijn 14 oktober 1941 naar Mogilev-Podolski gedeporteerd waar ze na een dagenlange treinreis aankwamen. Op de kaart bij de vorige column is die kleine stad te vinden aan de oevers van de rivier de Dnjestr, Nistru in het Roemeens, vandaar Transnistrië. Er zijn foto’s in omloop, afkomstig van het Bundesarchiv, waarop te zien is hoe de Duitsers, die juni 1941 Rusland binnenvielen, de plaatselijke Joden dwangarbeid lieten verrichten.

Van de Joden van Mogilev-Podolski waren velen al omgekomen toen de met de Duitsers verbonden Roemenen daar oktober 1941 een getto inrichtten. Samen met 50.000 andere gevangenen, niet alleen uit de Boekovina, hebben Hilsenrath en zijn familie tot de bevrijding door de Russen, eind maart 1944, in het getto van Mogilev-Podolski gewoond. Gewoond is niet zo’n goed woord. De huizen van Mogilev-Podolski waren na de Duitse invasie voor een belangrijk gedeelte verwoest. Hilsenrath en zijn familie hadden het geluk goede contacten te hebben en met anderen een schoolgebouw te kunnen betrekken. Zij overleefden het, 40.000 anderen niet.
Hilsenrath heeft over zijn persoonlijke ervaringen in Mogilev-Podolski maar weinig losgelaten. Een korte beschrijving staat in Die Abenteuer des Ruben Jablonski:
De formulering, Hilsenrath heeft over zijn persoonlijke ervaringen in Mogilev-Podolski maar weinig losgelaten, een citaat uit de biografie van Helmut Braun, is juist maar tegelijk ook weer niet. In zijn boek Fuck America staat het volgende gesprek:
In bijna gelijke bewoordingen schrijft Hilsenrath later: wie das grosse Sterben aussieht und wie man in solch einem Ghetto überlebt, das habe ich in meinem Roman ‘Nacht’ beschrieben, ohne Beschönigung, so wie es wirklich war. Hilsenrath heeft lang aan zijn boek gewerkt, tot maart 1954, negen jaar. Het viel hem zwaar een boek te schrijven over het getto van Mogilev-Podolski, so wie es wirklich war. Manfred Hilsenrath bevestigt in zijn herinneringen dat het boek van zijn broer een waarheidsgetrouw beeld geeft van het gettobestaan. Al is het geen ooggetuigenverslag maar een roman. Uit Die Abenteuer des Ruben Jablonski:
Hilsenrath heeft als schrijver geen compromissen willen sluiten. Daardoor heeft zijn roman over het getto van Mogilev-Podolski ook weerstand opgeroepen. Zijn beschrijving van het gettoleven is rauw. Moreel hoogstaande keuzes konden de bewoners van het getto zich niet altijd permitteren. De in het getto opgesloten Joden zijn niet allemaal lieverdjes. Bepaald niet. Het zijn wel allemaal slachtoffers. Dat de Joden in het getto moesten zien te overleven, is de Duitsers en de met hen optrekkende Roemenen toe te rekenen. Juist dezer dagen is het belangrijk aan de scheidslijn tussen daders en slachtoffers vast te houden.
![]() | ![]() |
In 2008 is bij Uitgeverij IJzer een Nederlandse vertaling van Nacht verschenen met een nawoord van Arnon Grunberg. De roman is geschreven vanuit de beleving van de gettobewoners. Grunberg merkt daarover op: ‘het wordt niet met zoveel woorden gezegd, maar waarschijnlijk Joden’ en dat begrijp ik niet. Al op de eerste bladzij van Nacht ‘frunnikte’ de hoofdpersoon, Ranek - hij is op zoek naar een slaapplaats - ‘een poosje nerveus aan zijn jas, daar waar de vuilgele jodenster zat; die was wat los gaan zitten en hij duwde hem weer vast.’ Om nog een voorbeeld te geven: als Ranek een keer aardappels te eten heeft, fluit hij tevreden voor zich uit. ‘Een oud Joods liedje, waar hij de woorden van was vergeten.’ Passages genoeg waaruit blijkt dat het Joden zijn die in het getto zijn opgesloten.
Geschreven vanuit de beleving van de in het getto opgesloten Joden, speelt de buitenwereld in Nacht nauwelijks een rol. Met de buitenwereld hebben de gettobewoners vrijwel geen contact. Vluchten is ook ‘absurd’, er is geen andere mogelijkheid dan wachten tot de oorlog voorbij is. Niet de buitenwereld maar die Tote bilden die permanente Kulisse des Ghetto-Geschehens, schrijft Klaus Werner. Overleven is het onderwerp van de roman. Voor overleven heb je een slaapplaats nodig en eten en dat is allebei schaars, zeer schaars. Het zoeken naar een slaapplaats en naar eten bepaalt het dagelijkse leven. Ranek heeft een plek gevonden in het nachtasiel. Wie de roman heeft gelezen, kan het nachtasiel niet meer vergeten. Zo is er een slaapplaats onder het fornuis en in een nis onderaan de trap waar degenen die aan vlektyfus lijden worden neergelegd om te sterven.
Om de kleding van de doden wordt gevochten want die kan worden geruild, bijvoorbeeld in de bazaar aan het begin van de Puschkinskaja. ‘Hier werd gehandeld in oude kleren, voetlappen en schoenen, potten en braadpannen, in vergeelde trouwringen en in de gouden tanden van doden.’ ‘Op een of andere manier lukte het altijd’, denkt Ranek, ‘een oplossing te vinden om uit de zwarte, doodlopende straat van de hopeloosheid te geraken’.
Ranek gaat erg ver om te overleven. Hij steelt zelfs eten van een kind. ‘Ja’, zegt hij in de roman, ‘Ik heb van alles op mijn kerfstok. Maar ik heb nog niemand omgebracht.’ Ranek is een overlever totdat de vlektyfus ook hem inhaalt, net als eerder zijn broer Fred.
Tot slot wil ik eerst nog een gesprek aanhalen uit de roman Fuck America:
Ook in de roman Nacht is er hoop. Op schaarse momenten, maar toch. Zo is er een jongen die een kind, zijn kleine zusje, beschermt en nooit in de steek laat. Die jongen ziet Ranek samen met Debora, de vrouw van zijn overleden broer. ‘Het lijkt erop dat die twee daar beneden echt bij elkaar horen’, zei de jongen, ‘zoals wij tweeën. Zij hebben namelijk ook niemand meer.’ ‘Niemand meer?’ vroeg het kind. ‘Zij zijn ook de laatsten’, zei de jongen.
Debora heeft de hoop nooit opgegeven en komt na de dood van Ranek in gesprek met een oude vrouw, die haar zegt: ‘geluk bestaat ook hier bij ons. Er bestaat nog het geluk van de verkleumden die een warme deken vinden, het geluk van de hongerigen die brood vinden. En het geluk van de eenzamen die liefde vinden.’ Die zinnen, ze verbinden 4 en 5 mei, staan op één van de laatste bladzijden van de roman.
Verliebt in die deutsche Sprache, die Odyssee des Edgar Hilsenrath, is een in 2005 door Helmut Braun uitgegeven boek ter gelegenheid van een tentoonstelling in de Akademie der Künste in Berlijn. Met veel fotomateriaal. Over die Odyssee des Edgar Hilsenrath volgende keer.
Sereth, nu Siret, gelegen aan de gelijknamige rivier, was een kleine plaats in de Boekovina met, in 1941, ongeveer 1600 Joden. De oorlog bereikte ook de Boekovina en de Joden van Sereth zijn naar Transnistrië gedeporteerd wat de meesten van hen niet hebben overleefd. Auschwitz is het symbool van de sjoa maar daardoor kan uit het zicht raken dat in het midden en oosten van Europa veel Joden ook buiten de bekende concentratiekampen zijn omgekomen.

Nee, niet alle Joden uit Sereth zijn dood. De broers Edgar en Manfred Hilsenrath leven nog, de één werd schrijver van romans, het citaat is uit zijn boek De thuiskomst van Jossel Wassermann, en de ander is gaan werken voor het ruimtevaartonderzoek in Amerika. Dit voorjaar is een boek gepubliceerd waarin Manfred Hilsenrath herinneringen ophaalt aan de hand van bepaalde passages uit de romans van zijn broer. De aanhalingen uit de romans en de herinneringen van Manfred Hilsenrath zijn achter elkaar geplaatst. Zwei Seiten der Erinnerung, die Brüder Edgar und Manfred Hilsenrath heet het door Volker Dittrich samengestelde en uitgegeven boek.

Bij die opzet kan wel een vraagteken worden geplaatst. Zo gaat De thuiskomst van Jossel Wassermann over Pohodna, een sjtetl dat aan de rivier de Proet zou liggen. Pohodna is niet zonder meer Sereth al zal Hilsenrath ongetwijfeld veel hebben verwerkt van wat hij in Sereth heeft gezien en meegemaakt. Dat geldt zeker ook voor zijn (niet in het Nederlands vertaalde) roman Die Abenteuer des Ruben Jablonski, die de ondertitel Ein autobiographischer Roman draagt en waarin Sereth wel bij name wordt genoemd.
Helmut Braun heeft zijn biografie van Edgar Hilsenrath, in 2006 bij Dittrich verschenen, de titel Ich bin nicht Ranek meegegeven, een aanhaling van Hilsenrath zelf waarmee hij heeft willen zeggen dat hij niet kan worden vereenzelvigd met Ranek, de hoofdpersoon uit zijn roman Nacht. Toch gebruikt ook Helmut Braun voor zijn biografie passages uit de romans. Als men maar in het oog blijft houden dat de romans niet één op één het levensverhaal van Hilsenrath vormen, is dat niet erg. Vrijwel alle romans van Hilsenrath weerspiegelen zijn levensverhaal. Waarschijnlijk is Edgar Hilsenrath, na Isaac B. Singer, de laatste schrijver die het talent, de kennis en de kracht heeft om het vooroorlogse jodendom in zulke authentieke kleuren tot leven te wekken, staat op de achterkant van De thuiskomst van Jossel Wassermann, in de vertaling van Elly Schippers. En daar gaat het om. De wind, die in het eerdere citaat uit dit boek aan het woord komt, is de wind die waait om de trein met de uit Sereth gedeporteerde Joden. Nog een citaat uit die roman:
Edgar en Manfred Hilsenrath zijn niet in Sereth geboren. Daar woonden hun grootouders, de ouders van hun moeder, en andere verwanten. Edgar is 2 april 1926 in Leipzig geboren waar zijn vader handelde in bont. De familie is daarna naar Halle verhuisd, de vader was in die plaats een kleine meubelwinkel begonnen. In Halle zijn Edgar en de drie jaar jongere Manfred opgegroeid totdat hun vader, gedwongen door de steeds verdergaande antisemitische maatregelen, zijn vrouw en twee zonen naar de familie in de Boekovina stuurde. Op 14 juli 1938 kwamen zij met de trein in Sereth aan.
Later zal Edgar Hilsenrath worden gevraagd welke streek hij als zijn Heimat ervaart en hij antwoordt (ik citeer uit de biografie van Helmut Braun):
Hilsenrath vertelt in Die Abenteuer des Ruben Jablonski over het bruisende leven in Sereth, es war immer was los in Sereth. Juden, Ukrainer, Rumänen und die anderen Volksgruppen lebten friedlich zusammen:
En, inderdaad, in Sereth bleef het voorlopig rustig. Tot juni 1941. Maar zover is het nog niet en ik zou graag Sereth uitgebreid tot leven roepen aan de hand van De thuiskomst van Jossel Wassermann en Die Abenteuer des Ruben Jablonski. Ik zal me bedwingen want beide romans kan de lezer van deze columns, vast en zeker ook een liefhebber van boeken over onze geschiedenis, gemakkelijk zelf aanschaffen. De thuiskomst van Jossel Wassermann is bij Ambo | Anthos verschenen en Die Abenteuer des Ruben Jablonski (net als de andere romans van Edgar Hilsenrath) bij de Deutscher Taschenbuch Verlag.
Laat ik de grootvader van de broers Hilsenrath een centrale plaats geven met enkele citaten over de talen die de Joden van Sereth spraken en over hun leven volgens de Joodse tradities. In Die Abenteuer des Ruben Jablonski schrijft Hilsenrath dat de eenvoudige Joden in Sereth Jiddisj spraken maar de meer ontwikkelden Duits, zij het met een Boekoviner accent.
Nog een mooie passage uit Die Abenteuer des Ruben Jablonski. Een oudere heer vertelt aan de moeder van Hilsenrath wat een Duitse officier eens tegen hem heeft gezegd:
Over het leven volgens de Joodse tradities laat ik Manfred Hilsenrath aan het woord:
Helmut Braun nuanceert in zijn biografie dit beeld enigszins. Edgar Hilsenrath heeft in Sereth wel degelijk veel van de Joodse rituelen en gebruiken meegekregen. Hij was drie jaar ouder dan zijn broer en bereidde zich ernsthaft voor op zijn bar mitswa in 1939. Kort daarna, schrijft Braun, verlor er sein Interesse an der Religion. Hilsenrath heeft echter altijd zijn Joodse hart behouden en dat is het belangrijkste laat hij Jossel Wassermann zeggen. Zijn moeder had op zijn verzoek varkensvlees in huis gehaald. In de biografie van Braun zag ik een foto uit 1977 waarop hij samen met zijn moeder de seideravond viert in de Joodse gemeente van Berlijn. Die keer was dat op haar verzoek. Zijn moeder stierf een half jaar later in Israël, in Nahariya.
Sereth lag helaas niet am Arsch Europas. Oostenrijk was het hart van Europa, schrijft Hilsenrath in De thuiskomst van Jossel Wassermann, en Oostenrijk was de hoop op een mogelijk samenleven onder één kroon, in een staat met vele volkeren, nationaliteiten, religies, talen, zeden en gewoonten. Wij, in de Boekovina, waren dus het hart van Europa, maar als de meest oostelijke provincie waren we tegelijkertijd het achtereind van dat hart, iets wat ze in Czernowitz, onze hoofdstad, niet graag hoorden.
Nee, Sereth lag helaas niet am Arsch Europas. Sereth lag midden in Europa. Eind juni 1941 verlaten Edgar en Manfred Hilsenrath met hun moeder Sereth. Samen met de overige familieleden en bijna alle andere Joodse inwoners. Weer per trein. Uiteindelijk, 14 oktober 1941, naar Transnistrië, het land tussen de rivieren Dnjestr en Bug. Voor de volgende column zult u de hiervoor afgedrukte kaart nog een keer nodig hebben.
Gabriel Bach, één van de aanklagers in het proces tegen Eichmann, gaf 26 maart van dit jaar een boeiende lezing in het Vredespaleis in Den Haag. Crescas maakte een prachtige registratie van deze lezing die u hier kunt bekijken. Het is zeer de moeite waard naar Gabriel Bach te kijken en luisteren. Juist in deze dagen rond Jom Hasjoa. Het proces tegen Eichmann is een ijkpunt in de bewustwording van wat tijdens de Holocaust is gebeurd.
Bach noemt in zijn belangwekkende lezing ook het boek van Hannah Arendt, Eichmann in Jeruzalem. Daarover is hij niet erg positief, hij vindt dat Hannah Arendt er maar ‘vreemde ideeën’ op na heeft gehouden. In eerdere columns heb ik al eens over Hannah Arendt geschreven (29 oktober 2010, 5 november 2010 en 27 januari van dit jaar). Daarbij heb ik steeds benadrukt hoe belangrijk haar notie is dat, zoals Tony Judt schrijft in De vergeten twintigste eeuw, ‘het kwaad het gevolg is van eenvoudigweg niet dénken’. Dit is een wel erg eenvoudige samenvatting. Het kwaad zelf wordt er niet door verklaard, veeleer waarom sommigen meededen. Hannah Arendt heeft geconstateerd dat het niet zelfstandig blijven denken een mens ertoe kan brengen zich te voegen in een verderfelijk systeem als het nationaalsocialisme. Zo’n vreemd idee is dat niet. Ik noem expres ook Tony Judt omdat ik hou van persoonlijkheden als Hannah Arendt en Tony Judt, die, om de lijn door te trekken, je aan het denken zetten.
Maar Tony Judt schrijft in zijn opstel over Hannah Arendt ook: ‘Er is bij Arendt een voortdurende spanning voelbaar tussen de fundamentele plicht om zich met de filosofie bezig te houden en de natuurlijke voorkeur (en het talent) voor politiek en moreel commentaar en wat zij intellectuele áctie noemde’. Hierin schuilt het gevaar dat men af en toe te kort door de bocht gaat. Ook haar boek over Eichmann gaat daaraan mank. Gabriel Bach heeft gelijk wanneer hij betoogt dat Eichmann niet slechts een onnadenkende meeloper was maar zich verregaand vereenzelvigde met de ideologie die tot doel had de Joden uit te roeien. Hij was soms overijverig. Het ‘eenvoudigweg niet dénken’ is niet het enige dat over Eichmann valt op te merken en Hannah Arendt koos, zou men kunnen zeggen, het verkeerde voorbeeld voor haar terechte constatering dat het belangrijk is altijd zelfstandig te blijven denken.
Ik had in dit verband al eens eerder op de schrijver en historicus Doron Rabinovici willen wijzen. Rabinovici, geboren in 1961 in Tel Aviv, maar al sinds 1964 wonend in Wenen, schreef verschillende opvallende romans, waaronder Suche nach M., het verhaal van Dani Morgenthau en Arieh Scheinowitz, zonen van overlevenden die worstelen met het thema schuld. Een andere roman van Rabinovici is Andernorts, over twee mannen, Ethan Rosen en Rudi Klausinger, die levend en werkend in Tel Aviv en Wenen op geheimzinnige wijze met elkaar verbonden blijken, een roman rond het thema familie. Rabinovici is hier nauwelijks bekend omdat zijn romans niet in het Nederlands zijn vertaald. Dat geldt helaas ook voor zijn historisch werk Instanzen der Ohnmacht, Wien 1938-1945, Der Weg zum Judenrat. Dit boek is vorig jaar wel in het Engels vertaald, onder de titel Eichmann’s Jews, The Jewish Administration of Holocaust Vienna, 1938-1945.
![]() | ![]() |
Laat ik beginnen met het oordeel van Rabinovici over de opvatting van Hannah Arendt:
Ik had eerst de woorden ‘kein Dämon, sondern’ uit het citaat willen weglaten, omdat een niet scherp omlijnd begrip als ‘demon’ aanleiding tot misverstanden kan geven. Maar zo mag je natuurlijk niet met citaten omgaan. Ik laat het dus staan. Het gaat me vooral om het evenwichtige oordeel van Rabinovici die onderkent dat Arendt overtuigende opvattingen had over de banaliteit van het kwaad, maar daarvoor de verkeerde persoon als voorbeeld koos.
Het boek van Rabinovici is daarom zo interessant omdat hij aantoont dat Wenen als voorbeeld kan gelden voor de manier waarop de nationaalsocialisten ook in andere landen de deportatie van de Joden gaan organiseren. In Wenen entwickelte das Sonderkommando des SD-Referates II-112 unter Adolf Eichmann das ‘Vorzeigemodell’ nationalsozialistischer ‘Judenpolitik’. Wenen was voor Eichmann als het ware de proeftuin voor zijn latere optreden. En ijver, blijkt uit het boek van Rabinovici, kan hem in Wenen helaas niet worden ontzegd.
Eichmann kwam 16 maart 1938, dus slechts enkele dagen na de Anschluss, naar Wenen. Twee dagen later vielen de nazi’s het gebouw van de Joodse gemeente binnen en Eichmann was daar persoonlijk bij aanwezig. Rabinovici gebruikt het woord razzia. Niet alleen werd het gebouw doorzocht en gesloten, bovendien werden de belangrijkste leden van de gemeente voor enige tijd gevangen gezet. Vanaf dat moment was de Joodse gemeenschap van Wenen aan Eichmann overgeleverd. Al bij hun eerste ontmoeting gaf Eichmann Josef Löwenherz, de voorzitter van de gemeente, een klap in het gezicht. Er beschimpfte, bedrohte und verhöhnte Juden, schrijft Rabinovici. War er 1937 in Berlin noch eine untergeordnete Figur gewesen, übernahm er in Wien die Initiative, das Management des Terrors und der Austreibung. In Wenen werd Eichmann van ondergeschikte, initiatiefnemer.
In de meeste steden van Duitsland brandden de synagogen tijdens de Kristallnacht, 9 november 1938, voor de eerste keer. Wenen was Duitsland al voorgegaan. In Wien jedoch waren schon im Oktober die Fensterscheiben mehrerer Synagogen eingeschlagen, Thorarollen geschändet, einzelne Bethäuser zerstört und der grosse Tempel im 2. Bezirk angezündet worden. Een maand later, tijdens de Kristallnacht, brandden in Wenen nogmaals 42 synagogen en gebedshuizen. Het geweld richtte zich toen ook op mensen: 27 Personen wurden allein in Wien totgeschlagen. 6547 Juden wurden festgenommen, 3700 davon wurden nach Dachau deportiert. De pogrom van november 1938 betekende voor de Joden van Wenen een duidelijke cesuur. Elke hoop op een normalisering van de betrekkingen met de machthebbers was vanaf dat moment definitief verdwenen. Wer nach dem Novemberpogrom, im Laufe der nächsten Monate, nicht mehr entrinnen konnte, wurde nach der totalen Ausbeutung zumeist in Konzentrationslagern ermordet.
Het centrale thema van het boek van Rabinovici is de wijze waarop Eichmann in Wenen voor de eerste keer, als Vorlaufmodell, het instituut van de latere Joodse Raden in het leven heeft geroepen. Rabinovici laat zien dat de door Eichmann aangestelde vertegenwoordigers van de Joodse gemeente, de Judenältesten, geen enkele echte macht hadden maar slechts een werktuig waren in handen van de nationaalsocialisten. Zij behoorden tot de categorie slachtoffers, ook al kan over de persoonlijke motieven en het gedrag van ieder van hen verschillend worden geoordeeld. Maar dat is een ander onderwerp. Eichmann echter behoorde tot de categorie daders.
De lezing van Gabriel Bach gaf mij aanleiding aandacht te vragen voor het belangrijke boek van Doron Rabinovici. Het biedt veel historisch materiaal en leest gemakkelijk. Maar dat mag je van een schrijver als Rabinovici wel verwachten.
Het is 22 april 1947. Anna Seghers is terug in Berlijn. Al op 9 mei ontvangt zij een brief van Dolf Sternberger, de uitgever van het tijdschrift Die Wandlung. Sternberger schrijft hoeveel haar boek Het zevende kruis voor hem heeft betekend en stuurt haar het laatste nummer van Die Wandlung. Seghers antwoordt 22 mei en bedankt voor het tijdschrift: Ich war hier in dieser Stadt froh, eine Seite Kafka plötzlich in einer überfüllten Untergrundbahn zu lesen. Dit slaat terug op Kafka's verhaal De slag tegen de poort dat in het tijdschrift was afgedrukt. Seghers las het in de metro van Berlijn. In het verhaal van Kafka zijn een man en zijn zuster op weg naar huis als de zuster op een langs de weg gelegen poort slaat. De man wordt gearresteerd en vraagt zich aan het eind van het korte verhaal af: Zou ik nog andere lucht kunnen inademen dan die van de gevangenis? Dat is de grote vraag, of liever, zij zou het zijn als ik nog kans had vrijgelaten te worden.

De tussen Seghers en Sternberger gewisselde brieven staan in Hier im Volk der kalten Herzen, Briefwechsel 1947, verschenen bij Aufbau Taschenbuch Verlag. Wie de brieven uit 1947 leest, vraagt zich af waarom Seghers toen naar Duitsland is teruggegaan, alleen, zonder Laszlo Radvanyi die in Mexico blijft en pas in 1952 naar Berlijn komt en zonder haar beide kinderen die in Parijs studeren. Een Duitsland bovendien dat ze als koud ervaart, aussen wie innen kaputt. Der Faschismus hat das Land entsetzlich verwüstet, innen und aussen, vor allem innen, schrijft ze.
Duitsland lag niet echt voor de hand. De nationaalsocialisten hadden haar moeder, Hedwig Reiling, vermoord. Maar daarover kan ze niet schrijven. In één van haar brieven uit 1947, die zij ondertekent met deine hundsmüde, kaputtne, alte Netty, merkt ze op: Ich glaube gar nicht, dass der Mund überläuft, wenn das Herz voll ist. Der Mund verschliesst sich dann manchmall erst recht. En enkele regels verder in dezelfde brief: Ich spreche gar nicht von meiner Mutter. Over persoonlijke ervaringen die haar diep raken, zwijgt ze. Zelfs tegenover goede vrienden.
Het is vooral de schrijfster Anna Seghers die terugkeert naar Duitsland: in meiner Muttersprache kann ich am besten helfen, etwas besseres aus dem Schutt zu machen, schrijft ze. Dat ziet ze als haar taak. Ze kiest voor Berlijn uit plichtsgevoel. In één van haar brieven spreekt ze over den Festen Willen alles zu tun, dass dieses unglückselige Land nicht noch einmal ein Schlachtfeld in Europa wird. In een interview uit die tijd formuleert ze het zo:
Seghers heeft het zich niet gemakkelijk gemaakt. Ze refereert in haar brieven enkele malen aan Het slot van Kafka en verzucht dat ze zich voelt als de landmeter die (volgens de door Max Brod overgeleverde slotscène) pas op zijn sterfbed toestemming krijgt zich blijvend in het dorp te vestigen. Na 1947, zo vermoed ik, zullen De slag tegen de poort en Het slot van Kafka haar nog wel eens door het hoofd hebben gespeeld.
Seghers identificeerde zich van jongs af aan met de zwakken in de samenleving. Meine Mutter hatte ein starkes Sozialempfinden, zei Seghers eens. Dat had ze dus niet van een vreemde. Haar opvattingen over een rechtvaardige samenleving en haar ervaringen tijdens de Weimarrepubliek maakten dat zij zich al spoedig aangetrokken voelde tot het communisme. In de jaren na de Eerste Wereldoorlog is zij niet de enige. Wilhem von Sternburg schrijft in zijn mooie boekje over Anna Seghers: Dass sich unter den Anhängern der Kommunisten (...) viele jüdische Intellektuele finden lassen, ist kein Zufall. Europas Juden besitzen die jahrhundertealte Erfahrung von Verfolgung, Unterdrückung und Bedrohung. Für sie gewinnt die gesellschaftliche, wirtschaftliche und politische Befreiung eine existenzielle Bedeutung.
Aan haar idealen is Seghers haar leven lang trouw gebleven. Zehl Romero, haar biograaf, spreekt zelfs van een fataal plichtsgevoel, omdat zij in de DDR is gebleven, ook toen in dat land sprake was van onderdrukking en van antisemitisme. Binnenskamers heeft ze geprotesteerd en zich ingezet voor vrienden en bekenden die in moeilijkheden waren gekomen. Publiekelijk toonde ze zich echter steeds loyaal aan het regime van de DDR. Had zij als internationaal bekend schrijfster niet duidelijker en vaker kunnen protesteren? Seghers heeft inderdaad vaak, te vaak, gezwegen. Ze heeft ook boeken geschreven die door een ver doorgevoerde politieke stellingname het niveau van Het zevende Kruis niet haalden. Maar haar eerlijke keus voor een leven in dienst van de gerechtigheid staat buiten twijfel. En Netty Reiling is ook in die jaren niet geheel achter Anna Seghers verdwenen.
Sigrid Bock begint haar boek over Die Verwandlung der Netty Reiling in Anna Seghers met een beschrijving van de werkkamer van Seghers in haar woning in Berlin-Adlershof aan de Volkswohlstrasse, nu Anna Seghers-Strasse. Tegenwoordig is in de woning de Anna-Seghers-Gedenkstätte gevestigd. Haar bibliotheek is bewaard gebleven. Met het werk van Heine en van Kafka. Seghers was al heel vroeg met het werk van Kafka bekend en Bock vermeldt dat ze de eerste druk van Der Prozess bezat, in 1925 uitgegeven door Die Schmiede. Kafka heeft Netty Reiling en Anna Seghers een leven lang begeleid. Seghers had ook een exemplaar van Die Geschichten des Rabbi Nachman van Buber uit 1906. En verschillende haggadot waaronder het exemplaar dat zij in 1954 had gekregen van Ernst Simon, hoogleraar aan de Hebreeuwse Universiteit in Jeruzalem. Haar bibliotheek, schrijft haar biograaf, laat zien dat zij zich steeds met Joodse thema’s en tradities bezig heeft gehouden, ook al had ze de religie achter zich gelaten.
Het werk van Kafka was in de Oostbloklanden lange tijd taboe. Daarin kwam pas verandering door de conferentie over Kafka mei 1963 in het Slot Liblice, vlak bij Praag. Seghers woonde de conferentie bij samen met enkele jonge germanisten uit de DDR. Die vertolkten het officiële standpunt dat Kafka niet meer van belang was omdat de vervreemding die in zijn werk centraal staat, in een socialistische samenleving achterhaald is. Seghers stak niet onder stoelen of banken dat zij over de betekenis van Kafka anders dacht.
Tien jaar later zal ze dit herhalen in haar verhaal Die Reisebegegnung, opgenomen in de bundel Sonderbare Begegnungen. Monika Melchert heeft de titel van haar boekje over Anna Seghers aan dit verhaal ontleend: Mit Kafka im Café, Die schönsten Szenen bei Anna Seghers. Ik vermeld dit omdat op de omslag van dit boekje een aardige tekening van een onbekende Tsjechische kunstenaar is afgedrukt.

Rechts zien we Seghers, de tweede van rechts is Kafka. Links zijn de schrijvers Gogol en Hoffmann afgebeeld. Ik bezit het verhaal Die Reisebegegnung in een eenmalige uitgave met een beperkte oplage van Rutten & Loening uit 1992. Een prachtig uitgegeven boekje in de serie Die schwarzen Bücher.
In haar verhaal beschrijft Seghers de imaginaire ontmoeting van Hoffmann (1776-1822) en Gogol (1809-1852) in een café in Praag waar deze beide schrijvers ook Kafka tegenkomen die aan een tafeltje zit te schrijven. Kafka leest hen in de loop van het gesprek gedeelten voor uit Het slot en uit het verhaal De ruiter op de kolenkit. Kafka vertelt ook één van de verhalen van rabbi Nachman die Buber heeft naverteld. Een opvallend citaat:
Uit dit verhaal blijkt de sympathie van Seghers voor Kafka. Door Kafka, schrijft Zehl Romero, hält die Autorin Zwiesprache mit einer dunklen Seite ihrer selbst, die sie seit der Jugend fürchtete, in der sie aber auch ihre tiefsten Wurzeln spürte. Laat ik het in het verlengde van mijn vorige columns zo formuleren: achter Anna Seghers is hier nog steeds Netty Reiling zichtbaar, met haar onzekerheden en met haar dromen. Maar dan moet je wel goed lezen want ze weet dat soms goed verborgen te houden.
Tegen een vriendin sprak Anna Seghers eens over haar geliefde Joodse volk. Zo heeft ze zich niet vaak uitgelaten al heeft ze haar Joodse wortels nooit verloochend. In haar werk moet je er echter goed naar zoeken. Die zoektocht is niet tevergeefs. Er is alle reden om haar in ons hart te sluiten. En te blijven lezen. Haar biograaf schrijft terecht: