Crescas handje
Bel Crescas: 020 - 640 23 80
Crescas schoolbord
Columns
Weblogs disclaimer

Leo Frijda

Leo Frijda was rechter en bestuurslid van verschillende Joodse organisaties. Na zijn pensionering is hij over literatuur gaan schrijven, eerst in Kol Mokum, het kwartaalblad van de Liberaal Joodse Gemeente Amsterdam, waarvan hij redacteur was, en daarna ook voor de website van Crescas. Hij werkte mee aan Ik heb u den Havelaar niet verkocht, Multatuli contra Van Lennep, in 2010 verschenen bij uitgeverij Bas Lubberhuizen. Najaar 2011 publiceerde Amphora Books een aantal van zijn columns, uitgebreid met een laatste, meer persoonlijk gekleurd hoofdstuk, onder de titel Het Jodendom laat je niet los.
vrijdag 11 mei 2012
reageer op deze column
Delen |

De odyssee van Edgar Hilsenrath

De odyssee van Edgar Hilsenrath, zo eindigde mijn column van vorige week. Maar, zullen we zien, het is evenzeer de odyssee van Nacht, zijn roman over het getto van Mogilev-Podolski.

De Russen bereiken Mogilev-Podolski maart 1944. De Joden zijn weer vrij. Al enkele weken later gaat de achttienjarige Hilsenrath terug naar de Boekovina. In z’n eentje. Als kwartiermaker voor zijn familie. In Die Abenteuer des Ruben Jablonski vertelt hij daarover kort en bondig:

Meine Mutter hatte zwei Flaschen Wodka besorgt, um die russischen Soldaten zu bestechen. Sie gab mir ausserdem zwanzig Rubel und fünf von den geheimen Dollars. Die Dollars nähte sie fürsorglich in mein Jackenfutter ein. Ich verabschiedete mich von meiner Mutter, meinem jüngeren Bruder, vom Grossvater, der Tante und dem Onkel. Dann machte ich mich auf den Weg.

De odyssee van Hilsenrath is begonnen. Te voet bereikt hij Czernowitz, die Perle der Bukowina. Hij weet dan al dat hij schrijver wil worden:

‘Worüber wollen Sie schreiben?’ fragte sie.
‘Über das Ghetto’, sagte ich, ‘und den Krieg.’

Als hij in Czernowitz een tante heeft gevonden, hoort hij van haar wat daar enkele jaren eerder met de Joden is gebeurd. Sie haben gleich ein paar Tausend Juden erschossen, darunter auch den Oberrabiner. Der Rest der Czernowitzer Juden wurde zum Bug abgeschoben, nach Transnistrien. Ein paar Ausnahmefälle konnten bleiben.

Aan zijn moeder laat hij weten: ... Czernowitz (war) einst eine jüdische Stadt. Die Herrengasse hat nicht mehr den alten Glanz ... Diese Zeiten sind vorbei. Czernowitz ist eine triste Stadt geworden.

Na een paar weken loopt Hilsenrath weer verder, naar Sereth, de plaats waar hij eens een gelukkige jeugd had. Hij treft er zijn familie die al enkele dagen eerder Sereth had weten te bereiken. Maar ook Sereth was een dode stad. Die Juden waren nicht mehr da. Es war, als hätte das Städtchen seine Seele verloren.

Hilsenrath besluit naar Palestina te gaan. Hij legt contact met de zionistische beweging Hanoar Hatzioni waarvan hij ook vroeger lid was geweest. Het lukt hem via Bulgarije Istanbul te bereiken om vervolgens door te reizen via Syrië naar Palestina. Daar komt hij 15 januari 1945 aan. Als wir über die palästinensische Grenze fuhren, ging ein Jubelschrei durch die Menge... Wir waren wie berauscht, als wir durch Haifa fuhren, die erste jüdische Stadt, die ich jemals gesehen hatte, obwohl Haifa auch einen arabischen Stadtteil hatte. Hilsenrath gaat werken in een kibboets in de Galil, Kfar Rupin. Maar hij is rusteloos en trekt verder naar andere kibboetsiem. In café Hirsch op de Carmel vindt hij werk als bordenwasser en in het Hadassaziekenhuis, dat geen lift heeft, bestaat zijn werk uit het dragen van brancards.

Daarnaast probeert hij te schrijven maar dat lukt niet goed. In een brief vraagt hij Max Brod om raad. Dat levert niets op want Brod antwoordt hem clichématig. Ook zijn alter ego Jablonski komt niet verder met het schrijven aan zijn roman:

‘Wie kommen Sie mit Ihren Roman vorwärts, Herr Jablonski?’
‘Ich habe in der letzten Zeit nichts geschrieben’, sagte ich.
‘Kommen Sie da nicht aus dem Schwung? Ich nehme an, dass man den Faden verliert, wenn man zu lange unterbricht.’
‘Da haben Sie recht’, sagte ich. ‘Anderseits ist das Ghetto, ich meine das Leben im Ghetto, noch so lebendig, dass ich gar nichts erfinden brauche. Ich sehe noch jeden Tag vor mir mit allem Schrecken, und ich sehe die hungrigen Menschen, als wäre all das gestern gewesen.’

Eind 1947 verlaat Hilsenrath Palestina, op een Griekse vrachtboot, met bestemming Marseille. Waarom? Verlangen naar zijn familie zal hem hebben gedreven want intussen was gebleken dat zijn vader de oorlog had overleefd, in Frankrijk, onder de naam Jean Kléber. Zijn vrouw en hun andere zoon, Manfred, hadden zich al bij hem gevoegd.

Maar er is meer. Overgeleverd is een brief die Hilsenrath 22 oktober 1945 aan zijn vader schreef. Daarin staat een opmerkelijke passage:

Ich verstehe nicht weshalb wir Juden, seit jeher Kosmopoliten, jetzt vor der Wirklichkeit, der Erfüllung unserer geheimen Hoffnungen, jetzt, viel zu spät, einen Nationalstaat errichten, denselben Irrtum begehen den die Welt seit Jahrtausenden begeht, denselben Schovinismus in unseren Reihen züchten. Denn Nationalism(us) ist für mich Schovinism(us), übertriebene Liebe zu einer Utopie; er duldet keinen Weltfrieden, es gibt keine Liebe, keine gemeinsamen Interessen im Hirn eines Patriotten.

Bij het lezen van deze passage dacht ik aan Joseph Roth die, geworteld in Galicië, de landstreek ten noorden van de Boekovina, ook niet veel heil zag in een nationale staat, maar droomde van de ten onder gegane Oostenrijk-Hongaarse dubbelmonarchie waar, meende hij, minderheden vreedzaam naast elkaar leefden. De opvatting van Hilsenrath vind je, in meer theoretische vorm, ook bij Hannah Arendt. Hilsenrath en Arendt, zo kan je hun ideeën samenvatten, wezen het zionisme niet af maar wel het concept van een nationale staat, want dan dreigt het gevaar dat onvoldoende ruimte wordt geboden aan etnische en culturele minderheden. Net als Arendt dacht Hilsenrath in die jaren aan een binationale staat samen met de Arabieren. Jablonski laat hij het zo verwoorden: ‘Die jüdische Staat wird auch ein Araberstaat sein. Wir müssen den Zukunftsstaat zusammen machen.


Boekomslag Verliebt in die deutsche Sprache Die Odyssee des Edgar Hilsenrath

Er was voor de rusteloze Hilsenrath nog een belangrijke reden zijn odyssee te vervolgen. Hilsenrath miste in Palestina het Duits, de taal waarin hij zijn roman probeerde te schrijven. De Duitse taal zal maken dat de odyssee in Duitsland haar eindstation vindt. Maar zover is het nog niet.

Mede omdat het schrijven niet goed lukte, begon Hilsenrath in Palestina al aan depressies te lijden. Het werd er in Frankrijk niet beter op. Zijn depressies verergerden zich. De geraadpleegde artsen probeerden van alles om hem te helpen, zelfs door het toedienen van elektroshocks. Tevergeefs. Hilsenrath kwam er pas weer bovenop toen het hem lukte te schrijven. Hij zat in een café aan de Place de la Comédie, vroeg de kelner om een glas rode wijn en schrijfpapier en ontdekte dat het eindelijk zo ver was. Ich trank Wein und schrieb wie besessen, vertelt hij later. Nach zwei Stunden hatte ich dreissig Seiten geschrieben. Ich wusste plötzlich: es klappte. Ich kan schreiben. Ich bin Schriftsteller. Maar daarmee is zijn boek Nacht nog geen feit, nog lang niet.

In 1951 gaat Hilsenrath naar Amerika. New York wordt zijn nieuwe woonplaats. Tot 1975. Al die jaren zal hij met allerlei kleine baantjes in zijn levensonderhoud voorzien. Vooral als kelner. Dat geeft hem vrije tijd en die vrije tijd gebruikt hij om te schrijven. In cafés en met de pen. Maart 1954 is zijn gettoroman af. Hilsenrath koopt een tweedehands schrijfmachine en gaat het met de hand geschreven manuscript niet alleen uittypen maar ook bewerken. Ook dat kost hem jaren. 1959 – nach fünf Jahren weiterer Arbeit am Text – war die Reinschrift des Gettoromans erstellt, schrijft Helmut Braun in zijn biografie van Hilsenrath, lagen 737 Seiten Typoskripte in fünf Heftern vor, hatte der Autor seine Trauer abgearbeitet, den Kaddish für sein Volk gebetet.

Mooie woorden van Braun. Maar een uitgever voor zijn boek vindt Hilsenrath niet. Dat duurt nog tot 1964 als Kindler Verlag de roman uitgeeft, in een kleine oplage die in Duitsland nauwelijks opvalt. Achter de schermen heeft met name Ernest Landau, een Joodse medewerker van Kindler Verlag, zich tegen een ruimere verspreiding van Nacht verzet. Hij meende dat het gedrag van de Joden in het getto, zoals door Hilsenrath beschreven, de slachtoffers bezoedelde en in het naoorlogse Duitsland voedsel zou kunnen geven aan nieuwe antisemitische argumenten.

De tocht door uitgeversland is gelukkig nog niet teneinde. Een grote Amerikaanse uitgever, Doubleday & Company, bracht in 1966 een Engelse vertaling van Nacht uit die wel veel succes had. Het leidde zelfs tot een pocketuitgave bij Manor Books. Geld leverde dat alles nog niet op. Hilsenrath bleef werken als kelner. Manor Books ging naderhand failliet en eerst toen bleek dat Hilsenrath nog recht had op nooit uitbetaalde honoraria tot $ 167.500. Door het faillissement liep hij dat geld definitief mis.

Ook zijn tweede boek, in het Engels The Nazi and the Barber, kwam bij Doubleday & Company uit. In 1971. De Duitse uitgevers toonden echter geen enkele interesse. Er kwam voorshands geen uitgave in de taal waarin deze roman oorspronkelijk was geschreven. In 1975 was het voor Hilsenrath, die in Amerika het contact met de Duitse taal dreigde te verliezen, de doorslaggevende reden om naar Duitsland te verhuizen.

In 1977 ontmoet Hilsenrath Helmut Braun, die een kleine uitgeverij had en Der Nazi & der Friseur uitgeeft. In 1978 gevolgd door Nacht. En dat is het begin van het succes, ook in Duitsland. Tegen Der Nazi & der Friseur waren eveneens bedenkingen. Het is een satirische roman die daardoor irritatie kan oproepen. Maar de weerstand tegen beide romans, ook in Joodse kring, neemt af.

Dat blijkt wel als Hilsenrath in 1992 de Heinz Galinski Prijs van de Joodse Gemeente Berlijn wordt toegekend. Zijn biograaf Braun vermeldt dat in de feestrede nadrukkelijk ook Nacht* en Der Nazi & der Friseur werden genoemd. Gerade diese beiden Bücher waren bei ihrem Erscheiden unter den Juden in Deutschland und Israel umstritten und hatten für manche Irritation gesorgt. Die Preisverleihung, so empfand ich es, schrijft Braun, zeigte jetzt, dass der Autor und sein Werk nunmehr anerkannt waren und die jüdischen Institutionen ihren Frieden mit Edgar Hilsenrath geschlossen hatten.


Berlijn 2006: Edgar Hilsenrath signeert

In 2006 verscheen Berlin ... Endstation. Hilsenrath beschrijft in die roman de terugkeer naar Berlijn van Joseph Leschinsky, Lesche zoals iedereen hem noemt. Hilsenrath schrijft zijn romans vaak rond een thema dat samenvalt met zijn eigen ervaringen. Maar natuurlijk is Lesche niet één op één Hilsenrath.

De Einzelgänger Hilsenrath was buiten Duitsland van zijn enige geliefde afgesloten, de Duitse taal. ‘Es geht mir nur um die Sprache’, laat Hilsenrath Lesche zeggen. ‘Man kann die deutsche Sprache lieben, ohne die Deutschen zu lieben’. In zijn roman beschrijft Hilsenrath de tegenstrijdige gevoelens en ervaringen van een Joodse schrijver die in Berlijn gaat wonen. Het is voor Lesche niet gemakkelijk in Duitsland te leven. Hij droomt ervan een medescholier uit Halle om te brengen die hem indertijd heeft gepest omdat hij een Jood is. Die medescholier blijkt tot andere gedachten over zijn verleden te zijn gekomen. Er zijn echter in Duitsland ook neonazi’s die de woning van Lesche bekladden en hem bedreigen.

‘Ich nehme es mit der Religion nicht zu genau’, sagte Lesche. ‘Was mich ans Judentum bindet, ist die Schicksalsgemeinschaft, die gemeinsame Vergangenheit, der Holocaust.’
‘Du kannst den Holocaust nicht loswerden’, sagte sie.
‘Ich werde ihn nie loswerden’, sagte Lesche.

In de roman krijgt Lesche, net als Hilsenrath zelf, een beroerte. Op zijn ziekbed overdenkt Lesche zijn leven. Hij denkt ook aan zijn roman. Es war ein Ghetto-roman, und Lesche hatte ihn mit seinem Herzblut geschrieben.

Hilsenrath laat Lesche in Berlin ... Endstation overlijden. De laatste zinnen van de roman luiden:

Lesche starb an einem frühen Freitagabend. Es war die Stunde zwischen Tag und Nacht. Zu dieser Stunde wird bei den gläubigen Juden der heilige Sabbat eingeläutet. Die Hausfrau verhüllt ihr Haupt, hebt beschwörend die Hände, segnet die Sabbatkerzen und spricht ein Gebet mit geschlossenen Augen. Feierliche Stille. Sabbatfrieden.

vrijdag 4 mei 2012
1 reactie
reageer op deze column
Delen |

Nacht in Mogilev-Podolski

Auschwitz is het symbool van de sjoa, schreef ik vorige week, maar daardoor kan uit het zicht raken dat in het midden en oosten van Europa veel Joden ook buiten de bekende concentratiekampen zijn omgekomen. Ongeveer 90.000 Joden zijn in 1941 uit de Boekovina naar Transnistrië en de werkkampen aan de andere kant van de Bug gedeporteerd. Lastig te achterhalen valt hoeveel van hen het leven hebben gelaten, vermoord of door honger, ziekte en uitputting omgekomen. Het zijn er, zo staat vast, in ieder geval tienduizenden geweest.

Edgar Hilsenrath en zijn familie zijn 14 oktober 1941 naar Mogilev-Podolski gedeporteerd waar ze na een dagenlange treinreis aankwamen. Op de kaart bij de vorige column is die kleine stad te vinden aan de oevers van de rivier de Dnjestr, Nistru in het Roemeens, vandaar Transnistrië. Er zijn foto’s in omloop, afkomstig van het Bundesarchiv, waarop te zien is hoe de Duitsers, die juni 1941 Rusland binnenvielen, de plaatselijke Joden dwangarbeid lieten verrichten.


Mogilev-Podolski juli 1941
Bron: Deutsches Bundesarchiv, foto: Rudolf Kessler, juli 1941

Van de Joden van Mogilev-Podolski waren velen al omgekomen toen de met de Duitsers verbonden Roemenen daar oktober 1941 een getto inrichtten. Samen met 50.000 andere gevangenen, niet alleen uit de Boekovina, hebben Hilsenrath en zijn familie tot de bevrijding door de Russen, eind maart 1944, in het getto van Mogilev-Podolski gewoond. Gewoond is niet zo’n goed woord. De huizen van Mogilev-Podolski waren na de Duitse invasie voor een belangrijk gedeelte verwoest. Hilsenrath en zijn familie hadden het geluk goede contacten te hebben en met anderen een schoolgebouw te kunnen betrekken. Zij overleefden het, 40.000 anderen niet.

Hilsenrath heeft over zijn persoonlijke ervaringen in Mogilev-Podolski maar weinig losgelaten. Een korte beschrijving staat in Die Abenteuer des Ruben Jablonski:

Inzwischen waren Zehntausende von Deportierten nach Moghilev-Podolsk gekommen. Die meisten übernachteten in den Ruinenfeldern, viele blieben auf der Strasse. Es war Ende Oktober, und der russische Winter mit seiner grimmigen Kälte hatte schon eingesetzt. Im Dezember lagen schon Erfrorene auf der Strasse. Es wurde immer schlimmer. Die Leichenträger hatten Mühe, die Berge von Leichen wegzuschaffen. Ende Dezember brach eine Typhusepidemie aus. Wer nicht an Typhus starb, den raffte der Hunger und die Kälte weg. Das grosse Massensterben begann.

De formulering, Hilsenrath heeft over zijn persoonlijke ervaringen in Mogilev-Podolski maar weinig losgelaten, een citaat uit de biografie van Helmut Braun, is juist maar tegelijk ook weer niet. In zijn boek Fuck America staat het volgende gesprek:

‘Sie schreiben ein Buch?’
‘Ich schreibe ein Buch.’
‘Über das Leben in diesem Ghetto?’
‘Über das Leben in diesem Ghetto.’
‘Über das grosse Sterben?’
‘Über das grosse Sterben.’
‘Über die Verzweiflung?’
‘Über die Verzweiflung.’
‘Schreiben Sie auch über die Hoffnung?’
‘Ich schreibe auch über die Hoffnung.’
‘Sonst nichts?’
‘Sons nichts ... ausser über die Einsamkeit, die jeder von uns mit sich herumträgt. Auch ich.’
‘Sie schreiben alles auf, was Sie verdrängt haben?’
‘Ich schreibe alles auf, was ich verdrängt habe.’
‘Müssen Sie schreiben?’
‘Ich muss schreiben.’
‘Ist das sehr wichtig?’
‘Es ist sehr wichtig.’
‘Sie wollen mir also nicht erzählen, was Sie während des Krieges in diesem Ghetto erlebt haben?’
‘Ich erzähle das nur meinem Buch.’
‘Nur Ihrem Buch?’
‘Nur meinem Buch.’

In bijna gelijke bewoordingen schrijft Hilsenrath later: wie das grosse Sterben aussieht und wie man in solch einem Ghetto überlebt, das habe ich in meinem Roman ‘Nacht’ beschrieben, ohne Beschönigung, so wie es wirklich war. Hilsenrath heeft lang aan zijn boek gewerkt, tot maart 1954, negen jaar. Het viel hem zwaar een boek te schrijven over het getto van Mogilev-Podolski, so wie es wirklich war. Manfred Hilsenrath bevestigt in zijn herinneringen dat het boek van zijn broer een waarheidsgetrouw beeld geeft van het gettobestaan. Al is het geen ooggetuigenverslag maar een roman. Uit Die Abenteuer des Ruben Jablonski:

‘Ich will keinen Augenzeugenbericht schreiben’, sagte ich, ‘sondern einen Roman.’
‘Über das Ghetto kann man keinen Roman schreiben’, sagte sie.
‘Doch, das kann man’, sagte ich.

Hilsenrath heeft als schrijver geen compromissen willen sluiten. Daardoor heeft zijn roman over het getto van Mogilev-Podolski ook weerstand opgeroepen. Zijn beschrijving van het gettoleven is rauw. Moreel hoogstaande keuzes konden de bewoners van het getto zich niet altijd permitteren. De in het getto opgesloten Joden zijn niet allemaal lieverdjes. Bepaald niet. Het zijn wel allemaal slachtoffers. Dat de Joden in het getto moesten zien te overleven, is de Duitsers en de met hen optrekkende Roemenen toe te rekenen. Juist dezer dagen is het belangrijk aan de scheidslijn tussen daders en slachtoffers vast te houden.

In 2008 is bij Uitgeverij IJzer een Nederlandse vertaling van Nacht verschenen met een nawoord van Arnon Grunberg. De roman is geschreven vanuit de beleving van de gettobewoners. Grunberg merkt daarover op: ‘het wordt niet met zoveel woorden gezegd, maar waarschijnlijk Joden’ en dat begrijp ik niet. Al op de eerste bladzij van Nacht ‘frunnikte’ de hoofdpersoon, Ranek - hij is op zoek naar een slaapplaats - ‘een poosje nerveus aan zijn jas, daar waar de vuilgele jodenster zat; die was wat los gaan zitten en hij duwde hem weer vast.’ Om nog een voorbeeld te geven: als Ranek een keer aardappels te eten heeft, fluit hij tevreden voor zich uit. ‘Een oud Joods liedje, waar hij de woorden van was vergeten.’ Passages genoeg waaruit blijkt dat het Joden zijn die in het getto zijn opgesloten.

Geschreven vanuit de beleving van de in het getto opgesloten Joden, speelt de buitenwereld in Nacht nauwelijks een rol. Met de buitenwereld hebben de gettobewoners vrijwel geen contact. Vluchten is ook ‘absurd’, er is geen andere mogelijkheid dan wachten tot de oorlog voorbij is. Niet de buitenwereld maar die Tote bilden die permanente Kulisse des Ghetto-Geschehens, schrijft Klaus Werner. Overleven is het onderwerp van de roman. Voor overleven heb je een slaapplaats nodig en eten en dat is allebei schaars, zeer schaars. Het zoeken naar een slaapplaats en naar eten bepaalt het dagelijkse leven. Ranek heeft een plek gevonden in het nachtasiel. Wie de roman heeft gelezen, kan het nachtasiel niet meer vergeten. Zo is er een slaapplaats onder het fornuis en in een nis onderaan de trap waar degenen die aan vlektyfus lijden worden neergelegd om te sterven.

‘Waarom liggen er zoveel doden op straat?’
‘Dat zijn vooral vlektyfusgevallen.’
‘Maar ook verhongerden?’
‘Ja, die ook.’

Om de kleding van de doden wordt gevochten want die kan worden geruild, bijvoorbeeld in de bazaar aan het begin van de Puschkinskaja. ‘Hier werd gehandeld in oude kleren, voetlappen en schoenen, potten en braadpannen, in vergeelde trouwringen en in de gouden tanden van doden.’ ‘Op een of andere manier lukte het altijd’, denkt Ranek, ‘een oplossing te vinden om uit de zwarte, doodlopende straat van de hopeloosheid te geraken’.

Ranek gaat erg ver om te overleven. Hij steelt zelfs eten van een kind. ‘Ja’, zegt hij in de roman, ‘Ik heb van alles op mijn kerfstok. Maar ik heb nog niemand omgebracht.’ Ranek is een overlever totdat de vlektyfus ook hem inhaalt, net als eerder zijn broer Fred.

Tot slot wil ik eerst nog een gesprek aanhalen uit de roman Fuck America:

‘Hatten Sie Hoffnungen?’
‘Manchmal’, sage ich. ‘In der Nacht der Verzweiflung gab es manchmal noch Momente der Hoffnung.’
‘Hat Sie der Hoffnung am Leben erhalten?’
‘Die Hoffnung hat mir am Leben erhalten.’

Ook in de roman Nacht is er hoop. Op schaarse momenten, maar toch. Zo is er een jongen die een kind, zijn kleine zusje, beschermt en nooit in de steek laat. Die jongen ziet Ranek samen met Debora, de vrouw van zijn overleden broer. ‘Het lijkt erop dat die twee daar beneden echt bij elkaar horen’, zei de jongen, ‘zoals wij tweeën. Zij hebben namelijk ook niemand meer.’ ‘Niemand meer?’ vroeg het kind. ‘Zij zijn ook de laatsten’, zei de jongen.

Debora heeft de hoop nooit opgegeven en komt na de dood van Ranek in gesprek met een oude vrouw, die haar zegt: ‘geluk bestaat ook hier bij ons. Er bestaat nog het geluk van de verkleumden die een warme deken vinden, het geluk van de hongerigen die brood vinden. En het geluk van de eenzamen die liefde vinden.’ Die zinnen, ze verbinden 4 en 5 mei, staan op één van de laatste bladzijden van de roman.

Verliebt in die deutsche Sprache, die Odyssee des Edgar Hilsenrath, is een in 2005 door Helmut Braun uitgegeven boek ter gelegenheid van een tentoonstelling in de Akademie der Künste in Berlijn. Met veel fotomateriaal. Over die Odyssee des Edgar Hilsenrath volgende keer.

vrijdag 27 april 2012
1 reactie
reageer op deze column
Delen |

Sereth

Sereth, nu Siret, gelegen aan de gelijknamige rivier, was een kleine plaats in de Boekovina met, in 1941, ongeveer 1600 Joden. De oorlog bereikte ook de Boekovina en de Joden van Sereth zijn naar Transnistrië gedeporteerd wat de meesten van hen niet hebben overleefd. Auschwitz is het symbool van de sjoa maar daardoor kan uit het zicht raken dat in het midden en oosten van Europa veel Joden ook buiten de bekende concentratiekampen zijn omgekomen.


Kaart van de Boekovina en Transnistrië

‘Hoor je de joden jammeren?’
‘Niet meer,’ zei de wind. ‘De eerste dagen was het tamelijk hard, vooral het geroep om water. Daarna werd het gejammer zachter en nu hoor je niets meer.’
‘Denk je dat ze allemaal dood zijn?’
‘Nee,’ zei de wind, ‘niet allemaal’.

Nee, niet alle Joden uit Sereth zijn dood. De broers Edgar en Manfred Hilsenrath leven nog, de één werd schrijver van romans, het citaat is uit zijn boek De thuiskomst van Jossel Wassermann, en de ander is gaan werken voor het ruimtevaartonderzoek in Amerika. Dit voorjaar is een boek gepubliceerd waarin Manfred Hilsenrath herinneringen ophaalt aan de hand van bepaalde passages uit de romans van zijn broer. De aanhalingen uit de romans en de herinneringen van Manfred Hilsenrath zijn achter elkaar geplaatst. Zwei Seiten der Erinnerung, die Brüder Edgar und Manfred Hilsenrath heet het door Volker Dittrich samengestelde en uitgegeven boek.

Bij die opzet kan wel een vraagteken worden geplaatst. Zo gaat De thuiskomst van Jossel Wassermann over Pohodna, een sjtetl dat aan de rivier de Proet zou liggen. Pohodna is niet zonder meer Sereth al zal Hilsenrath ongetwijfeld veel hebben verwerkt van wat hij in Sereth heeft gezien en meegemaakt. Dat geldt zeker ook voor zijn (niet in het Nederlands vertaalde) roman Die Abenteuer des Ruben Jablonski, die de ondertitel Ein autobiographischer Roman draagt en waarin Sereth wel bij name wordt genoemd.

Helmut Braun heeft zijn biografie van Edgar Hilsenrath, in 2006 bij Dittrich verschenen, de titel Ich bin nicht Ranek meegegeven, een aanhaling van Hilsenrath zelf waarmee hij heeft willen zeggen dat hij niet kan worden vereenzelvigd met Ranek, de hoofdpersoon uit zijn roman Nacht. Toch gebruikt ook Helmut Braun voor zijn biografie passages uit de romans. Als men maar in het oog blijft houden dat de romans niet één op één het levensverhaal van Hilsenrath vormen, is dat niet erg. Vrijwel alle romans van Hilsenrath weerspiegelen zijn levensverhaal. Waarschijnlijk is Edgar Hilsenrath, na Isaac B. Singer, de laatste schrijver die het talent, de kennis en de kracht heeft om het vooroorlogse jodendom in zulke authentieke kleuren tot leven te wekken, staat op de achterkant van De thuiskomst van Jossel Wassermann, in de vertaling van Elly Schippers. En daar gaat het om. De wind, die in het eerdere citaat uit dit boek aan het woord komt, is de wind die waait om de trein met de uit Sereth gedeporteerde Joden. Nog een citaat uit die roman:

En de wind buiten fluisterde de rebbe iets in het oor. En de rebbe knikte en zei: ‘Ja, je hebt volkomen gelijk. De gojim zijn dom. Ze plunderen nu onze huizen. En ze graven in onze tuinen. En ze denken dat we alles wat we bezaten achtergelaten hebben. En ze lachen in hun vuistje, terwijl ze niet weten dat we het beste hebben meegenomen.’
‘Wat is het beste?’, vroeg de wind.
En de rebbe zei: ‘Onze geschiedenis. Die hebben we meegenomen.’
En de wind zei: ‘Maar rebbe, dat kan toch niet. De geschiedenis van de joden is in het sjtetl achtergebleven.’
‘Nee,’ zei de rebbe, ‘je vergist je. Alleen de sporen van onze geschiedenis zijn achtergebleven.’

Edgar en Manfred Hilsenrath zijn niet in Sereth geboren. Daar woonden hun grootouders, de ouders van hun moeder, en andere verwanten. Edgar is 2 april 1926 in Leipzig geboren waar zijn vader handelde in bont. De familie is daarna naar Halle verhuisd, de vader was in die plaats een kleine meubelwinkel begonnen. In Halle zijn Edgar en de drie jaar jongere Manfred opgegroeid totdat hun vader, gedwongen door de steeds verdergaande antisemitische maatregelen, zijn vrouw en twee zonen naar de familie in de Boekovina stuurde. Op 14 juli 1938 kwamen zij met de trein in Sereth aan.

Later zal Edgar Hilsenrath worden gevraagd welke streek hij als zijn Heimat ervaart en hij antwoordt (ik citeer uit de biografie van Helmut Braun):

Meine stärkste Bindung besteht zu diesem kleinen Städtchen in der Bukowina, in dem meine Grosseltern gelebt haben. (...) Siret war und ist meine Lieblingsstadt. Das lässt sich nicht besser erklären. Dort lebten Juden, Zigeuner, Ukrainer, Rumänen, Ungarn und Deutsche friedlich zusammen. Ein warmherziger Vielvölkerstaat. Hier in der Bukowina, in diesem kleinen osteuropäischen Ort, fühlte ich mich zum ersten Mal frei von den Bedrohungen der Nazis.

Hilsenrath vertelt in Die Abenteuer des Ruben Jablonski over het bruisende leven in Sereth, es war immer was los in Sereth. Juden, Ukrainer, Rumänen und die anderen Volksgruppen lebten friedlich zusammen:

‘Wenn der Hitler sich mal hierher verirren würde’, sagte ein alter Jude in der Synagoge, ‘dann würde er Mund und Augen aufreissen.’
‘Wass soll denn der Hitler hier machen?’ sagte sein Nebenmann. ‘Glauben Sie, dass Hitler nicht Besseres zu tun hat, als nach Sereth zu kommen? Ich wette mit Ihnen: Der Hitler hat noch nie etwas von Sereth gehört.’
‘Und warum nicht?’
‘Nun, ich weiss es nicht.’
‘Glauben Sie wirklich, Sereth läge am Arsch der Welt?’
‘Am Arsch Europas’, sagte der Jude. ‘Und Europa ist nicht die Welt.’

En, inderdaad, in Sereth bleef het voorlopig rustig. Tot juni 1941. Maar zover is het nog niet en ik zou graag Sereth uitgebreid tot leven roepen aan de hand van De thuiskomst van Jossel Wassermann en Die Abenteuer des Ruben Jablonski. Ik zal me bedwingen want beide romans kan de lezer van deze columns, vast en zeker ook een liefhebber van boeken over onze geschiedenis, gemakkelijk zelf aanschaffen. De thuiskomst van Jossel Wassermann is bij Ambo | Anthos verschenen en Die Abenteuer des Ruben Jablonski (net als de andere romans van Edgar Hilsenrath) bij de Deutscher Taschenbuch Verlag.

Laat ik de grootvader van de broers Hilsenrath een centrale plaats geven met enkele citaten over de talen die de Joden van Sereth spraken en over hun leven volgens de Joodse tradities. In Die Abenteuer des Ruben Jablonski schrijft Hilsenrath dat de eenvoudige Joden in Sereth Jiddisj spraken maar de meer ontwikkelden Duits, zij het met een Boekoviner accent.

Im Hause meines Grossvaters konnte man drei sprachliche Variationen hören. Wenn man unter sich war, sprach man Kauderwelsch, eben ein Durcheinander von Jiddisch und Deutsch; mit einfachen Leuten, zum Beispiel dem Sattlermeister von nebenan oder den Strassenhändlern, die zu uns in die Küche kamen, um einen Schnaps oder Kaffee zu trinken, sprach man Jiddisch, mit vornehmen Besuch, zum Beispiel dem Herrn Apotheker oder dem Herrn Doktor, sprach man Hochdeutsch. Besonders mein Grossvater war ein Meister der drei Sprachvariationen. Niemand konnte so gut auf Jiddisch wettern und fluchen wie er. Aber er konnte auch Kauderwelsch, und wenn er mit dem Apotheker, oder Doktor Deutsch sprach, konnte man glauben, er wäre bei Schiller oder Goethe zur Schule gegangen.

Nog een mooie passage uit Die Abenteuer des Ruben Jablonski. Een oudere heer vertelt aan de moeder van Hilsenrath wat een Duitse officier eens tegen hem heeft gezegd:

‘Ihr Juden sind ausser den Volksdeutschen die einzigen, die unsere Sprache verstehen. Und glauben Sie mir, gnädige Frau, der hat doch tatsächlich einen persönliche Brief an den Kaiser geschrieben und ihm mitgeteilt, dass die Juden schon wegen der Sprache die natürlichen Verbündeten des Deutschen Reiches seien.’
‘Es ist nur schade’, sagte meine Mutter, ‘dass Hitler das nicht weiss.’
Und der ältere Herr nickte und sagte: ‘Ja, der Hitler, der ist eben ein Dummkopf.’

Over het leven volgens de Joodse tradities laat ik Manfred Hilsenrath aan het woord:

Das hat mir etwas gewundert, das Edgar in ‘Jossel Wassermanns Heimkehr’, da schreibt er ja sehr viel über Sereth, dass er da die ganzen religiösen Sitten und Gebräuche der Juden so schön beschreibt, weil zu hause selbst hat er wirklich nicht viel an Religion gedacht. Er wollte nie mit dem Grossvater in den Tempel gehen, am Freitagabendtisch hat er immer gekichert und ich mit ihm.

Eines, was der Grossvater unbedingt wollte, war, dass kein Schinken ins Haus kam. Kein Schweinefleisch. Ein koscheres Haus, und das muss respektiert werden. Aber Edgar hat immer seine Mutter angebettelt: ‘Ich muss Schinken haben!’ Und die Mutter hat nachgegeben. (...) Und der Grossvater hat das ein Paar Tage später entdeckt, und das gab einen furchtbaren Krach im Hause.

Helmut Braun nuanceert in zijn biografie dit beeld enigszins. Edgar Hilsenrath heeft in Sereth wel degelijk veel van de Joodse rituelen en gebruiken meegekregen. Hij was drie jaar ouder dan zijn broer en bereidde zich ernsthaft voor op zijn bar mitswa in 1939. Kort daarna, schrijft Braun, verlor er sein Interesse an der Religion. Hilsenrath heeft echter altijd zijn Joodse hart behouden en dat is het belangrijkste laat hij Jossel Wassermann zeggen. Zijn moeder had op zijn verzoek varkensvlees in huis gehaald. In de biografie van Braun zag ik een foto uit 1977 waarop hij samen met zijn moeder de seideravond viert in de Joodse gemeente van Berlijn. Die keer was dat op haar verzoek. Zijn moeder stierf een half jaar later in Israël, in Nahariya.

Sereth lag helaas niet am Arsch Europas. Oostenrijk was het hart van Europa, schrijft Hilsenrath in De thuiskomst van Jossel Wassermann, en Oostenrijk was de hoop op een mogelijk samenleven onder één kroon, in een staat met vele volkeren, nationaliteiten, religies, talen, zeden en gewoonten. Wij, in de Boekovina, waren dus het hart van Europa, maar als de meest oostelijke provincie waren we tegelijkertijd het achtereind van dat hart, iets wat ze in Czernowitz, onze hoofdstad, niet graag hoorden.

Nee, Sereth lag helaas niet am Arsch Europas. Sereth lag midden in Europa. Eind juni 1941 verlaten Edgar en Manfred Hilsenrath met hun moeder Sereth. Samen met de overige familieleden en bijna alle andere Joodse inwoners. Weer per trein. Uiteindelijk, 14 oktober 1941, naar Transnistrië, het land tussen de rivieren Dnjestr en Bug. Voor de volgende column zult u de hiervoor afgedrukte kaart nog een keer nodig hebben.

vrijdag 20 april 2012
1 reactie
reageer op deze column
Delen |

Eichmann in Wenen

Gabriel Bach, één van de aanklagers in het proces tegen Eichmann, gaf 26 maart van dit jaar een boeiende lezing in het Vredespaleis in Den Haag. Crescas maakte een prachtige registratie van deze lezing die u hier kunt bekijken. Het is zeer de moeite waard naar Gabriel Bach te kijken en luisteren. Juist in deze dagen rond Jom Hasjoa. Het proces tegen Eichmann is een ijkpunt in de bewustwording van wat tijdens de Holocaust is gebeurd.

Bach noemt in zijn belangwekkende lezing ook het boek van Hannah Arendt, Eichmann in Jeruzalem. Daarover is hij niet erg positief, hij vindt dat Hannah Arendt er maar ‘vreemde ideeën’ op na heeft gehouden. In eerdere columns heb ik al eens over Hannah Arendt geschreven (29 oktober 2010, 5 november 2010 en 27 januari van dit jaar). Daarbij heb ik steeds benadrukt hoe belangrijk haar notie is dat, zoals Tony Judt schrijft in De vergeten twintigste eeuw, ‘het kwaad het gevolg is van eenvoudigweg niet dénken’. Dit is een wel erg eenvoudige samenvatting. Het kwaad zelf wordt er niet door verklaard, veeleer waarom sommigen meededen. Hannah Arendt heeft geconstateerd dat het niet zelfstandig blijven denken een mens ertoe kan brengen zich te voegen in een verderfelijk systeem als het nationaalsocialisme. Zo’n vreemd idee is dat niet. Ik noem expres ook Tony Judt omdat ik hou van persoonlijkheden als Hannah Arendt en Tony Judt, die, om de lijn door te trekken, je aan het denken zetten.

Maar Tony Judt schrijft in zijn opstel over Hannah Arendt ook: ‘Er is bij Arendt een voortdurende spanning voelbaar tussen de fundamentele plicht om zich met de filosofie bezig te houden en de natuurlijke voorkeur (en het talent) voor politiek en moreel commentaar en wat zij intellectuele áctie noemde’. Hierin schuilt het gevaar dat men af en toe te kort door de bocht gaat. Ook haar boek over Eichmann gaat daaraan mank. Gabriel Bach heeft gelijk wanneer hij betoogt dat Eichmann niet slechts een onnadenkende meeloper was maar zich verregaand vereenzelvigde met de ideologie die tot doel had de Joden uit te roeien. Hij was soms overijverig. Het ‘eenvoudigweg niet dénken’ is niet het enige dat over Eichmann valt op te merken en Hannah Arendt koos, zou men kunnen zeggen, het verkeerde voorbeeld voor haar terechte constatering dat het belangrijk is altijd zelfstandig te blijven denken.

Ik had in dit verband al eens eerder op de schrijver en historicus Doron Rabinovici willen wijzen. Rabinovici, geboren in 1961 in Tel Aviv, maar al sinds 1964 wonend in Wenen, schreef verschillende opvallende romans, waaronder Suche nach M., het verhaal van Dani Morgenthau en Arieh Scheinowitz, zonen van overlevenden die worstelen met het thema schuld. Een andere roman van Rabinovici is Andernorts, over twee mannen, Ethan Rosen en Rudi Klausinger, die levend en werkend in Tel Aviv en Wenen op geheimzinnige wijze met elkaar verbonden blijken, een roman rond het thema familie. Rabinovici is hier nauwelijks bekend omdat zijn romans niet in het Nederlands zijn vertaald. Dat geldt helaas ook voor zijn historisch werk Instanzen der Ohnmacht, Wien 1938-1945, Der Weg zum Judenrat. Dit boek is vorig jaar wel in het Engels vertaald, onder de titel Eichmann’s Jews, The Jewish Administration of Holocaust Vienna, 1938-1945.

Laat ik beginnen met het oordeel van Rabinovici over de opvatting van Hannah Arendt:

Eichmann war damals keineswegs nur ein ausführendes Vollzugsorgan gewesen. Er bewies im Gegenteil durchaus eigene Initiative. Gewiss, Eichmann war kein Dämon, sondern ein Manager der nazistischen ‘Judenpolitik’, der von seiner Aufgabe aber durchaus begeistert und überzeugt war. Für ihre bestechenden Erörterungen über die ‘Banalität des Bösen’ hatte sich Hannah Arendt die historisch falsche Person ausgewahlt.

Ik had eerst de woorden ‘kein Dämon, sondern’ uit het citaat willen weglaten, omdat een niet scherp omlijnd begrip als ‘demon’ aanleiding tot misverstanden kan geven. Maar zo mag je natuurlijk niet met citaten omgaan. Ik laat het dus staan. Het gaat me vooral om het evenwichtige oordeel van Rabinovici die onderkent dat Arendt overtuigende opvattingen had over de banaliteit van het kwaad, maar daarvoor de verkeerde persoon als voorbeeld koos.

Het boek van Rabinovici is daarom zo interessant omdat hij aantoont dat Wenen als voorbeeld kan gelden voor de manier waarop de nationaalsocialisten ook in andere landen de deportatie van de Joden gaan organiseren. In Wenen entwickelte das Sonderkommando des SD-Referates II-112 unter Adolf Eichmann das ‘Vorzeigemodell’ nationalsozialistischer ‘Judenpolitik’. Wenen was voor Eichmann als het ware de proeftuin voor zijn latere optreden. En ijver, blijkt uit het boek van Rabinovici, kan hem in Wenen helaas niet worden ontzegd.

Eichmann kwam 16 maart 1938, dus slechts enkele dagen na de Anschluss, naar Wenen. Twee dagen later vielen de nazi’s het gebouw van de Joodse gemeente binnen en Eichmann was daar persoonlijk bij aanwezig. Rabinovici gebruikt het woord razzia. Niet alleen werd het gebouw doorzocht en gesloten, bovendien werden de belangrijkste leden van de gemeente voor enige tijd gevangen gezet. Vanaf dat moment was de Joodse gemeenschap van Wenen aan Eichmann overgeleverd. Al bij hun eerste ontmoeting gaf Eichmann Josef Löwenherz, de voorzitter van de gemeente, een klap in het gezicht. Er beschimpfte, bedrohte und verhöhnte Juden, schrijft Rabinovici. War er 1937 in Berlin noch eine untergeordnete Figur gewesen, übernahm er in Wien die Initiative, das Management des Terrors und der Austreibung. In Wenen werd Eichmann van ondergeschikte, initiatiefnemer.

In de meeste steden van Duitsland brandden de synagogen tijdens de Kristallnacht, 9 november 1938, voor de eerste keer. Wenen was Duitsland al voorgegaan. In Wien jedoch waren schon im Oktober die Fensterscheiben mehrerer Synagogen eingeschlagen, Thorarollen geschändet, einzelne Bethäuser zerstört und der grosse Tempel im 2. Bezirk angezündet worden. Een maand later, tijdens de Kristallnacht, brandden in Wenen nogmaals 42 synagogen en gebedshuizen. Het geweld richtte zich toen ook op mensen: 27 Personen wurden allein in Wien totgeschlagen. 6547 Juden wurden festgenommen, 3700 davon wurden nach Dachau deportiert. De pogrom van november 1938 betekende voor de Joden van Wenen een duidelijke cesuur. Elke hoop op een normalisering van de betrekkingen met de machthebbers was vanaf dat moment definitief verdwenen. Wer nach dem Novemberpogrom, im Laufe der nächsten Monate, nicht mehr entrinnen konnte, wurde nach der totalen Ausbeutung zumeist in Konzentrationslagern ermordet.

Het centrale thema van het boek van Rabinovici is de wijze waarop Eichmann in Wenen voor de eerste keer, als Vorlaufmodell, het instituut van de latere Joodse Raden in het leven heeft geroepen. Rabinovici laat zien dat de door Eichmann aangestelde vertegenwoordigers van de Joodse gemeente, de Judenältesten, geen enkele echte macht hadden maar slechts een werktuig waren in handen van de nationaalsocialisten. Zij behoorden tot de categorie slachtoffers, ook al kan over de persoonlijke motieven en het gedrag van ieder van hen verschillend worden geoordeeld. Maar dat is een ander onderwerp. Eichmann echter behoorde tot de categorie daders.

De lezing van Gabriel Bach gaf mij aanleiding aandacht te vragen voor het belangrijke boek van Doron Rabinovici. Het biedt veel historisch materiaal en leest gemakkelijk. Maar dat mag je van een schrijver als Rabinovici wel verwachten.

zondag 15 april 2012
reageer op deze column
Delen |

Anna Seghers ontmoet Franz Kafka

Het is 22 april 1947. Anna Seghers is terug in Berlijn. Al op 9 mei ontvangt zij een brief van Dolf Sternberger, de uitgever van het tijdschrift Die Wandlung. Sternberger schrijft hoeveel haar boek Het zevende kruis voor hem heeft betekend en stuurt haar het laatste nummer van Die Wandlung. Seghers antwoordt 22 mei en bedankt voor het tijdschrift: Ich war hier in dieser Stadt froh, eine Seite Kafka plötzlich in einer überfüllten Untergrundbahn zu lesen. Dit slaat terug op Kafka's verhaal De slag tegen de poort dat in het tijdschrift was afgedrukt. Seghers las het in de metro van Berlijn. In het verhaal van Kafka zijn een man en zijn zuster op weg naar huis als de zuster op een langs de weg gelegen poort slaat. De man wordt gearresteerd en vraagt zich aan het eind van het korte verhaal af: Zou ik nog andere lucht kunnen inademen dan die van de gevangenis? Dat is de grote vraag, of liever, zij zou het zijn als ik nog kans had vrijgelaten te worden.

De tussen Seghers en Sternberger gewisselde brieven staan in Hier im Volk der kalten Herzen, Briefwechsel 1947, verschenen bij Aufbau Taschenbuch Verlag. Wie de brieven uit 1947 leest, vraagt zich af waarom Seghers toen naar Duitsland is teruggegaan, alleen, zonder Laszlo Radvanyi die in Mexico blijft en pas in 1952 naar Berlijn komt en zonder haar beide kinderen die in Parijs studeren. Een Duitsland bovendien dat ze als koud ervaart, aussen wie innen kaputt. Der Faschismus hat das Land entsetzlich verwüstet, innen und aussen, vor allem innen, schrijft ze.

Duitsland lag niet echt voor de hand. De nationaalsocialisten hadden haar moeder, Hedwig Reiling, vermoord. Maar daarover kan ze niet schrijven. In één van haar brieven uit 1947, die zij ondertekent met deine hundsmüde, kaputtne, alte Netty, merkt ze op: Ich glaube gar nicht, dass der Mund überläuft, wenn das Herz voll ist. Der Mund verschliesst sich dann manchmall erst recht. En enkele regels verder in dezelfde brief: Ich spreche gar nicht von meiner Mutter. Over persoonlijke ervaringen die haar diep raken, zwijgt ze. Zelfs tegenover goede vrienden.

Het is vooral de schrijfster Anna Seghers die terugkeert naar Duitsland: in meiner Muttersprache kann ich am besten helfen, etwas besseres aus dem Schutt zu machen, schrijft ze. Dat ziet ze als haar taak. Ze kiest voor Berlijn uit plichtsgevoel. In één van haar brieven spreekt ze over den Festen Willen alles zu tun, dass dieses unglückselige Land nicht noch einmal ein Schlachtfeld in Europa wird. In een interview uit die tijd formuleert ze het zo:

Ich bin zurückgekommen, weil ich für die Menschen, die ich sowohl im Guten als auch im Schlechten am besten kenne, das meiste tun kann. Ich will durch die Bücher, die hier entstehen werden, verhindern helfen, dass die Fehler der Vergangenheit jemals wiederhohlt werden.

Seghers heeft het zich niet gemakkelijk gemaakt. Ze refereert in haar brieven enkele malen aan Het slot van Kafka en verzucht dat ze zich voelt als de landmeter die (volgens de door Max Brod overgeleverde slotscène) pas op zijn sterfbed toestemming krijgt zich blijvend in het dorp te vestigen. Na 1947, zo vermoed ik, zullen De slag tegen de poort en Het slot van Kafka haar nog wel eens door het hoofd hebben gespeeld.

Seghers identificeerde zich van jongs af aan met de zwakken in de samenleving. Meine Mutter hatte ein starkes Sozialempfinden, zei Seghers eens. Dat had ze dus niet van een vreemde. Haar opvattingen over een rechtvaardige samenleving en haar ervaringen tijdens de Weimarrepubliek maakten dat zij zich al spoedig aangetrokken voelde tot het communisme. In de jaren na de Eerste Wereldoorlog is zij niet de enige. Wilhem von Sternburg schrijft in zijn mooie boekje over Anna Seghers: Dass sich unter den Anhängern der Kommunisten (...) viele jüdische Intellektuele finden lassen, ist kein Zufall. Europas Juden besitzen die jahrhundertealte Erfahrung von Verfolgung, Unterdrückung und Bedrohung. Für sie gewinnt die gesellschaftliche, wirtschaftliche und politische Befreiung eine existenzielle Bedeutung.

Aan haar idealen is Seghers haar leven lang trouw gebleven. Zehl Romero, haar biograaf, spreekt zelfs van een fataal plichtsgevoel, omdat zij in de DDR is gebleven, ook toen in dat land sprake was van onderdrukking en van antisemitisme. Binnenskamers heeft ze geprotesteerd en zich ingezet voor vrienden en bekenden die in moeilijkheden waren gekomen. Publiekelijk toonde ze zich echter steeds loyaal aan het regime van de DDR. Had zij als internationaal bekend schrijfster niet duidelijker en vaker kunnen protesteren? Seghers heeft inderdaad vaak, te vaak, gezwegen. Ze heeft ook boeken geschreven die door een ver doorgevoerde politieke stellingname het niveau van Het zevende Kruis niet haalden. Maar haar eerlijke keus voor een leven in dienst van de gerechtigheid staat buiten twijfel. En Netty Reiling is ook in die jaren niet geheel achter Anna Seghers verdwenen.

Sigrid Bock begint haar boek over Die Verwandlung der Netty Reiling in Anna Seghers met een beschrijving van de werkkamer van Seghers in haar woning in Berlin-Adlershof aan de Volkswohlstrasse, nu Anna Seghers-Strasse. Tegenwoordig is in de woning de Anna-Seghers-Gedenkstätte gevestigd. Haar bibliotheek is bewaard gebleven. Met het werk van Heine en van Kafka. Seghers was al heel vroeg met het werk van Kafka bekend en Bock vermeldt dat ze de eerste druk van Der Prozess bezat, in 1925 uitgegeven door Die Schmiede. Kafka heeft Netty Reiling en Anna Seghers een leven lang begeleid. Seghers had ook een exemplaar van Die Geschichten des Rabbi Nachman van Buber uit 1906. En verschillende haggadot waaronder het exemplaar dat zij in 1954 had gekregen van Ernst Simon, hoogleraar aan de Hebreeuwse Universiteit in Jeruzalem. Haar bibliotheek, schrijft haar biograaf, laat zien dat zij zich steeds met Joodse thema’s en tradities bezig heeft gehouden, ook al had ze de religie achter zich gelaten.

Het werk van Kafka was in de Oostbloklanden lange tijd taboe. Daarin kwam pas verandering door de conferentie over Kafka mei 1963 in het Slot Liblice, vlak bij Praag. Seghers woonde de conferentie bij samen met enkele jonge germanisten uit de DDR. Die vertolkten het officiële standpunt dat Kafka niet meer van belang was omdat de vervreemding die in zijn werk centraal staat, in een socialistische samenleving achterhaald is. Seghers stak niet onder stoelen of banken dat zij over de betekenis van Kafka anders dacht.

Tien jaar later zal ze dit herhalen in haar verhaal Die Reisebegegnung, opgenomen in de bundel Sonderbare Begegnungen. Monika Melchert heeft de titel van haar boekje over Anna Seghers aan dit verhaal ontleend: Mit Kafka im Café, Die schönsten Szenen bei Anna Seghers. Ik vermeld dit omdat op de omslag van dit boekje een aardige tekening van een onbekende Tsjechische kunstenaar is afgedrukt.

Rechts zien we Seghers, de tweede van rechts is Kafka. Links zijn de schrijvers Gogol en Hoffmann afgebeeld. Ik bezit het verhaal Die Reisebegegnung in een eenmalige uitgave met een beperkte oplage van Rutten & Loening uit 1992. Een prachtig uitgegeven boekje in de serie Die schwarzen Bücher.

In haar verhaal beschrijft Seghers de imaginaire ontmoeting van Hoffmann (1776-1822) en Gogol (1809-1852) in een café in Praag waar deze beide schrijvers ook Kafka tegenkomen die aan een tafeltje zit te schrijven. Kafka leest hen in de loop van het gesprek gedeelten voor uit Het slot en uit het verhaal De ruiter op de kolenkit. Kafka vertelt ook één van de verhalen van rabbi Nachman die Buber heeft naverteld. Een opvallend citaat:

Kafka hatte nachdenklich zugehört. Sein Gesicht war fast schön, als er dachte: Gewiss, jeder ist schuld an dem, was er schreibt. Jeder vons uns muss wahr über das wirkliche Leben schreiben. Die Schwierigkeit liegt darin, dass jeder etwas anderes unter "wahr" und "wirklich" versteht. Die meisten verstehen darunter nur das Derb-Wirkliche. Das Sichtbare und das Greifbare. Sobald die Wirklichkeit in Geträumtes übergeht, und Träume gehören zweifellos zur Wirklichkeit - wozu sollten sie den gehören? -, verstehen die Leser nicht viel.

Uit dit verhaal blijkt de sympathie van Seghers voor Kafka. Door Kafka, schrijft Zehl Romero, hält die Autorin Zwiesprache mit einer dunklen Seite ihrer selbst, die sie seit der Jugend fürchtete, in der sie aber auch ihre tiefsten Wurzeln spürte. Laat ik het in het verlengde van mijn vorige columns zo formuleren: achter Anna Seghers is hier nog steeds Netty Reiling zichtbaar, met haar onzekerheden en met haar dromen. Maar dan moet je wel goed lezen want ze weet dat soms goed verborgen te houden.

Tegen een vriendin sprak Anna Seghers eens over haar geliefde Joodse volk. Zo heeft ze zich niet vaak uitgelaten al heeft ze haar Joodse wortels nooit verloochend. In haar werk moet je er echter goed naar zoeken. Die zoektocht is niet tevergeefs. Er is alle reden om haar in ons hart te sluiten. En te blijven lezen. Haar biograaf schrijft terecht:

Mit ihrem langen Leben und umfangreichen Werk begleitete sie das nun vergangene, erschütternde Jahrhundert mithandelnd, mitirrend, mitleidend.

mei 2012De odyssee van Edgar Hilsenrath
mei 2012Nacht in Mogilev-Podolski
apr 2012Sereth
apr 2012Eichmann in Wenen
apr 2012Anna Seghers ontmoet Franz Kafka
mrt 2012Anna Seghers
mrt 2012Netty Reiling
mrt 2012Fallada past zich aan
feb 2012Nico Rost en Hans Fallada
feb 2012Karel van het Reve
feb 2012Kafka, Brenner en Feuchtwanger
jan 2012Holocaust Memorial Day
jan 2012De heerlijkheid van het leven
jan 2012Wassermann, Roth en Nederland
dec 2011De Hoge Raad buigt mee
dec 2011Isaak Babel
dec 2011Gerron
nov 2011Aharon Barak
nov 2011Abraham Mapu
nov 2011Naar Kaunas
okt 2011Briefwisseling Roth en Zweig (2)
okt 2011Briefwisseling Roth en Zweig (1)
okt 2011Rabbi Nachman en Kafka (2)
sep 2011Rabbi Nachman en Kafka (1)
sep 2011Czernowitz 1907
jul 2011Kafka in Berlijn
jul 2011Met Joseph Roth naar Berlijn
jul 2011Joseph Roth in Amsterdam
jun 2011Ik teken het gezicht van de tijd
jun 2011Het Joodse geheugen
jun 2011De memoires van Claude Lanzmann
apr 2011Heinrich Heine in Jeruzalem
apr 2011Jiri Weil houdt van katten
apr 2011Jiri Weil, getuige
apr 2011Laurent Binet, HhhH
mrt 2011Dan Porat, The Boy
mrt 2011De geheugenhut
mrt 2011The Search Committee
mrt 2011De Finklerkwestie
feb 2011Stefan Zweig, Joods schrijver
feb 2011Stefan Zweig, verdreven Europeaan
feb 2011Kisch, der rasende Reporter
jan 2011Verkeerde grootouders
jan 2011Ilse Aichinger en Kafka
jan 2011Perec, een leeservaring
jan 2011Van Kafka naar Perec
dec 2010Kafka, Weltsch en het zionisme (2)
dec 2010Kafka, Weltsch en het zionisme (1)
dec 2010Franz Kafka en Mania Tschissik
nov 2010Franz Kafka en Jizchak Löwy
nov 2010Erich Fried
nov 2010Harry Mulisch is zelf een mens
nov 2010Hannah Arendt en Gershom Scholem (2)
okt 2010Hannah Arendt en Gershom Scholem (1)
okt 2010Alexander Granach: ‘Da geht ein Mensch’
okt 2010Karl Emil Franzos: ‘Der Pojaz’
okt 2010Karl Emil Franzos: Zweigeist
sep 2010Hans Keilson
sep 2010Een intelligent hart
sep 2010Ernst Toller
sep 2010Jakob Wassermann: gebroken moralist
aug 2010Jakob Wassermann: Duitser en Jood
aug 2010Byron en de Joden
jul 2010Rathenau, ein begeisterter Deutscher, ein aufrechter Jude
jul 2010Walther Rathenau: Höre, Israel!
jun 2010Multatuli en de Joden
jun 2010Multatuli en W.A. Paap
jun 2010Herman de Man: Jood onder de boeren
mei 2010Herman de Man: ik ben een Jood
mei 2010Carry van Bruggen: een moedige Jodin
mei 2010Carry van Bruggen: De verlatene
apr 2010Carry van Bruggen: Seideravond
apr 2010Izak de Haan
apr 2010Carry van Bruggen
apr 2010Franz Baermann Steiner: Gebet im Garten
mrt 2010Franz Baermann Steiner: Praag, Jeruzalem, Oxford
mrt 2010Assaf Gavron
mrt 2010Celan en Bachmann (2)
mrt 2010Celan en Bachmann (1)
feb 2010Georg Hermann, een beschaafde Duitse Jood
feb 2010Heinz Liepmann bestraft
feb 2010Tussen orthodoxie en assimilatie
jan 2010Soma Morgenstern in de vergeethoek
jan 2010Hooligan in Roemenië
jan 2010Nogmaals Feuchtwanger
jan 2010Het succes van Feuchtwanger
dec 2009Paul Hellmann, medeaanklager
dec 2009Lezen over Auschwitz
nov 2009Ernst Weiss
nov 2009Bruno Schulz
nov 2009De zwarte zwaan van Israël
okt 2009Kafka en Else Lasker-Schüler
okt 2009Rahel Varnhagen
okt 2009Jacob Israël de Haan
okt 2009Noem het slaap
okt 2009Ongemakkelijk
sep 2009Bernard Malamud
sep 2009Leo Perutz
sep 2009De kant van Jeanne Weil
sep 2009De familie Pringsheim
aug 2009Simone Veil
aug 2009Grete Weil
jun 2009Heinrich Heine
jun 2009Ferrara
mei 2009Imre Kertész
mei 2009Aharon Appelfeld
mei 2009Joseph Roth (2)
apr 2009Joseph Roth (1)
apr 2009Zoektochten
mrt 2009Tegen het vergeten
mrt 2009Jeruzalem stond om ons heen
mrt 2009Berditsjev
mrt 2009Engführung
feb 2009Het lezen van Celan
feb 2009Moederland woord
feb 2009Abraham Sonne
feb 2009Canetti en het jodendom
jan 2009Dora Diamant
jan 2009Kafka en het zionisme
jan 2009Canon