
Zondag wordt Auschwitz herdacht en is het Holocaust Memorial Day. Joodse jongeren kunnen 's avonds in het gebouw van de Liberaal Joodse Gemeente een gevarieerd programma volgen met verschillende workshops. Bekende sprekers behandelen onderwerpen als Heldendom in de Tweede Wereldoorlog, De Nederlandse betrokkenheid bij de Jodenvervolging, De Joodsche Raad in Nederland.
Ook ik ben gevraagd een workshop voor mijn rekening te nemen. Of ik iets zou willen vertellen over mijn afgelopen najaar verschenen boek, Het Jodendom laat je niet los, waarin een aantal op de website van Crescas geplaatste columns zijn gebundeld. Zo word je nog eens een bekend spreker. Ik dacht even na en stemde toe. Literatuur als schatkamer van de Joodse ervaringswereld, het leek me wel een passend onderwerp.
Meteen dacht ik aan de column over het boek van Alain Finkielkraut, Een intelligent hart, waarin hij immers schrijft:
De jurisprudentie van het leven, een mooie formulering die me aanspreekt. Niet slechts de regels maar vooral ook de verhalen waarin die regels tot leven komen. Verhalen zijn geschikt om na te denken over wat de Holocaust ons kan leren. Finkielkraut ziet het lezen van romans, schreef Bas Heijne in de NRC, als een mogelijkheid klaarheid te brengen in morele dilemma’s en om tegen de geriefelijke aannames van de tijdgeest te denken. Literatuur als moreel instrument.
De column over Finkielkraut teruglezend kwam ik op de noodzaak om zelfstandig te blijven denken, door Hannah Arendt zo mooi omschreven:
Tegenover het zelfstandig blijven nadenken staat de verleiding van die Kameradschaft, een les die Finkielkraut trekt na lezing van een boek van Sebastian Haffner, Het verhaal van een Duitser. Kameraadschap, heeft Haffner in de jaren dertig ervaren, is verleidelijk en neemt de eigen verantwoordelijkheid weg en vervangt alles wat met individualiteit en cultuur te maken heeft.
En, dacht ik vervolgens, vooral op dwarsliggers moet ik wijzen want dwarsliggers hadden soms een profetische blik. Mijn bundel columns begint met Heine die al voorspelde dat waar men boeken verbrandt, men uiteindelijk ook mensen zal verbranden.
Zoekend naar nog andere voorbeelden vond ik ook latere columns die bovendien iets met mijn vroegere vak te maken hebben. Dat leek me ook wel geschikt. De Hoge Raad buigt mee schreef ik over het kort geleden verschenen boek De Hoge Raad in oorlogstijd. Een eerste stap op een hellend vlak leidt vaak van kwaad tot erger. En ik herlas mijn column over het mooie boek van Aharon Barak, The Judge in a Democracy. Democratie en mensenrechten als lessen van de Holocaust. Ja, er is genoeg om jongeren een spiegel voor te houden.
Ik kan natuurlijk ook vertellen, bedacht ik, waarom ik in literatuur geïnteresseerd ben. Ik heb immers als klein jongetje, geboren begin 1940, iets van het Joodse lot meegekregen. Door de literatuur gaat voor mij de schatkamer van de Joodse ervaringswereld open. In mijn boek heb ik bovendien aan de hand van de geschiedenis van mijn familie en van mijzelf mijn persoonlijke keuzes tegen het licht gehouden.
Toch schrok ik van de aankondiging van het programma van de Holocaust Memorial Day. Overlevende van de Holocaust, een persoonlijk verhaal, staat er bij mijn naam. Formeel klopt dat wel maar zo heb ik nooit tegen mijzelf aangekeken. Al was ik een onderduikkind, ik was nog maar heel erg jong. Het heeft mijn belangstelling voor de Joodse literatuur gevoed, zeker, maar waarom zou dat niet ook gelden voor de naoorlogse Joodse jongeren van zondag. Daarom komen ze. Hoop ik.
Mijn reactie op de aankondiging van mijn workshop heeft, vermoed ik, nog een andere achtergrond. Een Holocaust Memorial Day juich ik zeer toe. Daarom wil ik er ook aan meewerken. Maar als het om het persoonlijke leven gaat, ben ik voorzichtig met het trekken van lessen uit de Holocaust. Terugkijken kan soms een handicap worden. Ik probeer dat te vermijden.
Er is ook nog een ander risico van misbruik van onze geschiedenis. Je komt het tegen als tegenstanders wordt verweten dat zij zich als nationaalsocialisten gedragen. Te pas maar soms ook te onpas.
Avraham Burg heeft in zijn boek De Holocaust is voorbij een citaat van Amos Oz opgenomen waaraan ik vaak denk als ik weer eens lees hoe de geschiedenis wordt misbruikt. Het ergste voorbeeld van de laatste tijd vond ik de orthodoxe jongen in Jeruzalem die zijn handen omhoog moest houden. Op dezelfde manier als de jongen op de bekende, zo aangrijpende foto uit het getto van Warschau.
Het citaat van Amos Oz:
Ik zal mij zondag tot de schrijvers beperken. Al zijn het wel mijn keuzes uit de schatkamer van de Joodse ervaringswereld en is het in die zin toch ook een persoonlijk verhaal. Dat verhaal wil ik graag met jongeren delen.
Aan deze dagboekaantekening van Kafka uit 1921 heeft Michael Kumpfmüller de titel van zijn nieuwe roman ontleend: Die Herrlichkeit des Lebens. Ik kwam op het spoor van deze roman doordat de Nederlandse Franz Kafka-Kring zondag 1 april in het Goethe-Instituut Rotterdam aandacht aan dit boek zal besteden. Kumpfmüller zal dan aanwezig zijn, geïnterviewd worden en uit zijn boek voorlezen. De roman is in Duitsland een succes en in korte tijd al meermalen herdrukt.

De roman van Kumpfmüller beschrijft de liefdesgeschiedenis van Franz Kafka en Dora Diamant, beginnend met hun ontmoeting in de badplaats Müritz aan de Baltische Zee juli 1923 en eindigend 3 juni 1924 als Kafka in sanatorium Kierling bij Wenen in haar armen overlijdt.
In het eerste hoofdstuk komt Kafka in Müritz aan waar hij logeert in pension Glückauf. Vijftig stappen van mijn balkon is een vakantiehuis van het Jüdische Volksheim in Berlijn, schreef Kafka in één van zijn brieven. Door de bomen kan ik de kinderen zien spelen. Vrolijke, gezonde, opgewonden kinderen... Halve dagen en nachten is het huis, het bos en het strand van gezang vervuld. Als ik mij onder hen bevind, ben ik wel niet gelukkig, maar op de drempel van het geluk. In het eerste hoofdstuk van de roman van Kumpfmüller zijn zinnen als deze vrijwel letterlijk overgenomen. Kafka schreef in één van zijn brieven ook dat hij zich aan de kinderen van de vakantiekolonie verwarmt. Vandaag zal ik met hen vrijdagavond vieren, ik geloof voor het eerst van mijn leven. Dit komt in de roman eveneens terug. Am Freitagabend gibt es im Ferienhaus immer eine kleine Feier, schrijft Kumpfmüller. Kafka wordt uitgenodigd en sagt sofort zu, auch weil es der Freitag ist, und so wird er mit seinen vierzig Jahren zum ersten Mal in seinem Leben einen Freitagabend feiern.
Op die vrijdagavond maken Kafka en Dora Diamant kennis met elkaar. Kafka treft haar in de keuken van de vakantiekolonie waar zij werkt. Dora is op dat moment bezig met het voorbereiden van de maaltijd. Die eerste ontmoeting is door Kumpfmüller beschreven aan het begin van het tweede hoofdstuk. Op internet is een video te vinden waarop hij dat gedeelte uit zijn roman voorleest.

Tussen Kafka en Dora ontstaat in korte tijd een zo sterke band dat ze besluiten in Berlijn te gaan samenwonen, voor Kafka een roekeloze daad, zoals hij het in één van zijn brieven noemt. Voor het eerst liet hij Praag achter zich. Samenwonen met de al veertigjarige en aan tuberculose lijdende Kafka vroeg van Dora, vijftien jaar jonger, eveneens moed. Maar Dora is de relatie met Kafka zonder enige aarzeling aangegaan. Het was een idylle, over de drempel van het geluk, ondanks het verschil in leeftijd en afkomst, ondanks de ziekte van Kafka en de financiële problemen die het gevolg waren van de enorme geldontwaarding. Dora heeft Kafka tot het laatste moment alle liefde gegeven die zij in zich had. Wie Dora heeft gekend, weet wat liefde is, zei Robert Klopstock over haar.
Von Kafkas Berliner Alltag haben wir nur ein sehr unscharfes Bild, schrijft Kafkabiograaf Reiner Stach, Kafkas Spuren in Berlin sind verweht. Dora komt in de brieven van Kafka slechts sporadisch voor, ook toen zij van september 1923 tot maart 1924 samen in Berlijn woonden. De 20 schriften met aantekeningen en de 35 brieven van Kafka aan Dora zijn door haar meegenomen. Dora wist dat Kafka publicatie beslist niet wilde en zag de brieven en ook de aantekeningen als aan haar, en haar alleen, gericht. In 1933 heeft de Gestapo alles in beslag genomen. Sindsdien gelden de schriften met aantekeningen en deze brieven van Kafka als verloren. Brieven van Dora aan Max Brod moeten er mogelijk nog wel zijn, maar die hebben de erfgenamen van de vroegere secretaresse van Max Brod nog steeds niet vrijgegeven.
Vooraf vreesde ik het ergste. Een roman over Kafka en Dora, wat kan dat zijn? Teveel speculatie, dacht ik. Mogelijk zelfs goedkope kitsch. Daarvan is echter geen sprake. Integendeel. Kumpfmüller is zorgvuldig en respectvol te werk gegaan. Hij is zo dicht mogelijk bij de bekende feiten gebleven. Het eerste hoofdstuk toont dit al aan. Te onzekere interpretaties, die in de literatuur over Kafka in overvloed te vinden zijn, heeft Kumpfmüller vermeden. Neem Kafka’s steeds sterkere belangstelling voor het jodendom waarin Dora met haar afkomst uit een Oost-Europees chassidisch gezin een belangrijke rol heeft gespeeld. Ze vieren de sjabbat, op vrijdagavond thuis. Dora leert Kafka de gebeden die hij niet kent maar haar van jongs af aan vertrouwd zijn. Ze gaan samen naar de Hochschule für Wissenschaft des Judentums. Ze dromen over Palestina. Op al deze punten heeft Kumpfmüller zich niet aan onvoorzichtige speculaties gewaagd. Een citaat:

Oktober 1923 heeft Kafka in het warenhuis Wertheim een foto laten maken, bekend als het Berlijnse portret. Kumpfmüller laat Kafka over die foto mijmeren. Kafka vindt de foto, die hij net uit het warenhuis heeft opgehaald, maar niets. Hij ziet er op de foto verschrikkelijk uit. Natuurlijk, bijna iedereen vindt van zichzelf dat hij op een foto niet goed tot z’n recht komt. Maar van deze foto is hij echt geschrokken ...
Dora zag Kafka in de eerste plaats als de man met wie zij samenwoonde. Niet als schrijver. Ze wist dat hij een aantal verhalen had gepubliceerd, maar zijn drie romans had Kafka haar nooit laten lezen. Daarvan vernam zij pas toen die postuum door Max Brod waren gepubliceerd. Toch laat Kumpfmüller Dora een keer naar Kafka kijken als hij aan het werk is:
Josefine de zangeres, of het muizenvolk is het laatste verhaal dat Kafka maart 1924 heeft geschreven, toen hij voor korte tijd weer in Praag was, in afwachting van zijn opname in een sanatorium. Kafka, altijd kritisch, heeft dit verhaal zonder meer als geslaagd beschouwd want hij heeft het ter publicatie aangeboden aan de Prager Presse en bovendien opgenomen in de bundel De hongerkunstenaar waarvan hij de drukproeven nog heeft kunnen nakijken maar het verschijnen helaas niet meer heeft mogen meemaken. Josefine de zangeres, of het muizenvolk is vaak het literaire testament van Kafka genoemd. Het thema is het kunstenaarschap. Maar ook, in de woorden van Reiner Stach, das Verlangen nach Gemeinschaft, nach einer wirklichen, sozialen, auch physischen Verbindung mit dem eigenen Kollektiv.
Kumpfmüller speculeert gelukkig ook hier niet als hij Kafka zelf aan het woord laat:
Dora leest het verhaal als het in de Prager Presse is gepubliceerd. Kafka is dan al opgenomen en ongeneselijk ziek. Josefine, begrijpt Dora, is Kafka. Als zij één van de laatste zinnen heeft gelezen, De tijd nadert dat de laatste pieptoon van Josefine klinkt en verstomt, ervaart zij dat, schrijft Kumpfmüller, als das Schrecklichste, was sie je gelesen hat. Kafka leed aan tuberculose van het strottenhoofd, waardoor praten piepen werd totdat ook dat niet meer mogelijk was.
Kumpfmüller heeft liefdevol over Franz Kafka en Dora Diamant geschreven. Die Herrlichkeit des Lebens is daardoor een waarachtige en ontroerende liefdesgeschiedenis. De titel van de roman is passend, ook al heeft het maar kort geduurd en is de afloop tragisch.
Over Jakob Wassermann en Joseph Roth zijn twee boeken verschenen waarin wordt nagegaan hoe deze schrijvers in het vooroorlogse Nederland werden ontvangen. Ik hoop dat dit wijst op een hernieuwde belangstelling voor de betekenis van de exil-literatuur en de belangrijke rol die Nederlandse uitgevers daarin hebben gespeeld. Ook al gaan beide boeken daar slechts zijdelings over.
W.B. van der Grijn Santen schreef Jakob Wassermanns Rezeption in den Niederlanden, uitgegeven bij Köningshausen & Neumann, Würzburg 2011. Van der Grijn Santen was zo vriendelijk zijn boek toe te sturen. Els Snick promoveerde 9 december 2011 op Joseph Roth in Nederland en Vlaanderen, Bemiddeling, netwerking en orkestratie van een veelzijdig auteur in de Nederlandstalige context 1924-1940. Dit is de Nederlandse titel van het in het Duits geschreven proefschrift. Wallstein Verlag in Göttingen zal het proefschrift uitgeven. Het kan nu al worden gedownload of besteld op de site van de Universiteit Utrecht. Bij Uitgeverij Bas Lubberhuizen zal dit najaar een Nederlandse vertaling verschijnen.
Beide schrijvers verwijzen naar het in 1973 verschenen boek, Literarischer Erfolg in sechzig Jahren, van de hand van Hans Elema. Elema heeft indertijd uitgezocht welke in het Nederlands vertaalde Duitstalige schrijvers in de periode 1900 tot 1960 het grootste lezersbereik hadden. Een van de door hem opgestelde lijsten is gebaseerd op het aantal boeken dat in die periode van een schrijver is vertaald. Dan zien we Courths-Mahler bovenaan staan, direct gevolgd door auteurs die nu vrijwel geheel vergeten zijn. Wassermann staat op plaats 17, onmiddellijk na Stefan Zweig. Roth echter komt pas op plaats 82. Van der Grijn Santen en Snick vermelden beiden dat Elema vertalingen heeft gemist. Wassermann en Roth hadden daarom iets hoger op de lijst moeten staan. Het maakt het beeld niet anders. De door Elema opgestelde lijst is bovendien van nogal relatieve betekenis. Elema zelf wijst daar al op en ook Van der Grijn Santen en Snick hebben de nodige reserves. Roem, zo blijkt in ieder geval, is vergankelijk. De hoger geplaatste Wassermann wordt in Nederland bijna niet meer gelezen, alleen Caspar Hauser of de traagheid des harten is nog in vertaling te koop. De veel lager geplaatste Roth staat veel meer in de belangstelling. Zijn romans worden nu één voor één in Nederlandse vertaling herdrukt.

Wassermann (1873-1934) was, concludeert Van der Grijn Santen, in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog een gerenommeerd schrijver in de kringen des niederländischen Bildungsbürgertums. Hij wordt in één adem genoemd met Thomas Mann en Romain Rolland. Van der Grijn Santen heeft uit allerlei Nederlandse kranten berichten verzameld waaruit dat blijkt. Een door hem geciteerd kort bericht uit Het Vaderland van 4 augustus 1933 betreft de oprichting van de Kulturbund der deutschen Juden met in het bestuur o.a. Leo Baeck, Max Liebermann en de bekende schrijver Jakob Wassermann.
Ik haal juist dit bericht aan omdat het mij heeft gefrappeerd hoe sommige door Van der Grijn Santen aangehaalde Nederlandse recensenten indertijd op het jodendom van Wassermann hebben gereageerd. In die recensies wordt het anders zijn van Joden vaak als iets vanzelfsprekends voorgesteld. Zo schreef Menno ter Braak kort na het overlijden van Wassermann over diens werk: dat de waardebepalingen zeer uiteenlopen, spreekt haast vanzelf. Wassermann heeft, als stylist in het algemeen en later door zijn positie als Jood, die Duitsch schreef in het bijzonder, uiteraard verschillende reacties uitgelokt. Van der Grijn Santen valt hier over. Ter Braak lijkt te suggereren dat de Jood Wassermann, die in het Duits schreef, daardoor, uiteraard nog wel, verschillende reacties uitlokte. Die reacties zeggen vaak meer over de recensenten dan over Wassermann. Daardoor bevat het boek van Van der Grijn Santen niet alleen de nodige wetenswaardigheden over Wasserman maar biedt het vooral een interessante kijk op hoe in het vooroorlogse Nederland een schrijver als Wassermann werd beoordeeld.
Een Jood, die Duitsch schreef. Wie Mein Weg als Deutscher und Jude heeft gelezen, weet dat Wassermann evenals meer schrijvers van zijn generatie een ‘echte’ Duitse schrijver heeft willen zijn. Ook al was hij tevens Jood. Hij hield van het landschap van zijn jeugd. Een zionist als Siegfried van Praag vond dat maar niets. En Ter Braak heeft daar een op zijn minst genomen merkwaardige conclusie aan verbonden door verwantschap te suggereren tussen het nationaalsocialisme en Wassermann, wiens integriteit hij overigens niet in twijfel trekt. De typisch-dualistische levensbeschouwing van den Jood, meende Ter Braak, raakt op veel meer punten de nationaal-socialistische romantiek dan men wel veronderstelt. In een brief van 14 september 1933 gaf Du Perron aan Ter Braak te kennen dat dit nu niet het goede moment is om tegen die menschen te schrijven. Het heeft Ter Braak niet weerhouden zijn artikel te publiceren.
Van der Grijn Santen citeert Wasserman zelf om aan te tonen dat het standpunt van Ter Braak Wassermann geen recht doet en haalt bovendien Joseph Roth aan die na het overlijden van Wassermann schreef: Denn er war ein Jude, wie man weiss, und ein deutscher Jude gehört zwiefach Deutschland an: er gehört in selbstloser und wirklich tragischer Liebe Deutschland an. Wassermann’s weg als Duitser en Jood heeft tot niets geleid. Dennoch sprach er von seiner Heimat mit der Liebe eines Deutschen und mit dem Gerechtigkeitsgefühl eines Juden.
De omvangrijke romans van Wassermann worden in Nederland vrijwel niet meer gelezen. Van der Grijn Santen veronderstelt dat deze romans als te gedateerd worden ervaren. Dat zal zeker het geval zijn. Toch vind ik Caspar Hauser en ook Der Fall Mauritius nog steeds de moeite van het lezen waard. Wassermann staat in deze boeken aan de kant van de menselijkheid en de gerechtigheid. Zijn afwijzing van het nationaalsocialisme was daarop geënt.
Wassermann, zo beëindigt Van der Grijn Santen zijn boek, steht symbolisch für den jüdischen Untertan im Kaiserreich, den jüdischen Mitburger in der Republik und den Nichtarier in den Anfängen der Nazizeit. Alles Qualifikationen, die an dem heutigen niederländischen Durchschnittsbürger vorbeigehen. Die Rezeption Jakob Wassermans in den Niederlanden ist damit abgeschlossen. Het gelijk van Van der Grijn Santen, zo zou men kunnen zeggen, is dan wel het deficit van het historisch besef.
Het proefschrift van Els Snick over Joseph Roth (1894-1939) gaat niet zozeer over de wijze waarop in Nederland en Vlaanderen tegen Joseph Roth werd aangekeken maar veel meer over de contacten die Roth met uitgevers, letterkundigen en anderen in die landen heeft onderhouden. Naast de uitgevers gaat het vooral om Nico Rost en Anton van Duinkerken. ‘Netwerking’ noemt Snick dat. En ‘orkestratie’, waarmee zij bedoelt dat Roth bewust van zijn netwerken gebruik heeft gemaakt. Roth, sinds 1933 uit Duitsland verdreven en steeds in geldnood, had contacten hier te lande nodig om zijn werk bij Nederlandse uitgevers onder te brengen en te laten vertalen.

Roth was in de jaren dertig enkele malen in Amsterdam. Ik heb daar 24 juni en 1 juli 2011 al eens columns aan gewijd naar aanleiding van de eerdere publicaties van Snick in het tijdschrift De Parelduiker. Op 18 december jl. heeft de VPRO in de radiorubriek Het spoor terug een uitzending aan Joseph Roth in Amsterdam gewijd. Daarin vertelt Els Snick enthousiast over de contacten die Roth in Amsterdam onderhield en de cafés die hij daar bezocht.
Snick heeft zo te zien alles onderzocht wat over Roth in relatie tot Nederland en Vlaanderen te vinden is. Dat maakt haar boek aantrekkelijk voor iedereen die in literatuur en in Roth geïnteresseerd is. Maar er was al veel bekend en een relevant nieuw licht op Roth biedt haar uitputtend onderzoek m.i. toch niet. Zo heeft Snick gevonden dat Roth in 1931 in Antibes een relatie heeft gehad met de Belgische Maria Gillès de Pélichy maar of dit nu, zoals ze schrijft, das Privatleben Roths in ein anderes Licht rückt, waag ik te betwijfelen. Voor andere vondsten, zoals enige gelijkenis tussen een roman van Maurits Dekker en Die Beichte eines Mörders van Roth, geldt hetzelfde. Een andere kijk op het werk van Roth heb ik er niet door gekregen.
Belangrijker is dat Snick enkele gebruikelijke aannames nuanceert. Uit de herinneringen van degenen die Roth in Amsterdam hebben ontmoet en daarover hebben bericht, krijgt men al gauw de indruk dat Roth, als hij in Amsterdam was, elke dag opnieuw en tot laat in de avond in het café te vinden was. Snick acht het aannemelijk dat die herinneringen enigszins aangedikt en gekleurd zijn. Bovendien schreef Roth kennelijk vooral in de kleine schrijfkamer van zijn Amsterdamse hotel Eden aan de Warmoesstraat en veel minder in cafés. Toch blijft staan dat hij wel degelijk vaak in het café kwam, ook in Amsterdam.
De tweede gebruikelijke aanname betreft het succes dat Roth’s boek Der Antichrist in Nederland zou hebben gehad. Dat is, constateert Snick, slechts in beperkte mate het geval geweest. In verschillende kringen had men bezwaren. Ook hier komen we Siegfried Van Praag en Menno ter Braak weer tegen. Had Van Praag in 1930 nog lovend geschreven over Hiob, in 1935 schreef hij een negatieve kritiek over Der Antichrist. Volgens Van Praag had Roth zijn jodendom verloochend. Der Antichrist is een door Roth te snel geschreven en minder goed boek maar het is wel bedoeld als strijdschrift tegen het opkomend nationaalsocialisme. Ter Braak onderkende dat, al had ook hij zo zijn bedenkingen. Maar anders dan bij Wassermann enkele jaren eerder, verpakte hij die, aldus Snick, höflich und zurückhaltend. Ter Braak noemt in zijn bespreking Roth en Wassermann bovendien in één adem: Zoals bij meer Joodsche schrijvers (ik herinner onder anderen aan wijlen Jakob Wassermann ...), is bij Roth het centrale punt, waarom alles draait, het probleem der gerechtigheid. Een uitvoeriger citaat nam ik op in mijn column van 24 juni 2011. Het negatieve beeld dat van Ter Braak in het begin van mijn column kan zijn ontstaan, is daarmee bijgesteld.
Snick valt moeilijk te verwijten dat haar boek, vol met informatie over Roth’s Nederlandse en Vlaamse contacten, toch geen relevant nieuw licht op Roth werpt. Roth was nu eenmaal, in de woorden van Snick zelf, een kameleon die zich niet gemakkelijk liet kennen. In zijn ‘netwerking’ in Amsterdam was dat niet anders. Maar, voegt Snick daar aan toe, Roth blieb allerdings in einem Punkt konstant: Er lehnte Hitler und die Nationalsozialisten vehement ab.
Met de individuele leden van de Hoge Raad was eigenlijk niet eens erg veel mis, zeker in hun eigen ogen niet, zo valt op bij het lezen van De Hoge Raad en de Tweede Wereldoorlog, Recht en rechtsbeoefening in de jaren 1930-1950, geschreven door Corjo Jansen met medewerking van Derk Venema en uitgegeven door Boom, Amsterdam. Dit nieuwe boek over de Hoge Raad in oorlogstijd, in 1984 had P.E. Mazel daarover al gepubliceerd, geeft veel informatie en is vlot en helder geschreven. Zonder meer een aanrader.
De Hoge Raad bestond aan het begin van de bezetting uit gezaghebbende juristen. Nette mensen bovendien. Veelal ingetogen en zoekend naar een afgewogen oordeel, geen scherpslijpers. Nationaalsocialisten vond je onder hen niet. Van antisemitisme was evenmin sprake, eerder het tegendeel, constateren de schrijvers. Zelfs de door de bezetter benoemde raadsheren waren, op één uitzondering na, geen lid van de NSB. Toch was na de oorlog het in de samenleving breed gedragen oordeel dat de Hoge Raad, in het understatement van Jansen en Venema, wel heel erg heeft meegebogen met de Duitse bezetter. Hoe kon een en ander gebeuren?
Al in 1937 had de regering ‘aanwijzingen’ aan de ambtenaren gegeven zo lang mogelijk in functie te blijven. Volgens de regering woog het nadeel van aanblijven veelal niet op tegen het grotere nadeel dat voor de bevolking kon voortvloeien uit het niet meer functioneren van het eigen bestuursapparaat. Het was voor de leden van de Hoge Raad elke keer opnieuw het doorslaggevende argument om de Duitsers hun zin te geven en met hen mee te buigen. Bij de raadsheren leefde sterk de vrees dat indien men er mee zou ophouden, de Duitsers vrij spel hadden en dan was men, zo was het gevoelen, nog veel verder van huis.
Als het hoogste rechtsorgaan van het land had de Hoge Raad echter ook een voorbeeldfunctie. Uit het boek van Jansen en Venema rijst het beeld op dat dit bij de te nemen beslissingen te weinig heeft meegewogen. De Hoge Raad accepteerde veel en indien men het met een al te vergaande maatregel van de bezetter niet eens was, koos men ervoor alleen via de interne kanalen protest aan te tekenen. Nooit openlijk. Daardoor verloor de Hoge Raad steeds meer aan gezag.
De Hoge Raad heeft ook onvoldoende beseft dat indien men al een keer met de Duitse bezetter heeft meegebogen, een eerste stap is gezet op een hellend vlak. Het ging van kwaad tot erger is de titel van een recensie op de website van Athenaeum Boekhandel. Die recensie, van mr. P.C. Kop, geeft een duidelijke samenvatting van het boek over de Hoge Raad en de Tweede Wereldoorlog. Daarin staan ook enkele andere onderwerpen die in het kort bestek van deze column buiten beschouwing moeten blijven. Zo wees de Hoge Raad op 12 januari 1942 het zeer omstreden toetsingsarrest, waarin het college de beslissing nam dat de verordeningen van de Duitse bezetter konden gelden als wetten waarvan de rechter de innerlijke waarde of billijkheid niet mag beoordelen. Daarmee sneed de Hoge Raad zichzelf de pas af. Gelukkig nam de Hoge Raad wel stelling toen de bezetter twee raadsheren van het gerechtshof te Leeuwarden had ontslagen nadat zij een moedige en voorbeeldige uitspraak hadden gedaan. Het hof te Leeuwarden legde een straf op gelijk aan het voorarrest, omdat een langere straf zou moeten worden uitgezeten in een gevangenkamp, kamp Erika in Ommen, waar erbarmelijke omstandigheden heersten. De Hoge Raad tekende over het ontslag van de leden van het hof protest aan in een brief aan Seyss-Inquart maar deed dat niet openlijk en consequenties werden aan het protest niet verbonden. Ondanks de flagrante inbreuk op de rechterlijke onafhankelijkheid gingen de leden van de Hoge Raad door met hun werkzaamheden.
Maar zover zijn we nog niet. De eerste stappen op het hellend vlak moesten nog worden gezet.

Na de schok van mei 1940 ging bijna iedereen, ook de Hoge Raad, over tot de orde van de dag. In het begin van de bezetting, schrijven Jansen en Venema, was sprake van een vanzelfsprekende aanvaarding van de nieuwe machtsverhoudingen en van een voortzetting van het gewone leven. Maar al spoedig veranderde dat. De eerste Duitse maatregel dateert van oktober 1940. Ambtenaren en rechters dienden de ariërverklaring in te vullen. Aan deze verplichting heeft de Hoge Raad twee vergaderingen gewijd die helaas niet zijn genotuleerd. Wel is bekend dat de stemverhouding twaalf tegen vijf is geweest. Vóór het invullen van de verklaring, wel te verstaan. De Hoge Raad besefte dat aan het insturen van de ariërverklaring gevolgen waren verbonden, zoals een mogelijke buitenfunctiestelling van Visser. Terecht vragen Jansen en Venema zich af wat de leden van de Hoge Raad wisten van hetgeen zich in Duitsland al had afgespeeld. De door hen gegeven samenvatting van wat daarover in de Nederlandse kranten en juridische tijdschriften had gestaan, is in haar beknoptheid sprekend genoeg. Men kon veel weten.
Toch ging men door de knieën. De ariërverklaringen werden ingevuld. Eén lid van de Hoge Raad, mr. J. Donner, hij was de enige die later om een andere reden alsnog is afgetreden, schreef er iets bij: Het geven van deze inlichting mag allerminst worden opgevat als medewerking aan maatregelen, met het oog waarop de inlichting mocht worden gevraagd. Maar van zo’n vrijblijvend voorbehoud lag de bezetter niet wakker.
Voor degenen die van mening waren dat de Hoge Raad het voortouw had te nemen, onder wie de Leidse hoogleraar Cleveringa, was het een deceptie dat was besloten de ariërverklaring in te sturen. Na de oorlog heeft één van de raadsheren, mr. N.C.M.A. van den Dries, de houding van de Hoge Raad proberen te verklaren. Hij schreef: Dat, gelet op de Duitsche mentaliteit en hetgeen het Hitler-regime in Duitschland aan de Joden reeds had misdreven, men zich kan indenken, dat de bezetter in het bijzonder de Joodsche ambtenaren wantrouwde en als gevaarlijk beschouwde. Met verbijstering heb ik deze tekst op me laten inwerken. Zelden is een cynischer redengeving geformuleerd als in deze kwestie door de Hoge Raad, schrijven Jansen en Venema.
Nadat de leden van de Hoge Raad in oktober 1940 de ariërverklaring hadden ondertekend, ging het snel. De bezetter liet er geen gras over groeien. Per 23 november 1940 schorste de Duitse bezetter 9 Joodse rechters en 18 Joodse rechter-plaatsvervangers. Ontslag volgde op 1 maart 1941. Onder hen het enige Joodse lid van de Hoge Raad, mr. L.E. Visser. Wel hadden vóór 1940 ook andere Joden zitting gehad in de Hoge Raad, mr. A.A. de Pinto en mr. C.D. Asser. Visser was in 1940 de president van het college, onmiskenbaar de intellectuele primus inter pares onder de leden van de Hoge Raad. Hij genoot een bijzonder gezag en was niet alleen een scherpzinnig jurist, maar ook een bevlogen en beminnelijk mens. Bij Visser, schreef Kisch na diens overlijden op 17 februari 1942, vloeiden twee karaktereigenschappen samen, beginselvastheid en gemeenschapszin.
Toch ging de Hoge Raad opnieuw door de knieën. De collega-raadsheren van Visser hebben noch tegen de schorsing noch tegen het ontslag openlijk geageerd. Dit was, zoals blijkt uit de notulen van de algemene vergadering van de Hoge Raad een bewuste keuze. De enige zinvolle reactie, stellen Jansen en Venema hiertegenover, was geweest het staken van de uitoefening van de functie door het gehele college, waartoe uiteindelijk niet is besloten in het belang van het Nederlandse volk.
De rol van Visser zelf is niet helemaal duidelijk. Daarover, schrijven Jansen en Venema, bestaat in de literatuur enige ‘ruis’. Op grond van mededelingen van andere raadsheren is tot nu toe aangenomen dat Visser zich van de beslissingen van de Hoge Raad verre heeft gehouden om die niet te belasten met zijn persoonlijk belang. Toch zijn er volgens Jansen en Venema aanwijzingen dat Visser zich wel degelijk sterk heeft gemaakt voor het niet invullen van de ariërverklaring. Visser was, dat staat vast, een principieel tegenstander van samenwerking met de Duitse bezetter. In het hoofdstuk over Visser staan Jansen en Venema uitvoerig stil bij zijn rol in de Joodse Coördinatie Commissie en zijn verzet tegen het optreden van de Joodse Raad. In een brief van 18 november 1941 aan Cohen, één van de voorzitters van de Joodse Raad, maakt Visser bezwaar tegen het standpunt van de Joodse Raad dat wij leven onder een oppermachtige bezetter en men daarom heeft te doen wat deze wil. (...) De instelling van den J.R., meent Visser, is den bezetter ter wille te zijn, zijn bevelen gedwee op te volgen. Ik zou haast zeggen hem dienstbaar te zijn, hopende aldus ’erger te voorkomen’, een hoop, die niet verwezenlijkt is.
In de woorden die Visser aan Cohen heeft geschreven, om erger te voorkomen, klinkt het argument mee dat ook de beslissingen van de Hoge Raad heeft gedragen.
Tot slot nog één keer Jansen en Venema:
De Hoge Raad en de Tweede Wereldoorlog geeft veel stof tot nadenken. De leden van de Hoge Raad waren, zo begon ik deze column, gezaghebbende juristen en nette mensen. Veel lezers van het boek van Jansen en Venema zullen zich de vraag stellen hoe zij zich hadden gedragen als zijzelf voor zulke morele dilemma’s hadden gestaan. Die vraag laat zich niet gemakkelijk beantwoorden, vooral niet in een tijd dat het recht een rustig bezit is. Maar is het recht ooit een rustig bezit? Opletten kan in ieder geval nooit kwaad. Meebuigen helaas wel.
Jodendom en mierikswortel horen bij elkaar. We gebruiken het als bitter kruid op de sederschotel. Pekelvlees met mierikswortel is heerlijk. De lekkerste at ik eens in het helaas gesloten Parijse restaurant Pitchipoï. Samen met een glaasje wodka. Pitchipoï is in de Jiddisje folklore de naam van een niet bestaande plaats in een ver land, een droombeeld. In zoverre wel een mooie naam voor een restaurant met een Joodse, Oost-Europese keuken. Al is ook overgeleverd dat in Drancy, het Franse Westerbork, Pitchipoï de aanduiding was van de onzekere bestemming in het verre Polen.
Enkele weken geleden at ik in Kaunas rundertong met mierikswortel. Weer zo’n ontzettend lekkere combinatie. En vergeet niet vis met mierikswortel. Ik kreeg koude, gevulde vis met mierikswortel (een gerecht, waarvoor het de moeite waard is je tot het jodendom te bekeren), schrijft Isaak Babel in één van zijn verhalen.
Dit las ik in De mythe van Odessa, het vorige maand uitgekomen nieuwe deel in de reeks Literaire Steden van uitgeverij Bas Lubberhuizen. Er bestond al een boekje onder die titel maar de huidige uitgave is door Jan Paul Hinrichs geheel herschreven. Hinrichs schreef voor dezelfde reeks ook Lemberg – Lwów – Lviv, dat Lubberhuizen nu tegen een lager bedrag aanbiedt. In beide boeken tekent Hinrichs een portret van een eens zo Joodse stad en behandelt hij ook enkele Joodse schrijvers. In Lemberg – Lwów – Lviv o.a. Alexander Granach en Joseph Roth. In De mythe van Odessa Isaak Babel.
Een goede aanleiding om in deze column aandacht te besteden aan Isaak Babel, in 1894 in Odessa geboren. Dat wordt ook tijd want Babel past geheel in de thematiek die in deze columns en in mijn boek Het jodendom laat je niet los vaak aan de orde komt.

Reinhard Krumm schreef in 2006 een handzame en heldere biografie van Babel, Schreiben unter Stalin, en hij noemt het Odessa van Babel een multiculturele stad waarin de Joden zich vrijer konden bewegen dan in andere delen van Rusland. Odessa had zich aan het eind van de negentiende eeuw ontwikkeld tot een Zentrum der Emanzipation russischer und osteuropäischer Juden. Babel was afkomstig uit een grotendeels geassimileerd Joods gezin al schrijft hij in zijn korte schets ’Autobiografie’: Onder dwang van mijn vader heb ik mij tot mijn zestiende jaar in de studie van het Hebreeuws, de Bijbel en de Talmoed moeten verdiepen.
Ik citeer de in 1962 door Moussault uitgegeven Verhalen, dat met Autobiografie begint. De vertaling is van de hand van Charles B. Timmer. Het verbaast me dat de boeken van Babel, waaronder de twee delen Verzameld werk, nu alleen nog antiquarisch te verkrijgen zijn. De oudere uitgave van zijn verhalen heb ik al heel lang, ik vermoed al vanaf kort na 1962. Prachtig vond ik die verhalen indertijd maar herlezen heb ik ze nu pas. Opnieuw ben ik onder de indruk gekomen van de kernachtige stijl van Babel die in korte aanduidingen, met maar enkele adjectieven, beeldend een verhaal kan vertellen. Maar destijds las ik te onbevangen en heb ik minder goed gezien hoezeer Babel heeft moeten worstelen om de revolutie van 1917 en zijn Joodse achtergrond met elkaar in evenwicht te brengen. Denn er steht immer auf beiden Seiten, schrijft Krumm, ihn faszinieren die Lehren von Marx und Engels, und doch vermag er sein Judentum nicht einfach abzustreifen, dem er ebenso loyal verpflichtet ist.
Dat is het thema van deze column. Daarom noem ik hier De Verhalen uit Odessa wel maar bespreek die niet, al spelen ze in een Joods Odessa, in de wijk Moldavanka, de arme wijk van Joden en gangsterdom, waarover Hinrichs in zijn mooie boekje uitgebreid bericht. De beide kanten van Babel, communist en Jood, vind je vooral in de verhalen uit De rode ruiterij. Daarin wilde hij, aldus weer Krumm, sehen und beschreiben, wie die russischen Kommunisten die Juden behandelten. Mit der eine Seite verband ihn eine jahrtausendalte Kultur, mit der anderen neueste Hoffnung. Mit beiden identifizierte er sich.
De verhalen uit De rode ruiterij vormen het verslag van de Russisch-Poolse oorlog die Babel als vrijwillig correspondent heeft meegemaakt. Als ‘embedded journalist’ zouden we nu zeggen. Samen met de cavalerie die vooral uit Kozakken bestond, trok Babel in 1920 door Oekraïne, Galicië en Polen. Onder de schuilnaam Ljutow, want het was beter dat ook de eigen soldaten niet wisten dat hij een Jood was. Babel heeft een dagboek bijgehouden waaruit hij nadien voor zijn verhalen heeft geput. Onder de titel Dagboek 1920 is het vertaald door Peter Zeeman en in 1993 door Meulenhoff uitgegeven. Dit dagboek maakt duidelijk dat het Babel niet is ontgaan dat de Joden werden verjaagd en vermoord, ook door de eigen troepen. Nee, een pitchipoï, een droombeeld, was het land waar Babel doorheen trok niet. Net als de Joden uit Drancy ervaart Babel al heel snel de werkelijkheid. Het dagboek begint 3 juni 1920 in Zjitomir en Babel noteert: De progrom in Zjitomir, aangericht door de Polen, daarna, uiteraard, door de Kozakken. Ook merkt hij op: de gebouwen van de synagogen, de oude architectuur, wat grijpt mij dit alles toch aan. Hiermee is de toon gezet en wat hij in Zjitomir heeft gezien, verwerkt hij later in de verhalen Gedali, de rabbi en de zoon van de rabbi.
Zijn verhaal Gedali begint Babel met de verzuchting: Het zijn de avonden vóór de sabbat die mij beklemmen met de zware melancholie van de herinneringen. Op zulke avonden placht mijn grootvader met zijn gele baard langs de boekbanden van Ibn-Ezra te strijken. (...) O, vergane Talmoedboeken van mijn kinderjaren! O, dichte melancholie van herinneringen! Hij ontmoet de oude winkelier Gedali. Gedali die in tweestrijd staat: De revolutie, goed, daar zeggen we ja op, maar moeten we dan nee zeggen tegen de sabbat? En aan het eind van het verhaal schrijft Babel: De sabbat komt nader. Gedali, de grondvester van een niet te verwerkelijken Internationale, is naar de synagoge gegaan om te bidden.
Ik schreef het al. De toon is gezet. Als Babel 22 juli 1920 in Peltsja-Boratin is, schrijft hij in zijn dagboek: Een oude Jood – ik praat graag met de onzen – die begrijpen mij. En een dag later in Doebno: Een stille avond in een synagoge, dat werkt altijd onweerstaanbaar op mij. Op 30 juli 1920 is Babel in Brody, een oude, rijke en unieke Joodse nederzetting. Maar de stad is verwoest, geplunderd. (...) De Sjkolnasynagoge, 9 synagogen, alles half in puin. Babel ontmoet de sjammes, die hem vertelt over de plundering van de stad door de Kozakken, over vernederingen, door de Polen aangedaan. O, Brody!, voeg ik hier aan toe, de stad waar Joseph Roth is geboren, in hetzelfde jaar als Babel.
Augustus 1920, onderweg naar Witkow, op een wagen, treurt Babel, in gedachten verzonken, om het lot van de revolutie. En twee dagen later bezoekt hij Sokal, met een jonge zionist. (...) De jodenwijk. Onbeschrijflijke armoede, vuil, de beslotenheid van een getto. (...) Ongelukkig Galicië, ongelukkige Joden. Krumm concludeert terecht dat de hoop van Babel, een symbiose tussen communisme en jodendom, ook in De rode ruiterij schipbreuk lijdt. Die fünf Bücher Moses und Lenins Schriften, Liebe und Hass, Gebetsriemen und rote Fahne passen einfach nicht zusammen.
Tenslotte mag niet onvermeld blijven het door Babel in 1931 gepubliceerde verhaal Karl-Jankel dat hij laat spelen in Odessa, in de tijd dat hij nog klein was. De vader uit het verhaal is lid van de partij en wenst dat zijn zoon de voornaam Karl zal krijgen net als Karl Marx. De schoonmoeder echter, die behoefte had aan een kleinzoon aan wie ze de verhalen over Baal-Shem zou kunnen vertellen, ontvoert het kind, laat hem besnijden en noemt hem Jankel. Het komt tot een rechtszaak die Babel geestig beschrijft. De door de rechters genomen beslissing vernemen we niet. Babel beëindigt het verhaal zo:
Krumm noemt zijn hoofdstuk over de jaren 1929-1932 Der Zweifel. De jaren 1932-1936 geeft hij als titel mee Das Schweigen. Babel publiceert dan niet veel meer. Als Ausweg bot sich ihm nur das Schweigen. Krumm noteert: In den letzten Jahren las Babel wieder Scholem Aleichem in jiddischer Sprache, wass ihm grosse Freude bereitete. Das waren seine geistigen Wurzeln, die ihm keiner abhacken konnte.
Hoe het met Karl-Jankel is afgelopen weten we niet. Maar voor Babel heeft het vervolg de bittere smaak van mierikswortel. Hij is 15 mei 1939 op bevel van Stalin gevangengenomen. Zijn niet gepubliceerde manuscripten, het moeten in totaal wel zo’n 33 ordners zijn geweest, zijn verloren gegaan. Met uitzondering van een groot gedeelte van zijn Dagboek 1920. Op 27 januari 1940 is Babel ter dood gebracht. In de nacht van vrijdag op zaterdag. Het was sjabbat.