
“Vrees ons niet, maar heb ons lief” was de kop boven een artikel dat ik tegenkwam in de Volkskrant van 12 april 2010. Een artikel over de meerduidigheid van hoofddoeken en hun dragers (klik hier als u het Volkskrant-artikel wilt lezen). Emancipatie, het streven naar gelijkheid, zelfstandigheid en eerlijker verhoudingen, het komt niet altijd in een sociaal of maatschappelijk wenselijke vorm. Misschien is dat ook niet nodig, want echte vrijheid is immers een persoonlijke beleving. De maatschappij faciliteert slechts.
Ik ben een moderne, geëmancipeerde en religieuze Joodse vrouw. Ik heb de seculiere samenleving niet nodig om voor mijn rechten op te komen. Van rechten die mij worden opgedrongen houd ik al helemaal niet. De meerderheidscultuur bepaalt in Nederland wat de norm is. Dat is tegenstrijdig met persoonlijke emancipatie. Het lijkt een opmerkelijk contrast dat ik in een seculiere omgeving dingen nooit zou accepteren die ik in mijn religieuze omgeving wel accepteer. In sjoel zit ik in een aparte damessectie. Op mijn werk zou ik een apart dameskantoor belachelijk vinden.
Ik streef mijn eigen norm na zoals ik dat gewend ben, zoals iedereen dat doet. We vinden het allemaal heel gewoon om op het strand een topless vrouw te zien, maar op kantoor verwachten wij wel dat ze wat meer aantrekt.
En nu wordt het moeilijk: op het strand hebben we er allemaal begrip voor dat niet iedereen bloot wil lopen. Niemand wordt daar verplicht zich uit te kleden. Je bepaalt zelf wat je wel of niet aantrekt, al kom je in een lange rok met een 60-denier zwarte panty. Want dat blijft altijd ieders eigen keuze. Maar ... waarom moeten die hoofddoekjes dan af? Waarom moet de maatschappij zich bemoeien met de klederdracht of het stemgedrag van sommige bevolkingsgroepen?
Als vrouw kun je kiezen voor het leven dat je wilt leiden. Je haar wel of niet bedekken, wel of geen passief stemrecht nastreven en wel of niet voorzanger willen worden in een synagoge. Het gaat om mijn leven, het is mijn keuze en daarmee mijn persoonlijke emancipatie.