
Partij voor de dieren, opgelet. Jullie staat een nieuw échec te wachten als jullie willen proberen het mes te zetten in de besnijdenis.
Jullie poging het ritueel/kosjer slachten in VRIJ NEDERLAND te verbieden is op de Eerste Kamer vastgelopen. Jullie hebben tot het laatste moment gevochten. Dat siert jullie. De argumentatie tegen het kosjer slachten klopte echter voor geen cent. Als jullie de wetenschappelijke literatuur er serieus op hadden nageslagen zouden jullie hebben moeten weten dat kosjer slachten de dieren minder pijn doet dan jullie geliefde kogel in de kop.
Ik heb de indruk dat jullie initiatief de besnijdenis aan de orde te stellen voorlopig is ondergesneeuwd. Bij voorbaat wil ik jullie wat gegevens verstrekken die aantonen dat jullie ook geen steekhoudende argumenten kunnen hebben om de besnijdenis in de ring te gooien en er een spektakel om heen te bouwen.
Wat heb ik in mijn knapzak? In The New York Times van 7 februari jl. verscheen een verhaal onder de kop Het makkelijker maken van de besnijdenis. Dat trok natuurlijk mijn aandacht. Dan moet er toch wel iets aan de hand zijn, wil zo'n kwaliteitskrant over dit onderwerp zo groot uitpakken. Het zal niemand verbazen dat er Israëli's achter de besnijdenisdoorbraaktechniek huizen. We hebben duizenden jaren ervaring op dit gebied. Wat hebben de heren uitgevonden? Een betrekkelijk eenvoudige manier om mannen op hogere leeftijd zonder te veel pijn of zelfs pijnloos te besnijden. Het idee is simpel, de uitvoering ook. Het gaat om een ring die op de een of andere manier om de penis wordt geplaatst zodat de voorhuid afsterft, er afvalt of als een nagel kan worden geknipt.
Waarom, heren en dames van de Partij voor de Dieren, is dat zo’n belangrijke doorbraak? Statistisch is vastgesteld dat de kans op overdracht van AIDS door besneden heteroseksuele mannen maar liefst zestig procent of meer kleiner is dan bij onbesneden mannen. Op grond van dit inzicht is besloten tot 2015 twintig miljoen Afrikaanse mannen met de nieuwe besnijdenistechniek te besnijden. Een afdoender middel/medicijn tegen AIDS is er kennelijk niet.
Ook de dames en heren van de Partij van de Dieren zijn hoogstwaarschijnlijk op de hoogte van de AIDS–epidemie die enkele Afrikaanse landen treft. Misschien lezen de leden van die partij ook The New York Times. Mocht dat zo zijn, dan beschikken zij nu over informatie die hen er van zou moeten onthouden opnieuw onrust te zaaien door van de besnijdenis een politiek spektakel te maken. Of ze CRESCAS lezen betwijfel ik. Het zou leuk zijn als het wel het geval zou zijn.
Wanneer en hoe zakt de Syrische dictator Bashar al-Assad door het ijs? In navolging van de VS heeft ook de Nederlandse minister van buitenlandse zaken, Uri Rosenthal, besloten de ambassadeur uit Damascus terug te roepen. Hij lijkt er zeker van te zijn dat het einde van de langdurige Assad-dictatuur in zicht is. Ook de Israëlische minister van defensie Ehoed Barak is die mening toegedaan. Ik vermoed dat de sterk op Israël georiënteerde Rosenthal zich ook door het Israëlische denken heeft laten beïnvloeden. Ik durf te wedden dat hij iedere dag nauwkeurig de rapporten van zijn ambassadeur in Tel-Aviv leest en ook de Nederlandse media op Israël-informatie laat napluizen.
Het is goed om te beseffen dat de betrekkelijk jonge Assad, gesteund door zijn aantrekkelijke vrouw, voor zijn leven vecht. Na zoveel bloedvergieten, na zo’n grote misdaad tegen zijn volk - tegen de Sunni-moslims in het bijzonder - staat hem het lot van Moeamar Kaddafi en van Hosni Moebarak voor ogen. Zolang zijn Alawi-kliek, een tak van de islam, een kleine minderheid van hoogstens 12 procent van de Syrische bevolking, aan de macht blijft en het leger die macht blijft ondersteunen, gaat het bloedvergieten in Syrië door. Tot wanneer? Tot ook de hogere rangen in het leger het voor gezien houden. Als ik me niet vergis, is het einde van het Syrische drama nog niet in zicht. Tenzij ... tenzij wat? Tenzij Rusland over stag gaat en druk op de generaals uitoefent om Assad aan de kant te zetten. De Amerikaanse president Barack Obama speelde een hoofdrol in de val van de Egyptische president en langdurige bondgenoot Moebarak. De machtige Rus Poetin zou zijn invloed in Damascus kunnen aanwenden om in het voetspoor van de Amerikaan het regiem van Assad de nekslag te geven.
Dit scenario kan zich slechts voltrekken als Moskou tot het inzicht komt dat Assad’s positie onhoudbaar is. Tot nu toe geven de Russen geen krimp. Zij klampen zich om strategische redenen vast aan hun enige bondgenoot in het Midden-Oosten, Syrië. Zij bedienen zich van hun vetorecht in de Veiligheidsraad en sturen wapens, om Assad in het zadel te houden. Het is een riskante politiek. In de Arabische wereld wordt al dagen tegen Rusland en China gedemonstreerd. Naarmate de beelden van de slachting van Sunni-moslims door de Alawieten op de tv-schermen in de Sunni-Arabische wereld komen, groeit de walging van Rusland.
Er is iets diepgaands aan de gang in het Midden-Oosten. Na de grote Israëlisch-Arabische oorlog in 1973 heeft de toenmalige Sovjet-Unie door het toedoen van de Egyptische president Anwar Sadat strategisch en ideologisch verlies geleden in de Arabische wereld. De val van Assad’s regiem zou dat proces verder beïnvloeden. Rusland, de erfgenaam van de Sovjet-Unie, zou daardoor haar laatste vazal in het Midden-Oosten verliezen. Een nieuw regiem in Damascus dat uit de burgeroorlog naar voren zal komen, zal de Russen niet en nooit vergeven dat zij Assad tot het bittere einde hebben gesteund.
Voor Israël staat enorm veel op het spel. En niet alleen negatief. De val van Assad is ook het einde van het bondgenootschap tussen Syrië en Iran. Hezbollah in Libanon mag dan wel heel veel raketten hebben, zonder steun van Syrië en de doorstroming van wapens en instructeurs uit Iran, via Syrisch grondgebied, is Hezbollah een papieren tijger. De strategische balans in het Midden-Oosten wordt in het geval Assad valt, ten gunste van Israël verschoven. Zònder Syrië en met een strategisch verzwakte Hezbollah heeft Iran minder sterke troefkaarten in handen in de escalerende confrontatie over het Iraanse atoomprogramma. Voor Israël is het pure winst als het bondgenootschap tussen Damascus en Teheran op het bloedbad tegen de Sunni-moslims in Syrië breekt. Misschien hoeven de Israëlische burgers geen schuilkelders te ruimen en gasmaskers in huis te halen als Netanyahoe besluit de infrastructuur van de Iraanse nucleaire industrie aan te vallen. Hezbollah heeft de capaciteit Israël met zijn raketarsenaal te terroriseren. Volgens Israëlische militaire kringen staan 200.000 raketten op Israël gericht, de meesten uit Libanon. Zou Hezbollah het wagen zonder steun van Syrië op last van Iran zijn raketten af te vuren? Ik betwijfel het. De beslissing in Jeruzalem Iran aan te vallen is nog niet gevallen. Ik denk dat niet alleen de weerstand van president Obama tegen een Israëlische preventieve oorlog tegen Iran op het Israëlische beslissingsproces drukt, maar dat ook het eindspel in Syrië zwaar weegt.
Nederland zit in spanning over het al dan niet doorgaan van de Elfstedentocht, de rest van de wereld houdt zijn adem in over de opstand tegen één van de laatste Arabische dictaturen van de oude stempel.
Het is goed me hoog in de Zwitserse Alpen los te maken van het dagelijkse nieuws, uit Israël en de rest van de wereld. Natuurlijk lukt me dat niet echt. De computer is een dwingende wegwijzer door de wereld. Ik weet dus dat in de New York Times een opzienbarend verhaal verscheen over een mogelijke Israëlische aanval op Iran, dit jaar nog. De journalist in kwestie, Ronen Bergman, is zo goed ingevoerd bij de Israëlische militaire en politieke top dat zijn verhaal ook naar propaganda riekt. Ik bedoel beïnvloeding van de wereldopinie, van de Amerikanen. Die moeten van gezaghebbende anonieme Israëlische bronnen, die Bergman opvoert, weten dat de tijd dringt. Nog maar tien maanden en dan kan het niet meer. Dan is het Iraanse nucleaire programma te ver gevorderd.
Dat verhaal las ik in een café in Verbier. Ik heb het idee dat de Israëlische informatiecampagne over het Iraanse nucleaire gevaar zoden aan de dijk zet. De EU lijkt om, vóór het Israëlische standpunt, en nog veel belangrijker is dat ook in Washington nu over een termijn van tien maanden wordt gesproken. Het wordt dus een spannend voorjaar in het Midden-Oosten. Het is maar goed dat de schuilkelders in Israël worden klaargemaakt. Ik zal dan misschien weer in Israël zijn. Aan het geluid van binnenkomende raketten ben ik gewend geraakt in de Golfoorlog van 1991 toen Irak Israël onder Scud-raketvuur legde. Wat ik ervan denk? In mijn hart ben ik tegen een aanval op Iran, in mijn hoofd begrijp ik het wel. Mijn ‘nee’, niet doen, is toch sterker dan mijn ‘ja’. Natuurlijk weet ik wel dat Israël het recht heeft zich te behoeden voor een tweede Holocaust. Want dat is het diepste Israëlische argument om de luchtmacht richting Iran te laten vliegen. Maar mocht Iran ‘de bom’ hebben, zou het dan zijn anti-Israëlische retoriek omzetten in een atoomoorlog in het Midden-Oosten en Israël aanvallen? Ik betwijfel dat, om tal van redenen. De ruimte die Crescas mij toemeet, is te beperkt om dat nu te leggen. Bovendien wil ik nog iets anders onder uw aandacht brengen.
In Paris Match las ik een boeiend verhaal van de Frans-Joodse schrijver/journalist Mark Halter over ‘het vergeten Israël’ in de steppe van Rusland. Birobidjan, de in de dertiger jaren door Stalin in het leven geroepen autonome Joodse republiek in het kader van de Sovjet-Unie. Tienduizenden Joden hebben in dit onherbergzame deel van het Sovjetrijk, tienduizend kilometer van Europa, en vlakbij China, een Jiddisj sprekende maatschappij weten op te bouwen. In de bittere kou, in grote armoede maar toch een sprankje hoop. Mark Halter is er geweest. Er leven nog vijfduizend Joden in dat barre oord. De meeste Joodse inwoners van dit ‘Stalinistische paradijs’ zijn na de val van het Sovjetimperium, en ook erna, naar het echte Joodse land, Israël, vertrokken. Er zijn nog twee synagogen in Birobidjan. Kinderen leren op school Jiddisj, de voertaal van de Jiddisje stad van Stalin. ‘Waarom?’ vroeg Halter de onderwijzeres. ‘Omdat het te pas kan komen’, antwoordde ze. Niet alleen Joodse kinderen, maar ook Chinese en Koreaanse kinderen leren hier Jiddisj. Er worden nog toneelstukken in het Jiddisj opgevoerd. Er verschijnt ook vier maal per week een krant met vier pagina’s in het Jiddisj en de rest in het Russisch. Jiddisj is in Birobidjan nog een levende taal! Halter heeft over het ontstaan van deze Joodse republiek een spannende roman geschreven onder de titel L’inconnu de Birobidjan. Ik lees dat boek hier en ik heb de indruk dat het niet alleen fictie is maar ook het resultaat van grondig bronnenwerk. Birobidjan is het geesteskind van Stalin. In zijn roman laat Halter Stalin tijdens een feest op het Kremlin zeggen dat de Joden recht hebben op hun eigen staat, ‘Israël in Siberië!’ Toen de bendes van Hitler in 1941 de Sovjet-Unie aanvielen, vluchtten veel Russische Joden naar deze Joodse republiek, ver van de Duitse vernietigingscampagne. In dat opzicht heeft dit waanidee van Stalin nog een functie gehad. Wat ervan is overgebleven, is een kleine Joodse gemeenschap die het voor Halter zo geliefde Jiddisj in leven houdt. Het boek is beslist een aanrader omdat het zich afspeelt in de Sovjet-Unie en in de VS, rond een Russische vrouw die Jodin is geworden en later in Washington, ten tijde van de McCarthy heksenjacht op ‘communisten’, wordt verdacht van spionage voor Moskou.
Leiders die journalistieke kritiek niet kunnen verdragen, zijn vastgelopen in een tunnelvisie. Ze twijfelen om welke reden dan ook niet aan hun eigen gelijk. Tijdens een paar ontspannende dagen in Nederland heeft premier Benjamin Netanyahoe in een onbewaakt moment twee kranten als Israël’s gevaarlijkste vijanden genoemd. Tenminste dat schreven enkele kranten, waarna een bliksemsnelle ontkenning van Netanyahoe volgde.
Ik kan me er wel iets bij voorstellen waarom hij zo gebeten is op de Israëlische krant Ha’aretz en op de New York Times. Ik lees beide kranten dagelijks. Lof wordt hem in de kolommen van deze twee kranten niet toegezwaaid. Ze zitten hem vrijwel dagelijks op zijn huid. Van alle columnisten in de Vrije Wereld is Thomas Friedman ongetwijfeld zijn ‘grootste vijand’. Daar begrijp ik wel iets van. Friedman kent het Midden-Oosten als geen andere westerse journalist. Hij was correspondent in Israël, in Beiroet en hij is nu al jaren de reizende diplomatieke correspondent van de invloedrijkste krant ter wereld met toegang tot Arabische leiders. In zijn stukken in de New York Times oefent hij bittere kritiek uit op de anti-Palestijnse politiek van Netanyahoe. Het geloof in diens vredeswil heeft hij allang opgegeven. Friedman ziet Israël afdrijven naar een akelig internationaal isolement en draagt daar met zijn scherpe pen ook toe bij. Ik weet het natuurlijk niet, maar soms ademen zijn artikelen de geest van president Barack Obama met wie hij een vertrouwensrelatie schijnt te hebben. Een lunch op het Witte Huis en Friedman weet weer precies wat hij kan schrijven. Het is daarom voor iedereen die zich in Israël interesseert van belang deze Amerikaans-Joodse columnist te volgen. Friedman weerspiegelt de Amerikaanse politiek. Dan weet je wel dat het niet botert tussen Netanyahoe en Obama, dat de Amerikaan als een zwaar gewicht op de rug van de Israëli zit om te voorkomen dat de machtige Israëlische luchtmacht opstijgt richting Iran.
Het is jammer en ook niet handig dat Netanyahoe de New York Times in het vijandelijke kamp plaatst. Per slot van rekening is Friedman geen Israël-hater maar bezorgd over Israëls toekomst. Dat is ook de strekking van de opinie en andere artikelen in Ha’aretz. Daar moet Netanyahoe zich wel dood aan ergeren. Iedere dag opnieuw wordt zijn politiek over de kling gejaagd. Ha’aretz waarschuwt voortdurend in de meest scherpe bewoordingen voor de catastrofale gevolgen van zijn populistische nationalistische politiek, vooral waar het gaat om de Palestijnse kwestie. De invloed van Ha’aretz reikt verder dan de 60.000 abonnees in Israël. Op de redacties van de kranten in de wereld openen de redacteuren iedere dag de gratis Engelse online versie van Ha’aretz. Ha’aretz is voor hen de informatiebron over Israël. CIDI en Israëls diplomaten kunnen daar echt niet tegen op. Israël wordt in de belangrijkste kranten ter wereld gemeten naar de criteria die Ha’aretz voor Netanyahoe hanteert. Die zijn op zichzelf acceptabel. Ha’aretz staat voor vrede, mensenrechten en sociale rechtvaardigheid. Het blad blaakt van idealisme. Dat is mooi, maar soms komt dit idealisme in conflict met de realiteit. Zeker de realiteit zoals Netanyahoe die ervaart. Die ziet alleen maar gevaren, die wil Israël voor een nieuwe holocaust behoeden, die heeft geen millimeter vertrouwen in Palestijnen en Arabieren. Dat verklaart Netanyahoe’s woede over twee kranten die hem ook de andere kant van de medaille willen laten zien. Maar om de New York Times en Ha’aretz als Israëls grootste vijanden te stempelen, is een straat te ver. Netanyahoe kalmeer! Voer geen schijngevechten met de pers, maar lees, luister en denk.
Een positief bericht uit Israël. Ik heb het definitieve antwoord dat Israël geen racistische mogendheid is zoals het fabeltje van de anti-Israëlische campagne het graag voorstelt.
Discriminatie? Ja, dat wel. Pijnlijk en vaak mensonterend als het om Palestijnen gaat. Het Hooggerechtshof in Jeruzalem heeft onlangs een wet gesanctioneerd die het een Israëlische Arabier onmogelijk maakt met een Palestijnse uit de bezette gebieden te trouwen en met haar een gezin in Israël te stichten. De hoge rechters beriepen zich op het veiligheidsargument om deze beslissing te rechtvaardigen. Ze besloten een denkbeeldige dam op te werpen tegen het Palestijnse recht op terugkeer, één van de struikelblokken in het vruchteloze vredesoverleg tussen Israël en de Palestijnen.
Het is een verwerpelijk besluit maar racistisch is het niet, tenzij Israëls voornemen een Joodse staat te willen blijven als racistisch wordt beschouwd. Israëls tegenstanders hanteren die gedachtegang maar al te graag, maar slaan wat mij betreft de plank mis. Woedende Joden uit Ethiopië demonstreren nu dagelijks tegen hun achterstelling op maatschappelijk niveau. Ze zeggen, niet ten onrechte, dat ze vaak wegens hun huidskleur worden gediscrimineerd. Die beschuldiging is terecht. Huiseigenaren hier en daar in het Joodse land weigeren hun huizen aan hen te verhuren. De demonstranten schreeuwen het uit dat hen om racistische redenen de deur wordt gewezen. Ze zijn het slachtoffer van ‘klein racisme’, hoe afkeurenswaardig ook.
Maar de Staat Israël heeft zich daaraan niet schuldig gemaakt. De Falasha’s werden indertijd met tranen in de ogen en met warme open armen, in weerwil van hun huidskleur en halachische problematiek, binnengehaald. Als Israël inderdaad een racistisch landje zou zijn, zou een Falasha hier geen voet aan wal hebben kunnen zetten. Ik besef natuurlijk wel dat er aan de komst van de Falasha’s grote sociale en psychologische problemen kleven. Dat leidt tot spanningen in de maatschappij. Ik wil in dit stukje daarop niet ingaan maar stilstaan bij een heugelijke gebeurtenis in mijn Israëlische familie die de argumenten dat Israël, het Joodse land, een racistisch land zou zijn, van tafel weegt.
Zonder verdere uitleg laat ik de lezers weten dat mijn bijzondere dochter getrouwd is met een Marokkaan. Geen Jood, maar een ongelovige Islamiet, zoals een Jood zonder God kan leven. Samir is al tien jaar in Israël, is verbonden aan het Dayan Instituut voor Midden-Oosten Studies van de Tel-Avivse universiteit, waar hij momenteel aan zijn promotie werkt. Eerst was hij illegaal, toen tijdelijke inwoner van Israël en sinds deze week, wonder boven wonder, Israëlisch staatsburger. Misschien heeft zijn optreden zo nu en dan als commentator voor Noord-Afrikaanse zaken voor de Israëlische TV en radio de Minister van binnenlandse zaken ervan overtuigd dat het een goede zaak is Samir het Israëlische burgerschap te verlenen. Met het Israëlische paspoort gaat de wereld voor hem open. Met zijn Marokkaanse paspoort stond die op een kiertje. Het plannen van een bezoek aan Nederland was een lastige en tijdrovende onderneming. Voor het verkrijgen van het Nederlandse visum moest een pak formulieren worden ingevuld. Ik moest voor hem garant staan. Het visum werd nooit geweigerd maar het duurde wel lang voordat het door Den Haag werd afgegeven. Nu is de wereld voor hem open gegaan. Voor mijn schoonzoon is het Israëlische paspoort goud waard. Dat wilde ik lezers van Crescas laten weten. Goed nieuws dus deze keer uit Israël.