
Kabbala is ín. Waar je gaat in de Joodse wereld kom je Joden tegen die met kabbala bezig zijn: van ultra-orthodox tot liberaal. Maar niet alleen Joden zijn bezig met kabbala. Ook niet-Joden zijn er intensief mee bezig – met Madonna als grote voorbeeld. In Nederland vinden Joden kabbala vaak zweverig, vaag of zelfs gevaarlijk: Je moet toch 40 zijn voordat je kabbala mag leren, dat is toch niet voor niets? Bovendien ligt kabbala niet goed bij Joden die vooral het Jodendom als rationeel beschouwen. Daar horen al die kabbalistische folklore, volksgebruiken, en bijgelovige, magische ideeën toch niet bij? Over engelen, godsnamen en allemaal andere ‘onzin’. Calvinistisch Jodendom noem ik dat wel eens ...
Toch zijn we ook in Nederland vroeger minder nuchter geweest. Hiervoor raad ik de lezer aan om een gebedenboek (machzor) voor Rosj Hasjana te pakken (de zgn. Mulder uit ca. 1870) en het stuk van het blazen van de Sjofar op te slaan, voor het Moesafgebed.
Ogenschijnlijk niets aan de hand, maar lees de kleine Hebreeuwse letters die niet vertaald zijn (!) Hier vinden we een zuiver kabbalistisch gebed dat tussen de verschillende series van sjofartonen uitgesproken moet worden. Er zijn 4 soorten tonen: een lange toon (tekia), een gebroken toon met drie kortere uithalen (sjewariem), een pulserende toon van een serie korte stoten (terua), en tot slot een combinatie van de laatste twee waarbij drie kortere uithalen worden gevolgd door de serie korte stoten (sjewariem-terua). Na de eerste serie die bestaat uit drie keer tekia sjewariem-terua tekia lees je in het Nederlandse machzor het volgende:
De getallenwaarde van tekia sjewariem-terua tekia is 700, gelijk aan het woord voor voorhangsel [perochet]. Deze (sjofartonen) halen het Voorhangsel omhoog en (deze sjofartonen) zijn een naam van de Heilige, Geprezen zij Hij. Moge het de wil zijn van de Eeuwige, mijn God, en de God van mijn voorouders dat van de tonen tekia sjewariem-terua tekia die wij vandaag blazen een kroon [atara] gemaakt zal worden door degene die daarover aangesteld is: SJERASJAH. Dat zij (de kroon) op zal gaan en zal rusten op het hoofd van mijn God en dat Hij met ons een teken ten goede zal doen en met medelijden [rachamim] vervuld zal raken over ons. Geprezen (bent U God), Meester van het Medelijden.”
Na de tweede serie tonen tekia sjewariem tekia lezen we o.a. het volgende:
“Moge het de wil zijn van de Eeuwige, mijn God, en de God van mijn voorouders dat de tonen tekia sjewariem tekia die wij vandaag blazen ingeweven mogen worden op het (hemelse) kleed door degene die daarover aangesteld is: TARTIËL. Zoals U dat ook (eerder) ontvangen heeft uit de hand van Elijahoe – zijn aandenken zij tot zegen – en Joshua de Vorst van het Aangezicht, de Vorst Metatron – en moge U met medelijden [rachamim] vervuld raken over ons. Geprezen (bent U God), Meester van het Medelijden.”
Tot slot lezen we na de derde serie tonen tekia terua tekia het volgende:
“Moge het de wil zijn van de Eeuwige, onze God en de God van onze voorouders dat deze engelen die uit de sjofar komen zullen opstijgen tot voor Uw Troon van Glorie en dat zij voorspraak mogen doen voor ons, om al onze zonden te verzoenen”.
Zuiver kabbalistisch allemaal. En het staat allemaal gewoon in het Nederlandse gebedenboek van ruim 130 jaar geleden, een tijd die beïnvloedt werd door de Verlichting. Toch wilde men deze teksten toen niet uit het gebedenboek halen. Maar vertalen deed men ze ook niet. Wat hoe leg je zoiets uit aan Joden in de moderne tijd? En inderdaad, dit soort teksten zijn theologisch gezien moeilijk uit te leggen aan moderne Joden. En invoelbaar zijn ze ook niet echt, hoewel ze wel nieuwsgierig maken. Maar ze staan ook nu nog, in onze tijd, in allerlei buitenlandse gebedenboeken. Onvertaald. Maar niet in het moderne gebedenboek voor de feestdagen die eind vorige eeuw door het NIK werden uitgegeven. Blijkbaar vond men het in onze tijd ‘not done’ om deze ‘problematische teksten’ af te drukken. Tijden veranderen ...