|
RABBIJNEN IN DE 21E EEUW
![]() Rabbijnen in de 21e eeuw, door Drs. Theo van Praag Dit weekend is er in de Balie een seminar om te leren, te luisteren en na te denken. Dat klinkt aanlokkelijk en men kan zich met de indrukwekkende sprekerslijst goed voorstellen wat daar gezegd zal worden. Het gaat over vaderjoden, een mooi Nederlands woord dat wij aan Andreas Dessaur, z.l. te danken hebben. De vertegenwoordigers van de kerkgenootschappen zullen melden dat het bij de vraag wie Joden zijn om een eeuwenoude traditie gaat, nog net niet van G’d gegeven maar het komt er heel dicht bij. Het is als het houden van de sjabbatwetten: als je dat onderuit haalt, waar zouden we dan nog zijn als Joden. Tenslotte de demografische kant. Het onderzoek De Joden in Nederland anno 2000 laat ons zien dat het aantal Joden gigantisch gedaald is ten opzicht van 1940 tot minder dan 25%. Een dramatische afname; zelfs met vaderjoden erbij komen we nog maar tot eenderde van voor de oorlog. De ongemengde huwelijkskeuze voor Joden wordt steeds beperkter want het aantal niet-Joden in Nederland is van 9 miljoen toen bijna verdubbeld tot 16 miljoen nu in het jaar 5766. Waar het bizarre idee vandaan komt dat je Jood bent met een Joodse moeder maar niet (echt) met een Joodse vader weet niemand zeker. Eén verklaring is dat rabbijnen zo’n 2000 jaar terug tot hun schrik zagen dat veel kinderen werden geboren uit Joodse vrouwen als gevolg van verkrachting, slavernij en andere vormen van seksueel misbruik. Om deze kinderen toch burgerrechten te geven, werd als geste besloten de kinderen als Joden te accepteren. Dus de patriarchale afstamming die vanouds de dominante was, werd in geval van twijfel vervangen door een matriarchale, dat schijnbaar geëmancipeerd is maar in de praktijk zowel vrouwen op hun plaats houdt als het kindertal vermindert. Over dat laatste zo meer. Dit is één verklaring. Sociologisch veel aannemelijker is dat de ondergeschikte rol van vrouwen op deze manier voor altijd(!) bevestigd werd. Om in katholieke termen te spreken: het recht van iedere vrouw is het aanrecht. Vrouwen hebben geen rol in de eredienst behalve dienen en natuurlijk kinderen baren, grootbrengen en de zo belangrijke rolverdelingen, taken en plichten door te geven. Wat is er belangrijker dan het Joodse leven te bestieren? Mannen hebben het druk met veel minder gewichtige zaken als geld verdienen, oorlog voeren en de godsdienstige regels naleven. En zolang de (voornamelijk mannelijke) rabbijnen om het hardst roepen dat juist deze bijzondere rol voor vrouwen is weggelegd, waarvan de islam vele parallellen kent onder de sluier en binnenskamers, zolang verandert er niets wezenlijk. Natuurlijk vertellen rabbijnen ons dat Jodendom niet alleen een godsdienst is maar ook een gemeenschap met tradities en cultuur. Waarom die gemeenschap voor de nakomelingen van Joodse mannen geen Joodse tradities en cultuur van belang acht, melden zij ons niet. In zijn boek The Empty Cradle: How Falling Birthrates Threaten World Prosperity and What to Do About It beschrijft Phillip Longman dat in onze tijd alleen onder het patriarchaat de investering van moeders in hun kinderen toeneemt. Ontwikkelde maatschappijen worden, of men het wil of niet steeds meer patriarchaal. Behalve deze sociologische verklaring is er nog een andere. Er is de Joodse gemeenschap veel aan gelegen de bokken van de schapen te scheiden om zo de macht binnen de gemeenschap voor de eigen groep vast te houden. Het is een bekend verhaal dat als iemand een rabbijn vraagt of hij tot het Jodendom kan toetreden, de wedervraag wordt gesteld waarom men op dit uitzonderlijke idee komt. En de meeste rabbijnen ontraden het de vragensteller sterk. Zou men kinderen van één Joodse ouder allemaal weren, dan werd de spoeling wel erg dun. Er kan misschien een Freudiaanse verklaring gevonden worden waarom mannelijke rabbijnen zo bang zijn dat hun macht en status worden aangetast door Joodse mannen die een niet-Joodse vrouw trouwen. De socioloog Norbert Elias beschrijft in De gevestigden en de buitenstaanders hoe verschillen in status en rangorde bestaan tussen deze groepen. Als we voor de gevestigden, Joden, lezen en voor buitenstaanders, vaderjoden, dan zien we opvallende kenmerken. Enkele citaten geven een goede indruk: “De Joden waren enorm gehecht aan de maatstaven, de normen en de levensstijl die onder hen tot ontwikkeling was gekomen. Al deze dingen waren nauw verbonden met hun zelfrespect en met het respect dat ze van anderen (niet-Joden) verwachten. In een veranderlijke sociale ordening vol statusangsten, ontwikkelen mensen(Joden) gewoonlijk een buitengewone gevoeligheid voor alles wat hun status in gevaar kan brengen. In feite kunnen netwerken van Joden slechts tot ontwikkeling komen waar groepen van Joodse gezinnen de kans krijgen om van generatie op generatie machtsbronnen over te dragen die zij als groep in grote mate kunnen monopoliseren en waarvan degene die tot andere groepen (lees vaderJoden) behoren zijn buitengesloten.” In andere landen speelt deze ongeëmancipeerde tweedeling in vader- en moederjoden veel minder dan in Nederland, maar de statusgevoeligheid is in dit kleine land zeer groot en bijna omgekeerd evenredig met het aantal Joden hier. Het is een uitdagende gedachte als Joods Nederland een vooruitstrevende rol zou gaan spelen zoals Nederland op andere gebieden in de wereld met onze progressieve keuze voor abortus, de mogelijkheid tot vrijwillige euthanasie en het gedogen van softdrugs en coffeeshops. Terwijl in het Jodendom onverschilligheid ten opzichte van geloof, traditie en cultuur door rabbijnen terecht scherp wordt veroordeeld, is diezelfde onverschilligheid ten opzichte van kinderen van Joodse vaders die zonder Joodse cultuur en traditie worden opgevoed stuitend. Theo van Praag is socioloog en werkt als onderzoeker voor stichting EDUdesk. |
|
||||||||