Tot voor kort stond het bestaan van Joods onderwijs niet ter discussie in het publieke debat. Nu wel. Hoe komt dat? Hoe ziet de praktijk van het Joodse onderwijs er vandaag de dag uit? Wie maakt het beleid en wat is daarin toonaangevend? Welke obstakels kom je tegen? Hoe verhoudt Joods onderwijs in Nederland zich met dat in het buitenland, toen en nu? Deze en andere vragen beantwoordt Bas de Bruijn in zijn lezing over Joods onderwijs.
Joods onderwijs aan het begin van de 19e eeuw was een antwoord op de toenemende assimilatie. Maar het was ook het benutten van gelijke kansen. Zo werd in 1848 de vrijheid van onderwijs in de wet vastgelegd. In 1920 gevolgd door het wettelijk vastgelegde besluit dat de overheid openbaar en bijzonder onderwijs op gelijke voet zou subsidiëren.
Tot 1905 gingen Joodse kinderen in Nederland naar het algemeen onderwijs en volgden Joods onderwijs op zondag. Maar het verzuim was groot. Op aandringen van de Portugese opperrabbijn Palache wordt in 1905 de Herman Elteschool (een onderwijzersschool) omgevormd naar de eerste lagere school voor Joods bijzonder onderwijs. In 1929 volgt een tweede. De Joodse HBS werd opgericht in 1928 en het Joods Lyceum in 1941