|
WEBCOLUMN EMILE SCHRIJVER
Nog eens: Hebreeuwse schrifttypen vrijdag 12 maart 2010 Een van de wonderlijkste ervaringen als je net begint te schrijven, is dat mensen je blijken te lezen. Nu doe ik dit al een tijdje, schrijven, dus ik ben er inmiddels aan gewend dat ik ook gelezen wordt, maar twee reacties op één column, dat gebeurt me niet vaak. Ik heb in mijn vorige column heel kort verhaald over de variatie die er bestaat in Hebreeuws schrift. Ook heb ik een voorbeeld gegeven van het culturele belang van Hebreeuws schrift voor Joodse gemeenschappen. Die voorbeelden heb ik niet geïllustreerd en dat doe ik hierbij alsnog. De Amsterdamse Sefardische kalligrafen uit de zeventiende eeuw schreven semi-cursieve Hebreeuwse letters die teruggaan op vijftiende-eeuwse Iberische voorbeelden van voor de verdrijving. Die Amsterdamse letters zien er zo uit:
De Middeleeuwse Sefardische letters, hier in een voorbeeld uit Villalon in Spanje uit 1480, zien er zo uit:
De eerste afbeelding is afkomstig uit een handschriftje uit de Bibliotheca Rosenthaliana dat een mooi verhaal vertelt. Ik heb het al eens gepubliceerd in het tijdschrift Studia Rosenthaliana van 1992, maar ik durf aan te nemen dat niet iedereen dat gelezen heeft. Het betreft hier een rolletje van 77,8 bij 10,2 centimeter, op perkament geschreven, met elf voorbeelden van schrijfhanden van een beroemde Amsterdamse kalligraaf, Matatiah de Ishack Aboab, die leefde van 1672 tot 1703. Dit soort kalligrafen had in Amsterdam veel werk omdat schrijfkunst in hoog aanzien stond en bovendien veel Spaanstalige polemische teksten tegen het christendom in handschriftelijke kopieën werden verspreid. Onderaan staan twee Hebreeuwse schriftvoorbeelden, waaronder het bovenstaande. Hier een afbeelding van de drie laatste vignetten:
Het is geschreven op 15 juni 1690, toen Matatiah zeventien jaar oud was. Ik wil even wijzen op het wonderlijke alfabetje in Hebreeuws kwadraatschrift in het middelste vignet. Bovenop alle Hebreeuwse letters staat dezelfde letter, zodat je wanneer je het beeld omdraait ook een Hebreeuws alfabet hebt. Bij de alef en de lamed hoeft dat niet, want die kun je op hun kop ook nog lezen. Een vrolijk grapje van de kalligraaf, meer niet. Dit rolletje had hij waarschijnlijk bij zich als hij klanten bezocht, als een soort staalkaart. Uit een handschrift uit de bibliotheek Ets Haim/Livraria Montezinos in Amsterdam (EH 48 E 27) weten we meer over het leven van de kalligraaf. Hij was de zoon van een belangrijke koopman en filantroop, Ishack de Matatiah Aboab. Die vertelt in deze familiekroniek van tussen 1704 en 1707 dat zijn zoon in november 1703 tegen zijn wil meeging met het schip de Geertruida (‘Guertroida’), vanaf Texel naar Curaçao. Het schip, met als kapitein “Clas Yanse Croities’, vertrok op 19 november 1703, om twee uur ’s middags. Op 2 juni 1704 had de vader een ontmoeting met een zekere ‘Guiesbert’, Gijsbert dus, die kuiper was op de Gertruida. Die vertelde hem het volgende. De vader was natuurlijk in diepe rouw gedompeld en eindigt zijn relaas met een gebed voor het welzijn van zijn zoon, in deze of in de komende wereld. Variatie in Hebreeuwse schrifttypen vrijdag 26 februari 2010 Hebreeuws schrift kent vele honderden verschijningsvormen. Het schrift dat iedereen het beste kent is het kwadraatschrift, dat zo heet omdat de letters, min of meer, in een vierkant passen. Van dat kwadraatschrift zijn er echter ook weer tientallen verschijningsvormen, die bepaald worden door de tijd (meer dan 2000 jaar) en de plaats (in de hele diaspora) waarin er geschreven werd. Er bestaan ook andere schriften: semi-cursief schrift, ook weer in alle geografische en chronologische varianten, en cursief schrift. Het semi-cursieve schrift was vooral in de Middeleeuwen populair en werd veel gebruikt voor boeken. Je hoefde je pen niet zo vaak op te tillen als bij kwadraatschrift, maar je schreef toch netter dan in cursief schrift, ons normale schrijfschrift. Er zijn natuurlijk wel gangbare geografische indelingen voor Hebreeuwse schriften. De meest gebruikelijke onderscheidt Oriëntaalse, Jemenitische, Byzantijnse, Italiaanse, Sefardische en Asjkenazische schriften. Die schrifttypen werden in de Middeleeuwen, en lang daarna, gezien als een sterk identificerend kenmerk van de gemeenschap. Torahrollen en Estherrollen worden in lokale schriften geschreven, tot op de dag van vandaag (hoewel 'lokaal' hier ook kan betekenen dat Chassidiem in Jeruzalem Asjkenazisch, dus Hoogduits, schrift schrijven) en ook inscripties en wandschilderingen in synagogen, en zelfs veel teksten op rituele objecten, gebruiken het schrift van de eigen groep. Een mooi voorbeeld van de mate waarin Joden zich bewust waren van het belang van een, zo men wil, identificerend Hebreeuws schrift is te vinden in de Amsterdamse gemeenschap van Portugese Joden in de zeventiende eeuw. Veel van hen, dat is bekend, hadden voor ze naar Amsterdam kwamen als katholiek geleefd en waren de emotionele verbinding met hun eigen Sefardische geschiedenis kwijt. De intellectuele elite was er alles aan gelegen om die Sefardische identiteit te versterken. Daarom koos men er doelbewust voor om in gedrukte Amsterdamse boeken, in handgeschreven Amsterdamse teksten, en in synagoge-inscripties Sefardisch schrift te gebruiken. Dat Sefardische schrift werd echter niet ontleend aan het schrift zoals dat in de zeventiende eeuw in andere Sefardische gemeenschappen gangbaar was, maar aan veel eerdere voorbeelden: Hebreeuwse handschriften van voor de verdrijving van de Joden uit Spanje in 1492. Hiermee identificeerde men zich dus niet alleen met de Sefardische traditie, maar ook, en vooral, met de Sefardische traditie van voor die verdrijving. Dit inzetten van culturele identiteitsversterkende kenmerken in het dagelijks leven van de Amsterdamse Sefardiem, en dit doelbewuste nostalgische teruggrijpen op de periode voor de verdrijving, beperkt zich niet tot Hebreeuws schrift. Ook in de letteren en de beeldende kunsten zien we dit interessante fenomeen terug. Een Haggadah met misdrukken vrijdag 12 februari 2010 Een van de problemen van de columnist, althans van deze columnist, is het best samen te vatten als: waar zal ik het nu weer eens over hebben? Wanneer dat een probleem lijkt te worden, kijk ik ofwel in nooit of nog niet gepubliceerde flarden tekst over spannende gevallen, zoals Judah Leib Gordon vorige week, of in de kasten van de Bibliotheca Rosenthaliana, zoals deze week. Er kwam door het opentrekken van een kast een belangrijk exemplaar tevoorschijn van een Haggadah uit 1695, gedrukt in Amsterdam door een consortium van drukkers, in opdracht van een zekere Mozes Wesel. Het is nog te vroeg voor Pesach, maar een beetje voorjaar kan geen kwaad in deze besneeuwde tijden, dus ik had weer een onderwerp. De Amsterdamse Haggadah van 1695 is een van de beroemdste gedrukte Haggadot uit de geschiedenis, met illustraties die terugkeren in talloze latere Haggadot, tot in India aan toe. Die illustraties zijn gemaakt door Abraham bar Jacob, een proseliet uit het Rijnland die verwant was aan de Proops-familie, een van de beroemdste Amsterdamse drukkersgeslachten. De illustraties zijn door Abraham bar Jacob gebaseerd op christelijke oudtestamentische afbeeldingen van de Zwitserse kunstenaar Matthaeus Merian, wat gezien zijn christelijke achtergrond geen verwondering hoeft te wekken. Ondanks hun grote populariteit volgen de kopergravures (een techniek die hier voor het eerst in een gedrukte Haggadah werd toegepast) de tekst maar in zeer beperkte mate, hetgeen verklaard kan worden uit het feit dat de kunstenaar bijna nergens loskomt van zijn bron.
Een goed voorbeeld hiervan is de afbeelding van de vijf wijzen in Bne Berak, die de hele avond spraken over de Uittocht uit Egypte tot de tijd voor het ochtend-Sjema was aangebroken. Op de afbeelding zien we in totaal negen mensen aan tafel zitten, geen vijf, naast drie bedienden, maar geen leerlingen. Het is wel nacht, want de kaarsen branden. De verklaring hiervoor ligt in de bron van dit plaatje: Merians afbeelding van het maal dat Jozef bereidde voor zijn broers in Egypte. Daar zitten nog veel meer mensen aan tafel, en Abraham bar Jacob heeft het aantal deelnemers aan de maaltijd wel kunnen terugbrengen, maar niet tot de noodzakelijke vijf. Deze afbeelding komt overigens ook veel voor in handgeschreven Haggadot uit de achttiende eeuw en ook daar is in de overgrote meerderheid van alle gevallen sprake van meer dan de vijf geleerden in Bne Berak waar de tekst over rept. Dat laatste ligt natuurlijk niet meer aan de kracht van de afbeelding van Merian als voorbeeld, maar aan diezelfde kracht van de afbeelding van Abraham bar Jacob.
Met het genoemde exemplaar van de Amsterdamse Haggadah van 1695 - de Rosenthaliana heeft er meer - is bij nadere beschouwing iets raars aan de hand. Het exemplaar bevat een aantal misdrukken, waardoor bijvoorbeeld de afbeelding van de wijzen in Bne Berak op zijn kop is te zien. Het is interessant voor de geschiedenis van het Hebreeuwse boek dat dit soort onregelmatige boeken bewaard is gebleven en de aanwezigheid van deze en andere mooie complete exemplaren van de Amsterdamse Haggadah strekt deze roemruchte bibliotheek tot eer. Judah Leib Gordon was een belangrijke fabeldichter vrijdag 5 februari 2010 Judah Leib Gordon (1831–1892) wordt algemeen gezien als een van de grootste vroegmoderne Hebreeuwse dichters. Hij werd geboren in Vilnius, in Litouwen, en genoot tot zijn zeventiende een traditionele Joodse opleiding. Daarna leerde hij ook Europese talen en werd hij leraar in verschillende Joodse regeringsscholen, waar hij onder meer Frans onderwees. Zijn grootste bewonderaar was Hayyim Nahman Bialik (1873–1934), nog een maatje groter als dichter, die hem de “machtige hamer van de Hebreeuwse taal” heeft genoemd. Gordon was een belangrijke spreekbuis voor de Haskalah, de Joodse Verlichting, en heeft vurige pleidooien geschreven voor klassieke Haskalah-thema’s. Een van die thema’s was het verlaten van het Jiddisj als “jargon”, ten faveure van de omgangstaal van zijn woonplaats, Russisch. Hij heeft veel felle artikelen geschreven tegen de naar zijn idee bekrompen religieuze elite en hij heeft, geïnspireerd door ideeën die ook in zijn niet-Joodse omgeving opgeld deden, een betere positie voor Joodse vrouwen bepleit. Zijn vertrouwen in de Russische maatschappij, waar hij de Joden verregaand aan wilde laten assimileren, werd zwaar geschokt door de pogroms van 1881 en door het oplevende Russische antisemitisme. Hoewel hij nooit werkelijk zionistisch werd, heeft hij later in zijn leven wel veel contact gehad met Joodse groepen die in het Heilige Land als Joodse staat de oplossing zagen van de bedroevende politieke positie van veel Joden in Europa. Hij is zelf altijd blijven geloven in een goede toekomst voor Joden in de West-Europese en Anglo-Amerikaanse wereld. Ik heb hier in eerdere columns al eens aangegeven dat de aanhangers van de Haskalah zich om educatieve redenen graag bedienden van fabels. Judah Leib Gordon is onomstreden de grootste fabeldichter onder de Verlichters. Hij schreef zelf een aantal mooie fabels, maar is vooral bekend als vertaler naar het Hebreeuws van werk van beroemde niet-Joodse fabeldichters als de legendarische Aesopus, Jean de la Fontaine (1621–1695) en Ivan Andreevich Krylov (1769–1844). Zijn bekendste fabelwerk is “Mishle Yehudah”, honderd rijmende “Fabels van Judah”, verschenen in Vilnius in 1859. In 1872 bundelde hij voor een Weense uitgever nog twintig andere fabels, onder de titel “Gam eleh Mishle Yehudah”, “Ook dit zijn Fabels van Judah”. Hij maakte er ook op de titelbladen van zijn boeken een punt van dat de fabels niet alleen bedoeld waren voor kinderen, maar ook ter lering en vermaak van volwassenen. Op het titelblad van de Weense uitgave van 1872 is sprake van ‘kleine fabels voor grote kinderen”. Ook in zijn in 1884 in St. Petersburg verschenen verzamelde werken nemen fabels een prominente plaats in. Omdat fabels zo leuk zijn: eentje die op pagina 13 van de Weense uitgave van 1872 te vinden is. Hij heet “Vreemde kinderen” en verhaalt van een kip die een aantal onbeheerde eieren vond. De kip besloot zich over de eieren te ontfermen en broedde ze uit. Toen de eieren opengingen, zorgde ze voor de kuikens en hield ze warm. ’s Nachts sliepen ze onder haar vleugels en zelfs dan maakte ze zich nog zorgen om ze. De kuikens werden groter en waren al snel groot genoeg om er alleen op uit te trekken om hun voedsel te vinden. De kip besloot haar kuikens van een afstandje te volgen tot ze bij een riviertje kwamen, waar de kuikens het water insprongen en naar de overkant zwommen, terwijl de kip zelf moest blijven staan. Ze realiseerde zich daar dat ze kuikens van een gans had grootgebracht, “of”, zoals de laatste zin verhaalt, “de kinderen van geleerde Joden.” De fabel is alleen maar te begrijpen in het licht van de discussie tussen het naar Gordons idee verstarde religieuze establishment en de vooruitstrevende aanhangers van de Haskalah, “vreemde eenden in de religieuze bijt”, als we het bij gevogelte wensen te houden. Vroegste geïllustreerde Estherrol tentoongesteld in New York vrijdag 29 januari 2010 Ik heb me de afgelopen maanden in deze column weliswaar niet exclusief onledig gehouden met de tentoonstelling van werken uit de collectie van de Zwitserse verzamelaar René Braginsky, die tot vorige week in de Bibliotheca Rosenthaliana door zo’n 12.500 mensen bekeken is, maar ik heb het er wel vaak over gehad. De tentoonstelling is nu afgebroken, de stukken zijn ingepakt en staan klaar om naar New York verscheept te worden, waar ze van 21 maart tot 11 juli 2010 getoond zullen worden in Yeshivah University Museum. In New York zullen ook vier nieuwe stukken getoond worden, die recent door Braginsky zijn verworven. Het betreft een Italiaans besnijdenisboekje uit ca. 1670 met een interessante illustratiecyclus, gebaseerd op het boek Genesis, een fraai geïllustreerd medisch diploma uit Padua in Italië uit 1755, en twee Estherrollen. Dit zijn niet zomaar Estherrollen. Op een van beide rust nog een embargo ten aanzien van publicatie, maar ik kan hier wel prijsgeven dat het een uniek stuk is uit de zeventiende-eeuwse Amsterdamse Portugees-Joodse gemeente. Het andere stuk is al gepubliceerd, in een catalogus van Sotheby’s New York waar het op 24 november 2009 is geveild. Het betreft hier, zoals al gezegd, niet zomaar een Estherrol. De rol is de vroegst gedateerde Estherrol die we kennen, geschreven en uitbundig gedecoreerd in Venetië in 1564. Hij is 1,90 meter lang en 14 centimeter hoog. Het is verbazingwekkend dat zich onder de honderden bewaard gebleven verluchte handschriften uit de Middeleeuwen geen complete Estherrollen bevinden. Er zijn slechts twee fragmenten bekend van een Spaanse, waarschijnlijk Middeleeuwse Estherrol, meer niet. Het feit dat deze vroegst bekende rol gedateerd is, is op zich al een bijzonder feit. Het overgrote deel van de rollen is ongedateerd. Die datum van voltooiing, 3 Adar 5324 / 15 februari 1564, wordt genoemd in een colofon aan het eind van de rol: “Ik, Estellina, dochter van de hoogwaardigheidsbekleder Menachem, moge hij leven, zoon van de grote hoogwaardigheidsbekleder Jekoetiël, van gezegende nagedachtenis, heb deze Estherrol geschreven en voltooid op dinsdag 3 Adar, ofwel 15 februari, in het jaar 5324, hier in Venetië, ...”
De rol is dus niet alleen de oudste gedateerde rol die we hebben, maar hij is nog eens geschreven door een vrouw, een vrouw uit rijke kringen, uit een familie met een eigen embleem, dat volgt op haar colofon. Er is onder rabbijnen vaak gediscussieerd over de vraag of vrouwen Estherrollen mochten schrijven. Het antwoord daarop was, dat dat mocht, net zoals ze naar de lezing van de Estherrol mochten luisteren. Het is jammer dat instellingen als de Rosenthaliana niet meer mee kunnen doen in de kunstmarkt waarin dit soort stukken verhandeld wordt, maar het is een zegen dat er verzamelaars zijn zoals René Braginsky die bereid zijn hun stukken aan een breed publiek te tonen en beschikbaar te stellen voor wetenschappelijk onderzoek. Ik sluit niet uit dat ik hier nog eens een stuk uit deze fraaie privé-verzameling ga bespreken.
Boeken in de Middeleeuwen (2) vrijdag 15 januari 2010 In mijn vorige column heb ik geschreven over het testament van de Zuidfranse geleerde Judah ben Saul ibn Tibbon, gericht aan zijn zoon Samuël. Hierin wordt onder meer de raad gegeven om, teneinde de schaarste aan boeken te verkleinen, je boeken aan zoveel mogelijk mensen uit te lenen, maar tegelijk ook om er op toe te zien dat je je boeken terugkrijgt. In een van de interessantste literaire teksten uit de Joodse Middeleeuwen wordt duidelijk dat niet iedereen hetzelfde denkt over dit onderwerp. De tekst die ik bedoel heet de Machbarot van Immanuël uit Rome, die leefde van circa 1265 tot 1335. Machbarot wordt vaak vertaald met de ‘composities’, of zelfs de ‘canto’s’, van Immanuël. Dit is een collectie van 28 raamvertellingen, geschreven in rijmend proza, afgewisseld met metrische poëzie. De hoofdpersoon is Immanuël zelf, een brutale vagebond bijna, die begeleid wordt door ‘de prins’, een milde metgezel, en zijn grootste fan. Dit is Hebreeuwse literatuur van het hoogste niveau: creatief gebruik van Bijbelse en nabijbelse taal, intellectueel spannend, geschreven met het volle besef van de intellectuele debatten van zijn tijd, en verhalen vol humor en spanning. Een van de mooiste verhalen in de Machbarot is een relaas in rijmend proza van een groep jonge geleerden in Perugia, die beloven de verzegelde kratten (of misschien kruiken) met boeken van de geleerde boekverkoper Aaron uit Toledo, in Spanje, voor hem te bewaren gedurende zijn reis naar Rome. De mannen besluiten in weerwil van hun belofte de kratten direct te openen en alle boeken die zich erin bevinden, waaronder die van de grote leden van de familie Ibn Tibbon, die ik in mijn vorige column genoemd heb, direct te kopiëren. In de Middeleeuwen betekent dat natuurlijk met de hand overschrijven. Bij terugkomst is Aaron uit Toledo woedend en beschuldigt de mannen van diefstal, en nog een heleboel meer. Immanuël trekt in een brief aan Aaron net zo stevig van leer en zet hem op een brutale manier te kijk als een bekrompen man die verkeerde standpunten inneemt. In 2008 is in het wetenschappelijke tijdschrift Prooftexts (jaargang 28, p. 1-27) de hele passage in het Engels vertaald en geanalyseerd door Ann Brener, nu verbonden aan de Library of Congress in Washington. Zij bespreekt het literaire en intellectuele klimaat waarin deze tekst begrepen moet worden en is erin geslaagd de tekst rijmend te vertalen (zoals het origineel ook rijmend proza bevat). Van belang voor mijn betoog hier, over boekcultuur, is vooral haar observatie dat de felle reactie van Aaron op het kopiëren van de boeken, wat hij gelijk stelt met diefstal, waarschijnlijk goeddeels is ingegeven door commerciële belangen. Hij was immers boekhandelaar en had als zodanig geen enkel belang bij een ruimere beschikbaarheid van teksten. Dat Aaron, die als Rabbi Aaron wordt opgevoerd, niet geïnteresseerd is in verspreiding van kennis omwille van die kennis, is dan ook vooral in dat licht te bezien. Ik neem hier twee passages uit de vertaling over, in het Engels, zodat de lezer een indruk krijgt van de toon van dit soort teksten. De volledige tekst kan ik geïnteresseerde lezers desgewenst sturen. Allereerst de kennismaking: And I said: “Know, O Prince, that once I was in Perugia’s main square / along with some chaps, learned and debonair, / when it came to pass that an old gent passed by / and looking up I saw Aaron, the learned rabbi / together with some books, on two donkeys piled high. / We gazed at him as if he were God / and for the waters of his friendship eagerly trod / alongside the donkeys upon which he plod. / We asked how he did, and from whence and from where? / And he said: from Toledo, after seven years there / and that he brought books in Hebrew and Arabic, precious and rare. / When I heard that I asked which books he meant / and he showed me the names written on parchment: / some hundred and eighty titles all told / some of them new and some of them old. / Then he said to us: “You saw the names you asked me to reveal; / they’re here in these crates, seal within seal. / And now my path leads me to Rome / to meet with some scholars in a month I’ll be home. / Take my books and guard them true / until the day I return to you / lest another spirit descend from On High: / for he who touches them shall surely die. / I swear by Him who reigns alone: / man or beast will surely be stoned.”
En nu het begin van Immanuëls brief: Was that you, Aaron, blessed of God, who thus spoke / saying: “Would that all my enemies choke! / O why did the knees receive me? / Or the breasts feed me?”/ We thought you were the jewel in our crown: / has jealousy dragged thy white hairs down? / Upon your brow we saw a wondrous sign / and heard you praised as though divine / but your performance now was less than fine. / We said: “Let him come in joyful song / bringing sheaves of wisdom’s books along. / This will make our grief depart / and quell the storm within our heart.”/ From the tip of wisdom’s staff we took a bite - / the honey made our eyes turn bright. / But in your wrath you came down hard, / saying “How dare you touch what you were supposed to guard?” / Alas, you showed a sight most sore: / thy honor can we not restore? / Have you never heard the custom of our fathers / concerning the marriage of our daughters? / We give the groom upon the wedding night / the keeping of our heart’s delight / and there in the garden of the house / he receives the girl, his new-made spouse / to keep and guard in his own treasure-house. / He vows to guard her with his life / yet puts his hand on the goods of his wife/ and though she scream from beginning to end, / saying, “This, my secret, I shall defend!” / his hands still work as he desires / and he gathers up her hidden fires. / At the time she’s sore distressed / but knows in the end it’s all for the best. / He over-rules her vows and oaths / to reveal the mysteries beneath her clothes: / her base and shaft, her cups and knops / and enters her stronghold and ne’er once stops. / He lifts her up and lays her down / and from top to bottom takes all to be found. / Nor does her family take heed of her cries / but keep silent throughout and in this they are wise. / Should you, therefore, not act likewise / when your very own pledge whimpers and sighs / saying, “I am the Rose of Sharon, / O entreat for me unto Ephron!” / and begs release from all her woe: / truly Aaron is the new Pharaoh! Boeken in de Middeleeuwen (1) vrijdag 1 januari 2010 Op 15 december 2009 werd in Amsterdam naar aanleiding van de tentoonstelling “Een Reis door Joodse Werelden”, nog tot 17 januari 2010 te zien in de Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, een colloquium over Joodse boekgeschiedenis georganiseerd. Een gezelschap van internationale specialisten heeft daar verschillende aspecten besproken van de rijke geschiedenis van het Hebreeuwse boek. Een van de teksten die vrij uitgebreid aan bod gekomen is, is het beroemde testament, eigenlijk meer een soort ethische afscheidsbrief, van de Zuidfranse geleerde Judah ben Saul ibn Tibbon (ca. 1120 – ca. 1190), gericht aan zijn zoon Samuel (ca. 1150 – ca. 1230). Beide mannen schreven zelf geleerde traktaten, maar waren vooral bekend als vertalers van Middeleeuwse geleerde teksten die door Joden vaak in het Arabisch waren geschreven. Samuel vertaalde het belangrijkste filosofische werk van Maimonides, de Moreh Nevukhim of “Gids der Verdoolden”, vanuit het Arabisch naar het Hebreeuws. In het testament komen verhoudingsgewijs veel teksten voor over de omgang met boeken en over het bezit van een bibliotheek (wat in de Middeleeuwen overigens inhield dat men enkele tientallen, tot maximaal enkele honderden boeken bezat): “Mijn zoon, luister naar mijn aanwijzingen en negeer geen van de zaken die ik je hier opdraag… Ik heb jou vereerd met een rijke bibliotheek voor eigen gebruik en heb je daarmee ontslagen van de verplichting om boeken te lenen. De meeste studenten moeten zich inspannen om boeken te vinden, vaak zonder succes. Maar jij, God zij dank, kan uitlenen en hoeft niet te lenen. Van veel boeken bezit je twee of drie exemplaren.”
Judah ibn Tibbon verplicht zijn zoon om iedere maand te controleren welke boeken hij in zijn bezit heeft en welke hij heeft uitgeleend en hij raadt hem aan de boeken goed te organiseren, zodat hij ze goed kan vinden. Ook moet hij er actief op toezien dat uitgeleende boeken worden terugbezorgd, blijkbaar ook omdat dat niet altijd gebeurde. Er ontstond tijdens het colloquium enige discussie over hoe men in de Middeleeuwen eigenlijk boeken bewaarde, in open boekenkasten of, wat waarschijnlijker lijkt, in gesloten dozen van verschillende grootte, en men besprak een van de grootste problemen in Middeleeuwse bibliotheken, het stelen van boeken, overigens nauw gerelateerd aan de morele verplichting om boeken uit te lenen en de daaraan gerelateerde morele verplichting van de lener het boek terug te brengen. Over het stelen van boeken bestaat een andere interessante Middeleeuwse tekst, uit de beroemde Machbarot, of Canto’s, van Immanuel uit Rome (ca. 1265 – 1335), wel eens de Joodse Dante genoemd. Daaraan zal ik mijn volgende column wijden. Joodse dwergen in de boekgeschiedenis vrijdag 4 december 2009 In deze column komen regelmatig reuzen uit de Hebreeuwse boekgeschiedenis aan bod, maar ik wil het nu eens over dwergen hebben. In de tentoonstelling van boeken uit de Braginsky-verzameling, die bij de Bibliotheca Rosenthaliana in de Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam nog tot 17 januari 2010 te zien is, is een bijzonder boekje opgenomen met lofzeggingen die uitgesproken moeten worden wanneer men met alle mogelijke natuurverschijnselen, etenswaren, kruiden en wat dies meer zij wordt geconfronteerd. Deze boekjes waren vooral in de late zeventiende en de achttiende eeuw zeer populair en werden vaak als ‘Meah berachot’, honderd lofzeggingen, geafficheerd. In de praktijk bevatten veel van die verzamelingen in de achttiende eeuw echter minder dan honderd lofzeggingen. Ten behoeve van de tentoonstelling is een gedrukt boekje met honderd lofzeggingen uit de Bibliotheca Rosenthaliana, dat in 1687 in Amsterdam gedrukt is, gedigitaliseerd en integraal op het internet te bekijken. klik hier Deze gedrukte Amsterdamse uitgave heeft als uitgangspunt gediend voor veel van de latere handschriftjes. Het handschriftje uit de Braginsky-verzameling werd in 1751 in Deutschkreutz in het oosten van Oostenrijk geschreven door Aaron Wolf Herlingen, een van de grootste Hebreeuwse kalligrafen uit de achttiende eeuw.
De hier getoonde opening bevat drie illustraties, één, een koning op de troon, voor wanneer men een koning ziet, één, een schip op zee, voor als men de oceaan ziet, en één, waar het me hier om te doen is, voor als men ‘een moor of een dwerg ziet’, zoals het in het Jiddisj heet. Die laatste lofzegging luidt vertaald uit het Hebreeuws dan: ‘Gezegend zijt gij de Eeuwige, onze God, koning van de wereld, die de schepselen anders doet zijn.’ Op zoek naar heel iets anders stuitte ik in de collectie van onze eigen Bibliotheca Rosenthaliana ook op een tekstje over een dwerg. Het is een soort foldertje, eigenlijk een blaadje zo groot als een notitievelletje, naar alle waarschijnlijkheid tussen 1750 en 1780 gedrukt, met daarop een wonderlijke aankondiging:
‘Bekentmaking. Dat alhyr is angekomen, een seer merkwaardig Persoon, diergelyken noit jemand in de Wereld gesien heeft: Syn hoogte is Vijf-Vierendeel Elle, en daar by geheel gau van Lyf en Leden, zoo dat daar geen gebrek an hem is; En is Oudt 61 Jaar, en heeft gehadt 10 Kinder, waar van 6 gestorven zyn, en nog 4 in ‘t leeven ben. Zyn Religie is een Joode, gebooren in Galkin in ‘t Pruississe Littauen, alwaer hy door Brand van zyn goederen is gekoomen. Wie Pleiseer heeft, om deese merkwaardige Persoon te sien, kan geven na jeders believen.’ Het lijkt voor de hand te liggen dat deze anonieme, berooide, gekwelde, maar gezonde en vruchtbare Joodse Litouwse dwerg van ongeveer 85 centimeter in de tweede helft van de achttiende eeuw op een kermis of iets dergelijks te bezichtigen was. Edele bloemmotieven vrijdag 20 november 2009 Eén van de eerste associaties die ik heb met bloemen is, hoe vreemd het ook moge klinken, de anjer van Prins Bernhard. Zonder nu op het boeiende, of bloeiende, leven van wijlen de prins-gemaal in te gaan, is het een feit dat de associatie van bloemen met distinctie - en ik ga er maar vanuit dat het Bernhard daarom te doen was - een veel oudere is. De Portugese Joden van Amsterdam waren van oudsher geïnteresseerd in bloemmotieven. Er is voor dit onderwerp eigenlijk relatief weinig belangstelling getoond in de literatuur over de Amsterdamse Portugees-Joodse geschiedenis. Zelf heb ik wel eens de aandacht gevestigd op het feit dat het merendeel van de eenbladshandschriften, die in Portugese kring gemaakt zijn, voorzien is van bloemversieringen. Hierbij is te denken aan huwelijkscontracten, aan Esther-rollen, maar ook en vooral aan gelegenheidsgedichten en Omerkalenders. Eén van de mooiste voorbeelden hiervan is een huwelijksgedicht uit de Bibliotheca Rosenthaliana, dat jaren in de oude studiezaal van de bibliotheek aan het Singel heeft gehangen. Het heet Otot Ha-ahavah, tekenen van liefde, en bezingt het huwelijk tussen Jacob, zoon van Joseph Teixeira de Mattos en Sarah, dochter van Isaac Levi Ximenes in 1748. Het is geschreven door een beroemde kunstenaar, Joseph Siprut de Gabai, die bijvoorbeeld ook verantwoordelijk is voor een fraaie, vergelijkbaar versierde Omerkalender in de Bibliotheek Ets Haim/Livraria Montezinos.
Een ander voorbeeld is de zogenaamde Montalto Megillah uit 1686, versierd en gekopieerd door Raphael Montalto, nazaat van de beroemde arts Elijah Montalto. Deze rol wordt bewaard in de New York Public Library. Vergelijkbare bloemmotieven treft men ook aan op veel Sefardische graven in Ouderkerk aan de Amstel.
In de aanloop naar de tentoonstelling “Een Reis door Joodse Werelden”, die nog tot 17 januari 2010 in de Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam te zien is, heb ik ook een kleine dertig boeken opgenomen uit de Bibliotheca Rosenthaliana. Die heb ik laten uitzoeken door mijn illustere voorganger Adri Offenberg, die daarbij ook wees op het veelvuldig voorkomen van bloemmotieven op gedrukte boeken van de Amsterdamse Portugese Joden. Ik ben er niet in geslaagd die ook werkelijk als zodanig te exposeren, maar het is wel iets wat aandacht behoeft. Wie zich geroepen voelt, zou de wand met Rosenthaliana-boeken in deze expositie ook eens met een gebloemde bril kunnen bekijken. Concurrenten vrijdag 6 november 2009 In alle inleidingen over de geschiedenis van het Joodse boek in Amsterdam wordt verhaald over de grote expertise van de Amsterdams-Joodse drukkers in de zeventiende en achttiende eeuw en over de mate waarin de drukkers samenwerkten en gezamenlijk bijdroegen aan Amsterdams faam als centrum van het Joodse boek. Het ligt echter voor de hand dat de drukkers niet alleen maar vrienden van elkaar waren, maar evenzeer concurrenten. Een ‘cause célèbre’ van een dergelijke concurrentieslag wordt gevormd door twee in 1678 en 1679 vrijwel gelijktijdig verschenen Jiddisje vertalingen van het hele Oude Testament. Tot die tijd bestonden Jiddisje bijbelvertalingen uit de Torah, de haftarot (profetenlezingen) en de megillot (de feestrollen: Hooglied, Ruth, Klaaglied, Prediker en Esther). Uri Fayesh Halevi was de eerste drukker die het in Amsterdam aandurfde het hele Oude Testament in het Jiddisj te vertalen. Hij was daarbij zeker geïnspireerd door het succes van andere bijbelvertalingen, naar het Spaans, die in gebruik waren bij de Portugese Joden, en naar het Nederlands, in de vorm van de Statenvertaling van 1637. Uri Fayvesh verstrekte de opdracht om een Jiddisje vertaling te maken aan Jekoetiël ben Isaac Blitz, die bij zijn vertaling vrij zwaar leunde op bestaande niet-Joodse vertalingen, zoals de al genoemde Statenvertaling. Blitz’ eigen kennis van het Hebreeuws was bovendien niet zo groot dat hij het in zijn eentje af kon. Omdat Blitz’ vertaling zeer eigenzinnig was, vaak polemisch van toon, en vol met Duitse en Nederlandse invloeden, besloot een van de financiers van de onderneming, de Portugees-Joodse drukker Joseph Athias, zich uit het project terug te trekken. Hij ging nog een stap verder en besloot om een van zijn eigen mensen, de letterzetter Joseph ben Alexander Witzenhausen, een veel betere en vooral betrouwbaarder vertaling te laten maken. In de boeken is in de voorwoorden de concurrentie nog goed te zien. Athias had een Nederlands privilege om te drukken, terwijl Uri Fayvesh een Pools privilege had weten te bemachtigen. Athias had zelfs een deel van de reeds gedrukte bladen van de vertaling die hij verwierp, gebruikt om dat Nederlandse privilege te bemachtigen, nota bene uit angst dat ‘iemand er met zijn idee vandoor zou gaan’. Ook heeft hij een paar bladen met de vertaling van Blitz gewoon opgenomen in zijn uitgave, blijkbaar omdat hij de investering niet geheel verloren wilde laten gaan, of omdat hij vond dat dat deel van het project ook aan hem toebehoorde. De uitgave van Uri Fayvesh verscheen aan het einde van 1678, die van Athias in 1679. Beide uitgaven werden in grote oplages gedrukt, maar werden commerciële flops. Voor meer informatie verwijs ik graag naar een artikel van Prof Marion Aptroot: Jaartal 1678. klik hier Fernando Cardoso of Isaac Cardoso? vrijdag 23 oktober 2009 De afgelopen week stond voor mij nadrukkelijk in het teken van de opening van de tentoonstelling 'Een Reis door Joodse Werelden: Hoogtepunten uit de Braginsky Collectie', in de tentoonstellingsruimtes van de Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam aan de Oude Turfmarkt. Aanstaande zondag verzorg ik daar voor Crescas een rondleiding met inleidende lezing. Je zou bij alle waardering voor de Zwitserse verzamelaar bijna vergeten waarom hij in Amsterdam terecht gekomen is, toen hij op zoek ging naar een plek om zijn unieke collectie tentoon te stellen: de Bibliotheca Rosenthaliana, de Joodse bijzondere collectie van de universiteit die zich sinds 1880, toen de erven Leeser Rosenthal aan de stad 6.000 boeken schonken, in Amsterdam bevindt. In de tentoonstelling is daarom plaats ingeruimd voor meer dan vierendertig werken uit de Rosenthaliana, waaronder 27 'Amsterdamse Schatten'. Een van die Amsterdamse schatten is het werk Excelencias de los Hebreos (over de Deugden van de Joden), dat in 1679 in Amsterdam gedrukt werd. Het is geschreven door Isaac (Fernando) Cardoso (1603–1683). Cardoso werd in Portugal geboren en studeerde als nieuw-christen in Spanje, waar hij filosofie doceerde en promoveerde in de medicijnen. Hij werd al op relatief jonge leeftijd hofarts in Madrid. In 1648 verdween Fernando plotseling uit Madrid en dook op in Venetië, waar hij, voortaan met de naam lsaac Cardoso, tot de Sefardische gemeente toetrad. Hij functioneerde vervolgens van 1652 tot zijn dood in 1683 als arts van het getto van Verona. Hij heeft een aantal belangrijke literaire en polemische werken op zijn naam staan, maar Excelencias is zijn hoofdwerk. Het is een briljante verdediging van het jodendom en het Joodse volk. Het werk is onderverdeeld in twee delen met elk tien hoofdstukken. Het eerste deel behandelt de deugden van het Joodse volk, onder de volgende noemers:
Het tweede deel weerlegt een tiental Christelijke aantijgingen:
In 1994 noemde de historicus Yosef Hayim Yerushalmi Las excelencias de los Hebreos 'a masterpiece of Jewish anti-defamation ... Erudite, passionate, eloquent, it is all the more impressive and interesting as the work of a former Marrano who only came into the full possession and knowledge of his Jewish heritage in middle age. For while the book is, explicitly, a defense of Jewry as a whole, it is also, on a personal level, a justification of his own choice to live as a Jew.' [... een meesterlijke Joodse anti-lastertekst ... Het is een belezen, gepassioneerd en welbespraakt werk, dat nog aan belang wint omdat het geschreven is door een vroegere nieuw-Christen, die zich pas op middelbare leeftijd volledig met zijn Joodse achtergrond kon identificeren. Het is enerzijds een verdediging van het gehele jodendom, anderzijds, op een persoonlijker niveau, een rechtvaardiging van zijn eigen keuze om als Jood te leven.] Perek Shirah bevat lofzangen van de schepping op de Schepper vrijdag 9 oktober 2009 In de achttiende eeuw hield een groep van enkele tientallen kunstenaars in Midden en Noord-Europa zich intensief bezig met de vervaardiging van versierde Hebreeuwse handgeschreven boeken. Die boeken werden geschreven met zogenaamde Amsterdamse Hebreeuwse letters, handgeschreven kopieën van de Hebreeuwse letters die Amsterdamse boekdrukkers gebruikten. De illustraties in deze gebedenboeken vallen in twee hoofdtypen uiteen: veelkleurige geschilderde voorstellingen en pentekeningen die de ‘lineaire’ kwaliteit van kopergravures moesten imiteren. Een van de bekendste kunstenaars die zich door pentekeningen onderscheidde, was afkomstig uit het Boheemse Polna, maar werkte het grootste deel van zijn leven in Wenen. Hij luisterde naar de welluidende naam Meshullam ben Moses Zimmel. Hij was waarschijnlijk een professionele grafisch kunstenaar, wat de grote kwaliteit van zijn tekeningen zou verklaren. Er zijn 16 handschriften met zijn handtekening bekend en er zijn er nog eens een stuk of twaalf die aan hem kunnen worden toegeschreven. Die handschriften schreef hij tussen 1714 en 1756. Van Meshullam Zimmel zijn twee handschriften bekend van een vreemd werk, dat Perek Shirah (letterlijk ‘hoofdstuk van de lofzang’) heet. Het is een anoniem loflied op de schepping, dat vanaf de eerste helft van de tiende eeuw bekend is. Het bestaat uit hymnische spreuken door allerlei schepselen, door de natuur, de hemel en de hemellichamen, en allerlei dieren en planten. De spreuken bestaan voornamelijk uit Bijbelteksten, vooral Psalmteksten, en hebben meestal niets te maken met de schepselen die ze uitspreken. Op grond van de ongebruikelijke inhoud hebben in de loop der eeuwen veel rabbijnen zich verzet tegen de tekst, maar dat heeft nauwelijks invloed gehad op de populariteit. De tekst komt in meer dan honderd handschriften voor, en zelfs in gebedenboeken. In de tentoonstelling ‘Een Reis door Joodse Werelden’, die vanaf 16 oktober in de Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam te zien zal zijn, is een handschrift van Perek Shirah te zien van de hand van Meshullem Zimmel, dat hij in 1719 heeft geschreven voor een zekere Hertz ben Leib Darmstadt uit Frankfurt. Het boekje heeft een geïllustreerde titel en 8 miniaturen met afbeeldingen van dieren. Op zijn titelpagina vermeldt Meshullam dat hij de tekeningen zou hebben ‘gegraveerd op de platen’, opnieuw een verwijzing naar zijn bestaan als grafisch kunstenaar. Een afbeelding op bladzijde 8r hoort bij de lofzang van het kruipend gedierte en laat tien kikkers zien. Een andere illustratie, op bladzijde 15r, illustreert de lofzang van het vee, weergegeven door een paard, een koe en twee soorten geiten.
Een bijzonder besnijdenisboekje vrijdag 25 september 2009 In de komende tentoonstelling “Een Reis door Joodse Werelden,” die vanaf 16 oktober in de Bibliotheca Rosenthaliana te zien zal zijn en waaraan ik in deze column de afgelopen maanden zeer regelmatig aandacht heb besteed, vechten de grote topstukken om de aandacht van de bezoeker. Daardoor zou zomaar vergeten kunnen worden dat de kleine topstukken minstens zo interessant kunnen zijn. Hier een voorbeeld daarvan, uit de achttiende eeuw. In 1712 startte een kunstenaar uit Trebitsch, in Moravië, met de vervaardiging van Hebreeuwse handschriften, geschreven met zogenaamde Amsterdamse letters. Dat zijn letters die bewuste kopieën waren van de gedrukte letters uit Hebreeuwse boeken uit Amsterdam. De boeken werden meestal ook vormgegeven als gedrukte boeken. Deze Moravische kunstenaar heette Arjeh ben Judah Leib en tegenwoordig hebben we nog ongeveer een dozijn handschriften van zijn hand. In de Braginsky-verzameling die in Amsterdam getoond zal worden, bevindt zich een boekje met besnijdenisgebeden van zijn hand, 29 bladen perkament, 12 bij 8,5 centimeter. Het heeft een geïllustreerd titelblad, met een besnijdenistafereel in een synagoge en er komt een andere, veel vreemdere afbeelding in voor. Op de derde bladzijde is Tobias, de zoon van Tobit afgebeeld. Tobit is de hoofdpersoon in een van de Bijbelse, zogenaamde apocriefe boeken. Om de blindheid van zijn vader Tobit te genezen, heeft Tobias het hart, de lever en de gal van een vis nodig. Hij wordt in het besnijdenisboekje van Arjeh ben Judah Leib uit Trebitsch afgebeeld met een vis op zijn schouder en vergezeld van zijn metgezel, de engel Rafaël, en zijn hond. Het is een wonderlijke afbeelding, die voor zover mij bekend in geen enkel ander besnijdenisboekje voorkomt. Wat is de verklaring? Speciaal in katholieke kring gold Rafaël als beschermengel van kinderen. Het lijkt erop dat de Joodse kunstenaar, die in het katholieke Wenen werkte, dit symbool van bescherming heeft verplaatst naar een Joodse context. Waar hij de afbeelding precies vandaan heeft, is onduidelijk. Een Reis door Joodse Werelden Bijzondere Collecties
Aan de wieg van een Joodse uitgeversbranche vrijdag 11 september 2009 De laatste paar keer heb ik hier steeds geschreven over oude of heel oude boeken en over oude of heel oude rollen. Joodse boeken zijn soms echter ook nieuwe boeken. Boeken die door nette uitgeverijen op de markt worden gebracht en via Amazon, Bruna en bol.com verkocht worden. Hoe is die overgang van traditionele Joodse boekdruk, met wat losse boekwinkels en reizende boekverkopers in de achttiende eeuw, naar de moderne uitgeverij van de twintigste en eenentwintigste eeuw eigenlijk verlopen? De basis voor die overgang werd gelegd in de late achttiende en vroege negentiende eeuw, in de tijd van de Haskalah, of Joodse Verlichting. Deze beweging probeerde de integratie van de Joden in de maatschappijen waarin zij leefden onder meer te bevorderen door de wetenschappelijke bestudering van Joodse en niet-Joodse teksten èn door het gebruik van Duits in plaats van Jiddisj als omgangstaal. In de vraag naar dit soort werken werd voorzien door drukkerijen die zich toelegden op de productie van wetenschappelijke teksten, satirische teksten en een aantal belangrijke tijdschriften. De Haskalah-beweging was ontstaan in Berlijn, maar zou zich later uitbreiden naar het westen, en vooral naar het oosten. Het belangrijkste tijdschrift dat tijdens de Haskalah werd uitgegeven was Ha-me’asef (de Verzamelaar). Het werd oorspronkelijk gepubliceerd door Die Gesellschaft der hebräischen Literatur-Freunde, tussen 1784 en 1811. Het tijdschrift werd al snel de stem van de Haskalah. De idealen van de Verlichting waren het best gediend bij goede scholing, waartoe overigens verrassend veel fabels werden ingezet. In Ha-me’asef komen maar liefst 55 fabels voor. In de loop van de negentiende en in het begin van de twintigste eeuw werd steeds meer bellettrie, laten we zeggen ‘normale literatuur,’ gepubliceerd in het Hebreeuws en in Hebreeuwse en Jiddisje vertalingen. Dit heeft alles te maken met de voortgaande emancipatie van Joodse intellectuelen in Europa, maar ook met de opkomst van effectief opererende uitgeverijen die de verspreiding van die literaire werken op zich namen. Het opkomende zionisme speelde ook een rol van betekenis, vooral omdat het een markt deed ontstaan voor historische romans die de toenmalige Joden met hun voorvaderen verbond. Één man is van groot belang geweest in het ontstaan van een Joodse uitgeversbranche, namelijk Abraham Leib Shalkovich, of Ben-Avigdor. Hij begon in Warschau 1891 met de uitgave van een serie ‘stuiverromans’ en richtte twee uitgeverijen op, één in 1893 en één in 1896. Ben-Avigdor formuleerde zijn drijfveren zelf ooit als volgt: ‘Wanneer ik de in ieder opzicht armoedige toestand van onze Hebreeuwse literatuur bekijk, dan kan ik slechts vaststellen dat een van de belangrijkste redenen voor de gebrekkige ontwikkeling gelegen is in de afwezigheid in ons midden van bemiddelde uitgevers, die schrijvers en geleerden fatsoenlijk zouden kunnen betalen voor hun werk.’ De inspanningen van Ben-Avigdor en zijn opvolgers, die met hun goedkope uitgaven voldoende middelen wisten te genereren om ook betere literatuur uit te geven, heeft de weg geëffend voor de ontwikkeling van de moderne Hebreeuwse literatuur, te beginnen met de werken van schrijvers als Hayyim Nahman Bialik (1873–1934) en Saul Tchernichovski (1875–1943). De emigratie van deze schrijvers en veel van hun collega’s naar Palestina in de eerste decennia van de twintigste eeuw zou uiteindelijk leiden tot de nu voor kennisgeving aangenomen prominentie van het heilige land, eerst nog Palestina en nu natuurlijk Israël, als centrum van de Hebreeuwse literatuur. Een ander centrum ontstond als gevolg van een andere immigratiegolf, die van Europa naar de Verenigde Staten. Ook daar ontstond al snel een bloeiende Joodse uitgeversbranche, die deze nieuwe markt ging bedienen. De intrede van Joodse auteurs in de algemene literatuur van de landen waarin ze leefden, in de landstaal en met universelere dan slechts Joodse thema’s, was de laatste stap in deze ontwikkeling, die inmiddels met de nieuwe media een nieuw tijdperk lijkt in te gaan. Maar daarover later meer. PS Het feit dat ik in deze column niet heb geschreven over de grote tentoonstelling van Hebreeuwse handschriften en gedrukte boeken die de Bibliotheca Rosenthaliana van 16 oktober 2009 tot 17 januari 2010 organiseert, betekent natuurlijk niet dat u die tentoonstelling niet moet gaan zien. Een Esther-rol van ruim zeven meter! vrijdag 28 augustus 2009 Zondag 25 oktober zal ik voor Crescas een rondleiding geven over een tentoonstelling in de Bibliotheca Rosenthaliana van Hebreeuwse handschriften en gedrukte boeken die mijn werkzame leven, en dientengevolge ook deze column, het afgelopen jaar beheerst heeft. Daar zullen stukken te zien zijn van de Zwitserse verzamelaar René Braginsky, die in veel gevallen hun weerga nauwelijks kennen. In deze column heb ik tot nu toe nauwelijks aandacht besteed aan de geïllustreerde Esther-rollen die in de tentoonstelling getoond zullen worden. Niet persé de mooiste, maar wel de meest tot de verbeelding sprekende rol is een Esther-rol (die ik overigens wel al genoemd heb in een eerdere column), die in zijn geheel getoond zal worden tijdens de tentoonstelling. De tentoonstellingsbouwers breken nu hun hoofd over hoe dat dan precies moet. Het gaat om een rol uit India, die rond 1900 is vervaardigd. De rol is niet minder dan zeven meter en twee centimeter lang en ruim twintig centimeter hoog. Er zijn vijftien stukken perkament voor gebruikt en de rol is op een eenvoudige houten roller gezet. De rol biedt een unieke mengeling van Indiase en westerse tradities. Tussen de kolommen zijn twintig uitvoerig geïllustreerde panelen opgenomen. De eerste afbeelding toont de lezing van de Megillah in de synagoge en laat zien hoe de voorlezer de rol vasthoudt als ware het een brief, zoals voorgeschreven door de rabbijnen. De mannen die om hem heen staan, dragen allen een fez en de kinderen staan klaar om op trommels te slaan als de naam van de boze Haman wordt uitgesproken. Bovenaan, in het vrouwendeel van de synagoge, zijn vijf vrouwen afgebeeld. Een aantal taferelen wijkt duidelijk af van in het westen gangbare illustratietradities. Dit is vooral het geval in de afbeeldingen die de wraak van de Joden op hun vijanden laten zien. In veel westerse megillot zien we hoe de overwinnaars bovenop de doden en stervenden staan, een traditie die teruggaat op middeleeuwse bronnen. In deze megillah zijn lichaamsdelen en hoofden afgehakt. Ook is er een scène opgenomen die niet in het Bijbelverhaal voorkomt en evenmin in westerse megillot, waarin Haman voorafgaand aan zijn executie nog aan zijn baard wordt getrokken, bij wijze van openbare vernedering. De rol is afkomstig van de beroemde Indiase Sassoon familie en is waarschijnlijk vervaardigd voor eigen gebruik. De familie woonde eerst in Bagdad, maar verhuisde in 1832 naar Bombay en zou daar een van de meest prominente, vrome en vermogende Joodse families worden. Deze en vierentwintig andere Esther-rollen (uit Amsterdam, Venetië, Rome, Lugo, Ancona, andere plaatsen in Italië, het Ottomaanse rijk, Duitsland, Centraal-Europa, Wenen, Praag, de Elzas, Marokko, Bagdad, India, Ioannina (Griekenland), Oost-Europa en Jeruzalem) kunnen van 16 oktober tot 18 januari bewonderd worden naast fraaie geïllustreerde huwelijkscontracten en bijzondere geïllustreerde boeken. Tot slot een paar afbeeldingen van de hierboven beschreven Esther-rol. Klik op de foto voor een vergrote weergave.
Joden in India en hun kunstzinnige smaak vrijdag 26 juni 2009 In de afgelopen maanden heb ik regelmatig gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de lezer te wijzen op (ik vermijd bewust de uitdrukking ‘reclame te maken voor’) de aanstaande tentoonstelling van Hebreeuwse handschriften en drukken van de Zwitserse verzamelaar René Braginsky, die vanaf 16 oktober te zien zal zijn in de Bibliotheca Rosenthaliana, bij de Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam. Dat doe ik nu, zo vlak voor de vakantie, nog eens en wel door te wijzen op twee tamelijk exotische, uit India afkomstige stukken uit deze fraaie collectie. Het eerste is een huwelijkscontract dat op maandag 26 februari 1900 in Cochin is geschreven en het huwelijk bekrachtigt van Moses, de zoon van Judah en Esther, de dochter van Isaac. Van de drie groepen Indiase Joden, waartoe ook de zogenaamde Bene Israel en de Joden in Bagdad behoren, is die van Cochin in het zuiden van India, de kleinste. Vandaag de dag wonen er minder dan zeventig Joden. De Joden van Cochin hebben vooral een rijke kunstzinnige traditie, met fraaie synagogen en tabernakels. De huwelijkscontracten van Cochin, met boven, in Hebreeuws kwadraatschrift, algemene bepalingen en daaronder in Hebreeuws cursiefschrift, het eigenlijke contract, combineren Oosterse en Westerse stijlelementen en zijn vaak met goudverf geïllumineerd. De kroon boven het contract verwijst misschien naar het Engelse koningshuis. Een heel ander stuk uit India, dat in de tentoonstelling te zien zal zijn, is een Estherrol van niet minder dan zeven meter lang. Hij heeft toebehoord aan de beroemde familie Sassoon, die hem waarschijnlijk aan het begin van de vorige eeuw voor eigen gebruik heeft laten maken. De Sassoons woonden oorspronkelijk in Bagdad, vanwaar ze in 1852 naar Bombay verhuisden. Daar ontwikkelden ze zich tot een zeer Brits georiënteerd Joods geslacht met groot financieel, cultureel en religieus aanzien. De rol bevat niet minder dan twintig afbeeldingen die tussen de tekstkolommen zijn opgenomen en een hoogst ongebruikelijke thematiek en uitvoering kennen. De openingsafbeelding is illustratief voor de hele rol. Daarop is een voorlezer te zien, omgeven door mannen met fezzen op hun hoofd, die de Estherrol vasthoudt als ware het een brief, zoals voorgeschreven door de rabbijnen. Er zijn kinderen te zien met trommels in hun handen om de naam van Haman onverstaanbaar te maken als die wordt uitgesproken en er zijn in de vrouwenafdeling vijf vrouwen afgebeeld. In de tentoonstelling zal de volle zeven meter van deze rol worden uitgerold.
Nederlands-Joodse archieven aan de vergetelheid ontrukt vrijdag 12 juni 2009 Een van de frustraties van het bibliothecarissenbestaan is dat je voortdurend moet uitleggen waarom het werk dat je doet niet saai is, maar boeiend en niet ouderwets en statisch, maar innovatief en dynamisch. Er is echter troost: een beroep dat nog sterker geïdentificeerd wordt met saaiheid en stof, is dat van de archivaris. Maar in een oude universiteitsbibliotheek, en dus ook in de Bibliotheca Rosenthaliana, is dat wel een schrale troost, want archieven vormen een niet onbelangrijk deel van de collectie van de bibliotheek. Sinds 2007, en sinds 2008 met ondersteuning van de Stichting Maror en de Stichting Levi Lassen en in samenwerking met het Menasseh ben Israel Instituut, wordt in de Bibliotheca Rosenthaliana met man en macht gewerkt aan de ontsluiting van meer dan veertig Nederlands-Joodse archiefcollecties. Deze collecties zijn op verschillende, vaak niet meer bekende manieren in de bibliotheek beland: door aankoop, door schenking, door de noodzaak voor ieder mens om af en toe op te ruimen en door de natuurlijke behoefte van families om de nalatenschap van relevante voorouders te bewaren en de meestal terechte reflex van voorgangers om in die behoefte te voorzien. Sinds een paar jaar bestaat een methode om dit soort archiefcollecties voor een groter publiek toegankelijk te krijgen zonder dat je meteen ieder schooldiploma, iedere briefkaart of uitnodiging voor een vijftigjarig huwelijksfeest hoeft te beschrijven. Op de website van de Bijzondere Collecties worden online inventarissen gepubliceerd die alle voor de geïnteresseerde onderzoeker relevante informatie duidelijk presenteren, van herkomst tot omvang tot taal tot beschikbaarstelling. De in de Rosenthaliana aanwezige collecties verschillen nogal van karakter. Er is bijvoorbeeld het archief van de Pekidim en Amarkalim van Amsterdam, met 11.000 stukken, maar ook het archief van de schrijver Jacob Israel de Haan en het archief van Henriëtte Boas (in bruikleen), maar ook het archief van Otto Cohen. Het laatstgenoemde archief bevat de persoonlijke nalatenschap van Otto Nathan Cohen, kleinzoon van Leeser Rosenthal, de grondlegger van de Bibliotheca Rosenthaliana. Zijn vader Jacques Cohen (Düsseldorf 1833 -Amsterdam 1881) is in 1862 getrouwd met de jongste dochter van het gezin Rosenthal, Mathilde Rosenthal (geboren Hannover 1838). De stukken in de collectie hebben vooral betrekking op het privéleven van Otto Cohen: foto's, correspondentie, officiële stukken zoals zijn bewijs van Nederlanderschap, zijn rijbewijzen en stukken in verband met zijn functies en opleidingen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd Otto Cohen beschuldigd van spionage en het dossier daarover wordt eveneens in de collectie bewaard. Deze collectie illustreert een relatief kleine, persoonlijke geschiedenis. Van groot historisch belang, het individuele overschrijdend, is de eerstgenoemde collectie, van de Pekidim en Amarkalim van Amsterdam. Ik citeer hieronder een deel van de historische informatie die in de online inventaris is te vinden. Alle brieven uit dit archief zijn beschreven, op microfilm gezet en gedigitaliseerd. Die beelden zullen na de zomer van dit jaar op de website van de Bijzondere Collecties te zien zijn. “De benaming 'Pekidim en Amarkalim' (opzichters en schatbewaarders) duidt de internationale organisatie aan die in 1809 in Amsterdam werd opgericht door Zvi Hirsch Lehren, Abraham Prins en Salomo Rubens. De organisatie had zich tot doel gesteld behoeftige Joden in het Heilige Land te ondersteunen. De Joodse gemeenschap in het toenmalige Palestina is door de eeuwen heen ondersteund geweest door een goed georganiseerd en in brede kring bekend netwerk van fondsenwerving in de hele Joodse diaspora. Dit gebeurde meestal door zendbodes, die vanuit Palestina op 'fondsenwervingsreis' naar Europa gezonden werden. Een groot nadeel van dit systeem was dat de zendbodes onderweg onkosten maakten die uit de opbrengst bestreden werden, terwijl zij bovendien loon ontvingen, waardoor naar schatting een derde tot de helft van de ingezamelde gelden zijn bestemming niet bereikte. De oprichters van Pekidim en Amarkalim waren felle tegenstanders van dit systeem en wilden met hun organisatie op meer efficiënte wijze te werk gaan. In alle Joodse gemeenten van West-Europa stelden zij een penningmeester aan, die het bijeengebrachte geld aan hen afdroeg. Verder ontvingen zij giften en vaste bijdragen van instellingen en particulieren en hielden zij speciale acties voor armlastige Joden in Palestina. Het geldinzamelingsysteem werd op deze wijze geconcentreerd in Amsterdam. De Joodse gemeentes in Palestina werden voortaan verzekerd van een regelmatig inkomen. De giften werden overgemaakt via het bankiershuis Hollander & Lehren. In deze organisatie waren behalve de leden van de bekende bankiersfamilie Lehren meer personen uit de Amsterdams-Joodse orthodoxie actief, onder wie Abraham Moses de Lima en M.J. Goldschmidsohn. De organisatie onderhield nauwe contacten met de leiders van de Joodse gemeenschappen in de steden Jeruzalem, Hebron, Safed en Tiberias. Deze leiders wendden zich met grote regelmaat tot de organisatie: met verzoeken om steun voor Joods onderwijs en om bij te dragen aan de verdere kolonisatie en ontwikkeling van de landbouw in het Heilige Land. Daarnaast kwamen veel rechtstreekse verzoeken binnen van armlastigen uit Palestina. In de loop der tijd wisten ook steeds meer Joden in Europa, die initiatieven wilden ontplooien, in het Heilige Land de Pekidim en Amarkalim te vinden. In 1824 werd de nieuwe organisatie door het rabbinaat van Jeruzalem erkend als exclusief orgaan voor de geldinzameling van Palestina. De geschiedenis van het archief, voorafgaand aan verwerving door de Universiteitsbibliotheek is niet bekend. Een deel van het archief zou volgens mondelinge overlevering tijdens de Tweede Wereldoorlog bewaard zijn in waterdichte zakken, vastgebonden aan de palen van een Amsterdams grachtenhuis. De datum van verwerving van het archief is onbekend. In de vroege jaren zeventig van de twintigste eeuw werd nog aangenomen dat de inkomende brieven verloren waren gegaan, maar in 1980 werd melding gemaakt van het huidige bestand in de Bibliotheca Rosenthaliana.” Abraham Gómez Silveira (1656–1740) in discussie donderdag 28 mei 2009, 12:00 Een paar jaar geleden heeft de Bibliotheca Rosenthaliana met steun van een aantal stichtingen, waaronder de Vrienden van de Universiteitsbibliotheek en de Stichting Levi Lassen, een bijzonder Spaans handschrift kunnen kopen, waarin de Amsterdamse Portugese Jood Abraham Gómez Silveira zich keert tegen de inzichten van de Franse calvinistische geleerde Isaac Jacquelot. Het handschrift is geschreven in Amsterdam in 1725. Het titelblad luidt: Preluminarias / que deven anteceder a todo género de / controversias en materia de Religión. / Que sirven de Prólogo a la Respuesta / humilde que haze A.G.S. en cinco libros al que hizo el Doctíssimo / Señor / Yshac Jaquelot / Yntitulado / Disertaciones sobre el Mesías donde / se prueva a los Judíos que J.C. / es el Mesiah prometido / y vatizinado en el / viejo testamento. Abraham Gómez Silveira kwam op de wereld als Diego Silveira in Arévalo (Castilië, Spanje) en behoorde tot een prominente familie van nieuw-christenen (afstammelingen van bekeerde Joden). Hij heeft een aantal jaren in Madrid gewoond, maar aangezien zijn familie vervolgd werd door de Inquisitie, besloten ze naar Frankrijk te vertrekken. In 1672 kwam hij samen met zijn moeder en een aantal andere familieleden aan in Amsterdam, waar hij definitief terugkeerde naar het jodendom. Hij bleek daar al snel een van de meest getalenteerde Joodse studenten en begon te preken in de Portugese gemeente Talmud Torah. Een aantal van die preken is uitgegeven en valt op door hun grote literaire kwaliteit. Rond 1682 verbleef hij enig tijd in Antwerpen, waarschijnlijk omdat er in Amsterdam geen rabbinale posities te vergeven waren. Vanaf 1700 schreef Abraham Gómez Silveira een groot aantal werken waarin hij het traditionele jodendom verdedigde als de enige ware godsdienst. Belangrijke werken zijn Dialogos Theologicos en versos jocoserios (een theologische dialoog tussen een protestantse priester, een katholieke theoloog, een Turkse Moslim en een Jood) en een serie boeken die gericht zijn tegen de bekeringsinspanningen van de Franse calvinist Isaac Jacquelot. Isaac Jacquelot (1647-1708) werd geboren in Vassy en behoorde tot een belangrijke groep protestantse dissidenten die aan het eind van de zeventiende eeuw in Nederland terecht waren gekomen. Met de Amsterdamse sefardische Joden deelden zij een diepe aversie tegen de katholieke kerk en er bestonden veel contacten tussen de sefardische Joden en deze Franse protestanten. Jacquelot begon te preken in de Calvinistische Franse Kerk in Den Haag en publiceerde in 1699 een werk, getiteld Dissertations sur le Messie. Ou l’on prouve aux Juifs que Jésus Christ est le Messie promis et prédit dans l’Ancien Testament (Dissertaties over de messias, waarin getoond wordt aan de Joden dat Jezus Christus de Messias is, zoals beloofd en voorspeld in het Oude Testament). Dit werk toont de beperkingen van het contact tussen de twee groepen en laat een Jacquelot zien die niet in staat is zijn overtuiging dat de Joden de waarheid van het Nieuwe Testament weigeren te onderkennen, te onderdrukken. Abraham Gómez Silveira klom onmiddellijk in de pen en schreef een lang antwoord, met een enorme kennis van de Joodse en Christelijke tradities. Hij vertaalde iedere alinea uit het werk van Jacquelot in het Spaans en voorzag die van zijn eigen commentaar, waardoor zijn werk het karakter krijgt van een fictieve dialoog. Zijn belangrijkste argument tegen Jacquelot was, dat de Joodse bijbel - hij verzette zich tegen de notie van een Oud en een Nieuw Testament - de enige betrouwbare bron van goddelijke openbaring was die door de drie wereldgodsdiensten erkend werd. En hij bestreed de verwijzingen die Jacquelot in die tekst meende te kunnen duiden als verwijzingen naar de figuur van Jezus als messias. Het handschrift dat de Bibliotheca Rosenthaliana nu verworven heeft, bevat een soort proloog (van 349 bladzijden, dat wel) voor zijn eigenlijke dialoog met Jacquelot. Andere handschriften van het werk van Gómez Silveira bevinden zich op een beperkt aantal plaatsen in de wereld, in de Bibliotheek Ets Haim/Livraria Montezinos in Amsterdam, in de Rosenthaliana, in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag en in de bibliotheek van de Jewish Theological Seminary in New York. Van de tekst in het handschrift in de Rosenthaliana, dat vanaf oktober te zien zal zijn in een tentoonstelling van Joodse boeken en handschriften, waarnaar ik hier al een paar maal verwezen heb, is alleen een kortere versie beschikbaar in Ets Haim. [Voor deze column heb ik uitgebreid gebruik gemaakt van een beschrijving van het handschrift door prof. dr. Harm den Boer uit Basel, die in de Bibliotheca Rosenthaliana wordt bewaard]. De Haggadah van Mantua (1560) vrijdag 15 mei 2009 Kort voor Pesach schreef ik hier dat het in een bibliothecarissenleven eigenlijk altijd een beetje Pesach is. Dat schreef ik mede naar aanleiding van een bijzondere tentoonstelling van Hebreeuwse boeken die ik thans voorbereid, een tentoonstelling uit de collectie van de Zwitserse privéverzamelaar René Braginsky, die vanaf 16 oktober 2009 tot 18 januari 2010 te zien zal zijn in de tentoonstellingsruimtes van de Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam. De voorbereidingen voor de catalogus zijn in volle gang en deze week heb ik onder meer mogen werken aan een van de beroemdste Haggadot, de Haggadah die in 1560 in het hertogdom Mantua werd gedrukt. De Haggadah is gedrukt door de sjammasj van een privé-synagoge in Mantua, Isaac ben Samuel Bassan, maar hij maakte gebruik van de drukpers van een met name genoemde christen, Giacomo Rufinelli. De Rufinelli’s waren belangrijke drukkers in Mantua. De Haggadah is geïnspireerd op een eerder gedrukte, zo mogelijk nog beroemdere Haggadah, die van Praag uit 1526, die ook in de tentoonstelling in Amsterdam te zien zal zijn. Beide Haggadot, die van Praag en die van Mantua, bevinden zich overigens niet in Nederlandse collecties. De Haggadah van Praag was echter vooral een product van zijn omgeving, statig, bijna Gothisch van karakter, terwijl de Haggadah van Mantua nadrukkelijk Italiaans van karakter is. Om bijna iedere bladzijde is een in Renaissancistische stijl uitgevoerde rand aangebracht met architectonische elementen, wisselende bloemmotieven, en putti, engelen, die muziekinstrumenten bespelen. Ook hebben Bassan en zijn kompanen nieuwe illustraties laten maken, houtsneden, die opvallen door hun originaliteit en zeggingskracht en die in de volgende eeuwen met grote regelmaat zouden worden gekopieerd in andere Haggadot. Hoewel elk van de afbeeldingen een eigen column zou verdienen - zo is de afbeelding van de wijze onder de vier zonen rechtstreeks ontleend aan Michelangelo’s afbeelding van de profeet Jeremiah in zijn fresco’s in de Sixtijnse Kapel - spreekt één afbeelding het meest tot de verbeelding en wel die bij de tekst “Sjefoch chamatcha al hagojiem,” stort uw woede uit over de volkeren, afkomstig uit Psalm 79:6. We zien een huis waar de deur al geopend is om de profeet Elijah binnen te laten als hij de komst van de Messias komt aankondigen, maar ook de Messias zelf, op een ezel, en de profeet die met een ramshoorn de komst van zijn metgezel aankondigt. De krijger met speer en schild die boven de afbeelding staat, is waarschijnlijk een verbeelding van de vijandige volkeren waarnaar in het vers verwezen wordt. Dit type afbeeldingen komt al voor in manuscripten uit de vijftiende eeuw, dus het is geen origineel ontwerp van de anonieme kunstenaar van de Haggadah van Mantua. Maar dat deze afbeelding, met zijn verwijzing naar de Messiaanse eindtijd waarin de Joden bevrijd zullen zijn van de haat van de andere volkeren, juist in deze tijd in een gedrukte Haggadah wordt opgenomen, is geen toeval. In 1553 verbood de Paus het drukken van de Talmoed, Joodse boeken werden aan strenge censuur onderworpen en de politieke situatie van de Joodse gemeenschap in Italië verslechterde snel. Dit leidde tot een grotere belangstelling voor mystiek, als hoopgevende bron van inspiratie, en dus ook tot de keuze om een afbeelding die verwijst naar de bevrijding ten tijde van de komst van de Messias een zo prominente plaats te geven in een gedrukte Haggadah.
De responsen van het seminarium Ets Haim vrijdag 1 mei 2009 Amsterdam is in de gelukkige omstandigheid dat er zich twee Joodse bibliotheken van wereldfaam bevinden, de Bibliotheca Rosenthaliana en de minstens zo beroemde bibliotheek Ets Haim/Livraria Montezinos, gevestigd in het complex van de Portugese synagoge, maar formeel de bibliotheek van het rabbijnenseminarium met diezelfde naam. Dat rabbijnenseminarium werd in 1616 opgericht, met de bedoeling om het een centrum van geleerdheid voor de hele Sefardische wereld te laten zijn. Het seminarium werd in de zeventiende en achttiende eeuw geleid door beroemde geleerden als Saul Levi Mortera, Isaac Aboab da Fonseca, Jacob Sasportas en Salomo de Oliveyra en werd met grote regelmaat geraadpleegd om opheldering te verschaffen in lastige kwesties betreffende de joodse wet. Deze “Sjeëlot” en “Tesjoevot” (vragen en antwoorden) waren van zo groot belang dat men ze vanaf ongeveer 1690 gedurende een periode van 116 jaar in een soort pamfletten in druk liet verschijnen. Het leeuwendeel is gedrukt bij de beroemde drukkersfamilie Proops. De oplagen van deze uitgaven waren zeer klein, waardoor ze inmiddels zeer zeldzaam zijn. In de bibliotheek Ets Haim en de Bibliotheca Rosenthaliana samen is echter een bijna complete set voorhanden en bijna alle resterende uitgaven bevinden zich verspreid over de wereld in openbare en joodse collecties (één bron heeft het over 948 bewaarde van in totaal 952 gedrukte pamfletten). De opbouw van de Responsen, zoals de antwoorden meestal genoemd worden, is nogal stereotiep. Er wordt een problematische “casus” geschetst, voorzien van niet perse relevante, maar vaak wel zeer interessante historische details. Vervolgens worden de traditionele Joodse bronnen over het betreffende onderwerp doorgenomen, de Talmoed, de commentaren, de grote middeleeuwse wetsgeleerden, waarna er een uitspraak volgt, van de ondertekenende rabbijn, meestal in naam van de andere leden. Vragen kwamen niet alleen uit Amsterdam, maar ook uit andere Sefardische centra. Er is zelfs een antwoord bewaard gebleven op een vraag uit één van de koloniën uit het jaar 1767 (ik vertaal hier de Duitse vertaling van M.M. Hirsch, die de Responsen in 1936 in verkorte vorm met Duitse vertaling heeft uitgegeven): “A, die overzees woonde, bezat een slavin die bijzonder veel waard was. Aangezien hij naar Amsterdam wilde reizen, waar de slavernij verboden was, en zij hem daarom zou kunnen verlaten, liet hij haar achter in het huis van vriend B, die haar in ruil voor haar werk kost en inwoning moest verschaffen. Toen A twee jaar later terugkwam, had de slavin een kind gebaard. B weigerde om verschillende redenen dit kind af te geven, onder meer omdat naar zijn zeggen één van zijn slaven de vader was. David Raphael Meldola (de rechtsprekende rabbijn, ES) kent het kind aan A toe, niet op grond van de religieuze wet, maar op grond van de burgerlijke wet.” Het zijn de honderden kijkjes in het dagelijkse religieuze leven van de Portugese gemeente in Amsterdam die de Responsen van Ets Haim tot zo’n bijzondere historische bron maken. En terwijl ik dit schrijf, bedenk ik me dat het eigenlijk tijd is om de teksten daarom zo snel mogelijk digitaal beschikbaar te stellen, zodat iedereen kan meegenieten. Amsterdamse veelschrijver interesseerde zich voor Joodse sprookjes vrijdag 17 april 2009 Mooie oude boeken spreken tot de verbeelding. Mooie sierlijk geschreven letters op ragfijn perkament, fraaie scherp gedrukte letters op kwaliteitspapier, originele illustraties bij de tekst, smaakvolle versieringen of met goudstempels versierde leren banden, het zijn allemaal zaken die de boekenliefhebber kunnen doen watertanden. Maar krijgen we met dergelijke boeken wel een reëel beeld van wat mensen lazen? Lezen wij zelf alleen maar ‘coffee table books,’ boeken die je op de salontafel hebt liggen om af en toe in te bladeren? Natuurlijk niet. Er is de laatste tien, twintig jaar steeds meer belangstelling voor het leesgedrag van het gewone volk. Voor Hebreeuwse boeken is die belangstelling vooral ontstaan door de vondsten in voormalige synagoge-gebouwen in Duitsland. Daar werden, meestal op verlaten zolders, talloze resten van oude Hebreeuwse boeken gevonden die daar waren afgegeven omdat men Hebreeuwse boeken niet wilde of mag weggooien. Dat waren niet alleen Bijbels en gebedenboeken, maar ook heel veel normaal ‘leesvoer’: fabels, sprookjes, historische romans, in het Hebreeuws en het Jiddisj, teksten dus die wij ook nog zouden willen lezen. In een eerdere column heb ik één zo’n vondst al eens behandeld, een Duits sprookje in Hebreeuwse letters uit 1809. Dit soort publicaties wordt efemeer, of vergankelijk, genoemd, en dat zijn ze ook. Van tijdschriftjes, krantjes, brochures en schotschriften zijn vaak maar een of twee exemplaren overgeleverd. Men gooide ze immers na lezing weg. Maar het is wel heel spannende literatuur. En voor de in Joodse geschiedenis geïnteresseerde lezer is er niet alleen in de eigen literatuur interessante stof te vinden. Een van de plezierige kanten van het conservatorschap van een beroemde bibliotheek is dat je met regelmaat publicaties in ontvangst mag nemen, al dan niet bij feestelijke gelegenheden. Anderhalf jaar geleden mocht ik het eerste exemplaar in ontvangst nemen van ‘Den Talmud ofte Overzeldzame Joodsche Vertelling (1736)’, een uitgave van een tijdschrift van de beroemde en beruchte Amsterdamse veelschrijver Jacob Campo Weyerman. Marja Geesink en Anton Bossers hebben die uitgave verzorgd en de tekst voorzien van een inleiding en een groot instructief notenapparaat. Zo’n tien jaar geleden dook er van dit tijdschrift een exemplaar op in de Universiteitsbibliotheek van Utrecht, vooralsnog het enige bekende complete exemplaar. De redacteuren hebben ook de bron weten te herleiden van Weyerman, namelijk het Jiddisje ‘Ma’aseh-boek,’ of ‘Mayse-buch,’ dat hij heeft geraadpleegd in een Duitse vertaling van de Duitse hebraïst Christoph Helwig uit 1617. Jacob Campo Weyerman (1677-1747) was een van de belangrijkste schrijvers uit de tijd van de Verlichting in Nederland. Hij schreef toneelstukken en biografieën, maar blonk vooral uit in zijn vaak satirische tijdschriften. Door zijn teksten krijgt men een goede indruk hoe het er in Nederland in de achttiende eeuw werkelijk aan toe ging, men leest waar men het over had in de kroeg, wat er op straat gebeurde, en hoe het gewone volk dacht over politici en andere hoogwaardigheidsbekleders. ‘Den Talmud’ is kostelijke literatuur, die ook bevreemding wekt, omdat Weyerman niet per sé een vriend van de Joden was. Er zit vaak wat smalends, of tenminste meesmuilends in zijn toon, maar hij heeft zich wel geïnformeerd. Zijn zakelijke informatie is meestal redelijk correct. Een voorbeeld is aflevering 3, die Weyerman samenvat als: ‘Hoe dat den Rabyn Chanina een zilvere vat kogt, waar in een Kikvorsch zat die kost klappen als een Papegaay.’ Weyerman heeft dat verhaal ook elders gebruikt en dan heet het: ‘Hoe dat den Rabbi Chanina een zilvere Fles kogt, waar in een groene Kikvorsch zat die allerley Taalen sprak.’ Het voert te ver in het bestek van deze column het hele verhaal te vertellen. Uiteindelijk is het een verhaal over waarheid en leugen en blijkt de sprekende kikvors het eerstgeboren kind te zijn van Lilith, de vrouwelijk demoon (Lilith zou Adams eerste vrouw geweest zijn, die hem niet wilde gehoorzamen). In Weyermans vertaling: ‘”Ik ben” sprak den vorsch “Adam’s eerstgebooren, dien hy gewan by Lilith; (een duivelin na het zeggen der Jooden) en aan my is de macht gegeven van my in eenige gestalte te hervormen na myn lust.”’ In de vertelling is ook sprake van een stervende Jood, die Rabbi Chanina bij zijn sterfbed haalt, en hem het volgende toevertrouwt: ‘Zoon Chanina, tegens het vallen van den nacht zal ik zo styf als een deur, zo koud als een hagedis, en zo ademloos zyn als een gestikte dief; en op de vervulling van die profecy kond gy tellen. Nu is dit myn laatste bede, uw te ontslaan uit de kleverige boeien van uw maitres, wyl gy haar niet bemint om haare deugd, maar om haare lighaams bevalligheden. Maar die bevalligheden, helaas! zyn zo kort van duur als ’s Vorsten gonst; een schoone vrouw is van het lint van haar kamerdoeksche muts, tot aan de polleveyen van haare gegalloneerde muiltjes [van top tot teen; ES], gelyk aan een versch ontlookene aardroos, welke bloost gelyk als karmozyn in den ochtendstond, doch zy quint en vergaat in stoffe en assche tegens den nacht.’ De tekst wijst er dan op dat vrouwen inderdaad heel mooi kunnen zijn, en vervolgt: ‘Maar wat is een vrouw aan den andere kant? Een vrouw is een ringrups die de uitbottende bloem des jeugds verderft, die de vrucht der manbaarheit doet afvallen, en die den dorren ouderdom onderschept door de spade der wellust. Een vrouw is de verslindster van onze schatten, den ondergang van onze glorie, het stroovoeder des Satans, de hofpoort des doods, en het tweedeel van het doode meer.’ Weyerman voegde aan deze laatste alinea een noot toe: ‘Den Leezer zal gelieven aantemerken, dat het een stervende Jood is die spreekt.’ Meer informatie over Jacob Campo Weyerman is te vinden op de website van de Stichting Jacob Campo Weyerman, www.weyerman.nl, waar ook de uitgave van ‘Den Talmud’ besteld kan worden. Tijd om de Haggadot weer tevoorschijn te halen vrijdag 3 april 2009 In menig Joods gezin worden deze week de Haggadot, de vertellingen over de Uittocht uit Egypte die jaarlijks in het gezin tijdens de eerste of de eerste twee avonden van het Pesachfeest gelezen worden, weer tevoorschijn gehaald, afgestoft, en voorbereidend doorgelezen. In het professionele leven van de Joodse bibliothecaris speelt de Haggadah niet alleen in het voorjaar een rol, maar net zo goed in de rest van het jaar. De Haggadah is het meest geïllustreerde Joodse boek in de geschiedenis en er zijn inmiddels meer dan vijfduizend gedrukte uitgaven verschenen, naast vele honderden manuscripten. Er gaat bijna geen dag voorbij of ik heb een Haggadah in de hand, moet er iets over vertellen of schrijven, of lees erover in de vakliteratuur. Het is in een bibliothecarissenleven eigenlijk altijd een beetje Pesach. De manuscripten zijn geliefde objecten voor uitgeverijen om in een facsimile-uitgave te laten verschijnen. Dat zijn zo getrouw mogelijke kopieën van het kostbare origineel. Ook van die facsimile-reproducties zijn er weer tientallen verschenen, waarbij de nadruk ligt op manuscripten uit de middeleeuwen (zoals de Sarajevo Haggadah, de Ashkenazi Haggadah, de Barcelona Haggadah, de Vogelkop Haggadah of de Rylands Haggadah) en uit de achttiende eeuw (zoals de handgeschreven Rosenthaliana Leipnik Haggadah en de Von Geldern Haggadah, maar ook de gedrukte Amsterdamse Haggadah van 1712). Een geheel nieuwe trend is het digitaliseren van Haggadot. De meeste grote bibliotheken zijn hier inmiddels mee begonnen en de resultaten zijn vaak adembenemend. Hieronder een paar voorbeelden. Wie systematisch zoekt, vindt nog veel meer.
Ik heb, ondanks het feit dat ik dit werk nu al bijna 25 jaar doe, waarschijnlijk nog nooit zoveel Haggadot in handen gehad als juist de afgelopen maanden. Ik heb in mijn allereerste column al eens melding gemaakt van een heel bijzondere tentoonstelling van Hebreeuwse boeken die momenteel in de Bibliotheca Rosenthaliana wordt voorbereid. Het betreft hier een tentoonstelling uit de collectie van de Zwitserse verzamelaar René Braginsky, die de trotse eigenaar is van de grootste en mooiste privéverzameling Hebreeuwse manuscripten ter wereld. In de tentoonstelling, die van midden oktober 2009 tot midden januari 2010 te zien zal zijn in de tentoonstellingsruimtes van de Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, waar ook de Rosenthaliana deel van uitmaakt, zullen in totaal elf Haggadot te zien zijn uit de collectie van Braginsky, plus nog enkele Haggadot uit de Rosenthaliana (naast nog meer dan 100 andere stukken, waaronder geïllustreerde Esther-rollen en Ketoebot [huwelijkscontracten]). Daaronder bevinden zich alle beroemde gedrukte edities, zoals de Praagse Haggadah van 1526, de Mantua Haggadah van 1560 en de Amsterdamse Haggadot van 1695 en 1712, maar het zijn twee late manuscripten die het meest tot de verbeelding spreken. Het betreft hier twee manuscripten die tot voor kort niet bekend waren, een Haggadah uit 1842 die in Frankfurt am Main is geschilderd door Charlotte von Rothschild op aanwijzing van de beroemde joodse schilder Moritz Daniel Oppenheim en een Haggadah waarvan ik hier twee afbeeldingen laat zien, namelijk de zogenaamde ‘Bouton Haggadah’.
De Haggadah met maar één tekstillustratie, een Seidertafereel, is uitbundig gedecoreerd. Die complexe versiering doet sterk denken aan Koran-handschriften uit Shiraz, in Perzië, tussen 1560 en 1580. De vraag die de wetenschappelijke wereld enige tijd beheerste, is wie in staat was om in de negentiende eeuw een dergelijk hoogwaardig manuscript te vervaardigen. In de voorbereiding van de tentoonstelling kon onlangs de connectie gelegd worden tussen dit handschrift en een Franse kunstenaar, Victor Bouton, die een gebedenboek gesigneerd heeft dat zich nu in het ‘Musée d’art et d’histoire du Judaïsme’ in Parijs bevindt. Bouton was een beroemde schilder van familiewapens, die in 1819 in de Vogezen was geboren, maar het grootste deel van zijn leven in Parijs actief was. In een biografisch artikel over Bouton wordt gewag gemaakt van het feit dat hij ooit niet minder dan 32.000 gouden franken ontvangen heeft voor de vervaardiging van een Haggadah voor een zeer rijke Jood. Er lijkt weinig twijfel te zijn dat daar verwezen wordt naar de Bouton Haggadah die zich nu in de collectie van René Braginsky in Zürich bevindt en die, zoals al gememoreerd, midden oktober voor het eerst in Amsterdam getoond wordt. Chag sameach! Een Duits sprookje in Hebreeuwse letters (Karlsruhe, 1809) vrijdag 20 maart 2009 Moses Mendelssohn (1729–1786) was een van de grote voorvechters van de emancipatie van de Joden in Duitsland. Een van zijn speerpunten, zoals dat in moderne managementtaal heet, was het gebruik van het Duits door Joden, in plaats van het ‘inferieure’ Jiddisj. In 1783 publiceerde hij een Duitse vertaling van de Torah met commentaar, in Hebreeuwse letters. Hij zag dit werk, waarvoor hij overigens slechts gedeeltelijk zelf verantwoordelijk was, als ‘een eerste stap in de richting van cultuur,’ een ‘taalkundig model’ om de Joden te helpen de maatschappelijke en culturele status van de heersende klasse te bereiken. Er zijn meer boeken gedrukt in het Duits met Hebreeuwse letters. Het is belangrijk het verschil met het Jiddisj te onderstrepen, dat een eigen taal is, met een Germaanse basis en vele Hebreeuws-Aramese en Slavische geleende elementen. In de teksten waar het hier over gaat, is sprake van zuiver Duits, zonder leenwoorden, met alle naamvallen. Ze zijn na enige gewenning daardoor heel eenvoudig leesbaar. Het gebruik van Duits in Hebreeuwse letters beperkte zich niet tot teksten die de politieke doelen van Mendelssohn en zijn aanhangers dienden. In 1809 verscheen, vermoedelijk in Karlsruhe in Zuid-Duitsland (Mendelssohn woonde en werkte in Berlijn), een interessant sprookje. Het heet ‘Eine wahre Geschichte, von einem Prinzen, der in einem Hirschen mit goldenen Hörnern verunglückt worden ist, und wie eine Prinzessin durch ihn unglücklich, aber schließlich durch große Wunder doch wiederum glücklich geworden ist’ (‘Een waar verhaal, over een prins die op ongelukkige wijze in een hert met gouden hoorns veranderde, en hoe een prinses door hem eerst ongelukkig, maar uiteindelijk door grote wonderen toch weer gelukkig geworden is’). De tekst van dit sprookje is gevonden in een ‘genizah’ in het Zuidduitse plaatsje Freudental, niet al te ver van Stuttgart. Daar is in de jaren tachtig, in een voormalige synagoge die nu dienst doet als cultureel centrum, onder de zoldervloer en in de lege ruimtes van de overhangende daken een oude bewaarplaats van in onbruik geraakte heilige boeken, een ‘genizah’ (‘bergplaats’), teruggevonden. In Duitsland was het de gewoonte oude Torah-rollen, waar de godsnaam in voorkwam, te begraven, maar de rest van de Hebreeuwse boeken die men niet meer nodig had, af te geven in de synagoge. Daar kwamen die boeken meestal op zolder terecht, vaak samen met in onbruik geraakt textiel, oude mezoezot en oude tefillien. Dit in Freudental teruggevonden exemplaar is het enige bekende van de tekst. Het is in 2006 gepubliceerd in het tijdschrift ‘Studia Rosenthaliana’, door de Duitse geleerde Falk Wiesemann, die het ook in Freudental heeft teruggevonden. Het sprookje vertelt het verhaal van een koning, een weduwnaar met drie dochters, van wie de jongste, Elisabeta, de mooiste was. De drie dochters mochten een wens doen en Elisabeta wenste een vogel die ‘Spring’ heette. De vogel was eigendom van een prins die door een vloek voor de duur van zeven jaar veranderd was in een hert met gouden hoorns (dat staat er, er is nergens sprake van een gewei) en maar een uur per dag mens kon zijn. Het hert, de prins, gaf de vogel aan de koning onder voorwaarde dat hij het eerste wat de koning tegen zou komen, in zijn bezit zou krijgen. Tot zijn grote ongeluk was dat zijn jongste dochter Elisabeta. Die besloot haar lot te aanvaarden en te wachten tot de vloek die rustte op de prins voorbij zou gaan, waarna ze hem zou kunnen trouwen. Na verloop van tijd ging de koning hertrouwen. Het hert liet Elisabeta naar de bruiloft gaan, op voorwaarde dat zij zou terugkeren zodra hij haar drie keer zou roepen. Wanneer zij zijn roep niet zou horen, zou haar groot onheil overkomen. Aldus geschiedde, zij hoorde hem niet en ze dwaalde meer dan zeven weken in arren moede door het woud, op zoek naar haar hert. Daar kwam ze uiteindelijk een engel tegen, die haar vertelde dat haar hert inmiddels terugveranderd was in een man en dat hij op het punt stond een andere vrouw te trouwen. Zij ging naar het paleis en probeerde de nieuwe bruid te overtuigen van haar rechten, maar zonder effect. Die nieuwe bruid lichtte wel de prins in over haar komst, waarop de prins een ontmoeting arrangeerde met Elisabeta. Hij verzocht haar op de dag van de bruiloft naar het posthuis, waar de ceremonie zou plaatsvinden, te komen en rustig af te wachten. In dat posthuis, op de dag van zijn bruiloft, voorafgaand aan de ceremonie, stelde de prins een vraag aan zijn gasten. Wat zouden jullie doen? Je bezit een kist, waarop een sleutel past die je vervolgens kwijtraakt. Je laat een nieuwe sleutel maken, maar vindt de oude terug. Gebruik je dan de nieuwe of de oude? De gasten waren het erover eens dat je dan de eerste, oorspronkelijke sleutel zou gebruiken. De prins zei, ‘Lieve vrienden, ook deze prinses hier, is de tweede, die ik kan vergelijken met de sleutel en ze is niet voor mij bestemd. Deze hier is de eerste en ze is allang voor mij bestemd en ze moet ook de mijne blijven. En jij’, sprak hij tegen de tweede, ‘kunt gaan. Als jij voor mij zulke kwellingen had doorstaan als zij, dan had ik jou misschien getrouwd!’ De prins trouwde met Elisabeta, wier vader, de koning, inmiddels was gestorven. De prins werd daarop koning, Elisabeta koningin, ze kregen kinderen ... en ze leefden nog lang en gelukkig! Maimon Abohbot schreef met links vrijdag 6 maart 2009 Er woedt al honderden jaren een stille strijd in Oudeboekenland. De strijd tussen de liefhebbers van het handgeschreven boek en die van het gedrukte boek. Al in de vroegste periode van de boekdruk, dus in de vijftiende eeuw, werd deze discussie gevoerd, ook in Joodse kring. Mocht een tekst van Tanach, van de boeken van het Oude Testament, wel gedrukt worden? Moest die niet eigenlijk met de hand geschreven worden, als teken van respect voor de heiligheid van de tekst, als product ook van ‘melechet hakodesj’, het ‘heilige werk’, zoals het schrijven van Torah-rollen wel beschreven werd? Natuurlijk was de nieuwe ontwikkeling niet tegen te houden, net zomin als het digitale lezen van ons tijdsgewricht is tegen te houden. Alle belangrijke Joodse klassieke teksten zijn digitaal beschikbaar, halachische discussies en beslissingen worden steeds vaker eerst op het web gepubliceerd en op datzelfde web vliegen de aanbiedingen van gedigitaliseerde boeken, oud en nieuw, je om de oren. Maar dat zijn zakelijke argumenten. Er zijn ook emotionele argumenten. Een boek roept bij de lezer ook niet-zakelijke, zinnelijke, emotionele ervaringen op: liefde, rust, eenzaamheid, opwinding, schoonheid, fetisjisme, manie, verzin het maar. Vandaar ook dat bedrijven als Amazon en Sony investeren in digitale leesapparaten die ‘aanvoelen’ als boeken en vandaar ook dat de vijftiende-eeuwse discussie over ‘handgeschreven versus gedrukt’ nog steeds woedt. Want die ervaringen zijn bij de verschillende media niet dezelfde. Als ik gedwongen zou worden te kiezen tussen handschriften, drukken of digitale boeken, dan kies ik voor handschriften. En wel hierom. Een handgeschreven boek biedt de lezer een directe confrontatie met het handwerk van degene die het geschreven heeft, met de moeite die hij of zij daarvoor gedaan heeft, met de rust of de haast van de betrokken persoon en met het esthetisch gevoel van de schrijver, of het ontbreken daarvan. Oude handgeschreven boeken vertellen altijd een verhaal. Soms kun je aan de hand van de aanwezigheid van kaarsvetsporen vaststellen wanneer de kopiist overdag en ’s avonds werkte. In andere handschriften zie je dat de inkt van een kopiist begon op te raken en dat hij liever de beschikbare inkt wat verdunde - waardoor die veel lichter van kleur werd - dan nieuwe te maken. En vaak vertellen de kopiisten iets over zichzelf, over het voorbeeld waarvan ze hun tekst hebben overgeschreven, dat van hun favoriete rabbijn afkomstig was of dat zo’n mooie tekst bevatte, of waar ze niets van begrepen. Een voorbeeld daarvan wil ik hier bespreken. In de Bibliotheca Rosenthaliana ligt een relatief jong, onooglijk manuscript. Het werd in februari of maart 1875 geschreven op de Azoren, in Terceira, door Maimon, zoon van Abraham Abohbot. Hij was waarschijnlijk een telg uit een oud Marokkaans geslacht, dat daar in het begin van de negentiende eeuw was gekomen. Het boekje is onooglijk. Het is eigenlijk niet meer dan een dik schrift, met de dagelijkse gebeden, volgens de Noordafrikaanse ritus. Dat hij voor zijn gebeden een handgeschreven boek gebruikte en geen gedrukt boek, heeft waarschijnlijk te maken met de schaarste van gedrukte boeken op het afgelegen eiland. Hij moest dus wel. Het handschrift is geschreven in een volstrekt kinderlijk handschrift, bibberig en volgeplakt met smakeloze poëziealbum-achtige plaatjes. Heel af en toe vindt de oplettende lezer ineens een heel vlot geschreven regel in mooi cursiefschrift, maar dat is een uitzondering. Waarom? Dat schrijft Maimon op bladzijde 19. Hij blijkt drie jaar eerder deels verlamd te zijn geraakt aan zijn rechterhand. Hij had in zijn leven al veel handgeschreven boeken geproduceerd, voor zijn zoons en kleinzoons, en wilde daar niet mee stoppen. Hij heeft dus het hele boek geschreven met de hand die het nog deed: zijn linkerhand. Vandaar de bibberige hand en vandaar ook die incidentele mooie regels. Die heeft hij met rechts kunnen schrijven! Daarom houd ik van handschriften. Inmiddels 134 jaar na voltooiing van zijn gebedenboek kunnen we nog genieten van het product van Maimons geploeter en kunnen we nog sympathie en medeleven opbrengen voor zijn medische problemen. Die confrontatie met levende geschiedenis is in een handschrift directer dan in een gedrukt of digitaal boek. En dat zal ook in de eenentwintigste eeuw niet veranderen. Isaac Satanow (1732–1804), een verlichte vervalser vrijdag 20 februari 2009 Een van de interessantste periodes uit de geschiedenis van de Hebreeuwse literatuur is ongetwijfeld de Haskalah, of de Verlichting. De aanhangers van de Haskalah streefden de integratie van een gemoderniseerde vorm van jodendom in de Europese maatschappij na. Zij wezen het gebruik van het Jiddisj af als stigmatiserende omgangstaal, stimuleerden een wereldlijke opleiding naast een traditionele Joodse, en trachtten de invloed van de Talmoed als richtinggevend medium te verkleinen. De meeste geleerden laten de Haskalah beginnen rond het jaar 1770, maar er zijn steeds meer stemmen om die datum wat naar voren te verschuiven. De intellectuele assimilatie die de Haskalah nastreefde, was namelijk al eerder in gang gezet, volgens sommigen, waaronder de grote Britse historicus Jonathan Israel, al in de zeventiende eeuw. De invloed van de Haskalah werd in de loop van de negentiende eeuw steeds zwakker, mede onder invloed van het opkomende zionisme en de Reform-beweging. Een van de interessantste en productiefste schrijvers in de periode van de Haskalah was Isaac Satanow. Hij werd geboren in Satanov in de Oekraïne en vertrok in 1771 naar Berlijn, de plaats waar de Haskalah-beweging is ontstaan. Daar zou hij het grootste deel van zijn leven blijven. Satanow was een meester-vervalser, die probleemloos van schrijfstijl kon wisselen, van Bijbels tot kabbalistisch tot literair (hoewel die categorieën elkaar geenszins uitsluiten). Hij publiceerde in Berlijn rond 1800 zijn ‘Sefer divre rivot’ (‘Boek der Polemieken’), en liet op het titelblad vermelden dat het verschenen was in Constantinopel. In Constantinopel werden vooral in de zestiende eeuw boeken gedrukt, die ook in latere eeuwen grote faam genoten. Door deze foutieve plaats van verschijning op te nemen, hoopte Satanow dat hij aan de polemieken, die hij zelf geschreven had om zijn verlichte denkbeelden te propageren, extra gezag kon verlenen. Ook nam hij in zijn boeken vaak vervalste brieven op van rabbijnen die het boek, ‘zogenaamd’, aanbevolen. Die brieven schreef hij meestal zelf. Satanow liet meestal wel sporen na in zijn boeken, ook in de boeken die hij anoniem publiceerde. Een voorbeeld hiervan is zijn ‘Sefer Chizajon’ (‘Boek van het Visioen’, of misschien wel, ‘Boek van de Openbaring’), dat rond 1775, anoniem en zonder plaats of jaartal, vrijwel zeker in Berlijn verscheen. De gedichten en diagrammen die hij in het boek heeft opgenomen, zijn namelijk gesigneerd met zijn initialen. Het boek houdt zich vooral bezig met een goede Hebreeuwse stijl, maar bevat ook delen over het belang van een kritische houding en kennis, over poëzie, over wetenschappelijke onderwerpen, over esthetiek en ook een eigenzinnige beschrijving van het heelal. Het werk wordt daarom ook als een van de wetenschappelijke encyclopedieën beschouwd, die de Haskalah heeft voortgebracht. In mijn column van twee weken geleden heb ik stil gestaan bij een verklaring van de middeleeuwse commentator Rasji van een lastige passage in de Talmoed, waarin sprake is van 300 fabels die aan Rabbi Meïr worden toegeschreven. Op bladzijde 18v van zijn werk laat Satanow deze passage terugkomen in een gesprek tussen een soort ambtenaar en een leraar. De leraar lost het probleem van de ontbrekende fabels op door drie vossenfabels te vertellen. Op bladzijde 22v vertelt hij de fabel van de vos en de haan. ‘Een haan stond bovenop een hoge toren, toen er een vos langskwam. De vos zei tegen de haan: “Hallo, haan. Waarom kom je niet naar beneden? Weet je niet dat alle diersoorten vrede hebben gesloten en vreedzaam naast elkaar leven? Kom naar beneden en laten we plezier maken.” Terwijl de haan nog aan het nadenken was, kwam een troep honden aangerend, die het duidelijk op de vos gemunt had. Toen de vos weg wilde rennen, zei de haan: “Heb je net niet gezegd dat alle dieren vrede hebben gesloten? Waarom ren je weg?” Waarop de vos antwoordde: “Je hebt gelijk wat die vrede betreft, maar misschien hebben de honden het nog niet gehoord!”’ Rabbijnen vertellen fabeltjes vrijdag 6 februari 2009 Een fabel is een verhaal dat plaats heeft in de wereld van dieren, planten of niet-levende voorwerpen, dat verteld wordt in de verleden tijd, maar dat wordt toegepast op het heden en dat een moraal bevat. Aristoteles heeft gewezen op het feit dat fabels heel geschikt zijn voor het spreken in het openbaar, mede omdat ze verzonnen moeten worden en dus de noodzaak wegnemen om waargebeurde historische voorbeelden te vinden. Het hoeft dan ook geen verbazing te wekken dat juist in de Talmoed en de Midrasj, die hun oorsprong vinden in de Joodse ‘verhalende’ traditie van mondelinge overdracht van kennis, fabels in grote hoeveelheden opduiken. Toch is er erg weinig onderzoek gedaan naar fabels in de Joodse literatuur. We weten dat fabels vooral opduiken om Bijbelse teksten of situaties te verklaren en dat daarbij bijna altijd geprobeerd wordt om die situatie toe te passen op het dagelijkse leven van de toenmalige lezer, maar veel verder komen we niet. Een centrale tekst in de bestudering van de rabbijnse fabel is te vinden in de Babylonische Talmoed, traktaat Sanhedrin, bladzijdes 38b en 39a: ‘Rabbi Meïr kende driehonderd fabels en er zijn er nog maar drie over: (1) “De vaders hebben onrijpe druiven gegeten” (Ezechiël 18:2), (2) “U zult een rechte waag hebben, rechte weegstenen” (Leviticus 19:3) en (3) “De rechtvaardige wordt uit benauwdheid bevrijd en de goddeloze komt in zijn plaats” (Spreuken 11:8).’ In deze ondoorgrondelijke tekst wordt het woord voor ‘fabel’ vaak gelezen als ‘parabel’, maar niet door Rasji, de grootste Joodse Bijbel- en Talmoedcommentator aller tijden. Rasji, een acroniem van Salomon ben Izaak, leefde van 1040 tot 1105 in Troyes in Noord-Frankrijk en schreef commentaren op het Oude Testament en grote delen van de Talmoed. Hij gaf op bovenstaande tekst over de driehonderd fabels of parabels van Rabbi Meïr het volgende commentaar, in de vorm van een fabel, waarbij het van belang is te letten op de herhaling van de Bijbelcitaten uit de oorspronkelijke Talmoedtekst in zijn commentaar: ‘Een vos overreedde op sluwe wijze een wolf om naar de Joden te gaan om mee te doen met hun voorbereidingen voor de Sjabbat en deel te nemen aan de viering. Toen hij zich onder hen vervoegde, besprongen de Joden hem met stokken en sloegen hem. Hij ging daarom terug naar de vos met de bedoeling om hem te doden, maar die zei: ‘Het is niet mijn fout, dat je geslagen bent, want ze zijn nog boos op jouw vader die ze ooit behulpzaam was bij het voorbereiden van hun maaltijd en vervolgens de lekkerste dingen opat.” “Word ik dan geslagen voor de fouten van mijn vader?,” schreeuwde de verontwaardigde wolf. “Ja,” antwoordde de vos, “de vaders hebben onrijpe druiven gegeten en de tanden van de kinderen zijn stomp geworden” (Ezechiël 18:2). “Maar,” zei hij, “kom met me mee en ik geef je eten in overvloed.” Hij leidde hem naar een put waar een balk overheen lag met daaroverheen een touw met aan beide uiteinden een emmer. De vos ging in de bovenste emmer zitten en daalde aldus af in de put, terwijl de onderste emmer naar boven kwam. “Waar ga je naar toe?,” vroeg de wolf. De vos wees op de kaas-achtige reflectie van de maan in het water van de put en antwoordde: “Hier is voldoende vlees en kaas; ga in de andere emmer zitten en kom onmiddellijk naar beneden.” De wolf deed dat en terwijl hij afdaalde de put in, werd de vos omhoog gehesen. “Hoe moet ik er nu weer uit?”, vroeg de wolf. “Ah,” zei de vos, “de rechtvaardige wordt uit benauwdheid bevrijd en de goddeloze komt in zijn plaats” (Spreuken 11:8). Staat er niet geschreven: “Een rechte waag, rechte weegstenen” (Leviticus 19:3).’ Hier zien we hoe Rasji de moeilijke Talmoedpassage verklaart. Hij combineert de drie schijnbaar onsamenhangende Bijbelcitaten in een fabel en geeft die fabel een nieuwe betekenis mee, een waarin de goddelozen die de Joden kwaad berokkenen, uiteindelijk gestraft zullen worden en de rechtvaardigen uit hun benauwdheid bevrijd. Rasji leefde in de tijd van de Eerste Kruistocht en heeft met deze verklaring ongetwijfeld geprobeerd om zijn geloofgenoten troost te bieden in barre tijden. En zo zijn fabels voor en na Rasji wel vaker voor het troosten van de in benauwenis geraakte massa ingezet. Op welke berg mocht Mozes de Torah ontvangen? vrijdag 23 januari 2009 Paulo de Pina werd waarschijnlijk in 1575 in Lissabon geboren. Zijn ouders waren zogenaamde Nieuw-Christenen, Sefardische Joden die onder druk van de Inquisitie een katholieke identiteit hadden aangenomen. In 1599 vertrok Paulo naar Rome om daar monnik te worden, maar onderweg werd hij door de beroemde arts Elijah Montalto overgehaald om terug te keren naar het geloof van zijn voorvaderen. Nadat hij drie jaar in Brazilië had doorgebracht, vestigde hij zich in Amsterdam, waar hij de naam Rehuel Jessurun aannam. Hij zou een van de prominentere leden worden van de eerste van de drie Portugese synagoges ‘Beth Jahacob’, ‘Huis van Jacob.’ Hij zou uiteindelijk in 1635 in Amsterdam overlijden. Ter ere van zijn synagoge schreef Jessurun in het Portugees een wonderlijk toneelstuk, dat waarschijnlijk tijdens Sjavoeot, het Wekenfeest, in 1624 in de synagoge is opgevoerd, maar pas in 1767 in Amsterdam in druk verscheen. Het heet ‘Dialogo dos montes’, ‘Gesprek van de bergen’, en bestaat uit een serie gesprekken tussen de zeven belangrijkste bergen van het Heilige Land, waarin de bergen proberen te bepalen welke van hen belangrijk genoeg is om er Mozes de Torah te laten ontvangen. Uiteindelijk wint de berg Sinai. De enige menselijke figuur die optreedt in het toneelstuk is de Bijbelse koning Jehosaphat, die als scherprechter optreedt. Het toneelstuk grijpt terug op een oude thema uit de Midrasj, waarin al beschreven wordt hoe de bergen twistten over de vraag wie Mozes mocht ontvangen (de Midrasj laat zich het eenvoudigst typeren als een verzameling verhalende Joodse verklaringen van Tanach, het Oude Testament). Het opvoeren van toneelstukken in de synagoge was en is zeer ongebruikelijk en de ‘Dialogo dos Montes’ is het enige voorbeeld in zijn soort. In 1636 verbood de nieuwe verenigde Portugees-Joodse gemeente in Amsterdam, Talmud Torah, dergelijke uitvoeringen expliciet. De bestaansreden van het toneelstuk moet sowieso gezocht worden in de historische context van de Amsterdamse Portugees-Joodse gemeente. Die bestond goeddeels uit Joden die door de inquisitie gedwongen waren katholiek te worden. Velen hadden daarbij gekozen voor een bestaan als crypto-Jood (katholiek buitenshuis en Joods binnenshuis), terwijl anderen, zoals Rehuel Jessurun, echt katholiek geworden waren. In Amsterdam konden beide groepen weer tot het jodendom terugkeren, maar dat ging bepaald niet vanzelf. Het betrof hier namelijk veelal kooplieden, vaak welgestelde kooplieden, die moeite hadden afscheid te nemen van hun flamboyante en cultureel hoogstaande Iberische levensstijl, ten faveure van een bestaan als religieuze Jood in het vrije Amsterdam. De ‘Dialogo dos Montes’ van Jessurun laat zich goed vergelijken met de zogenaamde ‘Auto’, een populair soort eenakter met een sterke religieuze inslag die in Spanje op feestdagen in de kerk gespeeld werd, maar het is geen regelrechte kopie. Jessurun had aan zijn werk namelijk een aantal religieuze preken toegevoegd van de hand van de zeventiende-eeuwse geleerde Saul Levi Mortera (ca. 1596-1660), een van de leermeesters van Spinoza. Daarmee voegde hij een typisch Joods element toe aan deze oorspronkelijk Iberische kunstvorm, een Joods element bovendien dat uitstekend paste in het streven van de intellectuele elite van de Amsterdamse Portugezen om de katholiek geïndoctrineerde massa terug te brengen naar het jodendom. Een volk van boeken vrijdag 9 januari 2009 Het ‘volk van het boek’ is een benaming die oorspronkelijk afkomstig is uit de Koran en niet alleen verwijst naar Joden, maar ook naar Christenen, die immers ook een schriftelijke openbaring kennen. In deze vooralsnog tweewekelijkse bijdrage wil ik de aandacht vestigen op Joodse boeken, oude en nieuwe boeken, spannende en saaie boeken, vergeten en veel gelezen boeken, en mooie en lelijke boeken. Deze eerste keer zal ik stilstaan bij een verloren boek, een handgeschreven versie van het Boek der Boeken, de ‘Hillel Codex’. De tekst van Tanach, het Oude Testament, is in verschillende versies aan ons overgeleverd. Die variante lezingen zijn vaak van invloed op ons begrip van de tekst. En net als we de klassieke Griekse en Latijnse teksten waarschijnlijk niet gekend zouden hebben als die niet rond het jaar 800 in de tijd van Karel de Grote in kloosters waren overgeschreven uit veel oudere manuscripten die inmiddels verloren zijn gegaan, hebben we onze huidige Tanach-tekst vooral te danken aan de inspanningen van Joodse geleerden om de oude teksten zo goed mogelijk over te leveren. Sommige van die nu verloren teksten, waaronder de Hillel Codex, hebben in de eeuwen na hun verdwijning een legendarische status bereikt. Rond het jaar 1500 schreef de Spaanse astronoom Abraham Zacuto in zijn ‘Boek van de familierelaties’: ‘In het jaar 4957, op de achtentwintigste dag van de maand Av [dat is op 14 augustus 1197] vond een grote religieuze vervolging plaats in het koninkrijk Léon... Destijds werden de vierentwintig heilige boeken die zich daar bevonden en die zo’n zeshonderd jaar daarvoor geschreven waren uit de stad gered. Die boeken waren geschreven door Hillel ben Moses ben Hillel en daarom werd diens naam aan deze tekst gegeven, namelijk de Hillel Codex. De codex was bijzonder exact en alle andere bijbelteksten werden op basis van deze tekst herzien. Ik heb de twee overgebleven delen gezien, met daarin de Vroege en Late Profeten, geschreven in grote, prachtige letters. Deze waren door de bannelingen naar Portugal gebracht en verkocht in Bugia in Afrika, waar ze nog steeds zijn, negenhonderd jaar geleden geschreven. [De taalkundige] Kimchi... zegt dat de Pentateuch van de Hillel Codex zich in Toledo bevond.’ De originelen van de Hillel Codex zijn verloren gegaan. Een kopie van de Torah-tekst, in 1241 geschreven naar het origineel in Toledo, wordt bewaard in New York en er zijn wat handschriften (en een vijftiende-eeuwse druk) waarin varianten uit de Hillel Codex genoemd worden. En dan is er onlangs nog een tweede afschrift van de Torah-tekst van de Hillel Codex opgedoken, in Zwitsers privébezit. Dat handschrift zal in oktober van dit jaar in de Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam te zien zijn in een grote tentoonstelling met hoogtepunten uit de collectie van deze nu nog onbekende verzamelaar en de Bibliotheca Rosenthaliana. Komt dat zien! |
Emile Schrijver is sinds 2003 conservator van de Bibliotheca Rosenthaliana, de bijzondere collectie voor judaica en hebraica in de Amsterdamse Universiteitsbibliotheek. Hij was voordien onder meer directeur van het Menasseh ben Israel Instituut voor Joodse sociaal-wetenschappelijke en cultuurhistorische studies. Hij is actief als onderzoeker van het oude Joodse boek en maakt daarnaast deel uit van verschillende besturen en adviesorganen van Joodse organisaties in binnen- en buitenland.
Volg dit blog automatisch!
Wilt u automatisch op de hoogte worden gehouden wanneer er een nieuw bericht op deze weblog verschijnt? Abonneer u dan op de RSS-feed. Abonneer via RSS Abonneer via Google
Klik hier voor meer informatie over RSS maart 2010:
Nog eens: Hebreeuwse schrifttypen februari 2010: Variatie in Hebreeuwse schrifttypen Een Haggadah met misdrukken Judah Leib Gordon was een belangrijke fabeldichter januari 2010: Vroegste geïllustreerde Estherrol tentoongesteld in New York Boeken in de Middeleeuwen (2) Boeken in de Middeleeuwen (1) december 2009: Joodse dwergen in de boekgeschiedenis november 2009: Edele bloemmotieven Concurrenten oktober 2009: Fernando Cardoso of Isaac Cardoso? Perek Shirah bevat lofzangen van de schepping op de Schepper september 2009: Een bijzonder besnijdenisboekje Aan de wieg van een Joodse uitgeversbranche augustus 2009: Een Esther-rol van ruim zeven meter! juni 2009: Joden in India en hun kunstzinnige smaak Nederlands-Joodse archieven aan de vergetelheid ontrukt mei 2009: Abraham Gómez Silveira (1656–1740) in discussie De Haggadah van Mantua (1560) De responsen van het seminarium Ets Haim april 2009: Amsterdamse veelschrijver interesseerde zich voor Joodse sprookjes Tijd om de Haggadot weer tevoorschijn te halen maart 2009: Een Duits sprookje in Hebreeuwse letters (Karlsruhe, 1809) Maimon Abohbot schreef met links februari 2009: Isaac Satanow (1732–1804), een verlichte vervalser Rabbijnen vertellen fabeltjes januari 2009: Op welke berg mocht Mozes de Torah ontvangen? Een volk van boeken |
|||||||||||||