Jodenster
vrijdag 20 maart 2009  

Over de behandeling van het woord Jood in de Grote Van Dale is in het verleden al veel te doen geweest, maar daarbij lag de nadruk steeds op de definities van de verschillende woorden, samenstellingen en uitdrukkingen. Bij mijn weten heeft niet eerder iemand de moeite genomen om nu eens precies te kijken naar wat er sinds de Tweede Wereldoorlog met de selectie van de betreffende woorden is gebeurd.

Om hier een beeld van te krijgen heb ik drie edities vergeleken: de zesde editie van 1924, de zevende editie van 1950 en de dertiende van 1999.

In 1924 stonden er 40 samenstellingen met joden- in de Grote Van Dale. In 1950 waren dat er 57. Er waren vijf samenstellingen geschrapt: jodenasphalt, jodenbedrog, jodenbeurs, jodendoorn en jodenkwartier. En er waren 22 samenstellingen bijgekomen, van jodenbaard tot jodenwet.

Waarom die vijf woorden zijn geschrapt, is niet duidelijk. Jodenbedrog en jodenbeurs waren zogeheten opnoemers, woorden zonder definitie. Jodenasphalt verwees slechts naar aardpek, jodenkwartier werd omschreven als ‘jodenbuurt’ (een woord dat ook was opgenomen), en bij jodendoorn stond dat dit een ‘steekdoorn, een soort van kruisdoorn’ is. Waarom die plantennaam in 1950 opeens niet langer gewenst was, is niet bekend. Er kwam een andere plantennaam voor in de plaats, namelijk jodenbaard (een bijnaam voor de Saxifraga sarmentosa).

Dat er in de Tweede Wereldoorlog veel met de Joden was gebeurd, hoef ik hier niet uiteen te zetten. En ook niet dat dit sporen heeft nagelaten in het Nederlands. Het is dan ook logisch dat C. Kruyskamp, de toenmalige bewerker van Van Dale, ervoor koos om woorden als jodenhaat, jodenhater, jodenkwestie, jodenmoord en jodenwet op te nemen, en je kunt je ook nog wel voorstellen dat hij woorden als jodenmensen en jodenvolk toevoegde.

Maar waarom nam hij nou uitgerekend in 1950, vijf jaar na de massale deportatie van Nederlandse Joden, woorden op als jodenbet (‘onbevallige vrouw, hobbezak; ook: joods uitziend meisje’) en jodenstreek (‘streek (als) van een Jood; bedriegerij’)?

Kruyskamp was redacteur van het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT), het wetenschappelijke woordenboek van het Nederlands. Dit woordenboek was indertijd de belangrijkste bron voor de herziening van de Grote Van Dale. Het woord Jood en de diverse samenstellingen met dit woord waren in 1914 in het WNT behandeld, door A. Beets (de zoon van Nicolaas). Beets had maar liefst ruim 130 samenstellingen met joden- opgenomen. Van de 22 joden-samenstellingen die Kruyskamp aan Van Dale toevoegde, stonden er veertien in het WNT en acht niet.

Dat Kruyskamp zo kort na de sjoa jodenstreek in Van Dale opnam, mag ons nu weinig kies voorkomen, taalkundig gezien was er wel grond voor. Het woord bestond al sinds het begin van de negentiende eeuw en in 1894 had de (Joodse) auteur Herman Heijermans een boekje met die titel uitgegeven, een boekje dat diverse herdrukken beleefde. Je ziet jodenstreek direct na de oorlog in diverse woordenboeken opduiken; in 1948 debuteerde het in het handwoordenboek van Van Dale (dat ook door Kruyskamp werd bewerkt), in 1949 in Koenen en in 1952 in Kramers.

Minder voor de hand liggend is dat Kruyskamp Van Dale in 1950 ‘verrijkte’ met jodenbet, dat in 1909 door Beets in Leiden was opgetekend maar dat verder niet in literaire bronnen was aangetroffen, met jodenhof (zonder toelichting) en met jodenspek ‘(schertsend, gerookte (kalfs)borst’). En waarom nam hij in 1950 opeens tandenjood op voor ‘minachtende benaming voor tandheelkundige’, samen met onder meer brillenjood, ramsjjood en spekjood (‘scheldnaam voor een Jood die de rituele voorschriften niet in acht neemt’)?

De opname van jodenster was wél logisch. Gezien de recente gebeurtenissen mocht dit in geen enkel woordenboek ontbreken. Kruyskamp definieerde het als volgt: ‘Davidster, zespuntige ster als symbool van het jodendom; zulk een ster van geel doek zoals de Joden tijdens de nationaalsocialistische tirannie moesten dragen.’

In de dertiende druk uit 1999 wordt bij jodenster slechts verwezen naar davidster, waar meer informatie te vinden is. Ondertussen mag je blij zijn dat jodenster nog in Van Dale staat, want tussen 1950 en 1999 blijken uit dit woordenboek maar liefst 35 (!) samenstellingen met joden- door een achterdeurtje te zijn weggesluisd, een opschoning die ons veel leert.

(Wordt vervolgd)



<< JatmoosJodenkoffie >>

Reageren op dit blog?
Uw naam:
Email:
Reactie:
vul de beveiligings-code in
Ewoud Sanders is historicus en journalist. Hij is columnist bij NRC Handelsblad en vaste medewerker van onder meer Onze Taal, KB.nl en het Nieuw Israelietisch Weekblad. Ewoud Sanders heeft verschillende taalboeken op zijn naam staan en is bezig met een onderzoek naar het beeld van de Joden in kinderboeken én in de Nederlandse taal.


Volg dit blog automatisch!

Wilt u automatisch op de hoogte worden gehouden wanneer er een nieuw bericht op deze weblog verschijnt? Abonneer u dan op de RSS-feed.

Abonneer via RSS
Add to Google Abonneer via Google

Klik hier voor meer informatie over RSS


juni 2010:
Lokjood

mei 2010:
Wat zijn Joden?

april 2010:
Het Nieuwe Jeruzalem
In de zevende hemel

maart 2010:
Togus
Een fijne gozer

februari 2010:
Niesje

januari 2010:
Een heitje voor een karweitje
Je smoesjes zijn goed

december 2009:
Bajes

november 2009:
Zijn voeten noemden we strijkijzers
De woestijnpas of jodenloop

oktober 2009:
Drie Joodse woorden
Een jofele boel
Mazzelpik

september 2009:
Ramp El Al zorgde voor taalverandering
Sta op en ga zitten

augustus 2009:
Misjpoge

juni 2009:
Krijg de rambam
Joodse verwensingen (2)

mei 2009:
Joodse verwensingen (1)
Koefnoen
Alles kits?

april 2009:
Keil in de keilekit
Negerzweet

maart 2009:
Jodenkoffie
Jodenster
Jatmoos
Jodenlijm

februari 2009:
Een frotte parg
Ook het kiekje heeft een Joodse achtergrond
Dieuwertje schonk hem twintig Catsjes
Een jajempie jajemen

januari 2009:
Heibel
Gannef
Waarom zijn er zoveel Joodse woorden in het Bargoens?
Gabber


Amphora