Ook het kiekje heeft een Joodse achtergrond
vrijdag 20 februari 2009  

De almanakredactie van het Leidse studentencorps maakte op zaterdag 22 januari 1876 een uitstapje. ‘We maakten van de gelegenheid gebruik’, notuleerde een van de studenten, ‘om even naar den photograaf Kiek over te wippen, die echter in de stad [...] zijn verblijf scheen te houden. Daar reden we heen en ofschoon we niet zijne scrupules [met ons] mee te rijden, mochten overwinnen, want het was Sabbat en Kiek is een Israëliet, lachte de negotie hem te sterk toe, dan dat hij ons zijne diensten zou weigeren. Hij rende ons naar zijn laboratorium vooruit, en spoedig waren wij gegroepeerd, als groep genomen en vertoonde ons het negatief een deftige almanakredactie.’

Natuurlijk is kiekje door taalkundigen meermalen in verband gebracht met kijken, maar al sinds het einde van de vorige eeuw weet men het zeker: Kiek was ‘oorspronkelijk de naam van een photograaf uit Leiden’, zoals het Woordenboek der Nederlandsche Taal het omschrijft.

Israël David Kiek werd in 1811 in Groningen geboren als zoon van een horlogemaker. Hij werkte eerst als kistenmaker, later als schrijnwerker, vleeshouwer en loterijcollectant. Nadat hij in Gouda en Amsterdam had gewoond, vestigde Kiek zich in 1855 met zijn vrouw en negen kinderen in Leiden. Op zijn 47ste begon hij daar een nieuw beroep: in 1858 vermeldt het Adresboekje van Leiden hem voor het eerst als ‘portraitteur’, een jaar later als ‘photograaph’. Kiek had zijn atelier even buiten de Rijnsburgerpoort, een strategische plek tussen de studentensociëteit en het station. ‘Photographie des Maandags en Donderdags’, adverteerde hij in het Leidsch Dagblad, ‘drie album-portretten á eene gulden’.

De studenten waren zijn beste klanten. Niet dat zijn foto’s nu zo goed waren. Ingeborg Th. Leijerzapf spreekt in haar gezaghebbende artikel ‘Israël Kiek & Zonen’, in 1984 gepubliceerd in Geschiedenis van de Nederlandse fotografie in essays en monografieën, van ‘zeer onacademisch gecomponeerde groepsportretten’. De studenten hadden hier zelf de hand in. Het werd gewoonte om, na de hele nacht te zijn doorgezakt, zeer vroeg in de ochtend bij Kiek aan te kloppen. ‘Om gefotografeerd te kunnen worden’, memoreerde een oud-student in 1947 in een krantenartikel, ‘moest eerst Kiek door groot lawaai uit de slaap worden gewekt: bonzen op zijn deur en schreeuwen, vaak met onheuse uitdrukkingen en scheldwoorden. [...] Dan verscheen de grote man, op gebloemde pantoffels en gekleed in een sjamberloek en nam hij, al pruttelend en zachtjes terugscheldend, het gezelschap mee naar het plaatsje achter zijn huis. [...] Hij peilde de duisternis en deelde mee, hoeveel tellen de opname zou duren. Waren het honderd tellen, dan liet soms een grappenmaker zich kieken met twee hoofden: vijftig tellen het hoofd op de rechterschouder, vijftig tellen op de linker [...] Als Kiek soms, wegens het grote rumoer, niet kon beginnen, uitte hij de klassiek geworden wanhoopskreet: “Heren, heren, de kunst moet voortgang hebben.”’

Dit gebeurde niet één keer, maar duizenden keren, want volgens Leijerzapf dienden de rommelige en onscherpe kiekjes, zoals ze al spoedig werden genoemd, voor de studenten als bewijs ‘er bij te horen’.

Kiek hield het lang vol. Hij liet de gebeurtenissen lijdzaam over zich heen komen en stond zelfs toe dat studenten voor een kiekje op het dak van zijn atelier klommen. Toen hij 85 was hield hij het voor gezien. Zijn vrouw was inmiddels overleden en Kiek verhuisde naar een van zijn dochters in Arnhem. Twee jaar later keerde hij terug naar Leiden, waar zijn zoon Lion de zaak had overgenomen. Kiek stierf op 14 mei 1899. In datzelfde jaar schreven De Beer en Laurillard in een naslagwerk getiteld Woordenschat: ‘Kiekie, schertsende benaming, eerst voor een slechte, daarna voor elke photographie; naar Kiek, een kermis-photograaf.’


Tegenover het voormalige atelier van Israël David Kiek, aan de Rijnsburgersingel in Leiden, staat tegenwoordig een monument in vorm de van een ouderwetse statiefcamera.


Plaquette bij het monumentje voor Kiek.


Advertentie van Kiek.



<< Dieuwertje schonk hem twintig CatsjesEen frotte parg >>

Reageren op dit blog?
Uw naam:
Email:
Reactie:
vul de beveiligings-code in
Ewoud Sanders is historicus en journalist. Hij is columnist bij NRC Handelsblad en vaste medewerker van onder meer Onze Taal, KB.nl en het Nieuw Israelietisch Weekblad. Ewoud Sanders heeft verschillende taalboeken op zijn naam staan en is bezig met een onderzoek naar het beeld van de Joden in kinderboeken én in de Nederlandse taal.


Volg dit blog automatisch!

Wilt u automatisch op de hoogte worden gehouden wanneer er een nieuw bericht op deze weblog verschijnt? Abonneer u dan op de RSS-feed.

Abonneer via RSS
Add to Google Abonneer via Google

Klik hier voor meer informatie over RSS


juni 2010:
Lokjood

mei 2010:
Wat zijn Joden?

april 2010:
Het Nieuwe Jeruzalem
In de zevende hemel

maart 2010:
Togus
Een fijne gozer

februari 2010:
Niesje

januari 2010:
Een heitje voor een karweitje
Je smoesjes zijn goed

december 2009:
Bajes

november 2009:
Zijn voeten noemden we strijkijzers
De woestijnpas of jodenloop

oktober 2009:
Drie Joodse woorden
Een jofele boel
Mazzelpik

september 2009:
Ramp El Al zorgde voor taalverandering
Sta op en ga zitten

augustus 2009:
Misjpoge

juni 2009:
Krijg de rambam
Joodse verwensingen (2)

mei 2009:
Joodse verwensingen (1)
Koefnoen
Alles kits?

april 2009:
Keil in de keilekit
Negerzweet

maart 2009:
Jodenkoffie
Jodenster
Jatmoos
Jodenlijm

februari 2009:
Een frotte parg
Ook het kiekje heeft een Joodse achtergrond
Dieuwertje schonk hem twintig Catsjes
Een jajempie jajemen

januari 2009:
Heibel
Gannef
Waarom zijn er zoveel Joodse woorden in het Bargoens?
Gabber


Amphora