Een fijne gozer
vrijdag 5 maart 2010  

Omstreeks 1905 kon je in Amsterdam op straat een lied horen zingen getiteld ‘Bij blonde Nel op de Ceintuurbaan’. In dat lied kwam het volgende couplet voor:

In de buurt IJ IJ, geloof me maar vrij,
Daar is ’t een lollige boel.
Bij blonde Nel, je kent haar wel,
Haar goozertje heet Zwarte Roel.
Zij woont daar heel sjiek, toch ’t is een kliek:
In de nacht rijden taxi’s daarheen.
Die brengen daar heeren, die hun geld daar verteeren,
Met Catootje, Sophietje en Leen.

De buurt IJ IJ is een oude benaming voor wat nu De Pijp heet. Tot aan het begin van de 20ste eeuw stond deze buurt bekend om z’n prostitutie – een thema dat in dit lied bezongen wordt.

Het bijzondere van dit lied is dat het een van de vroegste bronnen is voor het woord goozertje, een woord met een Joodse achtergrond.

Gozer was toen vooral in informele kringen bekend, want in 1906 vonden we het in een Bargoense woordenlijst die hier al vaker is geciteerd en die ook hierna nog vaker zal worden genoemd: De Boeventaal van Köster Henke. Köster Henke vermeldt het in de vormen gooser en goozer. Als voorbeeldzinnen geeft hij onder meer: ‘Heb je mijn goozer vanavond nog gezien?’ en ‘Kijk me die goozers eens tippelen’. In andere (latere) bronnen vinden we het nog als gauser, goasser, gosert, gouser, gozerd, enzovoort.

Waar komt dit woord vandaan? Via het Jiddisje chosen (‘bruidegom’) is het ontleend aan het Hebreeuws chattan, dat ‘schoonzoon’ en ‘bruidegom’ betekent. Gozer is in allerlei samenstellingen aangetroffen. Ik noem er een paar:

  • dallesgozer, in 1937 voor ‘armoedzaaier’;
  • dolmgozer, in 1937, voor ‘versufte kerel’;
  • gozertippelaar, in 1906, voor ‘iemand die bij avond op dronken lui uitgaat, om ze te beroven’;
  • klapgozer, in 1926, voor een ‘pooier die een hoerenloper berooft’;
  • lefgozer, voor ‘opschepper, kapsoneslijer, druktemaker’;
  • moordgozer, voor ‘jofel persoon’;
  • plonsgozer, volgens de Grote Van Dale: ‘benaming voor Duitse soldaat tijdens WO II die werd voorbereid op de invasie naar Engeland’; en
  • wereldgozer, voor ‘fijne vent’.

Min of meer vaste verbindingen waren haaie goozer (‘sterke kerel’), bekneisde gozer (‘beruchte kerel’) en linke gozer (‘gevaarlijke, geslepen kerel’).

Hoe lang het gebruik van gozer beperkt bleef tot de onderwereld, is moeilijk te zeggen. Ik vermoed tot in de jaren zestig. Een van de eersten die het in een dichtbundel gebruikte was in ieder geval Willem van Iependaal, een Rotterdamse schrijver die zeer vertrouwd was met het Bargoens. In 1953 dichtte hij:

Ik heb geen centen, Heer
Geen rooie pozer! [cent]
Hier staat een sofmeheer,
Een dallesgozer!
Ik heb geen klofting an,
M’n schoenen gapen:
Aanzie de gentleman
Door U geschapen!


Niesje
vrijdag 19 februari 2010  

Ik heb een vriendin die het woord nog weleens gebruikt. Zij komt uit Den Haag en als zij het over een 'meisje' of 'vrouwtje' heeft, dan zegt zij soms niesje.

Net als veel andere 'Joodse' woorden in het Nederlands, is niesje voor het eerst opgetekend in een Bargoense woordenlijst. Dat gebeurde omstreeks 1860, door M. Verwoert, indertijd directeur van een gevangenis te Utrecht. Hij noteerde het in de vorm niesse en gaf als betekenis 'dame'. In dezelfde tekst is sprake van een gesjankte niese voor een 'getrouwde vrouw'. Vervolgens vinden we dit woord in 1906 in De Boeventaal van Köster Henke, die het woord ruim dertig keer gebruikt in voorbeeldzinnen. Als definitie geeft hij 'dame, meid' en de opmerkelijkste voorbeeldzin luidt: 'Dat niese is bezoles van het fietsen'. Bezoles betekent 'ziek, bedorven, kapot' en fietsen wordt hier gebruikt in de betekenis 'uitoefenen van de bijslaap'. Kortom: dat meisje heeft een geslachtsziekte opgelopen. Köster Henke voegt zelfs nog een rijmpje toe, namelijk:

En als het fietsen is gedaan,
Dan moet het meisje in de kraam.

Als min of meer vaste verbindingen vermeldt Köster Henke: tof niese voor 'mooie meid' en olmse niese voor 'oude vrouw'. Als verkleinvorm noemt hij niesetjes (voor 'dametjes'). Tegenwoordig is niesje de meest gangbare verkleinvorm. We komen het woord ook tegen als iesie, iesje, niesche, nieze, enzovoort.

Waar komt het vandaan? Via het Jiddisje iesje is het ontleend aan het Hebreeuwse iesja, dat 'vrouw' betekent. De 'n' is erbij gekomen als restant van een bezittelijk voornaamwoord (m'n iese, z'n iese). Niese is in allerlei samenstellingen aangetroffen, waaronder dolmniese (in 1937, voor 'hospita, slaapvrouw'), stinkniese (in 1906 voor 'vuile meid, hoer') en peesniese (in 1937 voor 'publieke vrouw').

Niese komt onder meer voor in een bekende smartlap uit 1966, 'Verbroken geluk', geschreven door Louis Noiret en vertolkt door Manke Nelis:

Maar nou zit ie lekker een tijd achter ’t slot
en treurt om z’n jofele niesse
die nooit van d’r leven een kerel meer mot
ze houdt ze fijn in de smieze.


Een heitje voor een karweitje
vrijdag 22 januari 2010  

Wat is een geeltje? Velen van u zullen dat weten. Geeltje was de bijnaam voor het biljet van 25 gulden. Maar waarom heette zo’n biljet geeltje? Het was de laatste decennia toch een rood biljet?

Nog een vraag. Wat werd er met rooie rug bedoeld? Inderdaad, dat was de bijnaam voor een biljet van duizend gulden. Maar waarom? Zo’n biljet – weinigen van u zullen het in handen hebben gehad, al was het maar omdat je er nergens mee kon betalen – was groen van kleur.

Het geeltje heette zo omdat bankbiljetten van 25 gulden tussen 1862 en 1927 een gele keerzijde hadden; het bankbiljet van 1000 gulden had alleen van 1860 tot 1921 een rode keerzijde (daarna werd die grijs).

Geeltje en rooie rug tonen aan dat bijnamen voor geld heel hardnekkig kunnen zijn. Ook nadat het uiterlijk van een munt of biljet is veranderd kunnen ze heel lang blijven voortleven – soms zelfs eeuwen.

Toch moeten we vrezen voor het voortbestaan van de bijnaam heitje. Heitje werd, zoals u weet, tot de komst van de euro gebruikt als bijnaam voor ‘kwartje’. Maar inmiddels hebben we geen munten van 25 (euro)cent meer, en daarmee is heitje in de gevarenzone terechtgekomen.

Waar komt het woord heitje vandaan en sinds wanneer kennen we het? Via het Jiddisje hei is het ontleend aan he, de vijfde letter uit het Hebreeuwse alfabet, die als getalswaarde ‘vijf’ heeft. Het ging immers om vijf stuivers. Het woord is omstreeks 1860 voor het eerst aangetroffen in een Bargoense woordenlijst, opgesteld door M. Verwoert, indertijd directeur van een gevangenis te Utrecht.

Vervolgens vinden we het in De Boeventaal van de Amsterdamse commissaris W.L.H. Köster-Henke uit 1906. Naast heitje voor ‘vijf stuivers, kwartje’, vermeldt Köster Henke heit voor ‘vijf’ in vaste verbindingen als heit jantjes (‘vijf jaar gevangenisstraf’) en heit meier (‘vijfhonderd gulden’). Als samenstelling noemt hij heitjespiejijzer voor ‘kleine scharrelaar; klaploper’. Later zijn nog aangetroffen heitjespooier (in 1924, voor ‘souteneur’) en heitjesprent (in 1937, voor ‘briefje van vijfentwintig’). Als vormvarianten voor heitje vinden we onder meer haitje, heijtje, haatje, enzovoort.

Heitje mag dan wellicht verloren gaan als bijnaam voor een specifieke munt, het zal zeker nog lange tijd voortleven in de uitdrukking een heitje voor een karweitje. Die uitdrukking dateert van 1952 en is ontstaan bij de padvinderij, in navolging van een Engelse slogan. Op 10 april 1952 schreef de Leeuwarder Courant hierover:

Zaterdagmiddag zal de stad Leeuwarden een vreemde optocht door haar straten zien trekken. Circa 450 padvinders, uitgerust met tuin- en timmergereedschappen, schoonmaakartikelen enz., maken dan een mars door de stad, waarbij de politiekapel de muziek verzorgt. Deze optocht volgt de inleiding tot een bijzondere actie, welke ‘De Nederlandsche Padvinders’ en de ‘Verkenners van de Katholieke Jeugdbeweging’ in de komende week zullen voeren onder de leuze ‘’n heitje voor ’n karweitje’ (ter verduidelijking, een heitje is de Amsterdamse benaming voor een kwartje). Onder de slagzin a bob a job (een shilling voor een werkje) wordt nu reeds enkele jaren in Engeland, in de week na Pasen door de welpen, verkenners en voortrekkers geld verdiend om hun vereniging te steunen. Dit jaar wordt nu ook met deze actie in Nederland gestart.

Vraag: gebruikt u heitje nog als bijnaam voor een munt?


Je smoesjes zijn goed
vrijdag 8 januari 2010  

Tot de meest wijdverbreide ‘Joodse’ woorden in het Nederlands behoort het woord smoes. Smoes, zo weet iedereen, wordt gebruikt voor ‘praatje, vertelsel, uitvlucht’. De Grote Van Dale vermeldt bij smoes nog twee andere betekenissen, namelijk ‘grap, aardigheid’ (met de kanttekening dat dit weinig wordt gebruikt) en ‘flauw, onbenullig praatje’. Bij die laatste betekenis vinden we de uitdrukking om een smoesje verlegen zitten voor ‘onder voorwendsel van iets anders komen aanlopen om een praatje te maken’.

Andere bekende uitdrukkingen met smoes zijn: iemand smoesjes verkopen voor ‘iemand iets wijsmaken’, en je smoesjes zijn goed, maar je praatjes deugen niet. Die laatste uitdrukking heb ik zelf vaak te horen gekregen op de middelbare school, en ook later nog wel eens. Ik heb er geen weerzin aan overgehouden: ik vind het een van de betere uitdrukkingen in het Nederlands.

We mogen aannemen dat het verzinnen van smoezen zo oud is als de mensheid (‘nee echt, een slang heeft mij gezegd dat ik van die appel mocht eten’), maar kennelijk ontstond er halverwege de 19de eeuw in het Nederlands behoefte aan een nieuw woord voor dit verschijnsel. Men vond dit in het Bargoens, ook wel de dieventaal genoemd. Daar werd smoessie omstreeks 1860 voor het eerst opgetekend in een Bargoense woordenlijst, opgesteld door M. Verwoert, indertijd directeur van een gevangenis te Utrecht. Hij noteerde als betekenissen ‘praatje’ en ‘voorwendsel’. In een later woordenboek, uit 1899, karakteriseerden De Beer en Laurillard smoesjes verkoopen als ‘soldatentaal’ voor ‘onwaarheden of uitvluchten opdisschen’. Of soldaten indertijd inderdaad bovenmatig veel smoesjes verkochten weet ik niet; wel is zeker dat smoes via het Jiddisj is ontleend aan het Hebreeuwse sjemoea, dat ‘gerucht’ of ‘overlevering’ betekent.

In literaire bronnen is smoes in 1879 voor het eerst aangetroffen, in een boek van Justus van Maurik, de chroniqueur van het Amsterdamse volksleven. In Uit het volk voert hij een bedelend kind op, dat tegen een ander kind zegt: ,,Wat kijk je me raar an; ik kan wel zien, dat je een nieuweling bent. Jij kunt je woord niet doen. Je moet een mooi smoesje over je hebben, dan geven de lui.’’

Herman Heijermans gebruikte smoes in 1899 in zijn boek Ghetto (,,Allemaal praatjes, uitvluchten, smoesjes! Morgen vraagt-ie je weer centen!’’) en we komen het ook tegen (in de betekenis ‘praatje’) in een gedicht van J.H. Speenhoff, getiteld ‘Meneer Bourgeois’:

Meneer Piet Lut heeft ’n koetsier,
En een open koessie.
Ze rijden samen langs de straat
Enkel voor ’n smoessie.
Dan zie j’ nooit wie van de twee
Of toch de koetsier is;
’t Eenige wat je goed kan zien
Is wie de grootste klier is.

Ik heb de indruk dat smoezen voor ‘praten in het algemeen’ (als neutraal woord) vooral door Joden wordt gebruikt, terwijl niet-Joden het vooral gebruiken voor ‘bedekt en zacht met iemand praten, al dan niet ten koste van iemand anders’ (hier heeft smoezen dus een negatieve lading). Of vergis ik mij hierin? Zoals eerder gezegd: dit is een interactieve rubriek. Wat is uw ervaring: herkent u dit verschil in gebruik van smoezen tussen Joden en niet-Joden, of zie ik het verkeerd?


Bajes
vrijdag 18 december 2009  

Tot de bekendste ‘Joodse’ woorden in het Nederlands behoort bajes. Niet dat veel mensen beseffen dat dit woord oorspronkelijk uit een andere taal komt. Bajes wordt wel als een informeel woord beschouwd (op het Journaal zullen ze het eerder over gevangenis hebben dan over bajes, hoewel Bijlmerbajes ook daar een gangbaar woord is), maar niet als een leenwoord.
Sinds wanneer komen wij bajes in het Nederlands tegen? Omstreeks 1800 is het voor het eerst opgenomen in een Bargoense woordenlijst, opgesteld uit processtukken van de zogenoemde Brabantse Bende, in de samenstelling scheftbeijes voor ‘rasphuis’. Een rasphuis was een tuchthuis waar opgepakte landlopers, zwervers en misdadigers verfhout, met name het keiharde brazielhout, moesten raspen – zeer zwaar en smerig werk. Vervolgens komen we bajes in 1844 tegen in de samenstelling nachtbajes voor ‘nachtverblijf’ en in 1858 in de zin: ‘Uit welke bajes komt gij?’
Zoals gezegd is bajes, dat we decennia daarna in allerlei spellingvarianten tegenkomen, een ‘Joods’ woord. Via het Jiddisj is het ontleend aan het Hebreeuwse bajit, dat ‘huis’ betekent. ‘In het Bargoens werd dit woord, ten dele in navolging van het gebruik in het Jiddisj, ook toegepast op huizen of gebouwen met een maatschappelijke functie’, schrijft het Etymologisch woordenboek van het Nederlands (2003), ‘al had het bij huizen met een economische functie concurrentie van kit, keet en spieze. Bij gebouwen met een penitentiaire functie was deze concurrentie er echter nauwelijks.’
In 1906 geeft de Amsterdamse politiecommissaris W.L.H. Köster Henke in zijn boekje De Boeventaal nog als betekenissen ‘winkel, huis, gevangenis’, maar na 1950 komen we bajes vrijwel uitsluitend tegen voor ‘gevangenis’. Het woord is in de loop der tijd in allerlei samenstellingen terechtgekomen. Een kleine greep, in alfabetische volgorde:

  • bajeskar (voor het eerst gevonden in 1906)
  • bajesklant (sinds 1903)
  • bajeslef (sinds 1937 voor ‘brutale moed’)
  • bajeswagen (1906)
  • gokbajes (1906, voor ‘speelhuis’)
  • golabajes (1937, voor ‘ziekenhuis’)
  • gondelbajes (1922, voor ‘bordeel’)
  • groot-bajes (1907, voor ‘tuchthuis’ en voor de ‘strafgevangenis te Leeuwarden’)
  • mokkelbajes (1937, voor ‘bordeel’)
  • sijbelbajes (1937, voor ‘wc’)
  • sikkerbajes (1937, voor ‘herberg’)
  • sjaskelbajes (1937, voor ‘herberg’)
  • temeiebajes (1921, voor ‘bordeel’)
  • trederiksbajes (1937, voor ‘schoenenwinkel’), enzovoort.

Ik wens iedereen een goede jaarwisseling. Tot volgend jaar!


Zijn voeten noemden we strijkijzers
vrijdag 27 november 2009  

Vorige keer ging het hier over het woord woestijnpas, dat volgens de Grote Van Dale ‘vermoeide, sjokkende gang (als van de Israëlieten toen zij veertig jaar door de woestijn trokken)’ betekent. Ik vond wel een paar plaatsen in de literatuur, maar relatief weinig. Bij nader onderzoek bleek dat niet woestijnpas de gangbare aanduiding was, maar woestijngang. Dat woord komen we op diverse plaatsen tegen, onder meer in een brief van de verzetsheld dominee Dirk Arie van den Bosch.

Van den Bosch was Hervormd predikant in Den Haag. Zijn preken trokken duizenden mensen. In november 1940 verscheen een boek van zijn hand waarin hij waarschuwde voor het gebrek aan menselijkheid, getiteld 666, Het getal eens menschen. Naar aanleiding van dit boek werd Van den Bosch opgepakt en na een verblijf in het ‘Oranjehotel’ in Scheveningen kwam hij terecht in het concentratiekamp Amersfoort. Daar gaf hij kerkdiensten en bijbelles en vanwege de grote morele steun die hij de gevangenen bood, kreeg Van den Bosch na de oorlog het Verzetskruis. Postuum, want hij overleed in 1943 aan de combinatie van dysenterie en een kaakontsteking.

Uit kamp Amersfoort schreef Van den Bosch allerlei brieven en die zijn in 1946 gebundeld door zijn dochter, onder de titel Dominee D.A. van den Bosch. Op 31 augustus 1941 schreef Van den Bosch vanuit de strafgevangenis in Scheveningen aan zijn vrouw:

,,De Joden draagt men zooals je wellicht weet niet zoo’n gloeiend warm hart toe. Met uitzonderingen natuurlijk, zooals iedere nette regel die heeft. De kleermaker hier b.v. is een Jood van zijn haren tot z’n voeten. Zelfs de woestijngang ontbreekt niet, dus twijfel is voor zelfs de domste D[uitser] uitgesloten. Maar deze man wordt in de watten gelegd omdat hij voor de lui, pardon de ‘heeren’ zelfs voor hun dames zoo goedkoop en zoo fijn costuums en mantelpakken maakt.’’

We vinden het woord woestijngang trouwens ook bij een Joodse schrijver, namelijk Salvador Hartog. Die schreef in 1981 in een boekje getiteld Meijer en ik, waarin hij herinneringen ophaalt aan zijn Joodse jeugd in Limburg: ,,Niettegenstaande zijn woestijngang – zijn voeten noemden we strijkijzers – en zijn meer dan levensgrote Cyrano de Bergerac-neus, die uitdagend onder zijn flambard uitstak, werd hij zelden voor jood uitgescholden.’’

En in 1989 lezen we bij een andere Joodse schrijver, Lisette Lewin, in Voor bijna alles bang geweest: ,,In alle oprechtheid was Irma – ofschoon de twee mannen in haar leven joden waren – ervan overtuigd dat bepaalde uiterlijke kenmerken en eigenschappen ‘typisch joods’ waren en dat je die, voor zover mogelijk, moest onderdrukken of verbergen. Ze had zich tot taak gesteld Emma’s uiterlijke verzorging op zich te nemen en haar goede manieren te leren. Daarbij hoorde vanzelfsprekend dat Emma moest leren zo min mogelijk ‘joods’ te zijn. Krom lopen was joods, evenals je voeten naar buiten zetten in de ‘woestijngang’, hard praten, tactloos zijn, ad rem of geestig proberen te zijn, slordig zijn, je onvrouwelijk gedragen.’’

Ik blijf benieuwd naar de ervaringen en herinneringen van lezers over deze typische manier van lopen. Kwam dit inderdaad relatief vaak bij Joden voor of gaat het hier om een vooroordeel? Ik hoor graag van u.


De woestijnpas of jodenloop
vrijdag 13 november 2009  

Een paar jaar geleden heb ik een formulier op internet gezet, waarin ik vroeg naar de bekendheid van woorden en uitdrukkingen die met Joden te maken hebben. U moet hierbij denken aan woorden als Jodenneus, Jodenkerk, Jodenstreek enzovoorts. Waar heeft u deze woorden leren kennen, wilde ik weten, in welke context gebruikte u ze en kent u nog vergelijkbare woorden?

Vooral bij die laatste vraag werden mij allerlei interessante woorden aangeleverd, woorden waar ik vaak nog nooit van had gehoord. De vragenlijst kon anoniem worden ingevuld, maar ik vroeg wel naar het geboortejaar, de geboorteplaats en naar het opleidingsniveau van de beantwoorder. Zo weet ik dat een van de vragenlijsten – in totaal kreeg ik er tweeduizend retour – is ingevuld door een man die zijn jeugd (1930-1940) doorbracht in Amsterdam en die later een universitaire studie voltooide. ,,Karakteristiek voor Amsterdam’’, schreef hij op het formulier, ,,was de voddenjood of voddenman met handkar langs de straat, soms met een speciale roep.’’ ,,Jodenjongen’’, vervolgde hij, ,,heb ik voor de Tweede Wereldoorlog zowel in neutrale zin (in de betekenis ‘joodse jongen’) als in negatieve zin horen gebruiken, afhankelijk van de context. Voor het gebruik van jodin gold voor zover mij bekend hetzelfde. Jodinnetje had een neutrale tot positieve klank.’’

Het interessantste woord dat hij toevoegde was Jodenloop. ,,Dit was een bij Joden (destijds?) nogal eens voorkomende manier van lopen (voeten enigszins naar buiten gedraaid, met als gevolg een duwend in plaats van afwikkelend lopen, gekscherend ook woestijnpas genoemd, refererend aan de veertigjarige tocht door de woestijn).’’

Ik had nog nooit van het woord woestijnpas gehoord, maar het blijkt in de Grote Van Dale te staan, met als definitie ‘vermoeide, sjokkende gang (als van de Israëlieten toen zij veertig jaar door de woestijn trokken)’.

Is het in de loop der tijd vaak gebruikt, dit woord? Nee, voor zover ik kan nagaan is dat niet het geval. Ik vond het in 1923 voor het eerst, in het tijdschrift De Gids. Daar lezen we, in een artikel van de schrijver Johan de Meester: ,,Uit den kinderbijbel weet elk, dat de joden zich veertig jaar lang moesten trainen in den woestijnpas, voordat ze een land mochten binnenstappen, dat overvloeide van melk en honig.’’

Vervolgens komen we het in 1924 tegen in de Leeuwarder Courant, in een gedicht van mr. A.W. Kamp, getiteld ‘Friesche Hardrijders’ dat is overgenomen uit de Haagsche Post:

Gelijk het Oosten met zijn volken
om den woestijnpas is vermaard
zoo is ook Friesland’s vrije volken
de schaatsgang ongeëvenaard.
(fragment)

En we komen het in 1933 tegen in een beroemde roman van F. Bordewijk, Knorrende beesten. Bordewijk voerde veel vaker Joden op in zijn romans. In 2002 schreef Hans Anten hierover in een artikel getiteld ‘Bordewijk en de joden’ (in het tijdschrift Nederlandse Letterkunde): ,, Er bestaat […] geen oeuvre in de twintigste-eeuwse Nederlandse letterkunde van een niet-joodse auteur waarin joden en het jodendom prominenter aanwezig zijn dan in het werk van Bordewijk.’’ Over Bordewijk en de Joden valt meer te vertellen en misschien komt dat nog een volgende keer. In Knorrende beesten, een korte roman die speelt in een badplaats die plotseling internationale aandacht krijgt vanwege een conferentie, lezen we:

,,Toen werd de conferentie met nog een financiële commissie uitgebreid, en tien nieuwe vreemden verschenen, met bankiersbuiken meest. Zij namen allen intrek in Alcor. Zij waren altijd samen. Hun zware vlees dreef ’s morgens in een klomp bijeen door de branding, en later waggelde hun woestijnpas over de parade. Maar twee of drie waren anders. Die hadden de vergeestelijkte adeldom als het Joodse volk, gelijk nauwelijks een ander, kan aanwijzen.’’

Dikke Joodse bankiers met een waggelende woestijnpas, het is moeilijk te achterhalen hoe dat indertijd door lezers werd begrepen of gewaardeerd. Sowieso is het niet makkelijk te begrijpen wat hier nou precies staat. Anten schrijft: ,, Deze enigszins grotesk-deformerende beschrijving releveert de eenheid van het collectief. Traditioneel aan joden toegeschreven aspecten als woestijnpas en bankiersberoep zijn van toepassing op ieder, dus allen zullen jood zijn. De cohesie binnen dit al zeer selecte gezelschap van deskundigen is uitsluitend in positieve zin aangetast door een nog grotere uitmuntendheid van enkelen. Die ‘vergeestelijkte adeldom’ kan eigenlijk alleen maar door het joodse volk bij zichzelf worden aangewezen, zo althans interpreteer ik deze moeilijke passage.’’

Hier is vooral van belang dat Bordewijk de woestijnpas als iets typisch Joods zag, net als de invuller van mijn vragenformulier. Dit roept diverse vragen op. Kwam deze afwijkende manier van lopen indertijd inderdaad relatief vaak bij Joden voor? En zo ja, ging het dan soms om een bepaalde ziekte? Sommige ziektes komen immers vaker in een bepaalde bevolkingsgroep voor of zijn gekoppeld aan armoede. Zo hadden relatief veel Joden vroeger last van een bepaalde oogziekte, namelijk trachoom. Geldt iets dergelijks voor de woestijnpas, ook wel woestijngang genoemd? Hadden relatief veel Joden platvoeten, zoals je soms hoort ? Of hebben we hier simpelweg te maken met een antisemitisch vooroordeel? Alle aanvullingen zijn van harte welkom.


Drie Joodse woorden
vrijdag 30 oktober 2009  

Afpeigeren, asjeweine en attenoje zijn woorden met een ‘Joodse’ herkomst.

afpeigeren
afsterven; dodelijk vermoeien
In 1858 voor het eerst opgetekend, in het levensverhaal dat ‘een ontslagen gevangene’ vertelde aan mr. C.J.N. Nieuwenhuis. Het komt hierin voor in de verbinding pijger maken voor ‘doden’. In 1899 vinden we het als pijgeren voor ‘vermoorden’. In 1906, in een Bargoens woordenboekje getiteld De Boeventaal, vermeldt de Amsterdamse commissaris W.L.H. Köster Henke peiger en pijger voor (onder andere) ‘dood, lijk, kapot, bedorven’, peiger maken voor ‘dood maken’ en peigeren voor ‘sterven, doodgaan’. De afleiding afpeigeren, met de nu gangbare betekenis ‘dodelijk vermoeien, afsterven’, duikt pas in 1928 voor het eerst op. We treffen dit woord ook aan in de vorm afpaageren. Het Jiddisje peiger is ontleend aan het Hebreeuwse pèger, beide met als betekenis ‘lijk, kadaver’.

asjeweine
weggaan, ervandoor gaan; kapot; dood
Asjeweine is in 1906 voor het eerst opgenomen in een Bargoense woordenlijst, De Boeventaal van Köster Henke. Köster Henke vermeldt het als asjewijne en als gasjewijnen voor ‘weggaan, er van doorgaan’. Als voorbeeldzin geeft hij onder meer: ‘Maak de schim asjewijne’ (‘verdonkeremaan de bewijzen’). Asjeweine is in een recordaantal vormvarianten aangetroffen, waarvan gasjewijne, kasjewijle, kasjewijne, kassiewijle, kassiewijne en sjewijne het vaakst voorkomen. Het woord is via het Jiddische hasjeweine (‘weg, verdwenen’) ontleend aan het Hebreeuwse hasjivenoe (‘doe ons terugkeren’). Dit is de aanhef van de liturgische tekst bij het wegdragen en aan het gezicht onttrekken van de wetsrol aan het eind van de Joodse eredienst. Min of meer vaste verbindingen zijn asjeweine gaan voor ‘weggaan’ of ‘doodgaan’ en asjeweine maken voor ‘laten verdwijnen’. In 1924 schreef Is. Querido in een essay over het Bargoens, dat in 1931 werd opgenomen in zijn boek Mijn zwerftochten door Jordaan en donker Amsterdam:

Eigenaardig is echter dat de vreemde, vooral Hebreeuwsche of Jiddische uitdrukkingen vaak verschillend opgevangen en verwerkt worden. Zoo hoorde ik een misdadiger spreken van ‘gasjewijne’ (wat zeggen wil: uit de voeten maken of verdwijnen). Een andere, een jatter (dief) sprak van ‘assewijne’. Een derde, een tieijs-kraker (een brandkasten-inbreker) zei weer ‘hasjewijnoe’. En toch bedoelden ze het ééne Hebreeuwsche woord: hashibeina [hasjivenoe].

attenoje
Deze bekende uitroep van verbazing, verontrusting of ontsteltenis is 1901 voor het eerst aangetroffen, in een literaire tekst, maar zonder twijfel is zij ouder. Attenoje komt in zeer veel vormvarianten voor. Een greep: addenom, adennoje, atenoje, attenoie, attenoj, attenom, attenooi, attenooie, ottenoj, ottenoje, te-noij, enzovoort. In 1906 duikt de uitroep voor het eerst in een Bargoense woordenlijst op, andermaal De Boeventaal van Köster Henke. Die definieert het als ‘hemel, zeg, kijk’ en geeft onder meer als voorbeeldzin: ‘Attenoj daar komen Heintje en Pastoortje’ (‘hemel, daar komen twee bekende rechercheurs’). Attenoje is via het Jiddisje Addenoj ontleend aan het Hebreeuwse Adonai, beide voor ‘mijn Heer’ (God). Een verwante uitroep is attenojeleheine (ook met zeer veel vormvarianten). Dit gaat terug op het Hebreeuwse Adonai (‘mijn Heer’) plus Eloheinoe (‘onze God’).

Aanvullingen zijn welkom, zoals altijd.


Een jofele boel
vrijdag 16 oktober 2009  

Jofel wordt gebruikt voor ‘fijn, heerlijk, prettig’ en ‘plezierig’. Sinds wanneer kennen wij dit woord en waar komt het vandaan?

De Grote Van Dale vermeldt 1922 als datering bij jofel, maar in feite is dit woord al iets ouder. Of, exacter geformuleerd, in feite is het iets eerder opgetekend, zij het in de vorm joven. In die vorm komen we het in 1906 tegen in een Bargoense woordenlijst, De Boeventaal van de Amsterdamse commissaris W.H. Köster Henke.

Köster Henke vermeldt joven in de betekenissen ‘goed, mooi’ en ‘uitstekend’. Als voorbeeldzinnen geeft hij onder meer: ‘Hij loopt joven gekloft’ (‘hij loopt goed gekleed’) en ‘Een joven ponum’ (‘een mooi gezicht’).

In de vorm jofel treffen we het woord in 1916 voor het eerst aan, in een Bargoense woordenlijst die werd opgesteld door J.G.M. Moormann. Moormann trok er op vrije dagen vaak op uit om zwervers, bedelaars, landlopers, marskramers en rondreizende handelaren te ondervragen over hun taalgebruik. Het woord jofel tekende hij in 1916 te Goor in Overijssel op uit de mond van een paardenverkoper, die het gebruikte in de zin ‘Den sos hef ’n jofele ros’ (‘dat paard heeft een mooie kop’).

Waar komt jofel vandaan? Waarschijnlijk is het naar het voorbeeld van sjofel (‘kaal, armoedig’) gevormd uit het Jiddisje jofe, dat ‘mooi, aangenaam’ betekent. Dit Jiddisje woord gaat terug op het Hebreeuwsejafee (‘mooi’).

Net als veel Bargoense woorden treffen we jofel in allerlei spel- en vormvarianten aan, zoals joafel en jofer. Ook joppe wordt als een vormvariant van jofel beschouwd.

Min of meer vaste verbindingen zijn of waren jofele gozer, jofele niese (‘aardige meid’) en jofele boel. J.B. Uges, die onder het pseudoniem Nono aan het begin van de 20ste eeuw diverse boeken en toneelstukken schreef met daarin veel plat-Amsterdams, voerde in 1929 in Amsterdammers dit liedje op:

Wai binne Waotergeuse
Wai hebbe roaie neuse
Trao-lao-lao, trao-lao-lao
Me lusse nou en dan wel wat
En leife joafel fan de jat
Trao-lao-lao, trao-lao-lao

En Willem van Iependaal dichtte in 1945, in Op drift:

’k Heb je Wekroep ook gelezen.
Hij was jofel, maar ik gis,
Dat het losse meiden koud laat
Of er love in Mokum is.

Een vroege bron voor de vorm joven is Het verhaal van den dief van Jan Feith. In dit boek, dat dateert uit 1909 en dat bestaat uit een lange monoloog van een inbreker, lezen we: ‘En ik had wel weer geld in die dagen, want ik stal met overleg en zoo joven mogelijk, om vooral niet gesnapt te worden.’


Mazzelpik
vrijdag 2 oktober 2009  

In 1881 schreef de Amsterdamse volksschrijver Justus van Maurik in zijn boek Van allerlei slag: ‘Afijn! ze kunnen ’t niet helpen, ze moeten ook leven en daarom wensch ik ze massel en brochem.’

Bij die laatste woorden plaatste Van Maurik een voetnoot. Massel en brochem, zo verklaarde hij, betekent ‘goede zaken’.

Nou is dat niet helemaal correct, want mazzel en broge – zoals wij het nu spellen – betekent eigenlijk ‘geluk en zegen’, maar onder handelaars en zakenlieden werd en wordt dit inderdaad als zegenwens gebruikt voor ‘(doe) goede zaken’.

Voor zover bekend was Van Maurik, die een zeer goed oor had voor de Amsterdamse volkstaal, de eerste die het woord mazzel optekende. Na hem komen we het vooral bij Joodse auteurs tegen: bij Herman Heijermans in 1897 (‘“Die heit met z’n pruime ’n mazzeltje”, dacht Zelik en slaaprig keek hij de straat in’), bij Is. Querido in 1901 (‘hier hèt u uwes prachtklok,… mazzele-brooge’) en bij Jules de Vries in 1906 (‘Nou dag Beer! Mazzel en brooge!’).

Tegen die tijd was het Amsterdamse rechercheurs opgevallen dat mazzel (al dan niet in de combinatie mazzel en broge) werd gebruikt door leden van het Amsterdamse dievengilde. Zij gingen er vanuit dat het Bargoens was en daardoor werd dit woord in 1906 opgenomen in een Bargoense woordenlijst, De Boeventaal van Köster Henke. Köster Henke vermeldt het in de vorm massel en geeft als betekenissen ‘winst, geluk, voorspoed’. Als voorbeeldzin geeft hij: ‘Hij is in zijn massel’ voor ‘hij heeft geluk’. Daarnaast vermeldt Köster Henke masselen voor ‘goede zaken’.

Mazzel, dat in de literatuur in allerlei spellingvarianten is aangetroffen (onder andere als mazaal, masel, massel, massil en maszel), is natuurlijk een ‘Joods’ woord: via het Jiddisj is het ontleend aan het Hebreeuwse mazzal, dat ‘gesternte, geluk’ betekent.

Mazzel is in allerlei samenstellingen en afleidingen gevonden, waaronder mazzeltje voor ‘meevaller’, mazzelaar, mazzelkont en mazzelpik voor ‘bofkont, geluksvogel’, mazzelig voor ‘door een gelukkig toeval’, mazzelen voor ‘boffen, zwijnen’, enzovoort. Een veelgehoorde hedendaagse afscheidsgroet is de mazzel en mazzel en broge is, zeker in Joodse kringen, nog altijd een veelgebruikte uitdrukking.


Ramp El Al zorgde voor taalverandering
vrijdag 18 september 2009  

Het gebeurt niet vaak dat het Nederlands er nieuwe uitdrukkingen bij krijgt die meteen algemeen bekend zijn. Tien jaar geleden was het raak: door het ongeluk met het El Al-toestel.

Weinig uitdrukkingen zullen in korte tijd zo algemeen bekend zijn geworden als onder de pet houden. Dat komt doordat de lancering was gekoppeld aan een bericht dat Nederland even op z’n kop zette.

Zoals bekend stortte op 4 oktober 1992 een Boeing 747 van de Israëlische luchtvaartmaatschappij El Al neer op de Bijlmer in Amsterdam. Omdat de toedracht van het ongeluk lang onduidelijk bleef, hield de Tweede Kamer een parlementaire enquête. Op 3 februari 1999 – ruim zes jaar na het ongeluk dus! – maakte M.J. Augusteijn-Esser, lid van de enquêtecommissie die de Bijlmerramp onderzocht, bekend dat het neergestorte vliegtuig explosieven, gif, munitie, gassen en brandbare vloeistof had vervoerd. El Al had dit meteen na de ramp aan de verkeersleiding in Amsterdam laten weten. Maar de Israëli’s hadden er ook op aangedrongen hierover geen mededelingen naar buiten te doen. De verkeersleiding had dat toegezegd, aldus Augusteijn-Esser. Een en ander was gebleken uit bandopnamen van telefoongesprekken, banden die ondanks alle eerdere onderzoeken nooit boven water waren gekomen. Volgens Augusteijn-Esser was er gezegd: ‘Dat zullen ze niet van ons horen’. En: ‘Die informatie moeten we onder de pet houden.’ Wie dat laatste had gezegd wilde zij niet kwijt.

Een paar dagen later werden de transcripten van de banden vrijgegeven. De uitdrukking onder de pet houden bleek te zijn gebruikt in een gesprek tussen T. Polman, de dienstdoende chef van de verkeersleiders, en diens voorlichter G. Knook. Het gesprek had plaats op 4 oktober 1992, een halfuur na de crash van het El Al-toestel. Polman zei letterlijk, aldus het eindverslag van de commissie:

Zeg, eh... ga even op je stoel zitten, want die cargo... die bestond uit explosieven, uit gif en gassen [...]. Maar daar moeten we maar geen ruchtbaarheid aan geven. En verder gewoon..., dat zat er dus gewoon ook bij ... [bedoeld wordt: gewone vracht], maar El Al bidt ons uiteraard natuurlijk om dat onder de pet te houden.

De uitlatingen van Augusteijn-Esser, die volgens NRC Handelsblad ‘onnodig onheilspellend’ werden gepresenteerd, zorgden voor enorme opschudding. Er had gif en munitie in het vliegtuig gezeten, dit was al járen bekend maar Nederlandse ambtenaren hadden dit op eigen houtje onder de pet gehouden! En ze hadden ruim zes jaar een belangrijke geluidsband achtergehouden.

Politici tuimelden over elkaar heen om hun verontwaardiging uit te spreken en premier Kok gaf op eigen houtje opdracht om de betrokken ambtenaren meteen op non-actief te stellen. Dit zonder de conclusies van de commissie af te wachten, iets wat veel irritatie wekte. Heel Nederland praatte over de zaak en binnen een paar dagen leek het of onder de pet houden er altijd was geweest. Sterker nog: het NOS-journaal gebruikte de uitdrukking al de volgende dag in een bericht over een heel ander onderwerp, in de betekenis ‘iets in de doofpot stoppen’.

Geen columnist kon er weerstand aan bieden en in het humorhoekje op de voorpagina van NRC Handelsblad verscheen het grapje ‘wat de een onder de pet houdt, gaat de ander erboven’. Binnen een paar maanden doken er ook allerlei variaties op, zoals onder de hoed of muts houden en onder de pet schuiven of proppen. Aanvankelijk voorzagen de kranten de uitdrukking van aanhalingstekens, maar die kwamen al snel te vervallen.

Zoals dat gaat bij taalgeschiedenis, werd langzaamaan steeds schimmiger hoe de uitdrukking nu exact was gelanceerd. Bij de presentatie van de nieuwe editie van de Grote Van Dale, in september 1999, schreef Nova de uitdrukking toe aan Augusteijn-Esser. Zij bevestigde dit voor de camera, zij het enigszins schuchter, wat ook te maken zal hebben gehad met het feit dat de commissie zich inmiddels herhaalde malen had geëxcuseerd voor de ‘sensationele’ presentatie van de geluidsbanden.

Al eerder, in april 1999, meende Henk Hofland, columnist bij NRC Handelsblad, dat de uitdrukking was verzonnen door Henk Wolleswinkel van de Rijksluchtvaartdienst. Hij schreef:

Misschien overkomt het een mens maar één keer in zijn leven. Dan is het voor wie van zijn taal houdt ‘te mooi om waar te zijn’: de geboorte van een uitdrukking, en niet alleen dit. De nieuwe uitdrukking blijkt in haar levenskracht zo aanstekelijk dat ze van de ene dag op de andere in het spraakgebruik wordt opgenomen. Iedereen die de nieuwe woordcombinatie hoort, weet meteen wat ermee wordt bedoeld. Deze aanwinst is het onder de pet houden, gelanceerd voor de Parlementaire Enquêtecommissie door de heer H. Wolleswinkel, op 5 februari 1999. Het klonk zo gewoon, zo natuurlijk dat je niet eens besefte, bij een geboorte aanwezig te zijn. [...] Wat is er in het hoofd van de heer Wolleswinkel omgegaan, die paar seconden waarin hij nadacht over het antwoord op de vraag en toen plotseling de taal verrijkte? [...] Heeft hij aan een uitdrukking met onder gedacht, maar niet zo vlug het bijbehorende woord kunnen vinden? Razendsnel raadpleegden zijn hersens hun eigen inventaris; vonden bij de P het woord pet. De commissie wachtte op antwoord. Onder de pet, zei de ondervraagde. Had de voorzitter niet zo onverbiddelijk zitten kijken, was het brein van de heer Wolleswinkel een fractie van een ogenblik meer tijd gegund, dan was het bij de R gekomen. Dan had hij gezegd: ‘Dat heb ik toen onder de roos gehouden’ – en onze taal was onverrijkt gebleven.

Is het zo gegaan? Je zou dit fragment nog wel eens willen zien, vertraagd. Als ik het bij het rechte eind heb, is dit een historisch ogenblik.

Hofland had het zeker niet bij het rechte eind, want zoals gezegd was de uitdrukking al te horen op de bandopname uit 1992. Maar zij is nog ouder: al in 1977 schreef Leonhard Huizinga in Adriaan met Olivier natuurlijk: ‘Adriaan... fluisterde ik, in Godsnaam, hou het onder je pet...’. Vooralsnog is dit de vroegste vindplaats van een uitdrukking die in 1999 plotseling vleugels kreeg.




Monument Bijlmerramp


Sta op en ga zitten
vrijdag 4 september 2009  

Voor de zomervakantie schreef ik een paar keer over Joodse verwensingen. Er zijn er nog een paar – die thuishoren in de categorie ‘ironische verwensingen’. In tegenstelling tot andere verwensingen, die vaak bewust grof en uitermate direct zijn, kenmerken ironische verwensingen zich door een zekere subtiliteit. Het patroon is telkens hetzelfde: eerst wordt iemand in de waan gelaten dat hij geprezen gaat worden of dat hem iets goeds wordt toegewenst, maar uit het vervolg blijkt dat juist het tegendeel het geval is. Een voorbeeld is de Jiddisje verwensing moge hij een zoete dood sterven… dat hij overreden worde door een vrachtwagen met suiker.
Het Jiddisj kent relatief veel ironische verwensingen. Volgens sommigen is dit dan ook een typisch Joodse vorm van verwensen. Zo schreef M.H. Gans in 1985 in Het Nederlandse jodendom: ‘Echt joodse verwensingen […] behelzen een zogenaamd hartelijke wens, eindigend met een vreemde zinswending.’ Als voorbeeld geeft hij: ‘Je zult tot 120 jaar blijven leven en altijd gezond blijven en je zult héél dik je brood verdienen, maar je zult een hele grote, straatarme familie- en kennissenkring hebben.’
Een tweede kenmerk van de ironische verwensing is de lengte: bij botheid past kortheid, bij subtiliteit hoort kennelijk uitgebreidheid. De kortere hebben altijd een dubbele bodem, zie bijvoorbeeld hieronder bij jullie lijken op elkaar. Nog een ander kenmerk is dat de ironische verwensing vaak de functie van een scheldwoord heeft. Wie boos is op een ander, kan hem of haar simpel – en wel zo effectief – uitschelden. Wie iemand toevoegt je hebt een goed hart, maar het moest gebraden op je rug hangen bedoelt hetzelfde, maar heeft daar meer spraakwater voor nodig. De ironische verwensing is dan ook geen voorbeeld van effectief schelden, maar eerder een staaltje van verbaal vermogen en komisch talent.

IK WENS HEM EEN LANG LEVEN EN EEN HUIS VOL BOOIEN
In 1886 gebruikt door Justus van Maurik maar ook nu, met name in Joodse kringen, nog altijd in gebruik. Met booien wordt ‘dienstboden’ bedoeld. Personeel dus, en dat staat garant voor veel kopzorgen. Men zegt soms ook kortweg ik wens hem/je een huis vol booien.

IK WENS U VEEL PERSONEEL TOE
Een moderne variant van de vorige. Veel personeel betekent rijkdom maar ook veel zorgen. De verwensing ik wens u veel personeel toe is ook bekend in Vlaanderen en werd in 1997 nog opgetekend uit de mond van Luc van den Bossche, de toenmalige Vlaamse minister van Onderwijs. Men zegt ook, met dezelfde ironie: God geve je veel personeel.

JE HUIS VOL GASTEN EN JIJ NIET THUIS
Jiddisje verwensing die verwijst naar het zogenoemde sjiwwe-zitten. Zoals bekend zit men na het overlijden van een naaste bloedverwant zeven dagen op de grond of op een laag stoeltje. Je huis zit dus vol – gezellig! – maar jij bent er niet bij, want je bent dood. Men zegt ook je huis vol gasten, op lage stoeltjes, en jij niet thuis.

JULLIE LIJKEN OP ELKAAR
‘Mijn vader,’ aldus een informant, ‘heeft ooit tegen een lastige klant gezegd, toen die hem aan zijn zoon voorstelde: “Jullie lijken op elkaar”. Dat is een typisch Joodse verwensing. Je zou dit kunnen begrijpen als “jullie zien er hetzelfde uit”, maar hij bedoelde: “jullie dode lichamen op elkaar”. Dit moet zich in de jaren dertig hebben afgespeeld.’

STA OP EN GA ZITTEN
Het is moeilijk voor te stellen dat sta op en ga zitten in Joodse kringen ooit als grof werd ervaren. Toch is dat zo. Volgens sommige bronnen was de Jiddisje uitdrukking sjtei oef en gei zitse een ironisch eerbewijs als er iemand van slechte reputatie ter sprake kwam, maar G. Oznowicz heeft een andere verklaring. In 1962 schreef hij in Amsterdam uit Naatjes tijd:

Het getto had zijn eigen taal. Sterk exotisch gekruid. Het schiep zijn bijzondere problemen. Als de muren van het bureau Meijerplein eens konden spreken! Er klonken uitdrukkingen, waarover Van Dale niet het minste uitsluitsel gaf. Een vrouw komt binnenstuiven. Zij wil meneer Rosenfeld aan het gerecht overleveren. ‘Sjtei oef en gei zitse!’, sta op en ga zitten, heeft het ‘stuk falderappes’ haar toegeroepen. Giftig herhaalt zij de geïncrimineerde woorden: ‘Sjtei oef en gei zitse, sjtei oef en gei zitse.’ Zij kan nauwelijks meer op adem komen. Stomme verbazing bij commissaris Van Asperen. Zijn kennis van het idioom schiet hier duidelijk te kort. Waarvoor toch al die gillende opwinding! Er valt geen greintje strafbaars te ontdekken. Een insider doet het uit de doeken. Die meneer Rosenfeld is een ongeluksbode. In een Joods gezin rouwt men om een dode door op de grond te zitten, zeven dagen lang. Wie na het opstaan weer moet gaan zitten, betreurt dus meer dan één familielid. Een barre vloek dus...

Ook in deze verwensing zit het venijn in de staart. Opstaan is niet erg, weer gaan zitten wel. Sta op en ga zitten is onder andere gevonden in het werk van Reens en Querido maar zal inmiddels wel verouderd zijn.

DE KEIZERSGRACHT IN, DE KERKSTRAAT UIT
Een oorspronkelijk Joodse verwensing die voor de Tweede Wereldoorlog nog in Amsterdam kon worden gehoord. Op de Nieuwe Keizersgracht was een Joods ziekenhuis gevestigd (het Nieuw Israëlitisch Ziekenhuis) en in de Kerkstraat het lijkenhuis. De eigenlijke betekenis is dus zoiets als: je moet eerst zeer ernstig ziek worden, overlijden en het lijkenhuis uitgedragen worden.


Misjpoge
vrijdag 21 augustus 2009  

Voor niet-Joden is het gezin de hoeksteen van de samenleving. Voor Joden is dat net zo, maar wij hebben het over misjpoge.

Misjpoge is zelfs meer dan alleen het gezin, want dit woord wordt gebruikt voor vier verschillende dingen. Voor ‘verwanten’ en ‘familie’, voor ‘medejoden’, voor ‘groep bij elkaar horende mensen, clan’ en – in het Bargoens – voor ‘zaak’ of ‘handel’.

Misjpoge gaat via het Jiddisj terug op het Hebreeuwse misjpacha, dat ‘familie’ betekent. Net als veel ‘Joodse’ woorden in het Nederlands kom je het in allerlei spellingvarianten tegen. Zo vind je het onder andere als mespoge, mischpoge, mishpoge, misjpooche, mispoche, mispoge enzovoorts.

Waarom zijn er altijd zoveel spellingvarianten van Joodse woorden in het Nederlands? Dat zal nog wel vaker ter sprake komen, dus ik sta er hier even bij stil. Al sinds het begin van de 19de eeuw verschijnen er spellinglijsten voor het Nederlands (de eerste verscheen in 1803), maar daar stonden zelden Joodse woorden in, want die werden voornamelijk door een kleine groep gebruikt – door de Joden namelijk. Joodse schrijvers en schrijfsters moesten dus zelf verzinnen hoe zij woorden van Hebreeuwse of Jiddisje herkomst noteerden. Ook niet-Joodse schrijvers gebruikten weleens woorden die ze van Joden hadden geleerd, maar die maakten van de schrijfwijze helemaal een potje. Die hoorden bijvoorbeeld het Jiddisje hasjeweine, dat ‘weg, verdwenen’ betekent, en maakten daar dan kassiewijle, kasjewijle of kassiewijne van.

Maar goed, terug naar de misjpoge. Heel vaak hoor je, zeker in Joodse kring: de hele misjpoge voor ‘alles en iedereen’. Een andere bekende uitdrukking is: mazzel en broge voor de hele misjpoge. We komen deze zegswijze bijvoorbeeld tegen in een smartlap waarmee Rika Jansen, beter bekend als ‘Zwarte Riek’, in 1964 een grote hit had, getiteld ‘Amsterdam huilt’

U kunt dit nummer hier horen:

Op vrijdagavond koegel met peren
Wie dat niet nascht kan het ook niet waarderen
Het boek gaat dicht en met een traan in zijn ogen
Fluistert hij: mazzel en brooche voor de hele misjpoge (3x)

Niet-Joden vragen ook weleens naar familierelaties (‘Ben jij soms familie van Sanders Meubelstad in Amsterdam, ik wil daar een bed kopen’), maar onder Joden is deze zogenoemde misjpogologie uitgegroeid tot een internationale sport. Altijd moet er, bij een eerste ontmoeting, even worden vastgesteld of je soms familie bent van…. volgt de naam van iemand die, in mijn geval, me bijna nooit iets zegt, want mijn familie is – net als zoveel Joodse misjpoges – nogal klein.

Wie het woord misjpogologie heeft verzonnen is niet bekend, maar we vinden het al in 1957 in het werk van Meyer Sluyser. En de Amsterdamse onderwijzer Simon Gosselaar schreef ooit over zijn moeder, die het Nieuw Israelietisch Weekblad las: ‘Mijn moeder was er op geabonneerd. Heel gek, al die joodse mensen, die dat blad alleen maar lazen voor de misjpochologie.’


Krijg de rambam
vrijdag 26 juni 2009  

Het woord rambam is in de informele taal volop in gebruik. Denk maar aan zich het rambam schrikken, werken voor ‘zeer hevig schrikken, zeer hard werken’, de hele rambam voor ‘de hele mikmak, de hele troep’ en er het rambam van krijgen voor ‘er buitengewoon zenuwachtig van worden’. Ook de verwensing krijg de (of het) rambam is vaak te horen.

Deze verwensing is in 1918 voor het eerst gevonden, in een liedje van Louis Davids, getiteld In het bosch. Het derde couplet luidt:

Tante Neel, een ingekrompen schele ouwe vrijster,
Roept, als zij een kraai ziet:
‘Kijk ’s Jan, een lijster.’
Dikke Nelis zegt bedaard: ‘Nee tante, ’t een sijsje,
’k Hoor het aan zijn wijsie,
Wedden om een bijsie?’ [dubbeltje]
Arie zegt heel saai:
‘Krijg jij de rambam, ’t is een kraai.’

Rambam is een afkorting van Rabbi Moosje ben Maimon, de roepnaam van de in zijn tijd wereldberoemde geleerde Maimonides (1135-1204). Maimonides was leider van de Joodse gemeenschap in Egypte. Hij was een zeer invloedrijke filosoof en lijfarts van sultan Saladijn. Rambam behandelde ook arme sloebers, die hem van heinde en verre kwamen raadplegen. Behalve religieuze verhandelingen schreef hij minstens achttien boeken over geneeskunde, waaronder verhandelingen over aambeien en coïtus.

Hoe de naam van deze eminente geleerde in een verwensing terecht is gekomen, is niet helemaal duidelijk. In 1974 schreven Endt en Frerichs hierover in hun Bargoens woordenboek: ‘Behalve om de klank, die gewelddadigheid suggereert, werd de naam van deze lijfarts van verschillende sultans wellicht ook aangeroepen om daarmee de ziektes waarvoor hij ingeroepen moest worden, op te roepen.’ Maar Hartog Beem, een groot kenner van de Joodse invloed op de Nederlandse woordenschat, was hiervan minder overtuigd: ‘De Nederlandse populaire verwensing “krijg de (het) rambam” wordt nogal eens in verband gebracht met de naam Rambam. […] De veronderstelling dat deze woorden met elkaar in verband zouden staan berust op niets anders dan de klankovereenkomst.’

Toch lijkt het wel waarschijnlijk dat krijg de rambam uit het Jiddisj komt. Zeker is dat een harber rambam aan het begin van de 20ste eeuw in het Jiddisj werd gebruikt voor ‘een moeilijke plaats’, dat wil zeggen: een moeilijk te interpreteren passage in een godsdienstig of filosofisch werk. Hoogstwaarschijnlijk werd met krijg het rambam oorspronkelijk bedoeld ‘krijg een ziekte op een moeilijke plaats’. Dit thema komt bij verwensingen namelijk vaker voor, denk bijvoorbeeld aan krijg de kanker achter je hart, dat de dokter er niet bij kan komen. De huidige betekenis is ‘rot op, bekijk het maar, je kunt me wat’.

Men zegt soms ook krijg de rimbam, krijg het rimram en krijg de rampam – allemaal verwensingen die uiteindelijk teruggaan op de geleerde Maimonides.


Joodse verwensingen (2)
vrijdag 12 juni 2009  

Bestaan er Joodse verwensingen? Ja, die bestaan. Hieronder een tweede selectie.

HIJ ZAL VERZIEKEN
Voor de Tweede Wereldoorlog gehoord in Joods Amsterdam. Verzieken betekent hier niet ‘bederven, in de war sturen’ of ‘door ziekte geheel verzwakken en uitgeput raken’, maar ‘het door ziekte kwijtraken van geld, vooral door de kosten van medicijnen, medische hulp en dergelijke’. Tot 1914 stond deze betekenis van verzieken nog in de Grote Van Dale, inmiddels is zij verouderd (en dus geschrapt). Deze verwensing betekent dus ‘moge hij al zijn geld kwijtraken door ziek te worden’.

KRIJG DE DALLES
Dalles is Jiddisj voor ‘armoede’. Men zegt ook in de dalles zitten. A.M. Reens gebruikte de verwensing in 1905 in Ghetto-ghijntjes: ‘Krijg de dalles. Zoo zal je kouwe koorts krijge as je de waarheid niet spreekt, schreeuwt mevrouw Slomper hem toe.’

Een schertsende vervorming van dalles vinden we in de Bargoense uitdrukking (krijg) de dahlia, vaak met de toevoeging in volle bloei, wat zoveel wil zeggen als ‘armoe troef’. Een ‘praatjesmaker’ wordt soms spottend een baron van dalleshausen genoemd.

KRIJG HET FALDERAPPES
Falderappes (ook falderapes, chalderapes, falderappie) is een Jiddisj woord. De verdere herkomst is onzeker. Een van de mogelijkheden is dat het teruggaat op het Portugese gualdrapa, dat ‘paardendek’ betekent. Onder Amsterdamse Joden was het een scheldwoord voor ‘gepeupel’, ‘schorriemorrie’. Vervolgens is dit gebruik doorgedrongen in het Algemeen Informeel Nederlands. In deze verwensing is falderappes een fictieve ziekte.

KRIJG HET GELAAS (AAN JE KOP)
Gelaas is Jiddisj voor ‘ziekte, zweer, gezwel’. Men schrijft ook wel chelaas of gal(l)aas. De verwensing is onder andere aangetroffen in het werk van Karel de Wind en Is. Querido. Men zei ook zich het gelaas werken. Een ‘onaangename, nare kerel’ werd wel een gelaasdarm genoemd.

KRIJG (JIJ) HET HELE POLIKLINIEKBORD
Volgens een informant een oorspronkelijk Joodse verwensing die in het vooroorlogse Amsterdam gehoord kon worden. Men zei ook krijg alles wat er op het bord van de polikliniek staat, behalve de dokter en het spreekuur.

KRIJG DE KLOK
De klok is een niet-bestaande ziekte. Dat was ook de grap van krijg de klok: als de toegesprokene vroeg wat er met deze verwensing bedoeld werd, luidde het antwoord elk uur een slag.

KRIJG DE CETEM
Tussen 1923 en 1950 verscheen in Amsterdam de krant De Cetem, een internationaal, financieel, economisch nieuwsblad. Het ging om een Nederlandse editie van een populaire Franse krant. Sinds 1924 verscheen deze krant – als eerste in Nederland – op zondag. Hij werd op zondagavond verkocht en bevatte alle uitslagen van de sportwedstrijden van die dag – een noviteit in de Nederlandse journalistiek. Om dit nog eens extra te benadrukken, werd de krant die dag uitgevent met de kreet: ‘Alle uitslagen!’ In Joodse kringen ontstond al snel de verwensing krijg de cetem, waarmee werd bedoeld: krijg alle uitslagen bij elkaar – lees: alle huiduitslagen. Omdat niet iedereen deze verwensing direct begreep, kwam ook de uitgebreide vorm voor, namelijk krijg de cetem, dan heb je alle uitslagen bij elkaar. Met het krantje verdween de uitdrukking, maar hij leeft nog voort in de herinnering van veel Amsterdammers.

KRIJG DE VAZ DIAS (DAN HEB JE ALLE UITSLAGEN TEGELIJK)
Tussen 1904 en 1934 was Vaz Dias een bekend persbureau. Het werd opgericht door Mozes Vaz Dias (1881-1963) en later overgenomen door het ANP, waarvan Vaz Dias nog een paar jaar mededirecteur was. Op 21 februari 1922 was Mozes Vaz Dias als eerste in Nederland begonnen met het uitzenden van nieuwsberichten via de radio. In deze uitzendingen waren ook de sportuitslagen te horen. Net als bij krijg de cetem wordt in de verwensing krijg de vaz dias een woordspel gespeeld met (sport)uitslagen(huid)uitslagen. De uitleg ‘dan heb je alle uitslagen tegelijk’ werd alleen toegevoegd als iemand de verwensing niet begreep, aldus een informant.

LIK ME TOGES
Zeker in Joodse kringen een gewone verwensing. De spelling varieert: de Grote Van Dale geeft tochus, toges, tokes en toochus. Startpunt is het Hebreeuwse tachat dat ‘onder, beneden’ betekent. Het Jiddisj kent onder andere toocheslikker ‘kruiperig iemand’ (gevormd naar het Nederlandse gatlikker) en toochespoonem ‘glad of bleek gezicht’ – zeg maar blotebillengezicht. Het woord toges is in 1887 voor het eerst opgetekend en werd in sommige kringen ook voor ‘vagina’ gebruikt. Men zegt tevens dat plak ik aan me toges voor ‘daar trek ik me niks van aan’.

Aanvullingen zijn welkom.


Joodse verwensingen (1)
donderdag 28 mei 2009, 12:00  

Gisteren maakte de Bond tegen het vloeken bekend dat het vloeken en schelden op de Nederlandse televisie voor het eerst in jaren is afgenomen. Dat wil zeggen: op de publieke zenders. Op de commerciële zenders is het vloeken en schelden juist toegenomen.

Het zou interessant zijn om eens zo’n onderzoek te doen onder Joden. Wordt er onder liberale Joden meer gevloekt en gescholden dan onder de orthodoxen? En vloeken en schelden de niet-gebonden Joden het ergst? En – als belangrijkste vraag – hebben Joden hun eigen arsenaal aan vloeken en verwensingen?

Over dat laatste is wel het een en ander bekend. In 1998 heb ik samen met Rob Tempelaars een boekje geschreven getiteld Krijg de vinkentering! 1001 Nederlandse en Vlaamse verwensingen. In dat boek hebben we alle verwensingen samengebracht die we in het Nederlandse taalgebied konden vinden. Het waren er overigens geen 1001, maar wel heel veel en het meest opmerkelijk was dat Nederlanders een grote voorkeur hebben voor verwensingen met ziekten. Krijg de pest, de pokken, de pestpokken, de tering – het hield maar niet op.

In dat boekje, dat deels is gebaseerd op reacties van lezers op oproepen in enkele dagbladen, staan ook enkele ‘Joodse’ verwensingen. Die blonken, in vergelijking met de algemeen gebruikelijke ziekteverwensingen, uit door subtiliteit. Niet dat er geen ‘Joodse’ ziekteverwensingen bestaan – zie hieronder. Maar doorgaans waren Joodse verwensingen veel subtieler. Dat kun je je ook wel voorstellen, want een Jood die een niet-Jood keihard en glashelder zou verwensen, zou zichzelf al snel in gevaar kunnen brengen.

Hieronder enkele voorbeelden van Joodse verwensingen. De volgende keer kom ik er op terug. Ik meld nu vast: alle aanvullingen zijn welkom. Voeg ze hieronder toe of stuur ze mij via het mailadres van Crescas.

KRIJG DE KRENK

In 1905 door A.M. Reens gebruikt in Ghetto-ghijntjes. Krenk is Jiddisj voor ‘ziekte’. Het is afgeleid van het Duitse Kränke ‘stuipen, epilepsie’.

KRIJG HET MAKKE

In 1937 opgetekend in een Bargoens woordenboekje als ‘ziektewensing’. Makke is Jiddisj en betekent onder andere ‘slag, plaag, gebrek’. In de dieventaal werd het bovendien gebruikt voor ‘ziekte, wond, ongeluk’ en ‘fout’. Men zei ook voor makke liggen ‘ziek zijn’, en mij een makke voor ‘kan me niets schelen’. Een makke en een kanker wordt gebruikt voor ‘een dubbele sof’.

KRIJG EEN DARMSCHEURING

In 1904 door Herman Heijermans gebruikt in Diamantstad, een roman die speelt in Joods Amsterdam. Hij gebruikt de Jiddisje vorm: ‘Stik, stik,’ gilde Dovid, den doek die ’n bloedrige prop leek, dreigend in z’n vuist ballend: ‘Krijg ’n darme-reising, vuilik!… Wat doe ’k met je gelul! Geef me ’n paar schoene – dan trek ik ze an achter je lawaaie [begrafenis].’ Reissen is Jiddisj voor ‘scheuren’.

KRIJG DE WIJTIK, WEITIG

‘Ik heb jarenlang gewerkt in een Joods Psychiatrisch Ziekenhuis,’ schreef een informant, ‘waar ook veel ouderen verbleven die nog de mooiste Jiddisje uitdrukkingen gebruikten. Een van de oudere patiënten schold mij uit voor alles wat mooi en lelijk was, zoals krijg de tyfus, krijg de pokke, de pest en de koleire. Een heer vond het maar niets dat ik zo uitgekafferd werd en zei tegen mij: “Broeder, u moet tegen die vrouw zeggen krijg de wijtik (of weitig).” Op mijn vraag wat dat dan betekende zei hij: “Dat betekent: krijg alle ziektes die er maar te bedenken zijn bij elkaar en tegelijk.”’

Weitig (ook weiteg gespeld) is Jiddisj voor ‘ziekte, leed, smart’. Een Bargoens woordenboekje uit 1906 geeft als variant ‘krijg alle judische wijzik’. De verwensing komt zelfstandig voor, maar ook in een liedje dat Joodse loopjongens (zogenoemde haambrengers) zongen als ze naar hun mening te weinig fooi hadden gekregen voor aan huis bezorgde vis:

Krieg de wijtik
Op frijtik
Hot da memme
Ka deite
Meer nytik.

Vrij vertaald:
Krijg de ziekte
Op vrijdag
Heeft je moeder
Geen duiten
Meer nodig.

Krijg de wijtik is ook aangetroffen in de verbasterde vorm krijg een wijting. Het gaat hier om een zogeheten volksetymologische verbastering: omdat wijtik niet meer werd begrepen, maakte men er wijting (vis) van.

(wordt vervolgd)


Koefnoen
vrijdag 15 mei 2009  

Vraag iemand wat koefnoen betekent en hij of zij zegt naar alle waarschijnlijkheid: dat is toch de naam van zo’n satirisch televisieprogramma?

Ja, dat is het óók. Maar wat betekent koefnoen?

Dikke kans dat het dan een tijdje stil blijft.

Koefnoen betekent ‘gratis, voor niks, kosteloos’. Net als bijvoorbeeld laser is het een zogenoemd letterwoord. Laser is samengesteld uit de letters voor ‘Light Amplification by Stimulated Emission of Radiation’, koefnoen gaat terug op koef (dat is Hebreeuws voor de letter ‘k’) en noen (Hebreeuws voor de letter ‘n’).

En waar staat K+N dan voor? Voor kost niks, of – op zijn Jiddisj uitgesproken: kosjt niks.

Veel letterwoorden zijn hun leven begonnen als grap (dat geldt bijvoorbeeld voor okay) en de kans is groot dat dit ook bij koefnoen het geval is. We komen dit woord voor het eerst tegen in 1897, in een artikel van de Joodse schrijver Herman Heijermans in het tijdschrift De Gids. ,,Die probeert ’t koefnoen te hebbe’’, lezen we daar, met een voetnoot bij koefnoen, want slechts weinig niet-Joodse lezers zullen dit woord hebben gekend.

Ook in latere bronnen – bij auteurs als Israel Querido, Jean-Louis Pissuise en Piet Bakker – vinden we koefnoen in voetnoten of woordenlijstjes verklaard, wat er op wijst dat het bij het verschijnen van hun boeken – in de eerste helft van de twintigste eeuw – niet algemeen bekend was. Koefnoen werd vooral in artiestenkringen gebruikt en de verkleinvorm koefnoentje ging al snel ‘vrijkaartje’ betekenen. Men zei voor koefnoen gaan (‘voor noppes’) en in een Bargoens woordenboekje uit 1937 is dit grapje opgetekend: ‘Schok jij een koefnoentje?’ (betaal jij het vrijkaartje?).

Kortom, koefnoen is verbonden met humor en dat zal de reden zijn geweest dat het is gekozen als naam voor een satirisch televisieprogramma.


Alles kits?
vrijdag 1 mei 2009  

In 1904 publiceerde Wijnand van Schothorst een proefschrift over Het Dialect der Noord-West-Veluwe. Bij de k nam hij de woorden kips en kits op, met de mededeling dat ze hetzelfde betekenden, namelijk ‘in orde, netjes, goed’. Men zei indertijd op de Veluwe zowel alles kits als alles kips.

Die laatste variant is inmiddels in onbruik geraakt, maar alles kits doet het nog altijd goed. Er is geen reden om aan te nemen dat de uitdrukking op de Veluwe is ontstaan. Dat Van Schothorst alles kits als eerste optekende, berust waarschijnlijk op toeval. Aan het eind van de negentiende eeuw begon men de streektalen serieus in kaart te brengen. Maar omdat de algemene volkstaal zo lang door taalkundigen was genegeerd, werden veel woorden en uitdrukkingen die eigenlijk veel wijder waren verbreid, toen aan een bepaalde streek toegeschreven.

Dat kits in deze betekenis aan het begin van de twintigste eeuw ook buiten de Veluwe bekend was, blijkt onder meer uit enkele literaire bronnen. De Amsterdamse journalist M.J. Brusse, een groot kenner van de Amsterdamse en Rotterdamse stadstaal, gebruikte het in 1906 in Landlooperij, een prachtig verslag van zijn zwerftocht met ‘stroopers en schooiers’. In 1917 gebruikte hij de uitdrukking in Het rosse leven en sterven van de Zandstraat, een waardevol boekje over de ondergang van de oude Rotterdamse hoerenbuurt. In 1935 dook het op in Polletje Piekhaar van Willem van Iependaal, een boek over een Rotterdamse straatjongen (‘U voelt, dat ik daar behoefte aan zal hebbe en graag aan me patroon zou wille schrijve, dat alles kits is’).

Stropers, schooiers, straatjongens, dieven en hoeren: in die contreien moet de herkomst van alles kits worden gezocht. Zij spraken een eigen taaltje, het Bargoens, dat sterk is beïnvloed door het Jiddisj. Alles kits is dan ook niet speciaal ontsproten op de Veluwe, maar komt van het Jiddisje alles gietes dat ‘alle goeds’ betekent. Eigenlijk was het een heilwens, net als het Duitse alles Gute (het Duits is een belangrijke bron voor het Jiddisj).

De uitdrukking kent verschillende uitbreidingen. In Rotterdam is alles kits, kindje in de kolenbak gesignaleerd en in Groningen en Friesland zegt men: alles kits en de bok vet. Wijder verbreid is de uitbreiding alles kits achter de rits (ook wel ‘onder de rits’). Over deze variant schreef een informant: ,, Alles kits achter de rits is zeker vijfentwintig jaar oud. Ik leerde de uitdrukking van mijn dochter, leerling van het keurige Pascal College in Amsterdam, omstreeks 1973. De uitdrukking had een essentieel vervolg, c.q. antwoord. Degene die zei ‘Alles kits achter de rits?’, kreeg als wedervraag van zijn of haar gesprekspartner: ‘Alles pluis in het kruis?’ Ik vond dat toen heel geestig, en dat vind ik eigenlijk nog.’’ Vanzelfsprekend zijn verschillende mensen op de woordspeling alles kids gekomen. Er zijn een paar websites die zo heten (in België en Nederland) en het is de naam van onder meer een schoolkrant en een kinderspeelplaats.


Keil in de keilekit
vrijdag 17 april 2009  

Simon Carmiggelt hoorde ooit een kastelein zeggen: ‘Meer dan 24 keiltjes haal ik niet uit een liter, al leg ik ’m onder een stoomwals.’

Wat is een keiltje? Een ‘glaasje jenever’ of een ‘borrel’. In deze betekenis is dit woord in 1906 voor het eerst aangetroffen, in De boeventaal, een Bargoens zakwoordenboekje dat werd samengesteld door de Amsterdamse commissaris W.H. Köster-Henke. Köster-Henke gaf als voorbeeldzin: ‘Ik heb een keiletje of tien van den loensche (schele) gehad.’

Al eerder – in 1844 – gebruikten de jongens van de vlakte, zoals criminelen vroeger wel werden genoemd, keiledje of kortweg keile voor ‘kruik’ of ‘fles’. Beide betekenissen gaan terug op het Hebreeuwse keli, dat ‘vat’ of ‘vaatwerk’ betekent.

De borrelnaam keiltje is in de Nederlandse dialecten in allerlei vorm- en spellingvarianten aangetroffen. Zo komen we het tegen als keile, keiletje, kijletje, keilertje en keileman. In 1922 gebruikte de Amsterdamse schrijver Is. Querido in zijn roman Manus Peet twee verschillende vormen. Zo schreef hij:

‘Hé doofpot... hei je geen krop meer?... seg je niks?... Of binne jou oorlelle ook gekrepeerd?... neem d’r ’n keilertje op!’

En elders:

Hoeveel keiletjes zou hij in zijn leven leeggewipt, en hoeveel jeneverkruikjes omgemorst hebben?

Een kroeg of herberg heette in het Bargoens een keilewinkel of keilekit, woorden die je in het Amsterdams nog wel tegenkomt. Keilekit was in de jaren vijftig en zestig trouwens ook de bijnaam van de Jellinekkliniek in Amsterdam, dat wil zeggen: onder degenen die daar van hun alcoholverslaving probeerden af te komen. Keilen wordt of werd gebruikt voor ‘stevig drinken, zuipen’ en ’n keil jenever voor ‘een groot glas jenever’ en keilebak voor ‘tapkast’. En van iemand die dronken is, zegt men hij is keil.

Allemaal woorden en uitdrukkingen die uiteindelijk een Joodse achtergrond hebben.


Negerzweet
vrijdag 3 april 2009  

De twaalfde druk van de Grote Van Dale verscheen in 1992. Kort na het verschijnen zei een van de toenmalige hoofdredacteuren, dr. Hans Heestermans, tegen het tijdschrift Onze Taal: ‘Ik heb vrij lang met joodse mensen gesproken over het woord jood in de geïncrimineerde betekenis – “woekeraar, afzetter, al te handige zakenman”. Velen van hen vinden dat ik dat woord moet schrappen. Maar dan zeg ik altijd: dan moet ik ook andere woorden schrappen, zoals boer. Bovendien zou ik door de betekenis van dat woord te schrappen de taalwerkelijkheid geweld aandoen. Dan zou Van Dale lijken op een Russisch geschiedenisboek, dat bij elke nieuwe regering de geschiedenis herschrijft.’

Je zou denken dat Heestermans dezelfde houding zou hebben aangenomen ten aanzien van de ruim zestig samenstellingen met het woord joden-, maar in feite had hij toen al bijna de helft van die woorden geschrapt. Terugkijkend wil Heestermans wel toegeven dat dit onder druk van buitenaf gebeurde. De Grote Van Dale is een commercieel woordenboek en men had het, aldus Heestermans, bij de uitgeverij ‘benauwd’ gekregen van alle kritiek op deze specifieke groep woorden. Van Dale deed meer dan schrappen. Aan de definitie van het woord jood werd toegevoegd dat de betekenissen ‘woekeraar’ etc. berustten op ‘eigenschappen die uit vooroordeel aan joden soms werden toegeschreven’ (één druk eerder was dit nog: ‘vaak aan joden worden toegeschreven’), en bij in totaal 22 woorden en uitdrukkingen die met joden te maken hebben, kwam te staan dat ze ‘beledigend’ waren. Je vindt dit zogenoemde label onder meer bij jodenkerk, bij brillenjood (‘beledigend, joodse koopman in brillen’), bij smous (‘beledigend, scheldnaam voor jood’) en bij polak (‘beledigend, Pool, m.n. Poolse jood’).

Inmiddels is de Grote Van Dale gedigitaliseerd. In deze digitale editie kun je makkelijk nazien bij hoeveel woorden of uitdrukkingen, die voor bepaalde volkeren of groepen aanstootgevend zijn, staat dat een en ander op een vooroordeel berust. Dat blijkt – verrassend genoeg – alleen bij het woord jood het geval te zijn. Weliswaar staat bij belgenmop en hollandermop dat daarin ‘vooroordelen worden gelucht’, maar dat is niet hetzelfde. Je zou de waarschuwing voor een vooroordeel bijvoorbeeld ook verwachten bij zo dronken als een Maleier, zo zat als een Zwitser, eruit zien als een Turk (‘er erg vuil uitzien’), zich met de Franse slag van iets afmaken enzovoorts.

Bij sommige van deze uitdrukkingen staat wel dat ze ‘beledigend’ zijn en dat is al heel wat, want ook op dit punt is Van Dale allesbehalve consequent geweest. Het label ‘beledigend’ staat (in de onderzochte editie uit 1999) in totaal bij 110 woorden en uitdrukkingen: het vaakst bij ‘joodse’ woorden (22 maal), gevolgd door woorden die betrekking hebben op vrouwen (14 maal). Homoseksuelen en rooms-katholieken delen de derde plaats met ieder twaalf vermeldingen en de Turken, Chinezen en zigeuners bungelen onderaan met respectievelijk acht, zeven en vier belediging-waarschuwingen.

Dat joden zich gekwetst voelden en voelen door sommige woorden en uitdrukkingen in Van Dale, kan ik me goed voorstellen. Ik denk ook dat het zinnig was om die woorden eens zorgvuldig tegen het licht te houden en om de kwetsende van labels te voorzien. Maar ik denk dat het heel onverstandig is geweest om vervolgens tientallen woorden – waaronder allerlei volkomen neutrale – te schrappen. In de eerste plaats voor Van Dale zelf: het woordenboek ondergraaft hiermee zijn eigen uitgangspunt, namelijk dat het zo objectief mogelijk de taal van de laatste honderdvijftig jaar beschrijft. De deur is hiermee opengezet voor mensen die zich door bepaalde woorden of uitdrukkingen gekrenkt voelen. In 2002 dreigde de ‘Stichting Eer en Herstel Betalingen Slachtoffers van Slavernij in Suriname’ Van Dales te gaan verbranden als het woord neger niet uit het woordenboek zou worden geschrapt. De actievoerders werden toen nog enigszins gegeneerd weggelachen, maar waarom zou negerzweet (in de betekenis ‘koffie’) mogen blijven staan als jodenkoffie is verwijderd?

Ik vind die schrappingen nog om een andere reden onverstandig. Onze woordenschat maakt veel duidelijk over de geschiedenis van de Nederlandse joden én over de geschiedenis van het antisemitisme in Nederland. Van Dale, waarvan de oudste druk nota bene door twee joodse zwagers is gemaakt, was in dit opzicht een belangrijke en interessante bron. Dat is sinds al die schrappingen niet langer het geval.


Jodenkoffie
vrijdag 27 maart 2009  

Eind 1970 werd dr. Cornelis Kruyskamp, de bewerker van de Grote Van Dale, voor het gerecht gedaagd. In een kort geding eiste H. Boekdrukker uit Voorburg dat in de niet-verkochte exemplaren van Van Dale de bladzijde met het woord Jood zou worden vervangen. Boekdrukker voelde zich persoonlijk gekrenkt en beledigd doordat bij Jood in Van Dale stond ‘vaak als smaadnaam of scheldwoord gebezigd’, met als voorbeeldzin: ‘oude, vuile Jood!’ Bovendien vermeldde Van Dale dat Jood overdrachtelijk werd gebruikt voor ‘woekeraar, afzetter, bedrieger’. De voorbeeldzin bij deze betekenis luidde: ‘Ik zou bij zo’n Jood niet willen kopen.’

Kruyskamp was verontwaardigd over deze kritiek. Tegen het Algemeen Handelsblad zei hij indertijd: ‘Men kan een woordenboek er toch niet aansprakelijk voor stellen dat het woord Jood soms als scheldwoord of discriminerend wordt gebruikt. Een woordenboek is een inventaris van woordbetekenissen en taalfeiten.’

Boekdrukker verloor het geding. Van Dale hoefde de pagina niet te vervangen, maar de advocaat van Martinus Nijhoff, de toenmalige uitgever van Van Dale, verklaarde dat in nieuwe uitgaven van het woordenboek tot uitdrukking zou worden gebracht ‘dat bepaalde gebruiken van het woord Jood verwerpelijke gebruiken zijn’.

Dat gebeurde inderdaad in 1976. De aanstootgevende voorbeeldzinnen werden geschrapt of vervangen en bij de betekenis ‘afzetter, woekeraar’, kwam te staan dat hier werd gezinspeeld ‘op zekere eigenschappen die vaak aan Joden worden toegeschreven’. Pas in een latere editie werd hieraan toegevoegd dat die vermeende eigenschappen op een vooroordeel berusten.

In de druk die verscheen in 1984 gebeurde niet veel. Bij de samenstellingen met het woord Joden- werd één woord geschrapt, jodenkost (‘gerechten waar Joden op gesteld zijn’) en kwamen er vijf bij, waaronder het curieuze jodenmes. Volgens Van Dale was dit een ‘mes door Joden gebruikt om beweerde hostieschennis te plegen’. Waarom dit woord werd toegevoegd is een raadsel.

Ondertussen liep de druk op Van Dale op. In 1991 stuurde de Utrechtse hoogleraar Henk Verkuyl, mede op verzoek van een Joodse vrouw, uitgeverij Van Dale een uitvoerige analyse van de woorden Jood en Joden-. Volgens Verkuyl stonden er in Van Dale ‘restanten van antisemitisme’. Verkuyl maakte zich daar ontzettend kwaad om. Hij beschuldigde Hans Heestermans, een van de opvolgers van Kruyskamp, er zelfs van een lulsmoes te gebruiken door zich te verschuilen achter het argument dat je met het schrappen van betekenissen en woorden de taalwerkelijkheid geweld aandoet.

De ruimte ontbreekt om hier alle argumenten van Verkuyl te herhalen, maar feit is dat Heestermans en zijn opvolgers vervolgens ruimschoots in de samenstellingen met Joden- zijn gaan schrappen. Stonden er in 1984 nog 61 van die samenstellingen in de Grote Van Dale, in 1992 waren dat er nog maar 35 en in 1999 32 – bijna een kwart minder dan voor de Tweede Wereldoorlog.

Wat voor woorden zijn er nu geschrapt? In de eerste plaats woorden met een negatieve betekenis, zoals jodenbet (‘onbevallige vrouw, hobbezak’), jodenlawaai (‘grote drukte om niets’), jodenwinst en jodenwoeker (‘ongeoorloofde winst, woekerwinst’). Daarnaast verdwenen vier religieuze en politieke aanduidingen (waaronder jodenchristenen en jodengeloof), zes plantennamen (o.a. jodenbloempje en jodenkriek) en acht benamingen voor voedsel en drank, waaronder jodenkoffie (‘koffie met kaneel, suiker en melk’, ook wel boerenkoffie genoemd, een woord dat wel is blijven staan).

De vraag is of Van Dale er goed aan heeft gedaan om aan deze druk toe te geven. Van Dale zegt de woordenschat vanaf circa 1850 tot nu te beschrijven. Van veel van de geschrapte woorden kun je echter aantonen dat ze in de laatste honderdvijftig jaar wel degelijk zijn gebruikt. Het is ook duidelijk dat antisemitisme niet verdwijnt door voor Joden krenkende of beledigende woorden weg te poetsen.

(Slot volgt)


Jodenster
vrijdag 20 maart 2009  

Over de behandeling van het woord Jood in de Grote Van Dale is in het verleden al veel te doen geweest, maar daarbij lag de nadruk steeds op de definities van de verschillende woorden, samenstellingen en uitdrukkingen. Bij mijn weten heeft niet eerder iemand de moeite genomen om nu eens precies te kijken naar wat er sinds de Tweede Wereldoorlog met de selectie van de betreffende woorden is gebeurd.

Om hier een beeld van te krijgen heb ik drie edities vergeleken: de zesde editie van 1924, de zevende editie van 1950 en de dertiende van 1999.

In 1924 stonden er 40 samenstellingen met joden- in de Grote Van Dale. In 1950 waren dat er 57. Er waren vijf samenstellingen geschrapt: jodenasphalt, jodenbedrog, jodenbeurs, jodendoorn en jodenkwartier. En er waren 22 samenstellingen bijgekomen, van jodenbaard tot jodenwet.

Waarom die vijf woorden zijn geschrapt, is niet duidelijk. Jodenbedrog en jodenbeurs waren zogeheten opnoemers, woorden zonder definitie. Jodenasphalt verwees slechts naar aardpek, jodenkwartier werd omschreven als ‘jodenbuurt’ (een woord dat ook was opgenomen), en bij jodendoorn stond dat dit een ‘steekdoorn, een soort van kruisdoorn’ is. Waarom die plantennaam in 1950 opeens niet langer gewenst was, is niet bekend. Er kwam een andere plantennaam voor in de plaats, namelijk jodenbaard (een bijnaam voor de Saxifraga sarmentosa).

Dat er in de Tweede Wereldoorlog veel met de Joden was gebeurd, hoef ik hier niet uiteen te zetten. En ook niet dat dit sporen heeft nagelaten in het Nederlands. Het is dan ook logisch dat C. Kruyskamp, de toenmalige bewerker van Van Dale, ervoor koos om woorden als jodenhaat, jodenhater, jodenkwestie, jodenmoord en jodenwet op te nemen, en je kunt je ook nog wel voorstellen dat hij woorden als jodenmensen en jodenvolk toevoegde.

Maar waarom nam hij nou uitgerekend in 1950, vijf jaar na de massale deportatie van Nederlandse Joden, woorden op als jodenbet (‘onbevallige vrouw, hobbezak; ook: joods uitziend meisje’) en jodenstreek (‘streek (als) van een Jood; bedriegerij’)?

Kruyskamp was redacteur van het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT), het wetenschappelijke woordenboek van het Nederlands. Dit woordenboek was indertijd de belangrijkste bron voor de herziening van de Grote Van Dale. Het woord Jood en de diverse samenstellingen met dit woord waren in 1914 in het WNT behandeld, door A. Beets (de zoon van Nicolaas). Beets had maar liefst ruim 130 samenstellingen met joden- opgenomen. Van de 22 joden-samenstellingen die Kruyskamp aan Van Dale toevoegde, stonden er veertien in het WNT en acht niet.

Dat Kruyskamp zo kort na de sjoa jodenstreek in Van Dale opnam, mag ons nu weinig kies voorkomen, taalkundig gezien was er wel grond voor. Het woord bestond al sinds het begin van de negentiende eeuw en in 1894 had de (Joodse) auteur Herman Heijermans een boekje met die titel uitgegeven, een boekje dat diverse herdrukken beleefde. Je ziet jodenstreek direct na de oorlog in diverse woordenboeken opduiken; in 1948 debuteerde het in het handwoordenboek van Van Dale (dat ook door Kruyskamp werd bewerkt), in 1949 in Koenen en in 1952 in Kramers.

Minder voor de hand liggend is dat Kruyskamp Van Dale in 1950 ‘verrijkte’ met jodenbet, dat in 1909 door Beets in Leiden was opgetekend maar dat verder niet in literaire bronnen was aangetroffen, met jodenhof (zonder toelichting) en met jodenspek ‘(schertsend, gerookte (kalfs)borst’). En waarom nam hij in 1950 opeens tandenjood op voor ‘minachtende benaming voor tandheelkundige’, samen met onder meer brillenjood, ramsjjood en spekjood (‘scheldnaam voor een Jood die de rituele voorschriften niet in acht neemt’)?

De opname van jodenster was wél logisch. Gezien de recente gebeurtenissen mocht dit in geen enkel woordenboek ontbreken. Kruyskamp definieerde het als volgt: ‘Davidster, zespuntige ster als symbool van het jodendom; zulk een ster van geel doek zoals de Joden tijdens de nationaalsocialistische tirannie moesten dragen.’

In de dertiende druk uit 1999 wordt bij jodenster slechts verwezen naar davidster, waar meer informatie te vinden is. Ondertussen mag je blij zijn dat jodenster nog in Van Dale staat, want tussen 1950 en 1999 blijken uit dit woordenboek maar liefst 35 (!) samenstellingen met joden- door een achterdeurtje te zijn weggesluisd, een opschoning die ons veel leert.

(Wordt vervolgd)


Jatmoos
vrijdag 13 maart 2009  

In 1904 schreef de Joodse journalist en schilder Bernard Canter een boek getiteld Kalverstraat. In dit boek, over het leven van de Joden in Amsterdam, zijn diverse ‘Joodse’ woorden voor het eerst vastgelegd. Dat geldt bijvoorbeeld voor jatmoos, dat we tegenkomen op pagina 16, in het volgende dialoogje:
‘Dag Dóvid. Heb je al handgift?’
‘Natuurlijk heb ik al jatmoos. In zoo’n zaak zal men geen jatmoos hebben.’ Jatmoos gaat via het Jiddisje en Hebreeuwse jad (‘hand’) + het Jiddische moos (‘geld’) terug op het Hebreeuwse maot (‘muntjes, geld’). In 1906 werd het voor het eerst opgenomen in een Bargoense woordenlijst, De Boeventaal van de Amsterdamse politiecommissaris W.L.H. Köster-Henke. Ook bij Köster-Henke vinden we dit woord terug in een dialoogje, namelijk:
‘Heb je wat benosseld [hier: verdiend] vanavond?’
‘Noppes, ’k heb den heelen dag getippeld en nog geen jatmoos gehad.’ Net als veel andere ‘Joodse’ woorden kent jatmoos veel spelling- en vormvarianten. Köster-Henke vermeldt het tevens als gakmoos, jetmoos en tsjakmoos. Elders zijn nog aangetroffen jadmoos, jatmaus, jatmoes en jatmous.
Handgeld is het eerste geld dat een neringdoende ontvangt. Het idee is dat het geluk brengt. In 1949 schreef Maurits Dekker hierover in Amsterdam bij gaslicht (p. 5): ‘Jatmoos noemden de negocianten het eerste op een partij handelsgoederen of bij de aanvang van de werkdag ontvangen geld. Het werd met wat speeksel besproeid en zo mogelijk in een afzonderlijk vestzakje bewaard, opdat het voor de verdere dag geluk zou mogen brengen.’
Onder marktkooplieden is deze folklore nog niet uitgestorven. Wie de eerste aankoop van de dag doet, krijgt in sommige kramen te horen ‘God zegen je handgift.’ Ook het woord jatmoos is onder marktkooplieden nog goed bekend. In 1965 had de Amsterdamse taxichauffeur Harry Boting een grote bestseller met het boek Wie geeft me jatmous? (met als onvermijdelijke opvolger: Nog meer jatmous. Nieuwe ervaringen van een Amsterdamse taxichauffeur).
Jatmoos wordt soms ook gebruikt voor ‘dief, zwendelaar’ en jatmozen voor ‘kleine diefstallen plegen’. Hier word jat geassocieerd met jatten ‘stelen’. Een vroeg voorbeeld van jatmoos in de betekenis ‘dief’ vinden we in een obscuur toneelstukje van Charivarius, getiteld De inbreker en het meisje uit 1925: ‘Bij mijn thuis zeeë ze allemaal dat ik voor jatmous in de wieg gelegd was.’ Een later voorbeeld is te vinden bij Jan Cremer, die in 1966 schreef, in Ik, Jan Cremer (Tweede Boek): ‘Het Nederlandse Kunstschilderswezen is een samenraapsel van parasieten, jatmozen, werkschuwen, charlatans, plagiateurs, luljanussen en kwartaalzuipers.’


Jodenlijm
vrijdag 6 maart 2009  

In 1764 schreef M. Hofkens de Courcelles, een arts uit Alkmaar, een artikel getiteld ‘Nut der olie van jodenlym in verouderde verzweeringen der ingewanden’. In dit artikel beschrijft hij hoe je olie uit jodenlijm kunt verkrijgen en hoe heilzaam dit goedje heeft gewerkt op vier van zijn patiënten.

Olie uit jodenlijm? Maar jodenlijm is toch een woord voor ‘spuug, speeksel’?

Ja, dat is het óók. Maar oorspronkelijk betekende het iets heel anders, namelijk ‘asfalt’ of ‘aardhars’.

Bij asfalt denken we tegenwoordig in de eerste plaats aan dat zwarte, stinkende spul dat op de autowegen ligt. Dat is een relatief nieuwe toepassing, massaal gebruikt vanaf de twintigste eeuw, maar in het Nederlandse taalgebied kennen we asfalt al sinds het begin van de zeventiende eeuw, toen er van geasfalteerde wegen nog lang geen sprake was. Asfalt – een mineraal hars dat ontstaat door langzame oxidatie van aardolie – werd toen ook niet industrieel vervaardigd, zoals nu, maar voornamelijk verzameld op en bij meren waar het als vloeibare hars boven was komen drijven.

Dat gebeurde onder meer bij de Dode Zee, een binnenmeer dat deels in Israël en deels in Jordanië ligt en dat lang bekend heeft gestaan als het ‘Asfaltische Meer’. Asfalt of bitumen werd op meer plaatsen gewonnen, maar asfalt uit de Dode Zee stond in onze streken in hoog aanzien. Naar Judea, het land van herkomst, stond dit plakkerige goedje onder meer bekend als Bitumen Judaicum, jodenasfalt, jodenlijm, jodenpek, jodenpik en jodenhars. Daarnaast noemde men het ook wel mummiebalsem of mummiegom. Die laatste namen zijn ontstaan omdat men meende dat arme Egyptenaren asfalt ooit gebruikten om hun lijken mee te balsemen.

Bij ons werd jodenlijm voor van alles en nog wat gebruikt. Het had een zwarte of bruine, glanzende kleur, een sterke, onprettige geur en was licht ontvlambaar. De Alkmaarse arts Hofkens de Courcelles bereidde er een geneeskundige olie uit, graveurs gebruikten het in de 18de eeuw bij de bewerking van koperen platen, en er werd verf en vernis van gemaakt.

Echte jodenlijm van de Dode Zee was gezocht. In 1769 waarschuwde een huishoudkundig woordenboek dat het geregeld werd vervalst – dat is: vermengd met andere, goedkopere pek. Vanaf het midden van de 19de eeuw lezen we dat jodenlijm, vermengd met andere stoffen, werd gebruikt voor bestrating. Zo schreef Johan Hendrik Van Dale in 1872 bij jodenlijm: ‘Asphalt of aardhars, eene vaste of klevige stof van bruine of zwarte kleur, welke gebruikt wordt tot het leggen van terrassen en in de groote steden voor trottoirs of paden voor voetgangers’.

Ook toen asfalt allang niet meer alleen uit Palestina werd geïmporteerd, maar bijvoorbeeld ook uit Frankrijk, Zwitserland, Trinidad en Nieuw-Mexico, bleef jodenlijm bij ons de gangbare aanduiding.

De betekenis ‘speeksel’ duikt in 1898 voor het eerst op, in de vierde druk van de Grote Van Dale. Er staat bij dat het schertsend is gevormd. In 1914 wordt de betekenis gespecificeerd met een voorbeeldzin: ‘iets met jodenlijm vastplakken, met speeksel’. Jodenlijm is dus niet ‘speeksel’ tout court, maar spuug dat dienstdoet als lijm. De betekenisuitbreiding zal duidelijk zijn: jodenasfalt was plakkerig, en als lijm is speeksel goedkoop en inferieur – connotaties die we bij veel samenstellingen met jood- en joden- tegenkomen. In 1931 schreef de Vlaamse taalkundige en folklorist J. Cornelissen in dit verband: ‘Jodenlijm, speeksel, als dit gebruikt wordt bij een zeer onhandige poging om iets aan elkaar te plakken.’

Het curieuze is dat jodenlijm in de betekenis ‘spuug’ diverse vergelijkbare woorden en uitdrukkingen in het leven lijkt te hebben geroepen. Men zegt een jood in de keel hebben voor ‘een fluim in de keel hebben’. Die uitdrukking is in 1928 voor het eerst opgetekend, en wordt nog altijd in diverse delen van het land gebruikt. In Antwerpen gebruikt men jodenvet in de betekenis ‘speeksel, fluim’ (in Nederland wordt dit gebruikt voor bepaalde witte snoepbrokken). Een kind dat liep te spuwen werd in Antwerpen een jode(n)spouwer of kortweg jood genoemd.

Is jodenlijm in de betekenis speeksel nog algemeen bekend? En wordt het nog veel gebruikt? Nee, het wordt nauwelijks meer gebruikt. De afgelopen vijftien jaar is het in de dagbladen alleen genoemd in artikelen over discriminerend taalgebruik. Toch heeft het die klank niet altijd gehad. Zo schreef een lezer: ‘Mijn grootvader gebruikte het als er bijvoorbeeld een vlekje op je kleren zat of als een klein kindje een kleverige toet had: “Gebruik maar wat jodenlijm.” Gewoon speeksel dus. Daar was niets denigrerends aan.’

Vraag: hoe ervaart u het woord jodenlijm? Vindt u het een beledigend of een onschuldig woord? Of hangt dat af van wie het gebruikt?


Een frotte parg
vrijdag 27 februari 2009  

Tot nu toe was deze rubriek eenrichtingsverkeer, maar deze week niet. Dit is Crescas – het centrum voor Joods leren. Wellicht heeft u de afgelopen weken iets van mijn stukjes geleerd, maar ik wil ook graag van u leren. Daarom vandaag een vraag: heeft u ervaring met het woord parg?

Parg, zegt de Grote Van Dale (2005), kan drie dingen betekenen: 1. hoofd met uitslag, zeer hoofd, kletskop; 2. scheldnaam voor Jood; 3. scheldnaam voor een onaangenaam persoon.

In alle betekenissen is het woord, dat in het Bargoens is opgetekend, ook aangetroffen in de vorm parag. Over de herkomst zegt Van Dale: de oorspronkelijke betekenis was ‘schurfthoofd’ en het komt van het Jiddisje parch. Mijn vraag aan u, en vooral aan de oudere lezers: bent u bekend met dit scheldwoord? Bent u zelf wellicht weleens uitgemaakt voor par(a)g en zo ja, waar en wanneer was dat dan? En wie gebruikte het woord: Joden of niet-Joden? Over de geschiedenis en het gebruik van parg lezen we meer in het uitstekende boek Koosjer Nederlands (2006) van Justus van de Kamp en Jacob van der Wijk. Het meervoud van parg is pareigem, schrijven zij, en de vrouwelijke vorm is pargte. Volgens Van de Kamp en Van der Wijk werd parg niet alleen gebruikt als scheldwoord voor ‘Jood’ (,,Wat een frotte parg’’), maar ook voor gojim, en dan in het bijzonder voor ‘gezagsdragers’.

Ha, nu komen we op bekender terrein: er bestaan hele lijsten met scheldwoorden voor ‘gezagsdragers’ (lees: politieagenten) en je kunt je voorstellen dat Joden uit voorzichtigheid kozen voor een woord dat niet algemeen bekend was. In het Jiddisj betekent parch ‘zweer, korstje, roofje, schurft’, kortom: iets erg onaangenaams, en contacten met politieagenten waren niet altijd even aangenaam. Mogelijk gaat het Jiddisje parch terug op het Hebreeuwse parach dat ‘bloeien, zich uitbreiden’ betekent, ook van huiduitslag.

Wanneer is parg voor het eerst in het Nederlands aangetroffen? Aan het begin van de 20ste eeuw. We komen het tegen bij Joodse schrijvers als Herman Heijermans (,,Zo trok het pareigem ’m vort’’, 1904), Sam. Goudsmit (,,wat ’n kale parrech’’, 1907) en Meyer Sluyser (,,een pargkop hadden ze’’, 1959). In geen van deze citaten wordt duidelijk dat parg werd gebruikt als scheldwoord voor ‘Jood’. Zijn daar dan wel bewijzen voor?

Ja, we kennen deze aantekening, uit 1928, van de Nijmeegse jezuïet J. van Ginneken: ,,Parg, Parrech, Pargkop (Jd.), van Hebr. parach: uitslag hebben; dus iemand, die om zijn huid-uitslag of hoofd-uitslag gemeden wordt. Vandaar in het algemeen: een akelig, onaangenaam mensch. Ook wel gebruikt van iemand, die zich welgesteld voordoet, doch arm is; door de Amsterdammers gerepliceerd als scheldnaam voor: Jood!’’

Dit maakt veel duidelijk: het gaat dus om iemand die je wilde mijden zoals je een schurftige mijdt. Kennelijk werd parg als scheldnaam voor ‘Jood’ vooral in Amsterdam gebruikt en dan moet het toch vooral door niet-Joden zijn gebruikt. Niet-Joden die een van oorsprong ‘Joods’ woord gebruiken om een Jood mee uit te schelden!

Of zijn er lezers die zich dit anders herinneren? Zoals gezegd: laten we van elkaar leren. Reacties kunt u hieronder toevoegen.

P.S. Een bepaalde vorm van huiduitslag wordt berg genoemd (‘eczemateuze huidaandoening met vettige, gele schilfers op het hoofd, die vooral bij zuigelingen voorkomt’). Zonder twijfel zijn parg en berg verwant.


Ook het kiekje heeft een Joodse achtergrond
vrijdag 20 februari 2009  

De almanakredactie van het Leidse studentencorps maakte op zaterdag 22 januari 1876 een uitstapje. ‘We maakten van de gelegenheid gebruik’, notuleerde een van de studenten, ‘om even naar den photograaf Kiek over te wippen, die echter in de stad [...] zijn verblijf scheen te houden. Daar reden we heen en ofschoon we niet zijne scrupules [met ons] mee te rijden, mochten overwinnen, want het was Sabbat en Kiek is een Israëliet, lachte de negotie hem te sterk toe, dan dat hij ons zijne diensten zou weigeren. Hij rende ons naar zijn laboratorium vooruit, en spoedig waren wij gegroepeerd, als groep genomen en vertoonde ons het negatief een deftige almanakredactie.’

Natuurlijk is kiekje door taalkundigen meermalen in verband gebracht met kijken, maar al sinds het einde van de vorige eeuw weet men het zeker: Kiek was ‘oorspronkelijk de naam van een photograaf uit Leiden’, zoals het Woordenboek der Nederlandsche Taal het omschrijft.

Israël David Kiek werd in 1811 in Groningen geboren als zoon van een horlogemaker. Hij werkte eerst als kistenmaker, later als schrijnwerker, vleeshouwer en loterijcollectant. Nadat hij in Gouda en Amsterdam had gewoond, vestigde Kiek zich in 1855 met zijn vrouw en negen kinderen in Leiden. Op zijn 47ste begon hij daar een nieuw beroep: in 1858 vermeldt het Adresboekje van Leiden hem voor het eerst als ‘portraitteur’, een jaar later als ‘photograaph’. Kiek had zijn atelier even buiten de Rijnsburgerpoort, een strategische plek tussen de studentensociëteit en het station. ‘Photographie des Maandags en Donderdags’, adverteerde hij in het Leidsch Dagblad, ‘drie album-portretten á eene gulden’.

De studenten waren zijn beste klanten. Niet dat zijn foto’s nu zo goed waren. Ingeborg Th. Leijerzapf spreekt in haar gezaghebbende artikel ‘Israël Kiek & Zonen’, in 1984 gepubliceerd in Geschiedenis van de Nederlandse fotografie in essays en monografieën, van ‘zeer onacademisch gecomponeerde groepsportretten’. De studenten hadden hier zelf de hand in. Het werd gewoonte om, na de hele nacht te zijn doorgezakt, zeer vroeg in de ochtend bij Kiek aan te kloppen. ‘Om gefotografeerd te kunnen worden’, memoreerde een oud-student in 1947 in een krantenartikel, ‘moest eerst Kiek door groot lawaai uit de slaap worden gewekt: bonzen op zijn deur en schreeuwen, vaak met onheuse uitdrukkingen en scheldwoorden. [...] Dan verscheen de grote man, op gebloemde pantoffels en gekleed in een sjamberloek en nam hij, al pruttelend en zachtjes terugscheldend, het gezelschap mee naar het plaatsje achter zijn huis. [...] Hij peilde de duisternis en deelde mee, hoeveel tellen de opname zou duren. Waren het honderd tellen, dan liet soms een grappenmaker zich kieken met twee hoofden: vijftig tellen het hoofd op de rechterschouder, vijftig tellen op de linker [...] Als Kiek soms, wegens het grote rumoer, niet kon beginnen, uitte hij de klassiek geworden wanhoopskreet: “Heren, heren, de kunst moet voortgang hebben.”’

Dit gebeurde niet één keer, maar duizenden keren, want volgens Leijerzapf dienden de rommelige en onscherpe kiekjes, zoals ze al spoedig werden genoemd, voor de studenten als bewijs ‘er bij te horen’.

Kiek hield het lang vol. Hij liet de gebeurtenissen lijdzaam over zich heen komen en stond zelfs toe dat studenten voor een kiekje op het dak van zijn atelier klommen. Toen hij 85 was hield hij het voor gezien. Zijn vrouw was inmiddels overleden en Kiek verhuisde naar een van zijn dochters in Arnhem. Twee jaar later keerde hij terug naar Leiden, waar zijn zoon Lion de zaak had overgenomen. Kiek stierf op 14 mei 1899. In datzelfde jaar schreven De Beer en Laurillard in een naslagwerk getiteld Woordenschat: ‘Kiekie, schertsende benaming, eerst voor een slechte, daarna voor elke photographie; naar Kiek, een kermis-photograaf.’


Tegenover het voormalige atelier van Israël David Kiek, aan de Rijnsburgersingel in Leiden, staat tegenwoordig een monument in vorm de van een ouderwetse statiefcamera.


Plaquette bij het monumentje voor Kiek.


Advertentie van Kiek.


Dieuwertje schonk hem twintig Catsjes
vrijdag 13 februari 2009  

Je hoort het oudere mensen nog wel eens zeggen, dat ze een catzje of katsje willen drinken. Catz is eigenlijk de naam van een bepaald soort kruidenelixer van de firma Catz en Zoon uit Pekela, maar het woord is ook gebruikt als soortnaam voor ‘jenever met kruidenelixer’. Het bedrijf is ruim twintig jaar geleden opgekocht door Bols en het elixer wordt niet meer gemaakt, maar de borrelnaam waart nog steeds rond in enkele Nederlandse dialecten, in verbasterde vormen als katske (in het westen van Noord-Brabant) en ketske (in de Achterhoek). Daarnaast is het onder andere gevonden als cats, catsie en catsje – alledrie ook wel met een k geschreven – en als katsku. Deze laatste vorm is in 1980 opgetekend in Oisterwijk.

De firma Catz werd aan het eind van de 18de eeuw opgericht door Heiman Cohen Catz (1754-1841), een Duitse Jood die volgens sommigen zijn moederland was ontvlucht vanwege de pogroms, maar volgens de familieoverlevering om een duel te ontlopen. Aanvankelijk combineerde hij de drankhandel met een drogisterij, later splitsten zijn nazaten het bedrijf op.

Met name in de tweede helft van de 19de eeuw ontwikkelde Catz en Zoon zich zeer voorspoedig. Het elixer won de ene internationale prijs na de andere en op het hoogtepunt had de firma vestigingen in Rotterdam, Amsterdam, Antwerpen, Californië en Batavia. Er verschenen ronkende reclamebiljetten, waarop Catz-elixer werd aangeprezen als ‘het zuiverste en gezondste maagbitter ter wereld’.

‘Het versterkt de maag, verdunt het slijm, bevordert den eetlust, smaakt bovendien zeer aangenaam, en wordt met goed gevolg bij alle ziekten aangewend, die uit slechte spijsvertering ontstaan’. Driemaal daags een half likeurglaasje Catz-Elixer voor de maaltijd, dat is wat het bedrijf propageerde, en ook op zeereizen was het elixer ‘onontbeerlijk’. Voor wie nog twijfelde: het elixer was onderworpen aan ‘opzettelijk wetenschappelijk onderzoek’ en het was daar ‘zeer gunstig’ uit naar voren gekomen.

Het publiek wilde wel en op den duur werd er onderscheid gemaakt tussen jonge, oude en lichte Catz, al naar gelang de concentratie elixer en de combinatie met oude of jonge jenever.

Het catsje is in onze literatuur opmerkelijk vaak bezongen. Speenhoff gebruikte de borrelnaam in 1918 in een liedje getiteld ‘De stille zwabber’:

Dan trekt-ie naar z’n bittertafel
En slokt z’n eerste borrel op;
Dan komt de trek naar ’n sigaretje,
Naar zoute bollen of ’n peer,
En bij z’n vijfde ouwe-katsje
Is-die de stille zwabber weer.

Kees Stip schreef in 1943 in Dieuwertje Diekema:

Dieuwertje schonk hem twintig Catsjes,
de schipper dronk ze allemaal op
en toen hij er dertig had gedronken
zag hij Dieuwertje op haar kop.

En Willem van Iependaal schreef in een gedicht over de Bevrijding:

Tientjes die geen stuiver houen,
Zwarte catzies bij de vleet!
Zware jongens! Ouwe knullen!
Hoki Poki in de keet!!

Met zwarte catzies zal hier ‘op de zwarte markt gekochte Catz’ zijn bedoeld. Carmiggelt had het in 1965 over lichte cats en hoewel er nog veel andere vindplaatsen te geven zouden zijn, heeft het woord opmerkelijk genoeg geen van de grote Nederlandse woordenboeken gehaald.


Een jajempie jajemen
vrijdag 6 februari 2009  

Tussen 1842 en 1843 publiceerde de Franse schrijver Eugène Sue een ‘zedenkundige roman’ over de Parijse onderwereld getiteld Les mystères de Paris. Dit boek werd een enorme bestseller; het werd in allerlei talen vertaald en kreeg veel navolgers.

In Nederland werd het in 1843 vertaald door Jan de Vries die zo onder de indruk was, dat hij meteen aan een Nederlandse tegenhanger begon: De verborgenheden van Amsterdam, in 1844 gepubliceerd onder het pseudoniem L. van Eikenhorst. Hoewel De Vries door de literatuurcritici niet serieus werd genomen, behoort De verborgenheden van Amsterdam tot de meest gelezen boeken uit het midden van de 19de eeuw.

Aangezien De Vries in dit boek een portret schetst van het misdadige milieu in Amsterdam, is het niet verwonderlijk dat zijn boek relatief veel Bargoense woorden bevat. De grootste kenner van het Bargoens, J.G.M. Moormann, oordeelde later dat De Vries’ Verborgenheden moet worden beschouwd als een belangrijke en betrouwbare bron voor het Bargoens. Bovendien is zijn boek geregeld de vroegste bron voor een Bargoens woord.

Dat geldt bijvoorbeeld ook voor het woord jajem. Ik heb hier al eerder uiteengezet dat veel ‘Joodse’ woorden via het Bargoens tot het Standaardnederlands zijn doorgedrongen. Wij, hedendaagse lezers, zouden jajem niet langer als Bargoens bestempelen, eerder als Amsterdams of als een volkswoord voor ‘jenever’. Maar aanvankelijk werd het dus wel als Bargoens beschouwd en we vinden het in allerlei Bargoense bronnen, te beginnen bij de Verborgenheden van De Vries, die een van zijn personages laat zeggen: ,,Geen moos, geen jajim’’ oftewel: geen geld, geen brandewijn.

Later ging jajem ‘borrel’ of ‘glaasje jenever’ betekenen. Via het Jiddisch gaat jajem terug op het Hebreeuwse jajin, dat ‘wijn’ betekent. Bekend zijn nog altijd jajempje of jajempie voor ‘borreltje’ en jajemen voor ‘drinken’.

De populariteit van het woord jajem zal zeker zijn vergroot door het drankliedje ‘We hebben dorst!’ uit de jaren vijftig. Het refrein van dit liedje, dat wordt gezongen op de wijs van ‘Funicoli, funicola’ van Rossini, luidt: Jajem, jajem, jajem moet er zijn!

Jajem, jajem, jajem moet er zijn!

En we nemen d’r een en we nemen d’r twee

En we nemen d’r drie en we nemen d’r vier

En als er dan geen jajem is dan drinken we maar bier!

Sinds het begin van de 20ste eeuw kennen we jajemer voor ‘drinkebroer’ of ‘drankorgel’ en Hollandse soldaten in Nederlands-Indië noemden een ‘oprisping na het gebruik van sterke drank’ een jajemkever. Geloof me, dat is een beestje dat je liever niet op je tong hebt lopen.


Heibel
vrijdag 30 januari 2009  

Tot de vele woorden die van het Bargoens zijn doorgedrongen in het Standaardnederlands behoort heibel. Net als veel andere Bargoense woorden komt heibel uit het Jiddisch. In die taal komt het voor in de vorm heiwel. De verdere herkomst is niet helemaal zeker. Men denkt dat het Jiddische woord teruggaat op het Hebreeuwse hèwel, dat ‘adem, wind, nietigheid’ en ‘vergankelijkheid, ijdelheid’ betekent.

Hoe het ook zij: heibel betekent, zoals algemeen bekend, ‘drukte, lawaai, getier, herrie, kabaal’ – zaken waar je doorgaans veel adem voor nodig hebt. Het woord is in 1903 voor het eerst opgetekend, in een boek van M.J. Brusse, waarin hij iemand laat zeggen: “Toe ben ’k natuurlijk ’n hijbel gaan make.”.

In de Bargoense literatuur vinden we heibel voor het eerst in 1906, in De boeventaal. Zakwoordenboekje van het Bargoensch van W.L.H. Köster Henke.

Een jaar later, in 1907, staat heibel in een verklarende woordenlijst die is opgenomen in het boek Op het dievenpad van Jan Feith. Heibel, zo lezen we hier, betekent ‘drukte, leven’ en heeft als vormvariant heilie. Dit is slechts een van de vormvarianten. Elders komen we het woord tegen in de vormen haabel, habel en – zoals hierboven bij Brusse – als hijbel.

Heibel staat doorgaans voor een flinke ruzie. Maar zoals bekend, komen ruzies in soorten en maten voor en er bestaat ook zoiets als een heibeltje, voor een klein opstootje of een beetje gekijf. We komen deze verkleinvorm onder meer tegen in een reportage die Joh. J. Hesseling in 1917 schreef in De Standaard, over het opvanghuis ‘Welkom’ in de Warmoesstraat in Amsterdam. Gaat het er nu altijd ordelijk aan toe in de zalen?, wil Hesseling van een medewerker weten. “Soms niet, luidde ’t antwoord; er komen er ’n enkele maal wel in met ’t kennelijk doel eens ’n frisch heibeltje te schoppen.”

Een fris heibeltje schoppen is een tamelijk ongewone combinatie, maar heibel hebben, krijgen, trappenof schoppen zijn min of meer vaste verbindingen. De Grote Van Dale vermeldt dat heibel hebben nog een andere betekenis heeft, namelijk ‘een grote mond hebben’. Je kunt je dit goed voorstellen: iemand met een grote mond máákt en kríjgt vaak heibel.

Hoewel heibel goed in het gehoor ligt, komt het opvallend weinig voor in liedjes en gedichten. Ik vond slechts enkele voorbeelden, met als vroegste het ‘Scheidingsfeest’ van Jacques van Tol, omstreeks 1920 gezongen door Louis Davids, een van de bekendste Joodse artiesten uit het begin van de 20ste eeuw:

Tante Na en Oome Doms gingen scheije
Want ze hadden altijd heibel met z’n twee,
Omdat Dorus altijd jajemde en staakte
En aanhalig met het schillenmeisje dee.

Ook het woord jajemen (‘drinken’) heeft een Joodse achtergrond, maar daarover een andere keer.


Gannef
vrijdag 23 januari 2009  

In 1857 schreef T.H. Buser een artikel over het dialect van Overijssel – het ‘Overijselsch taaleigen’ – in het tijdschrift Taalmagazijn. Een van de woorden waar hij aandacht aan besteedde was pardoes, dat volgens hem uit Overijssel kwam. Buser haalde hierbij een gedichtje aan van W.J. van Zeggelen:

Daar, kleine gannef, neem je geld.
Pardoes, jij durft wat wagen!
Je bange baas was heel ontsteld,
Zijn knecht stond ook verslagen.

Buser citeerde dit gedichtje natuurlijk vanwege het woord pardoes, maar bij gannef plaatste hij een voetnoot: ‘Gannef, waarschijnlijk een Groningsch woord, doch ook te Zwolle gehoord wordende voor schavuit, schurk, bedrieger, schelm.’

Is pardoes een echt Overijssels woord? Nee, het is een klanknabootsing (volgens Van Dale van een doffe plotselinge slag of smak) die ook toen al in allerlei dialecten te vinden was.

Is gannef een echt Gronings woord? Nee, het is een Bargoens woord dat via het Jiddisch teruggaat op het Hebreeuws gannaw, dat ‘dief’ betekent. Zonder twijfel werd het ook in Groningen gebruikt, want daar woonden halverwege de 19de eeuw relatief veel Joden en ook zij gebruikten gannef in de betekenis ‘dief’.

Zoals bekend was Bargoens de taal van de dieven. Ook in de dieventaal bestond een woord voor ‘dief’ – voor de eigen beroepsgroep dus. Als die beroepsgroep aan het werk ging, dan gingen zij ganneven – uit stelen. Een ‘dievegge’ werd in het Bargoens ook wel een gannefte genoemd. We komen in de literatuur beganneven tegen voor ‘bestelen’, afganneven voor ‘afpikken’, plus samenstellingen als aartsgannef, duivengannef en paardengannef.

Er zijn allerlei aanwijzingen dat gannef, dat in 1563 voor het eerst is opgetekend, al snel in het Nederlands ingeburgerd raakte. Zo stond het al in 1866 in de eerste editie van de Woordenlijst voor de spelling der Nederlandsche Taal van De Vries en Te Winkel. Tevergeefs zal men in deze voorloper van het Groene Boekje zoeken naar woorden als goochem en gabber, maar gannef en ganneven stonden erin – kennelijk waren dit toen algemeen bekende woorden.

Toch duurde het lang voordat gannef door onze literatoren werd gebruikt. We vinden het pas vanaf het eerste decennium van de twintigste eeuw, te beginnen bij schrijvers als Is. Querido (‘jij bint è gannef, jij bint è kakhuis, è sekreet’), Justus van Maurik (‘lange Jaap met z’n bokkensik, een echte gannef’) en Henri Dekking (‘dat zaadje van dien neus weg gannefen’) – allemaal schrijvers die zich hadden toegelegd op natuurgetrouwe beschrijvingen van het gewone volk, van arme mensen, met name in Amsterdam. En ja, zonder twijfel waren er vooral in die bevolkingsgroep indertijd veel ganneven te vinden.


Waarom zijn er zoveel Joodse woorden in het Bargoens?
vrijdag 16 januari 2009  

Veel ‘Joodse’ woorden zijn tot het Standaardnederlands doorgedrongen via het Bargoens, de taal van de dieven. Hedendaagse lezers hebben daar soms moeite mee, want dit wekt de indruk dat er onder de Joden veel dieven waren. Hoe zit dat?

Voor alle duidelijk: er zijn natuurlijk Joodse dieven geweest. Joden zijn net mensen, hoor je weleens, en onder mensen komen nu eenmaal dieven voor. Sterker nog: in de zeventiende en achttiende eeuw waren in Nederland Joodse bendes actief die waren gespecialiseerd in het beroven van katholieke kerken. Verder waren er Joodse helers en Joodse pandjesbazen die het niet zo nauw namen met de wet – dat weten we uit politierapporten en oude rechterlijke stukken.

Maar hiermee kun je niet verklaren waarom er relatief veel woorden uit het Jiddisch en Hebreeuws in het Bargoens terecht zijn gekomen.

Hoe is het dan wel gegaan? Zoals bekend mochten Joden vroeger allerlei beroepen niet uitoefenen. Wat ze wel mochten, was venten en dingen op markten en langs straten verkopen. In die beroepen – venter, marskramer, marktkoopman, straathandelaar – kregen Joden te maken met veel niet-Joden. In beide gevallen ging het om arme mensen die bij elkaar in de buurt woonden in de armste wijken van de stad.

Momenteel hebben het Turks en Marokkaans relatief veel invloed op het Nederlands, met name op de jeugd- en straattaal. Hoe komt dat? In de eerste plaats door de contacten tussen die jongeren, die doorgaans in dezelfde wijken wonen. Zo is het indertijd ook gegaan met het Jiddisch en Hebreeuws.

We hebben een goede getuige van dit taalcontact, zoals taalkundigen het noemen. Het gaat om Israël Querido (1872-1932), in zijn tijd een beroemde schrijver. Querido schreef een vierdelige roman over de Jordaan en ter voorbereiding daarvan woonde hij jaren in deze Amsterdamse volkswijk. Daar zag hij woorden uit het Jiddisch en Hebreeuws langzaam doorsijpelen in de taal van de dieven, die altijd op zoek waren naar woorden die niet bekend waren bij de politie. Bargoens was in de eerste plaats een geheimtaal; de sprekers wilden met elkaar kunnen overleggen zonder dat buitenstaanders het begrepen. De Jiddische en Hebreeuwse woorden kwamen hierbij goed van pas.

De misdadigers, observeerde Querido in 1924, ‘hooren van marskramers en venters, van handeldrijvende Israëlieten, veel eigenaardig-teekenende uitdrukkingen. De Joden zijn gewend onder elkaar Jiddisch te spreken. De misdadigers luisteren scherp toe en blijken ontvankelijk voor zulk een bargoensch. De meest typische expressies pikken ze uit de conversatie op, en brengen ze zelf weer in hun spraakgebruik te pas. Hoe scherper ze hooren, hoe juister de vreemde en oneigenlijke klank der woorden wordt nagebootst. […] Eigenaardig is echter dat de vreemde, vooral Hebreeuwsche of Jiddische uitdrukkingen vaak verschillend opgevangen en verwerkt worden. Zoo hoorde ik een misdadiger spreken van “gasjewijne” (wat zeggen wil: uit de voeten maken of verdwijnen). Een andere, een jatter (dief) sprak van “assewijne”. Een derde, een tieijs-kraker (een brandkasten-inbreker) zei weer “hasjewijnoe”. En toch bedoelden ze het ééne Hebreeuwsche woord: hashibeina.’

Zo is het dus gekomen, die ‘Joodse’ woorden in de dieventaal: door contacten tussen Joden en niet-Joden in dezelfde arme wijken.


Gabber
vrijdag 9 januari 2009  

‘Onder ’t boevenvolkje kende ik er twee, die ’n zekere reputatie genoten van knappe vaklui; ze werkten altijd samen als gezworen gabbers, lieten zich weinig in met de anderen, waren geen kroegloopers.’ Dat schreef Jan Feith in 1907 in een boek getiteld Op het dievenpad. In dit boek tekende Jan Feith, indertijd een bekende journalist, verhalen op van een Amsterdamse rechercheur.

Achter in het boek is een woordenlijst opgenomen, want de Amsterdamse rechercheur gebruikte allerlei woorden die indertijd niet bekend waren bij het algemene publiek. Een van de woorden op dit lijstje is gabber.

Waar komt gabber vandaan? Net als veel andere Bargoense woorden gaat het via het Jiddische choweir, dat eveneens ‘kameraad’ of ‘maatje’ betekent, terug op het Hebreeuwse chawwer, met als betekenis ‘collega, partner, metgezel’. Jiddische en Hebreeuwse woorden kwamen vaak vervormd in Nederlands terecht, en gabber is hierop geen uitzondering. Vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw komen we het onder meer tegen in de vormen cabber, chabber, gabbert, gavver en zelfs als gibber.

In het Bargoens is gabber in 1858 voor het eerst opgetekend, in een woordenlijst van een strafadvocaat. In de letterkunde dook het pas vijftig jaar later voor het eerst op; Jan Feith gebruikte het als een van de eersten.

Gabber is vaker gekoppeld aan andere woorden. Zo heb je de bloedgabber voor de extra goede vriend (de bloedbroeder), de kroeggabber voor de kroegmaat en gabbertaal is vaak gebruikt voor de taal van de dieven, het Bargoens. Er bestaat zelfs een boekje over het Bargoens getiteld De gabbertaal. Dit werd in 1937 samengesteld door E.G. van Bolhuis.

En dan heb je natuurlijk nog gabberhouse voor een bepaalde muziekstijl, namelijk ‘housemuziek met keiharde ritmes’ zoals Van Dale het omschrijft. Heeft deze muziekstijl, die internationaal is doorgebroken, ook iets met gabber in de betekenis ‘kameraad’ te maken? Ja, zijdelings, want gabberhouse is aan het begin van de jaren negentig in Rotterdam ontwikkeld, door jongeren die zich gabbers noemden.

Taalkundig gezien heeft ook gabberhouse dus een Joodse oorsprong.


Ewoud Sanders is historicus en journalist. Hij is columnist bij NRC Handelsblad en vaste medewerker van onder meer Onze Taal, KB.nl en het Nieuw Israelietisch Weekblad. Ewoud Sanders heeft verschillende taalboeken op zijn naam staan en is bezig met een onderzoek naar het beeld van de Joden in kinderboeken én in de Nederlandse taal.


Volg dit blog automatisch!

Wilt u automatisch op de hoogte worden gehouden wanneer er een nieuw bericht op deze weblog verschijnt? Abonneer u dan op de RSS-feed.

Abonneer via RSS
Add to Google Abonneer via Google

Klik hier voor meer informatie over RSS




Amphora