|
WEBCOLUMN LEO FRIJDA
Ernst Weiss vrijdag 20 november 2009 Ook van Ernst Weiss is een koffer met manuscripten verloren gegaan en net als in het geval van Schulz, over wie ik in mijn vorige column schreef, is dat in een boek van een andere schrijver, Anna Seghers, verwerkt. Weiss is in 1882 geboren in Brünn (het huidige Brno) als zoon van een Joodse stoffenhandelaar. Hij is opgeleid tot arts en werkte als chirurg in Berlijn en Wenen. Hij heeft daarnaast een groot aantal romans geschreven, vóór 1940 onder andere Der Kampf en Der arme Verschwender. Weiss heeft in volgende drukken de titel van Der Kampf gewijzigd in Franziska. Toen moest Mein Kampf nog verschijnen. Dat had er dus niets mee te maken. Weiss heeft tijdens zijn studietijd in Praag Kafka leren kennen. Op de omslagen van de boeken van Weiss staat steevast dat hij bevriend was met Kafka. Dat is niet onjuist maar er is wel aanleiding om een kanttekening te plaatsen. Vanaf 1913 vinden we in de dagboeken en brieven van Kafka verwijzingen naar Weiss. Kafka schrijft in het begin zeer positief over Weiss, Jood van de soort die het dichtst het type van de West-Europese Jood benadert, men voelt zich daarom meteen bij hem thuis. De vriendschap tussen Kafka en Weiss gaat in die jaren zover dat Weiss, hij woonde toen in Berlijn, nauw betrokken is geraakt bij de verwikkelingen rond de eerste verloving van Kafka met Felice Bauer. Op 12 juli 1914 vond in hotel Askanischer Hof in Berlijn het beroemde gesprek plaats waarbij de verloving werd verbroken. Canetti heeft in zijn boek Het andere proces de briefwisseling tussen Kafka en Felice Bauer en het gesprek in hotel Askanischer Hof indringend beschreven. Canetti en anderen gaan ervan uit dat ook Weiss daar aanwezig was, omdat Kafka later aan Felice Bauer schrijft dat zij Weiss toen met tranen in de ogen had aangehoord. Weiss bracht iets mee, schrijft Canetti, dat voor Kafka van onschatbare waarde was, zijn onvoorwaardelijke afwijzing van Felice Bauer. Weiss zag niet veel in een verbintenis die Kafka onvoldoende vrijheid liet om zich helemaal aan het schrijverschap te wijden. Dat heeft echter ook de neergang van de vriendschap tussen Kafka en Weiss ingeluid. Weiss had weinig begrip voor de ambivalentie van Kafka ook in de relatie met Felice Bauer met wie Kafka de banden weer aanhaalde. Het onbegrip van Weiss irriteerde op zijn beurt Kafka die daarom enige afstand is gaan houden. Bij Weiss speelde nog iets wat een blijvende wrok lijkt te hebben opgeleverd. Volgens Weiss had Kafka hem beloofd Der Kampf, dat hij een goed boek vond, openlijk aan te bevelen. Maar dat heeft Kafka nooit gedaan. In de laatste levensjaren van Kafka lijkt de vriendschap weer enigszins hersteld. Weiss heeft Kafka nog in september 1923 in Berlijn opgezocht. Later uit Weiss zich toch weer kritisch over Kafka. Weiss heeft in 1933 Duitsland verlaten. Hij ging eerst naar Praag om zijn moeder te verplegen, die in januari 1934 overleed. Daarna ging hij naar Parijs waar hij nog steeds woonde toen de Duitsers op 14 juni 1940 Parijs binnenvielen. Diezelfde dag nam Weiss vergif in en sneed hij zijn polsen door. Een koffer met handschriften is verloren gegaan. Ook is onbekend waar hij begraven ligt. Anna Seghers (1900-1983), eveneens uit Duitsland naar Parijs gevlucht, heeft de dood van Weiss en de verdwenen koffer met handschriften verwerkt in haar roman Transit uit 1944 waarin zij tevens haar ervaringen heeft weergegeven met de vele vluchtelingen die uit Marseille probeerden weg te komen. Anna Seghers lukte het om in 1941 Mexico te bereiken. In Transit heet Weiss Weidel. Weidel, die in een café altijd met zijn neus in een krant zit, om toch maar door niemand te worden aangesproken en in die krant heeft hij dan met een speldje gaatjes geprikt om zo verscholen het doen en laten van de mensen na te gaan. Het is de omschrijving van de ooggetuige. Een manuscript van Weiss, Der Augenzeuge, is na de oorlog opgedoken en in 1963 alsnog in druk verschenen. Dat kwam omdat Weiss het manuscript van dit boek in 1938 in het kader van een prijsvraag naar een Amerikaanse uitgever had gestuurd. Dat leidde toen niet tot een publicatie en Weiss heeft het boek vervolgens omgewerkt. Dat manuscript is verloren gegaan, maar de naar Amerika gestuurde eerdere tekst kon in 1963 alsnog worden uitgegeven. De ooggetuige verscheen kort daarna ook in het Nederlands en is in 2007 door Van Gennep opnieuw uitgegeven. Terecht want De ooggetuige is een belangrijk boek. De hoofdpersoon, een arts, geneest tijdens de Eerste Wereldoorlog korporaal A.H. van zijn hysterische blindheid. Dat gegeven gaat een centrale rol spelen in het verdere leven van de arts. Het biedt Weiss de gelegenheid om het antisemitisme van zijn tijd haarscherp in beeld te brengen. De blinde haat tegen de Joden keerde steeds terug, het was de geheimzinnige kern van zijn ziel. Ik wist wel, dat ik hem voor altijd van zijn hysterische blindheid (…) maar geen ogenblik van zijn Jodenhaat had genezen. Het opmerkelijke boek van Weiss toont opnieuw aan dat men in 1938 kon weten wat daarvan komt. In Praag is daarna plotseling nog een manuscript van Weiss opgedoken. Het is in 1998 voor het eerst uitgegeven en in 2006 ook in Nederlandse vertaling verschenen, eveneens bij Van Gennep. Het boek, Jarmila, Een liefdesgeschiedenis uit Bohemen, laat opnieuw zien dat Weiss een echte verteller is. Het is in de eerste plaats een liefdesgeschiedenis en de geschiedenis van de tijd vóór de sjoa komt, anders dan in De ooggetuige, niet springend naar voren. Toch ligt daaronder, net als in veel van zijn andere boeken, tevens het persoonlijke levensverhaal van Weiss. Ook de hoofdpersoon van Jarmila woont in Parijs. Het Praag dat Weiss goed heeft gekend, is door hem in deze mooie novelle met liefde beschreven. De verwikkelingen tussen Weiss en Kafka stonden daaraan gelukkig niet in de weg.
|
Leo Frijda was rechter en geniet nu van zijn pensioen. Hij is redacteur van Kol Mokum, het kwartaalblad van de Liberaal Joodse Gemeente Amsterdam en schrijft daarin onder andere over literatuur. Hij is verder bestuurslid van de Stichting Individuele Marorgelden en voorzitter van de bezwarencommissie van het Joods Humanitair Fonds.
Volg dit blog automatisch!
Wilt u automatisch op de hoogte worden gehouden wanneer er een nieuw bericht op deze weblog verschijnt? Abonneer u dan op de RSS-feed. Abonneer via RSS Abonneer via Google
Klik hier voor meer informatie over RSS juli 2010:
Rathenau, ein begeisterter Deutscher, ein aufrechter Jude Walther Rathenau: Höre, Israel! juni 2010: Multatuli en de Joden Multatuli en W.A. Paap Herman de Man: Jood onder de boeren mei 2010: Herman de Man: ik ben een Jood Carry van Bruggen: een moedige Jodin Carry van Bruggen: De verlatene april 2010: Carry van Bruggen: Seideravond Izak de Haan Carry van Bruggen Franz Baermann Steiner: Gebet im Garten maart 2010: Franz Baermann Steiner: Praag, Jeruzalem, Oxford Assaf Gavron Celan en Bachmann (2) Celan en Bachmann (1) februari 2010: Georg Hermann, een beschaafde Duitse Jood Heinz Liepmann bestraft Tussen orthodoxie en assimilatie januari 2010: Soma Morgenstern in de vergeethoek Hooligan in Roemenië Nogmaals Feuchtwanger Het succes van Feuchtwanger december 2009: Paul Hellmann, medeaanklager Lezen over Auschwitz november 2009: Ernst Weiss Bruno Schulz De zwarte zwaan van Israël oktober 2009: Kafka en Else Lasker-Schüler Rahel Varnhagen Jacob Israël de Haan Noem het slaap Ongemakkelijk september 2009: Bernard Malamud Leo Perutz De kant van Jeanne Weil De familie Pringsheim augustus 2009: Simone Veil Grete Weil juni 2009: Heinrich Heine Ferrara mei 2009: Imre Kertész Aharon Appelfeld Joseph Roth (2) april 2009: Joseph Roth (1) Zoektochten maart 2009: Tegen het vergeten Jeruzalem stond om ons heen Berditsjev Engführung februari 2009: Het lezen van Celan Moederland woord Abraham Sonne Canetti en het jodendom januari 2009: Dora Diamant Kafka en het zionisme Canon |
||||||