|
WEBCOLUMN LEO FRIJDA
Celan en Bachmann (1) vrijdag 5 maart 2010 Veel aandacht voor Paul Celan dezer dagen. Gisteren was in het Goethe Institut ‘Jazz avec Celan’, een ‘dialoog tussen enkele gedichten van Celan’ en vijf jonge jazzmusici. De prachtige maar dure tweetalige uitgave met de verzamelde gedichten van Paul Celan uit 2003 is nu voor een veel lager bedrag te koop. En in februari van dit jaar is de briefwisseling tussen Ingeborg Bachmann en Paul Celan in Nederlandse vertaling uitgebracht. De Duitse uitgave van enige jaren geleden had als titel Herzzeit. De Nederlandse vertaling moet het doen met Een dramatische liefde.
Herzzeit, es stehn
die Geträumten für die Mitternachtsziffer. In de uitgave van de verzamelde gedichten is Herzzeit door Ton Naaijkens vertaald met Harttijd, in de door Paul Beers vertaalde briefwisseling echter met Tijd van het hart. Misschien omdat het woord Harttijd buiten de context van een gedicht niet fraai klinkt, maar jammer is het wel. Herz is een sleutelwoord in de gedichten van Celan, in eerdere gedichtenbundels veelal zonder toevoeging gebruikt, later in verschillende samenvoegingen zoals Herzschlag en Herzton en in neologismen zoals Herzzähne en Herzfinger. Herzzeit is dan ook een veel passender titel voor de briefwisseling dan het zo algemene Een dramatische liefde. Een dramatische en hartstochtelijke liefde was het al met al zeker, zinnelijk en geestelijk, schrijft Celan in één van zijn brieven. De relatie begon al in 1948, toen zij elkaar in Wenen ontmoetten, kort voordat Celan naar Parijs ging. De briefwisseling opent meteen al met een gedicht, In Egypte, dat exemplarisch is voor Celan en voor de relatie tussen Celan en Bachmann. In Nederlandse vertaling (van Ton Naaijkens) luidt het: Je moet haar vreemdelingenoog zeggen: wees het water.
Je moet wie je ziet in het water, zoeken in haar vreemdelingenoog, Je moet hen het water uit roepen: Ruth! Noëmie! Mirjam! Je moet hen mooi maken als je bij de vreemdelinge ligt. Je moet hen mooi maken met het vreemde wolkenhaar. Je moet tegen Ruth en Mirjam en Noëmie zeggen: kijk, ik slaap bij haar! Je moet de vreemdelinge naast je het mooist maken. Je moet haar mooi maken met de pijn om Ruth, om Mirjam en Noëmie. Je moet de vreemdelinge zeggen: Kijk, ik sliep bij hen! Toen Celan dit gedicht schreef was hij 27 jaar en uit zijn geboorteland verdreven. De titel van het gedicht, In Egypte, verwijst daarnaar. Bachmann was 21 en had een geheel andere achtergrond dan Celan. Als de je uit het gedicht met een vreemdelinge slaapt, kan hij zich niet losmaken van de pijn om Ruth, Noëmie en Mirjam, namen die staan voor de Joodse vrouwen met het vreemde wolkenhaar die een graf in de wolken hebben / daar lig je niet krap (Todesfuge). Opvallend is dat Barbara Wiedemann en Bertrand Badiou in hun achter in de briefwisseling opgenomen commentaar met nadruk opmerken dat Bachmann niet de vreemdelinge uit het gedicht is. Gelet op de Kommentierte Gesamtausgabe van de gedichten van Celan, is In Egypte mogelijk al ontstaan voordat Celan en Bachmann elkaar leerden kennen. Dat kan de opmerking van Wiedemann en Badiou verklaren. Wezenlijker is dat om het gedicht te lezen en te verstaan het ook niet belangrijk is of Bachmann de vreemdelinge is. In het gedicht heeft de vreemdelinge niet voor niets geen naam. Daaraan doet niet af dat Celan jaren later aan Bachmann schrijft: Telkens als ik ‘t lees, zie ik jou dit gedicht binnen gaan. Dat ligt in de persoonlijke sfeer en roept hoogstens de vraag op of ook Bachmann voor Celan een vreemdelinge was als in het gedicht bedoeld. Voor het begrijpen van de gedichten van Celan en Bachmann, zo wil ik hiermee zeggen, behoef je de briefwisseling niet te raadplegen. De briefwisseling tussen Bachmann en Celan is echter op zichzelf beschouwd al boeiend genoeg om te lezen. Een grote liefde, niet zonder dramatiek en verwoord door twee dichters. Bachmann heeft zeker begrepen wat in Celan omging. Maar zij had ook haar eigen angsten en was soms geïrriteerd als Celan daar onvoldoende oog voor had. Celan is de dichter die tot het uiterste de sjoa in woorden heeft proberen te vangen. Alleen daardoor wordt begrijpelijk waarom hij de recensie van Blöcker en het plagiaatverwijt van Claire Goll zo zwaar opnam. Zie daarover mijn column van 6 maart 2009. Blöcker had in zijn recensie o.a. geschreven dat Celan tegenover de Duitse taal een grotere vrijheid heeft wat aan zijn herkomst kan liggen. Celan reageert hierop als door een antisemitische adder gebeten. Celan voelde zich ten diepste aangetast en dat is verwoord in de brief aan Bachmann van 12 november 1959: Je weet ook - of liever: je wist het eens - wat ik in de Todesfuge heb proberen te zeggen. Je weet - nee, je wist, en daarom moet ik je er nu aan herinneren – dat de Todesfuge ook dit voor mij is: een grafschrift en een graf. Wie over de Todesfuge datgene schrijft wat deze Blöcker daarover geschreven heeft, die schendt de graven. Ook mijn moeder heeft alleen dit graf. In 1971, een jaar na de zelfgekozen dood van Celan verschijnt Malina, een roman van Bachmann. Zij had daarin alsnog een tekst gevoegd: De geheimen van de prinses van Kagran. Daarin treedt een vreemdeling op die zegt: ‘Mijn volk is ouder dan alle volkeren ter wereld en het is in alle windrichtingen verstrooid.’ In die vreemdeling herkennen we Celan en het woord vreemdeling wijst terug naar het gedicht In Egypte. Bovendien eindigt de ingevoegde tekst met de woorden: Ik weet nu, ik weet! Dan gaan je gedachten o.a. naar de brief van 12 november 1959. Of echter Celan, ook door Bachmann, wel onvoorwaardelijk te volgen was in zijn reacties op de recensie van Blöcker en het plagiaatverwijt van Claire Goll, is het onderwerp van de volgende column. Een dramatische liefde, Briefwisseling Ingeborg Bachmann-Paul Celan, vertaald door Paul Beers, Persona nr. 4, J.M. Meulenhoff, Amsterdam 2010. Georg Hermann, een beschaafde Duitse Jood vrijdag 19 februari 2010 Uit de vervolging en bestraffing van Heinz Liepmann moet men niet de indruk krijgen dat het voor de oorlog in Nederland alleen maar kommer en kwel was voor Duitstalige Joodse schrijvers. In het bijzonder twee uitgevers, Emanuel Querido en Gerard de Lange, gaven een aantal schrijvers de kans toch te publiceren. Voor de Exilliteratuur waren zij van bijzondere betekenis. Wie daarin is geïnteresseerd, vindt veel wetenswaardigheden in de Erinnerungen eines Verlegers van Fritz Landshoff die aan de uitgeverij van Querido was verbonden. Uit die herinneringen haal ik dat Georg Hermann Querido en De Lange heeft gestimuleerd om boeken uit te geven die in Duitsland niet meer konden verschijnen. Georg Hermann woonde al vanaf maart 1933 in Nederland (hij was na een huiszoeking uitgeweken) en ook zijn boeken werden op 10 mei 1933 verbrand. Hij was een bekend en ook geliefd schrijver. Iedereen kende voor de oorlog zijn romans Jettchen Gebert en het vervolg Henriette Jacoby. Jettchen Gebert, dat in 1906 was verschenen, kende in 1927 al de 120e druk. Ook Georg Hermann is een nu vrijwel vergeten schrijver, al is in Duitsland zijn verzameld werk uitgebracht. De aandacht van literatuurhistorici voor zijn werk is ook beperkt. Er is een proefschrift uit 1974, van de hand van C.G. van Liere. En er is een bundel artikelen over Georg Hermann, in 2004 uitgegeven in de serie Conditio Judaica, Studien und Quellen zur deutsch-jüdischen Literatuur- und Kulturgeschichte. Dat was voor de oorlog wel anders. Siegfried E. van Praag behandelt in zijn boeken Wereldburgers uit 1933 en De arend en de mol uit 1973 ook Georg Hermann, wiens romans Jettchen Gebert en Henriette Jacoby, schrijft Van Praag in 1973, 'als de delicatesse van de joodse bourgeoisie van mijn jonge jaren golden.' In 1933 schreef Van Praag dat er misschien 'geen moderne schrijver is die op charmantere wijze, op vanzelfsprekender wijze Jood is dan deze auteur' en prijst hij 'die volkomen vanzelfsprekende Joodschheid, die het werk van Hermann kenmerkt.' Hermann is 'het type van een beschaafde Duitsche Jood.' Zijn taal heeft 'de glans van de oude meubelen van onze ouders.' Georg Hermann is als Georg Borchardt op 7 oktober 1871 in Berlijn geboren en Berlijn zal de stad blijven waar zijn boeken zich afspelen. De schrijversnaam Hermann verwijst naar de voornaam van zijn vader die in 1890 overleed en die hij met dat pseudoniem heeft willen eren. In het proefschrift van Van Liere staan twee prachtige portretten van voorouders van moederskant, Rabbi Schemuel en Simche Bresch Broh. De laatste moet volgens overlevering 36 en in ieder geval 24 kinderen hebben gehad van wie een dochter getrouwd was met een zekere Gebert en die naam leeft in de romans van Georg Hermann voort. De geschiedenis van Jetje Gebert speelt zich af in het Berlijn van 1840. In die Biedermeiertijd was het burgerlijke leven in Berlijn niet gemakkelijk voor een bij familie ondergebrachte wees als Jetje Gebert. Het loopt slecht met haar af en de lezer die haar in zijn hart heeft gesloten, lijdt mee. De Joodse identiteit van de romanpersonen speelt geen grote rol. Van een Joods (religieus) leven en ook van antisemitisme valt in de romans niets te bespeuren. Toch is dit niet alles. In de familie van Jetje Gebert zijn er nog bedenkingen tegen gemengde huwelijken. Uit Joods zelfrespect. Tegen de christelijke huwelijkskandidaat wordt gezegd: 'je vergeet een zekere trots, die onze familie heeft: dat we juist als Joden hier gezien en geacht zijn. Als mijn vader zichzelf en ons had laten dopen - en dat is hem meer dan eens te kennen gegeven - dan zouden we nu Von Gebert heten en officieren en regeringsraden zijn. En dat we dat niet gedaan hebben en niet hebben toegegeven en op geen enkele manier onze gezindheid verkocht hebben, dat is onze trots, en we willen ook niet graag, dat die voor de toekomst te niet gaat.' Hermann was een geassimileerde en beschaafde Duitse Jood en zijn opvattingen, zo durf ik wel te constateren, wijken niet af van die van zijn romanfiguren. Typerend voor hem lijken de woorden: Juden wo sie am besten waren, in den Grossstädten Deutschland. Hermann heeft eens geschreven dat Joden als Einstein (er volgen nog meer namen) waardevoller zijn dan alle Rabbinim in Gelée serviert. Nee, religieus was Hermann zeker niet. Het betekent echter niet dat hij ook afstand neemt van zijn jodendom. Ich habe mein Judentum weder vergessen, noch je verleugnet, schrijft hij uitdrukkelijk. Jettchen Gebert en Henriette Jacoby heb ik met plezier gelezen. Het is een aansprekend verhaal. Bovenal geeft het een boeiend tijdsbeeld en dat geldt ook voor de andere romans van Hermann. Daarin ligt nog steeds het belang van zijn boeken. Maar erkend moet worden dat veel boeken, vooral ook de vijfdelige romancyclus Die Kette, die veel autobiografische elementen bevat, enigszins verouderd overkomen, in taalgebruik en in wijdlopigheid. 'De glans van de oude meubelen van onze ouders.' Menno ter Braak heeft op 16 maart 1937 in zijn krant Het Vaderland beschreven hoe een gesprek met Georg Hermann, een 'klein en gemoedelijk heertje' verliep. In het gesprek, aldus Ter Braak, 'overweegt de genoeglijke veelheid van aspecten, zoals de eenheid van standpunt erin ontbreekt. Een gedachte wordt opgeworpen om de inval, en met plezier weer losgelaten voor een nieuwe inval.' Georg Hermann plaudert schrijft Menno ter Braak boven zijn artikel. In 1991 heeft Laureen Nussbaum de Briefe aus dem Exil 1933-1941 an seine Tochter Hilde uitgegeven. Die brieven zijn, zoals Weidermann terecht opmerkt, hartverscheurend. Uit die brieven kreeg ik niet de indruk dat Hermann in die tijd zijn Jood-zijn sterker is gaan beleven. Niet religieus en nog steeds geen zionist. Hij vond Palestina maar niets voor een geciviliseerde Europeaan. Zijn dochter aan wie de brieven zijn gericht, dacht daar anders over. En een andere dochter is na de oorlog in Israël gaan wonen. Zo gaat dat. Over het Duitsland, dat hij heeft moeten verlaten, is hij echter duidelijk: Mars und die Dummheit und die Lüge, diese drei modernen Grazien, regieren. Voor de beschaafde en humane Duitse Jood was dat een reden om weinig hoop meer te hebben op een menselijke toekomst voor zijn kinderen en kleinkinderen. Ik ben hopeloos gedeprimeerd, schrijft de zieke en in geldnood verkerende schrijver aan zijn dochter, ik zal deze wahnsinnigste aller Welt niet lang meer meemaken. Ook na mei 1940 schrijft hij - onder censuur - nog steeds brieven, de laatste op 9 juli 1943. Enkele maanden daarna is Georg Hermann gepakt en in Westerbork terechtgekomen. Philip Mechanicus heeft hem daar ontmoet en schrijft op 9 september 1943 in zijn dagboek uit Westerbork: 'De oude letterkundige Georg Hermann, de schrijver van Jettchen Gebert, loopt als een deur zo stijf, maar in stranddracht met een pet en een wandelstok rond en vraagt iedereen: Na, mein Freund, gibt's Neues? Sie wissen doch so viel. En vertelt gemoedelijke grapjes, zoals in Jettchen.' Op 16 november 1943 is Georg Hermann op transport naar Auschwitz gesteld. Hoogstens enkele dagen heeft hij nog geleefd. Heinz Liepmann bestraft vrijdag 12 februari 2010 Heinz Liepmann en Georg Hermann zijn twee van de 131 schrijvers die met een korte biografie zijn opgenomen in Das Buch der verbrannten Bücher van Volker Weidermann. Ook deze Joodse schrijvers waren het slachtoffer van de boekverbranding op 10 mei 1933. Liepmann en Hermann hebben nog meer gemeen. Zij hadden, ieder op hun eigen manier, verbindingen met Nederland. Over Hermann volgende keer. Van Liepmann was in december 1933 bij de Nederlandse uitgever P.N. van Kampen & Zoon de roman Das Vaterland verschenen. Toen Liepmann op 12 februari 1934 naar Nederland kwam om met De Arbeiderspers over een uitgave in het Nederlands te praten, werd hij gearresteerd op beschuldiging van het beledigen van een bevriend staatshoofd. Op 13 februari 1934, een dag na de arrestatie van Liepmann, heeft Menno ter Braak daarover in het dagblad Het Vaderland bericht. De meeste andere kranten deden er het zwijgen toe. Het commentaar van Menno ter Braak laat aan duidelijkheid niets te wensen over. Hij wijst erop dat de gewraakte passage een gesprek tussen romanfiguren inhoudt en vindt de gehele procedure uiterst bedenkelijk, in het bijzonder op grond van de algemene morele zijde van het geval; de aantasting van het asielrecht voor de vrije mening, waarop ons land sedert eeuwen, en terecht, zo trots is geweest (…) Men vraagt zich af, aan welke banden men onze drukpersvrijheid straks zal gaan leggen, als men geen feiten uit het publieke leven meer mag karakteriseren door feiten, aan wier authenticiteit wij toch zeker wel op eigen gelegenheid mogen twijfelen. Niet zo helder geformuleerd als we van Ter Braak gewend zijn maar ware woorden die ook nu nog niets aan belang hebben ingeboet. Geholpen heeft het artikel van Menno ter Braak niet. Met de in geval van inperking van de vrijheid van meningsuiting nogal ongelukkige toevoeging dat anderen moeten worden weerhouden zich ook zo te uiten, is Heinz Liepmann tot een maand gevangenisstraf veroordeeld waarna hij het land is uitgezet. Naar België, richting Frankrijk. Dat wel. De Arbeiderspers gaf in 1934 de roman onder de titel Het Vaderland in het Nederlands uit met weglating van de gewraakte passage die tot de veroordeling van Liepmann leidde. In plaats van de gewraakte passage is vermeld: De oorspronkelijke hierop volgende tekst werd door de justitie verboden, omdat die een beleediging van het hoofd van een bevriende natie inhield. Om die reden moest dit deel geschrapt worden. De weggelaten passage had betrekking op Hindenburg die, volgens één van de romanfiguren, Hitler tot kanselier zou hebben benoemd om een onderzoek te stoppen naar door hem, Hindenburg, gepleegde fraude. De vervolging en bestraffing waren inderdaad, om de woorden van Menno ter Braak te herhalen, uiterst bedenkelijk. Temeer als je weet dat de roman is bedoeld als aanklacht tegen wat er in die jaren in Duitsland gebeurt. Het Vaderland heeft als ondertitel: een documentatieroman uit het Duitschland van nu en is opgedragen aan de in Hitler-Duitsland vermoorde Joden. Liepmann beschrijft in zijn roman wat een aantal bemanningsleden van het stoomschip Kulm overkomt als zij op 28 maart 1933 na een reis van drie maanden weer terugkeren en aan den lijve ondervinden dat Hitler intussen in Duitsland aan de macht is gekomen. In zijn voorwoord van 10 september 1933 noemt Liepmann zijn roman veeleer een strijdschrift en dat is het inderdaad. Liepmann neemt geen blad voor de mond. Hij acht het nationaalsocialisme een besmettelijke ziekte. En dat men de joden foltert en vermoordt, nu nog, terwijl ik deze regels schrijf, terwijl de zon schijnt, kinderen spelen, mensen ademhalen, bloemen groeien - nu, op dit, op elk ogenblik, - dat is het, waarom ik niet slapen kan. Ook de roman van Liepmann laat weer zien dat men in het Nederland van 1934 kon weten wat er in Duitsland aan de hand was. Heinz Liepmann is een nu vrijwel vergeten schrijver en van zijn leven weten we weinig. Wat hierna staat, komt uit het boek van Weidermann. Liepmann is geboren in 1905 in Osnabrück en had voor het verschijnen van Das Vaterland al enkele romans gepubliceerd die, omdat hij Jood was en bovendien sterk links georiënteerd, op de lijst van verbrande boeken terecht kwamen. Hij week uit naar Parijs. In 1937 emigreerde Liepmann naar Amerika om in 1947 weer naar Duitsland terug te keren. In 1962 verhuisde Liepmann naar Zürich. Hij sterft in 1966. Ook na Das Vaterland heeft Liepmann, ondanks zijn verslaving aan morfine, nog enkele boeken geschreven. Literair gezien is Das Vaterland niet bijzonder interessant. Liepmann was echter een uitgesproken tegenstander van het nationaalsocialisme en wilde zijn lezers met zijn documentatieroman, indertijd in 17 talen vertaald, informeren en een vurig beroep op hen doen om gegen die Unmoral, die Barbarei, die mörderische Dummheit zu kämpfen. Daarin ligt nog steeds een reden om ook Heinz Liepmann niet in vergetelheid te laten raken. Tussen orthodoxie en assimilatie vrijdag 5 februari 2010 Soma Morgenstern was veel sterker met het jodendom verbonden dan de meeste andere schrijvers met wie hij in de tijd voor Hitler omging, constateert Gershom Scholem. Veel schrijvers, ik heb in eerdere columns Kertész, Appelfeld en Grete Weil genoemd, groeiden op in volledig geassimileerde gezinnen en werden door Hitler, in de woorden van Kertész, Joden op bevel. Voor Morgenstern gaat dat niet op. Ook wordt in Funken im Abgrund niet neergekeken op de Ostjuden en mede daardoor is zijn romantrilogie veel meer dan een nostalgische terugblik op een verloren tijd. Er is veel verloren gegaan. Raphaela Kitzmantel, de biografe van Morgenstern, is naar Budzanow gegaan, de aan de rivier de Sereth gelegen geboorteplaats van Morgenstern, niet ver van Tarnopol. Het is het huidige Budaniw en ligt nu in de Oekraïne. In het centrum van die plaats staat nog de vroegere synagoge en het is duidelijk dat hier indertijd een belangrijke Joodse gemeenschap moet zijn geweest. Nu is het een postkantoor. Er zijn nog twee Joodse begraafplaatsen die echter nauwelijks worden onderhouden. In mijn vorige column heb ik geschreven dat Morgenstern streng orthodox is opgevoed maar toch alle ruimte kreeg om zich te ontplooien. Helaas is de biografie van Kitzmantel nogal beperkt van opzet en laat deze veel vragen onbeantwoord. Dat Morgenstern altijd een sterke Joodse identiteit heeft behouden, staat wel vast. Maar in hoeverre dat nog was ingebed in de praktijk van zijn leven, is mij niet helemaal duidelijk geworden. Achterin haar biografie heeft Kitzmantel enkele interviews opgenomen. Uit het interview met Dan Morgenstern, de zoon van Soma Morgenstern, haalde ik de zinsnede dat Morgenstern altijd een sterke Joodse identiteit heeft behouden. Maar uit dat interview blijkt ook dat Morgenstern zich niet aan de spijswetten hield en vrijwel alleen met de Hoge Feestdagen naar de synagoge ging. Funken im Abgrund speelt zich af in Dobropolje, evenals Budzanow een grensplaatsje. In het eerste deel van de romantrilogie, De zoon van de verloren zoon, reizen de Joodse grootgrondbezitter Welwel Mohylewski en zijn rentmeester Jankel Christjampoler van Dobropolje naar Wenen om daar het congres van de Bond van wetgetrouwe Joden bij te wonen. Het congres is tegelijk liefdevol en met veel humor beschreven. Maar Welwel en Jankel zijn ook naar Wenen gekomen om contact te leggen met Alfred Mohylewski. Alfred is de zoon van de in de Eerste Wereldoorlog omgekomen broer van Welwel die zelf geen erfgenamen heeft. Deze broer, Jossele Mohylewski, heeft indertijd Dobropolje verlaten om naar het gymnasium te gaan. Zijn vader was hier eerst faliekant tegen maar de door hem geraadpleegde rabbi van Czortkow had daaraan toch zijn goedkeuring verbonden. De tijden dat ontwikkeling de vijand was van het geloof leken voorbij. Overigens kwam de rabbi van Czortkow hierop later terug. Het begint met het gymnasium en eindigt met de sjmad. Dat kwam uit want Jossele liet zich dopen en trouwde een gedoopte Jodin. Zijn zoon Alfred, we zijn dan in 1928, is op zoek naar zijn identiteit en gaat met Welwel en Jankel mee naar Dobropolje. Die zoektocht is het centrale thema van de romantrilogie. De afspraak is gemaakt dat Welwel zijn neef Joodse les zal geven en dat Jankel hem alles over de landbouw zal bijbrengen. Hoe dat gaat, lezen we in deel twee, Idylle in ballingschap. Alfred komt soms wat braaf en naïef over maar dat geldt zeker niet voor Welwel, Jankel en veel andere romanpersonen die heel levendig zijn beschreven. In dit kort bestek valt niet na te vertellen wat er allemaal in het boek gebeurt. Maar laat ik in ieder geval wel grootvaders kamer noemen, de kamer in het huis van grootgrondbezitter Welwel Mohylewski die voor altijd is bestemd tot gebedshuis. Als Alfred naar Dobropolje is gekomen, vraagt Welwel zich ineens bezorgd af of Alfred wel besneden is want als dat niet het geval is, kan hij niet of nog niet worden opgeroepen. Gelukkig komt uit dat Jossele zijn zoon Alfred wel degelijk heeft laten besnijden, het eerste bewijs dat Jossele het jodendom niet geheel achter zich heeft gelaten. Jossele was dus toch een vader met een Joods hart. Alfred kan worden opgeroepen en dat gaat zo goed dat de vreugde daarover groot is. Ook de sjabbatdienst in grootvaders kamer is tegelijk liefdevol en humoristisch beschreven. Grootvaders kamer zal ook na de dood van Welwel niet verweesd achterblijven! De gebedsruimte van Dobropolje zal blijven voortbestaan! Al staat het niet in het boek, Pesje, de huishoudster van Welwel, zou vast aan die woorden hebben toegevoegd, wee mij. Welwel en Jankel zijn in zekere zin elkaars tegenpolen. Welwel is de geleerde en vrome Jood, al is hij bepaald niet bekrompen. Jankel, de humeurige oude rentmeester, noemt Welwel een klerikaal en moet van in zijn ogen overdreven Joodse gebruiken niet veel hebben. Het jodendom botvieren schampert hij. Daarom is zijn bijnaam in het dorp Jankel de goj. Jankel is een knorrig man maar met een hart van goud en als het erop aankomt ook met een Joods hart. In het derde deel van de romantrilogie komt de voogd van Alfred, dr. Frankl, die in Wenen plaatsvervangend directeur is van het Algemeen Persbureau, naar Dobropolje met het testament van Jossele Mohylewski. Frankl is het goede produkt van een goede assimilatie. Tijdens de sjabbatdienst in grootvaders kamer opgeroepen als maftier ontpopt ook Frankl zich als een echte Jood. Uit het testament, dat eindigt met het Sjema, blijkt temeer dat Jossele tesjoeva heeft gedaan. Alfred, in de loop van Funken im Abgrund een jaar ouder geworden, wil in Dobropolje een landbouwschool stichten voor jonge Joden die van plan zijn naar Palestina te gaan. Daarmee is Alfred de weg van zijn vader in omgekeerde richting gegaan. Gabriela Wittwer heeft haar boek over de romantrilogie van Morgenstern niet voor niets Zwischen Orthodoxie und Assimilation genoemd. Een centrale zin uit haar boek luidt: Morgenstern unterscheidet sich von anderen Schriftstellern: Bei ihm kann nicht von einer krisenhaften Erfahrung seiner jüdischen Identität gesprochen werden. Morgenstern stelt, schrijft Wittwer, de vraag hoeveel secularisering een Jood verdragen kan. Kann man einen Menschen noch als fromm bezeichnen, der völlig säkularisiert lebt und die jüdischen Gesetze der alltäglichen Verrichtungen nicht einhält, auch wenn dieser sich als Jude betrachtet – wie Morgenstern später selber? Dit is een vraag van alle tijden. Soma Morgenstern in de vergeethoek vrijdag 29 januari 2010 Van Soma Morgenstern kende ik alleen Joseph Roths Flucht und Ende (1), zijn mooie boek met herinneringen aan Joseph Roth. Vorig jaar zomer kocht ik in Amsterdam op de uitmarkt voor een ramsjbedrag Idylle in ballingschap, een roman van Soma Morgenstern, in 2007 uitgegeven door Uitgeverij IJzer. Op de achterflap staat dat Morgenstern in Europa ‘in de vergeethoek’ was geraakt maar dat zijn boeken nu met groot succes opnieuw worden uitgegeven. Idylle in ballingschap is het tweede deel van een romantrilogie met de verzamelnaam Funken im Abgrund. Treurig is dat niets daarvan is vermeld in het boek van Uitgeverij IJzer. Met de vertaling van Funken im Abgrund was al eerder een begin gemaakt. In 2001 heeft de Arbeiderspers het eerste deel, De zoon van de verloren zoon, uitgegeven. Op de achterflap van die uitgave staat gelukkig wel dat het gaat om het eerste deel ‘van een omvangrijke trilogie Funken im Abgrund’. Ook De zoon van de verloren zoon wordt aangeprezen als ‘de herontdekking van een vergeten meesterstuk’, ‘een lang vergeten roman over de verdwenen Joodse wereld’. De Arbeiderspers heeft het helaas bij dat eerste deel gelaten. Alles bij elkaar dus een weinig geslaagde introductie van de romans van Soma Morgenstern in Nederland. Zijn romantrilogie verdient ook in Nederland een behoorlijke uitgave. En dat geldt temeer als je weet hoe moeizaam en met veel vertraging de oorspronkelijke uitgave van Funken im Abgrund tot stand is gekomen. Soma Morgenstern is in 1890 als Salomon Morgenstern in Galicië (Budzanow) geboren (2). Voor zijn verdere leven en voor zijn romantrilogie (3) is bepalend dat Morgenstern streng orthodox is opgevoed maar toch alle ruimte kreeg om zich te ontplooien. Morgenstern heeft daarom nooit de behoefte gevoeld zich tegen de orthodoxie af te zetten en altijd een sterke Joodse identiteit behouden. In 1914 gaat Morgenstern naar Wenen en vanaf 1924 werkt hij als journalist, vooral voor de Frankfurter Zeitung. Als Morgenstern in 1929 in Wenen een conferentie van Agoedat Jisraël bijwoont, inspireert hem dat tot het gaan schrijven van zijn romantrilogie. Morgenstern neemt in 1934 korte tijd en in 1938 definitief de wijk naar Parijs. Daar haalt de oorlog hem in. Zijn ervaringen in verschillende interneringskampen in Frankrijk en zijn vlucht van Marseille naar Casablanca heeft Morgenstern later in de roman Flucht in Frankreich verwerkt. Via Lissabon weet Morgenstern New York te bereiken waar hij tot zijn dood is blijven wonen. Ook Joseph Roth was in Galicië geboren en zij kenden elkaar al heel lang toen Morgenstern in 1934 voor korte tijd naar Parijs moest uitwijken. Morgenstern logeerde die maanden in Hotel Foyot, waar ook Roth verbleef. Toen Morgenstern in 1938 Wenen voorgoed verliet, logeerde hij weer enige tijd in hetzelfde hotel als Roth, nu in Hotel de la Poste. Beide hotels lagen aan de Rue de Tournon met een gelijknamig café. Er is een foto (4) waarop Roth en Morgenstern samen in dat café zitten.
In 1934 had Morgenstern De zoon van de verloren zoon, het eerste deel van zijn romantrilogie, grotendeels al geschreven. Roth zei daarover tegen Morgenstern: Du musst trachten, mit dem Buch schnell zu Ende zu kommen. Wir haben unsere Welt verloren. Ich bin in etwas besserer Lage als du, denn meine Bücher haben schon meinen Namen im Ausland bekannt gemacht. Das wird mir nicht viel helfen. Aber wie man in Wien sagt: besser wie gornix. Du, Soma, kommst schon fast zu spät. Wie soll sich einer, der jetzt deutsch schreibt, im Ausland als Flüchtling einen Namen machen?
Morgenstern heeft zijn boek in Parijs afgemaakt en het manuscript aan Roth laten lezen. Roth vond het ein Meisterwerk. Maar, zo voegde hij daaraan toe: Die Juden in deinem Roman sinds so echt, dass der Leser von ihnen so abrücken wird wie die Judenfeinde und auch die assimilierten Juden es in der Trambahn tun, wenn ein echter Jude einsteigt. In meinen Büchern übersetze ich die Juden für den Leser. Du gibst sie im Original. Das ist gut für dich, aber nicht für das Buch auf dem Büchermarkt.
Profetische woorden. Querido vond het boek zu jüdisch om het uit te geven. Weliswaar kon De zoon van de verloren zoon in 1935 toch nog bij Erich Reiss Verlag verschijnen maar die Berlijnse uitgever mocht dit boek in Duitsland alleen aan Joden verkopen. Het vond zeker enige weerklank, vooral bij andere schrijvers (Stefan Zweig, Herman Hesse), maar raakte in de omstandigheden van die tijd ook spoedig weer in vergetelheid. Nadat Morgenstern in 1934 in Wenen was teruggekeerd, begint hij aan deel twee, Idylle in ballingschap, dat al af was toen hij in 1938 Oostenrijk voorgoed moest verlaten maar dat hij daarna in Parijs heeft omgewerkt. Morgenstern begint dan ook aan deel drie: Das Vermächtnis des verlorenen Sohnes. Door zijn internering en vlucht uit Frankrijk gaat een groot deel van zijn manuscripten verloren. Hij moet het nodige reconstrueren en pas in 1943, hij is dan al in Amerika, kan hij de romantrilogie voltooien. In Engelse vertaling komen de drie romans achtereenvolgens in 1946, in 1947 en in 1950 op de markt. Een ingekorte Duitse uitgave van deel drie wordt in 1963 in een kleine oplage gedrukt met als titel Der verlorene Sohn. Eerst in 1996, dus meer dan vijftig jaar later, verschijnen zijn drie romans in het Duits, de taal waarin zij oorspronkelijk zijn geschreven (5). Met veel succes (6). Morgenstern, bij zijn overlijden in 1976 een nagenoeg vergeten schrijver, heeft dat niet meer mogen meemaken. Funken im Abgrund is inderdaad ein Meisterwerk. Waarom? Daarover een volgende keer meer. (1) Bij Kiepenheuer & Witsch, Köln, in 2008 uitgegeven als Kiwi Paperback. De Duitse citaten zijn uit Joseph Roths Flucht und Ende. Hooligan in Roemenië vrijdag 22 januari 2010 Dagboek 1935-1944 van de Roemeense schrijver Mihail Sebastian is pas in 1996 door zijn familie vrijgegeven. De Nederlandse vertaling heeft daarna nog tot 2007 op zich laten wachten. De uitgever, Wever & Bergh, heeft toen aangekondigd dat een eerder boek van Sebastian, Sinds tweeduizend jaar, in oktober 2007 zal verschijnen. Het is er nog steeds niet en dat is jammer want het vormt een interessante aanvulling op het dagboek. Als Wever & Bergh Sinds tweeduizend jaar toch nog uitgeeft, dan wel met achterin alle bijlagen die in de Duitse editie staan, waaronder het bij de oorspronkelijke uitgave afgedrukte voorwoord van Nae Ionescu en de door Sebastian daarna geschreven brochure Hoe ik een hooligan ben geworden. Sebastian is als Iosif Hechter op 18 oktober 1907 in Braila aan de Donau geboren. Sinds tweeduizend jaar, verschenen in 1934, beschrijft de ontwikkeling van een jongeman, een naam heeft hij in het boek niet, die zich sterk met zijn geboortegrond verbonden voelt. Hij houdt van het land aan de Donau waar hij is opgegroeid. Over zijn familie maar ook over anderen, zoals de boekverkoper Abraham Sulitzer, vertelt hij liefdevolle en warme verhalen. Op de omslag van de Duitse editie staat een schilderij van Chagall en dat is treffend, want de schilderijen van Chagall herinneren de verteller, die zegt niet vroom te zijn, aan de synagoge in Braila. Jood in Roemenië. Het blijkt niet gemakkelijk. De scheldpartijen en gewelddaden die hij meemaakt doen pijn. Blijvend, als een open wond, schrijft Sebastian. Het steeds luider klinkend antisemitisme komt extra hard aan omdat ook zijn vrienden daarvan niet vrij blijken te zijn. Ik zal nooit ophouden Jood te zijn maar ik zal ook nooit ophouden een mens van de Donau te zijn. In Sinds tweeduizend jaar komt een hoogleraar voor, Ghita Blidaru, een mentor aan wie de verteller zich helemaal geeft. Voor Blidaru heeft Nae Ionescu model gestaan. Ionescu heeft heel lang voor de jongeren in Roemenië een voorbeeldfunctie vervuld. Sebastian had hem in 1931 gezegd, ik schrijf een Joods boek, en hem om een voorwoord gevraagd. Toen het boek in 1934 verscheen, was het tij gekeerd, Hitler was in Duitsland aan de macht en Ionescu had zich in de veranderde omstandigheden gevoegd. Hij schrijft een onverholen antisemitisch voorwoord en noemt de verteller steeds Iosif Hechter, hoewel die naam in het boek nergens voorkomt. Het gevolg was dat de rechtse pers in Roemenië schreef over die Jood (Judenbengel) uit Braila met de naam Iosif Hechter wiens intellectuele bagage die van een hooligan is. Sebastian pakt het op als een erenaam en zijn antwoord, de brochure Hoe ik een hooligan ben geworden, is een vlijmscherpe analyse waarin hij aantoont dat Ionescu in zijn voorwoord alles samenvat wat antisemieten tot dan toe hebben beweerd. Dat is Ionescu, die vroeger de Joden bewonderde, gelukt. De in 1936 in Roemenië geboren schrijver Norman Manea heeft zijn memoires De terugkeer van de hooligan genoemd. Die memoires zijn in 2006 door Meulenhoff in Nederlandse vertaling uitgebracht. Manea is als jongetje met zijn familie naar een werkkamp in Transnistrië gedeporteerd, is naar Roemenië teruggekeerd maar in 1986 naar New York gegaan waar hij nog steeds woont. Sinds tweeduizend jaar en Hoe ik een hooligan ben geworden nemen in het eerste gedeelte van het boek van Manea een centrale plaats in. Dat boek is een aparte column waard maar hier gaat het me alleen om de term hooligan. Manea, die de jaren 1934 en 1935 de hooligan-jaren noemt, is daarover niet erg duidelijk. Ik kreeg de indruk dat je het Roemenië van die jaren goed moet kennen om te begrijpen wat toen met hooligan werd bedoeld. Een herrieschopper en kwaadspreker, een verrader. Ja, maar overgenomen als erenaam ook steeds meer een ongewenste buitenstaander. Het geldt voor Manea, het gold voor Sebastian. Sebastian is op 25 mei 1945 onderweg naar de universiteit, waar hij een lezing zou houden, door een Russische vrachtwagen overreden. Zijn postuum verschenen dagboek geeft een onthutsend beeld van het wijdverbreid antisemitisme in Roemenië. En ook in het dagboek ontpoppen veel goede vrienden van Sebastian zich als aanhangers van een regiem dat nauw met de Duitsers samenwerkt. In het dagboek staat centraal wat er met de Joden gebeurt. Met daarnaast zijn persoonlijke omstandigheden, zijn vriendinnen, het schrijven aan een boek (Het ongeval) en aan toneelstukken die uiteindelijk nog slechts onder een andere, niet-Joodse, naam konden worden opgevoerd. Sebastian is een scherp waarnemer van de politieke aftakeling. Soms met profetische blik. Al in 1936 schrijft hij dat wij afstevenen op een georganiseerde pogrom. Hij weet dat hij zelf evenmin is gevrijwaard van vervolging. Wij zitten in het hart van de hel. Sebastian beschrijft indringend wat er in Boekarest gebeurt, waar de maatregelen tegen de Joden steeds grimmiger worden. Wie opgepakt werd, is dat voorgoed. Het valt op dat Sebastian steeds zo goed van alle feiten op de hoogte was. Op 29 januari 1941 schrijft hij dat in de bossen van Banesa talloze Joden zijn vermoord en op 4 februari 1941: Wij hebben één van de grootste pogroms uit de geschiedenis beleefd. De Joden van Jilava heeft men eerst van hun kleren beroofd, nadien gefusilleerd en het ene lijk op het andere gegooid. Sebastian voegt daaraan toe: In de loop van de geschiedenis zijn er ontelbare Adolf Hitlers opgestaan. Er ontbrak hun slechts een gunstig milieu, het juiste moment, de gunstige voorwaarden om hun locale daden om te buigen tot wereldpolitiek. Op 21 augustus 1942 noteert Sebastian dat hij veel hoort over het bloedbad van de Joden aan beide zijden van de Dnjestr. Het is een klus, weet Sebastian, die mede door de Roemenen zelf is geklaard. Sebastian wordt teruggeworpen op zijn Joods zijn. Hier en nu Jood zijn. Ik kan niet anders. Jom Kipoer wordt belangrijk voor hem. In 1941: Ik heb gevast en ben voor de sjofar ’s avonds naar de tempel geweest. Een zekere onverschilligheid. Vroeger in Braila was het zoveel aangrijpender! In 1942: Gisteren Jom Kipoer. Vastendag waarop wij proberen te geloven, te hopen. In 1943 noemt hij het Avinoe Malkenoe. Wil ik geloven? Neen, maar zonder twijfel is er in zoveel inconsequentie een behoefte aan warmte, aan rust. En als het Poeriem is, leest hij het boek Esther en schrijft: Er gaan eeuwen, millennia voorbij en ons verhaal is nog steeds hetzelfde. Met zijn Dagboek 1935-1944 heeft hooligan Sebastian aan dat verhaal het verhaal van Roemenië toegevoegd. Nogmaals Feuchtwanger vrijdag 15 januari 2010 Lion Feuchtwanger behoort tot de bekendste Duitse schrijvers van de 20e eeuw en zijn werk krijgt sinds de late jaren tachtig opnieuw veel aandacht, maar vrijwel onbekend is dat hij uit een grote, in Beieren wijdvertakte, Joodse familie stamde. Zo begint Heike Specht haar boek Die Feuchtwangers, Familie, Tradition und jüdisches Selbstverständnis im deutsch-jüdischen Bürgertum des 19. und 20. Jahrhunderts (Wallstein Verlag, Göttingen, 2006). In Succes schreef Feuchtwanger over de advocaat Geyer dat deze uit een Joodse familie stamde die 'de riten en gebeden hoog in ere hield'. Het gold ook voor Feuchtwanger. Zijn ouders, Sigmund Feuchtwanger en Johanna Bodenheimer, waren zelfbewuste Joden die zich aan alle gebruiken hielden. Sigmund Feuchtwanger verkocht elke vrijdag voor één mark zijn margarinefabriek tijdelijk aan een christelijke bedrijfsleider waardoor ook op sjabbat geproduceerd kon worden. En Lion Feuchtwanger moest in zijn jeugdjaren elke ochtend om vijf uur opstaan voor het ochtendgebed en om Hebreeuws te leren voordat om acht uur de lessen op het gymnasium begonnen. Dit alles stond echter de belangstelling voor literatuur en theater niet in de weg. Sigmund Feuchtwanger had een ruime, waardevolle bibliotheek en ging eenmaal per week naar het theater. Daar werd met de kinderen over gesproken. Men voelde zich Jood èn Beier. Ook de Joodse kinderen leerden op school: Bayern ist mein Heimatland, weil ich hier geboren und erzogen wurde. Voor Lion Feuchtwanger is zijn Joodse identiteit altijd van centrale betekenis gebleven, ook al vind je na enige tijd van een religieus leven niet veel meer terug. In 1907 promoveerde hij op Der Rabbi von Bacherach van Heine en een belangrijk deel van zijn romans heeft een Joods thema. De gevolgen daarvan doen zich onmiddellijk na de machtsovername door de nazi’s gelden. Na een reis naar Amerika kan hij niet meer naar zijn woonplaats Berlijn terugkeren. Vanaf 1933 wonen Feuchtwanger en zijn vrouw Marte in Sanary-sur-Mer in het zuiden van Frankrijk, waar meer Duitse schrijvers een toevluchtsoord vonden. Feuchtwanger heeft altijd een dagboek met persoonlijke notities bijgehouden. Dat dagboek is echter niet gepubliceerd. Het enige autobiografische werk van Feuchtwanger is Der Teufel in Frankreich (Aufbau Taschenbuch, Berlijn, derde druk 2008). Het is het verslag van zijn internering in 1940 dat hij daarna in New York aan zijn secretaresse dicteerde en dat in 1942 onder de titel Unholdes Frankreich in Londen verscheen. In mei 1940 worden in Frankrijk alle Duitse vluchtelingen geïnterneerd, zonder dat enig onderscheid wordt gemaakt tussen Duitsers die met de nazi’s sympathiseren en zij die voor de nationaalsocialisten hebben moeten vluchten. Feuchtwanger komt in Les Milles terecht. De titel Der Teufel in Frankreich is bedoeld als tegenstelling tot de uitdrukking `leven als God in Frankrijk´, want de omstandigheden in een kamp als Les Milles waren bepaald niet prettig, al was de behandeling van de kant van de Fransen verder niet slecht. Golo Mann, die ook in Les Milles was geïnterneerd, noemt in zijn dagboek Les Milles eine Hölle, in der die französischen Soldaten als gutmütige Teufel fungieren. Wat geïnterneerden als Feuchtwanger het meest zorgen baarde, was de nadering van de Duitsers die een steeds groter deel van Frankrijk veroverden. Om uit de handen van de nazi´s te blijven, wilde men weg uit Les Milles. Uiteindelijk is dat toegestaan en heeft de commandant van Les Milles een trein geregeld: Wir waren fort aus Les Milles, wir brauchten nicht mehr mit gebundenen Händen auf die Schlächter zu warten. Brachte man uns in die Pyrenäen? Vielleicht nach Gurs, wo unsre Frauen waren? Alleen al de beschrijving van die treinreis maakt het de moeite waard dat Wereldbibliotheek ook Der Teufel in Frankreich in de reeks werken van Feuchtwanger opneemt. Uiteindelijk komt de trein in Bayonne, maar na enige tijd wordt weer rechtsomkeert gemaakt omdat het gerucht ging dat de Duitsers daar binnen twee uur al zouden zijn. De treinreis is door Golo Mann Reise des Gespensterzuges genoemd. Weer wordt men geïnterneerd, nu in Saint Nicolas, vlak bij Nîmes. Zowel tijdens de treinreis als in Saint Nicolas zijn velen gevlucht. Marte Feuchtwanger kon intussen uit Gurs wegkomen en wist te bereiken dat ook Feuchtwanger uit Saint Nicolas kon worden opgehaald, verkleed als een oude Engelse dame. Daarmee eindigt Der Teufel in Frankreich. Hoe het verder is gegaan, kan men lezen in de mooie biografie van Manfred Flügge, Die vier Leben der Marta Feuchtwanger, (Aufbau 2008). Een buitengewoon verhelderend en goed geschreven boek. Net als vele anderen hebben de Feuchtwangers in Marseille geprobeerd om naar Amerika te ontkomen. In hetzelfde huis in Marseille, wachtend op de mogelijkheid om te ontkomen, bevond zich ook weer Golo Mann. Over hem is vorig jaar bij S. Fischer van de hand van Tilmann Lahme een uitvoerige biografie verschenen waarin ook hierover veel te lezen valt. Golo Mann, Heinrich Mann en zijn vrouw Nelly, en ook Franz en Alma Werfel zijn op 13 september 1940 zonder Frans uitreisvisum over de grens naar Spanje gebracht. Deutsche Schriftsteller waren zum Schmuggelgut geworden, schrijft Flügge. Daarna, op 21 september 1940, zijn ook Lion en Marta Feuchtwanger, ieder apart, over de Pyreneeën naar Spanje gegaan. Allen bereikten Lissabon, die Hauptstadt der Melancholie. Op 3 oktober 1940 gingen Golo Mann, Heinrich Mann en Franz Werfel aan boord van de Nea Hellas. Met dat schip ging ook Alfred Döblin naar New York. Feuchtwanger kon op 5 oktober 1940 met de Excalibur wegkomen. Lion en Marte Feuchtwanger zijn in Amerika in Pacific Palisades gaan wonen. Na Berlijn en Sanary-sur-Mer heeft Feuchtwanger daar voor de derde keer een bibliotheek moeten inrichten. In het boek van Flügge staat een foto van de - jaloers makende - bibliotheek in Sanary-sur-Mer. In Pacific Palisades moet Feuchtwanger weer zo’n mooie bibliotheek hebben gehad. Klaus Mann die daar een keer op bezoek was, schrijft in zijn dagboek dat hij toen ‘diens werkelijk opmerkelijke bibliotheek’ heeft bekeken. Op de foto uit de tijd in Sanary-sur-Mer staan ook Lion en Marta Feuchtwanger. Het is duidelijk dat Marta inderdaad van een ‘exotische schoonheid’ moet zijn geweest. Maar, zo maakt Flügge duidelijk, zij was veel meer. Ein Münchner Jüdin, die zur Weltbürgerin wurde. Haar leven in dienst van, maar zeker ook naast Lion Feuchtwanger heeft Flügge indringend beschreven. Wereldbibliotheek moet maar overwegen ook zijn boek uit te geven. Lion Feuchtwanger overleed in 1958. Marta Feuchtwanger in 1987. In Succes heeft Feuchtwanger in de romanfiguur Johanna Krain ook veel van Marte Feuchtwanger neergelegd. Het succes van Feuchtwanger vrijdag 8 januari 2010 De herontdekking van een groot Europees schrijver. Zo beveelt Wereldbibliotheek de nieuwe vertaling van De lelijke hertogin van Lion Feuchtwanger aan. Het is de bedoeling dat ook andere boeken van Feuchtwanger opnieuw worden uitgegeven. De lelijke hertogin (Die hässliche Herzogin Margarete Maultasch) wordt aangeprezen als het eerste grote succes van Feuchtwanger en dat kan erop duiden dat Wereldbibliotheek de volgorde van verschijnen aanhoudt. Süss de Jood (Jud Süss) was weliswaar al eerder geschreven dan De lelijke hertogin, maar voor Süss de Jood kon Feuchtwanger eerst geen uitgever vinden. S. Fischer stuurde hem het manuscript ongelezen retour. Süss de Jood is waarschijnlijk het bekendste werk van Feuchtwanger. Het is opgenomen in de vaker door mij aangehaalde canon van de moderne Joodse literatuur. Süss de Jood stond op de lijst van boeken die in Duitsland op 10 mei 1933 werden verbrand. Die titel is daarna misbruikt voor een antisemitische propagandafilm van de nazi´s. De herontdekking van een groot Europees schrijver. Misschien wat overdreven want nog in 2008 gaf De Vuurbaak De dochter van Jefta (Jefta und seine Töchter) uit, de laatste historische roman van Feuchtwanger. Feuchtwanger staat vooral te boek als schrijver van veelgelezen historische romans. Maar hij heeft ook drie eigentijdse boeken geschreven, Succes (Erfolg) uit 1930, De erven Oppermann (Die geschwister Oppermann) uit 1933 en Exil uit 1940, samen Die 'Wartesaal'-Trilogie genoemd. Van Succes verscheen al in 1930 bij Querido een Nederlandse vertaling van de hand van Anthonie Donker. Een herdruk van die vertaling kwam in 1984 uit bij De Prom. Een literaire herontdekking, stond ook toen op de flap! En in 1987 bracht Cypres een nieuwe vertaling van De erven Oppermann. Voor zover mij bekend is Exil nooit vertaald. Succes had in Duitsland geen succes. In zijn Erinnerungen eines Verlegers schrijft Fritz Landshoff dat toen de roman in 1930 verscheen, het politieke klimaat al zo vergiftigd was dat veel boekhandelaren de roman slechts schoorvoetend of in het geheel niet bestelden. De vertegenwoordiger van de uitgever werd zelfs vaak hinausgeschmissen. Een groot deel van de pers ging aan de betekenis van het boek voorbij en de nazipers sabelde het boek neer. De Völkischer Beochbachter was van mening dat Feuchtwanger sich einen zukünftigen Emigrantenpass reichlich verdient hat. In 1933, drie jaar na het verschijnen van Succes, zou dat werkelijkheid worden. Ook in Nederland werd de betekenis van Succes niet door iedereen gezien. Du Perron schreef over het ‘domme dikke’ boek van Feuchtwanger dat Anthonie Donker ‘met zoveel ijver en zo weinig genie als het vereiste’ heeft vertaald. En in een brief van 23 december 1930 aan Victor E. van Vriesland: ‘Wat ontbreekt het dien besten Feuchtwanger allerovertuigendst aan ieder sprankeltje van genie! (…) Ik vrees dat ik onverzoenlijk ben: die Duitsche mentaliteit (Duitsch-Joodsch altijd) gaat mij voorbij… Ik weet niet wat ik belabberder vind, Succes of Berlin-Alexanderplatz.’ Du Perron, die naderhand zonder enige twijfel aan de goede kant stond, zag in 1930 niet wat Feuchtwanger met zijn boek te vertellen had. Hij had daarvoor geen antenne. Vier jaar later, in Het Vaderland van 5 juli 1934, schrijft Ter Braak dat men Feuchtwanger niet een schrijver ‘van de allereerste rang’ kan noemen. ‘Daarvoor is hij te zeer een man van breedvoerige gedegenheid.’ ‘Als auteur van het ook tamelijk langademige Succes (1930) werd hij de kroniekschrijver van het na-oorlogse Duitsland, meer speciaal voor München.’ Dat zegt nog niet veel maar intussen is ook De erven Oppermann verschenen: ‘In zijn laatste roman De erven Oppermann vergunt Feuchtwanger de lezer een blik op de lotgevallen ener Joodse familie die door de antisemitische actie uit elkaar wordt geslagen en rechteloos gemaakt.’ Ter Braak is in goed gezelschap van Klaus Mann die over De erven Oppermann schreef dat het de indrukwekkendste, meest gelezen literaire verbeelding van het Duitse onheil is. Feuchtwanger is inderdaad vaak breedsprakig en het lezen van Succes vraagt een lange adem. Dat geldt overigens in veel mindere mate voor De erven Oppermann. Vervelend of dom is Feuchtwanger zeker niet. Succes, met in de Duitse uitgave als ondertitel Drei Jahre Geschichte einer Provinz, wordt thans terecht beschouwd als de eerste anti-Hitler roman, een roman die al in een vroeg stadium het nationaalsocialistische gevaar heeft blootgelegd. Succes is voor München wat Buddenbrooks van Thomas Mann voor Lübeck was. Niet het verval van een familie maar van een stad. ‘Vroeger’, schrijft Feuchtwanger, ‘had de mooie, behaaglijke stad de beste koppen van het rijk getrokken. Hoe kwam het dat die nu weg waren en dat in hun plaats alles dat lui was en niet deugde en elders in het rijk zich niet staande wist te houden, nu als magnetisch aangetrokken naar München de wijk nam?’ Ook Feuchtwanger was in 1925 uit zijn geboortestad München naar Berlijn gegaan. Daar schreef hij Succes, de roman over München in de jaren na de Eerste Wereldoorlog waar het gedachtegoed van Hitler en zijn partij, in de roman Rupert Kutzner en de ‘Ware Duitsers’, steeds meer gehoor vindt. Als eerste in Duitsland hebben de Joden van München aan den lijve ervaren hoe de atmosfeer in hun stad veranderde, de stemming radicaliseerde en hoe de rechtse regering tegen de giftige denkbeelden van de nationaalsocialisten aanschurkte. Feuchtwanger heeft dat proces indringend beschreven. Hij heeft niet alleen uit eigen herinneringen geput. Aan de roman is minutieus speurwerk voorafgegaan. In die zin is de roman een sleutelroman. De personen en verhalen zijn steeds op werkelijke personen en verhalen gebaseerd. Dat geldt helaas ook voor het antisemitisme waarmee de Joden van München dagelijks werden geconfronteerd. Al in die jaren werden de synagogen met hakenkruizen besmeurd. In de roman wordt de Joodse advocaat Geyer voor Saujud uitgescholden en in elkaar geslagen. In een koffiehuis zegt men over dit voorval dat de Joden daaraan ‘zelf schuld hebben’. ‘Waarom bemoeien ze zich ook met onze zaken die hen niets aangaan.’ Het is te hopen dat de uitgave van De lelijke hertogin het begin is van een reeks nieuwe vertalingen van de romans van Feuchtwanger, waaronder de drie romans van Die 'Wartesaal'-Trilogie. Feuchtwanger verdient zijn succes. Paul Hellmann, medeaanklager vrijdag 18 december 2009 Paul Hellmann, oud-redacteur van NRC Handelsblad, is één van de medeaanklagers in het proces tegen Demjanjuk, dat volgende week wordt voortgezet. Met de beslissing om zich als medeaanklager aan te melden eindigt het boek met herinneringen dat hij heeft geschreven. Die persoonlijke herinneringen heeft Paul Hellmann tegelijk gevoelig en met humor en enige afstand beschreven. Dat is heel knap gedaan. Terecht staat in een recensie dat hij zijn leven met geamuseerde ernst beschrijft. Paul Hellmann kan bovendien beeldend schrijven. Je ziet voor je wat hij beschrijft, wat nog wordt versterkt door de foto´s die hij in zijn boek heeft opgenomen. Vooral de op een volledige bladzij afgedrukte foto’s zijn ontroerend, bijvoorbeeld die van zijn grootmoeder Irene Hellmann-Redlich, van Mevrouw en van zijn ouders in gelukkiger tijden, een foto waarnaar je slechts met schroom kan kijken. Het leven van Paul Hellmann is in belangrijke mate bepaald door wat hem in zijn jeugdjaren is overkomen, maar de confrontatie met dat verleden gaat hij lang uit de weg totdat dat niet meer gaat en hij in 1992 de bijeenkomst Het ondergedoken kind bijwoont en in 2005 Auschwitz en Sobibor bezoekt. Als enig kind van Bernhard Hellmann en Clarissa Hauchmann is Paul Hellmann in 1935 in Rotterdam geboren. Bernhard Hellmann kwam uit Wenen en was afkomstig uit een welgesteld, geseculariseerd Joods gezin. De vader van Clarissa Hauchmann was een Russische Jood die met een Nederlandse vrouw was getrouwd. Kort voor de oorlog kwam ook Irene Hellmann-Redlich, de moeder van Bernhard Hellmann, naar Nederland. Bernhard Hellmann is in Sobibor omgebracht. Irene Hellmann-Redlich in Auschwitz. De moeder van Paul Hellmann, intussen van zijn vader gescheiden, kon de oorlog overleven. Net als een zuster van zijn vader, Ilse, die in Londen verbleef en in het boek een belangrijke rol speelt. Paul Hellmann zelf is als onderduikkind de oorlog doorgekomen bij Mevrouw, de dochter van het echtpaar Kröller-Müller. Niet op de gebruikelijke manier, noemt hij dat. Na de oorlog heeft hij lange tijd, samen met zijn moeder, bij Marten en Phiny Toonder gewoond. Ook dat geeft het boek extra accent. Over het boek van Paul Hellmann valt dus veel meer te zeggen maar in het korte bestek van deze column twee verhaallijnen. Paul Hellmann verbindt zijn onderduiktijd met zijn daarna ontluikende liefde voor films. En hij laat zien hoe in de loop van de tijd de oorlog en de ondergang van een deel van zijn familie een steeds grotere rol gaan spelen. Op verschillende plaatsen in het boek beschrijft Paul Hellmann zijn gevoelens tijdens de onderduik en bij bioscoopbezoek op bijna dezelfde manier. Al op één van de eerste bladzijden heeft hij een gevoel van geborgenheid als hij in de winter van 1942-’43 voor het eerst in een vreemd bed op een grote, halfdonkere zolder ligt. De mooie woorden het duister van mijn wijkplaats, die hij later in zijn boek gebruikt, zijn zowel van toepassing op de onderduik als op de intimiteit van de filmzaal. Minder dan twee uur waren we binnen geweest, maar in die tijd had ik heviger geleefd dan ooit. En dat zonder risico’s te lopen. Zo beschrijft Paul Hellmann de beleving van filmbezoek kort na de oorlog. Op een andere plaats noemt hij de bioscoop de plek die twee uur lang respijt verleende van het leven. Wat opvalt, zijn de details die Paul Hellmann zich weet te herinneren over zijn jongensjaren en over de vele films die hij heeft gezien. Hij moet een uitstekend geheugen hebben. Ook al hield hij vaak een dagboek bij en noteerde hij in een schriftje welke film hij waar en wanneer had gezien. Het zal dus mede daardoor zijn dat hij tot mijn verrassing nog weet dat hij in de begin jaren zestig ook een keer samen met mij een film heeft gezien. Wij zaten toen allebei in de redactie van een studentenblad en moeten samen naar Nuit et Brouillard, een zes jaar oude film van Alain Resnais over de Duitse vernietigingskampen, zijn gegaan. In die tijd hebben wij nooit gesproken over onze achtergrond, die, met alle verschillen, een aantal opvallende overeenkomsten had. Maar zo ging dat. Na het zien van de film van Alain Resnais, schrijft Paul Hellmann, bekeek ik ’s avonds op mijn kamer nog eens de paar foto’s die ik van mijn vader had. En daarmee kom ik op het tweede thema. Achteraf kan ik het me nauwelijks meer voorstellen, schrijft Paul Hellmann, maar ik geloof dat de ondergang van mijn vader en zijn moeder pas in volle omvang tot me doordrong in de late jaren zeventig. Paul Hellmann laat in zijn boek zien hoe zoiets werkt. Hoe eerst de ondergang van een gedeelte van zijn familie weliswaar op de achtergrond er steeds is maar daar ook wordt gelaten. Hoe daarna, zoals in de late jaren zeventig bij een bezoek aan Westerbork, de oorlogsjaren onvermijdelijk toch meer betekenis krijgen. In 1985 vraagt hij een Yad Vashem onderscheiding aan voor Mevrouw, bij wie hij ondergedoken was. Sindsdien leek het of ‘de oorlog’ in mijn leven een grotere rol speelde. En in 1992 gaat Paul Hellmann naar het congres Het ondergedoken kind. Een groot deel van de tijd voelde ik me misplaatst: iemand die niet op de gebruikelijke manier ondergedoken was geweest, geen joodse opvoeding had gehad, en sterker nog, vanwege een Nederlandse grootmoeder aan moeders kant misschien niet eens als joods gold. Terwijl anderen uitweidden over hun ervaringen, deed ik er dan ook meestal het zwijgen toe.
Dat woordje misschien raakt me in het hart. Ook om wat erop volgt. De enige keer dat ik uit mijn rol viel, was op de laatste dag in een kamertje van een medewerkster bij wie informatie was te krijgen over doden en vermisten. Het simpelweg noemen van Bernhards naam leidde in die kale ruimte onverwacht tot een golf van emotie die zowel mijzelf als haar overrompelde. Toch, schrijft Paul Hellmann, viel hij toen weer terug in zijn rol van buitenstaander. Die positie van buitenstaander leek drie jaar nadien nog eens te worden bevestigd door het aan de Jodenvervolging gewijde boek In Memoriam, waarin achter mijn naam ‘vermist’ stond. Het is in 1995 kort na zijn pensionering dat Paul Hellmann een bij een antiquair al omstreeks 1980 opgedoken hutkoffer met brieven, documenten, albums en losse foto’s van zijn vaders familie opent. Het doorbreekt het zwijgen. Het leidt in 2005 tot het bezoek aan Auschwitz en Sobibor en daarna tot de beslissing als medeaanklager op te treden in het proces tegen Demjanjuk en zo zijn positie als buitenstaander op te geven. Zijn boek geeft één van de medeaanklagers een gezicht en is tevens een monument voor zijn vader die in Sobibor is vermoord. Paul Hellmann. Mijn grote verwachtingen, Herinneringen, uitgeverij Augustus, 2009. Lezen over Auschwitz vrijdag 4 december 2009 De vraag of je dichter bij Auschwitz komt, zo dat al mogelijk is, door er naar toe te gaan of door er over te lezen, valt niet te beantwoorden. Want wat je over Auschwitz hebt gelezen, bepaalt mede je kijk op Auschwitz. En misschien is het concentratiekamp ook alleen maar als literaire verbeelding voorstelbaar, niet als werkelijkheid, schreef Imre Kertész. De literatuur over Auschwitz had een bijkomend effect en dat had ik eigenlijk ook wel kunnen verwachten. Het beschermde tegen plotselinge emoties. Dat gold zeker bij het bezoek aan Auschwitz-I. Maar de bescherming viel vrijwel weg toen we op die Rampe in Auschwitz-Birkenau liepen. En dat kwam eveneens door wat ik had gelezen. Bij het aanvaarden van de Nobelprijs voor literatuur zei Kertész dat hij de eigen herinnering aan Auschwitz getoetst had aan enkele ‘authentieke’ bronnen en hij noemde toen Tadeusz Borowski’s zuivere, zelfkwellend wrede verhalen. Stenen wereld, de verhalenbundel van Tadeusz Borowski uit 1948, door Kertész in een paar rake woorden getypeerd, was één van de twee boeken die ik vorige maand had meegenomen op onze reis naar Krakau en Auschwitz. Borowski, geboren in 1922, was een niet-Joodse Poolse gevangene die als Vorarbeiter Auschwitz kon overleven. In Stenen wereld laat Borowski onverbloemd en ook voor zichzelf pijnlijk nauwgezet zien hoe men daardoor onvermijdelijk terecht komt in het schemergebied tussen slachtoffer en beul. Wie dat vreselijke dilemma tot zich wil laten doordringen, nogmaals: zo dat al mogelijk is, moet Borowski lezen. Waar het mij in deze column om gaat, is het verhaal Hierheen naar de gaskamer, dames en heren. Borowski beschrijft in dat verhaal wat er gebeurt op het kleine stationnetje van Auschwitz na de aankomst van een trein met Joden uit Bedzin-Sosnowiec. Borowski was toen werkzaam in wat Canada werd genoemd en hij heeft als gevangene de van de Joden afgenomen bezittingen verzameld. Het valt niet mee om dat te lezen. Toch een fragment. Borowski komt te staan tegenover een met het transport meegekomen mooi meisje met een verstandige, rijpe uitdrukking in de ogen. Op haar vraag waar ze haar heen brengen, antwoordt hij niet. Ze kijkt hem recht in het gezicht en wacht. Borowski weet: Daar is de gaskamer: een gemeenschappelijke dood, afgrijselijk en weerzinwekkend. Daar is het kamp (…) het onmenselijke werk en diezelfde gaskamer, alleen een nog afschuwelijker dood, nog weerzinwekkender, nog vreselijker. Naast Stenen wereld van Tadeusz Borowski had ik Schuld en boete voorbij van Jean Améry meegenomen. De essaybundel dateert uit 1966. Ook hier is Kertész, die dit jaar de Jean Améry-Preis für Essayistik kreeg, een verbindende schakel. In eerdere columns heb ik de woorden Jood op bevel van Kertész aangehaald. Aan die woorden dacht ik weer toen ik Auschwitz bezocht en kort daarvoor Améry had herlezen. Jean Améry heette eigenlijk Hans Mayer (waarvan Améry een anagram is). Als Hans Mayer is Améry in 1912 in Wenen geboren. Hij is in 1938 Oostenrijk ontvlucht en naar België uitgeweken. In 1943 is hij opgepakt. In januari 1944 is hij op transport gesteld naar Auschwitz en tewerkgesteld in Auschwitz-Monowitz. Dat heeft hij overleefd. Irene Heidelberger-Leonard heeft in 2004 een biografie van Améry geschreven met de titel Revolte in der Resignation. Améry was de zoon van een Joodse vader en een halfjoodse moeder met een katholieke achtergrond. Erg duidelijk is Heidelberger hierover helaas niet. Zeker is dat Améry door zijn moeder, zijn vader was in de Eerste Wereldoorlog gesneuveld, meer christelijk dan Joods is opgevoed. Wel de kerstmis, niet de synagoge, schrijft Améry zelf. Toch, lees ik bij Heidelberger, was Améry in Wenen enige tijd lid van de Joodse gemeente. De essays van Améry zijn geschreven in de vorm van een dialoog met zichzelf. Centraal staan het kwijtraken van zijn Joodse waardigheid en de zoektocht om die terug te vinden. Améry schrijft vanuit het perspectief van het slachtoffer en heeft in zijn essays de betekenis daarvan van verschillende kanten proberen te benaderen. Louter en alleen omdat hij een Jood is, is hij vervolgd. Maar, is één van de stellingen van Améry, de vervolging heeft hem ook tot Jood gemaakt. In De noodzaak en onmogelijkheid Jood te zijn, het laatste essay uit Schuld en boete voorbij, concludeert Améry dat als ‘Jood-zijn’ het bezit van een bepaalde cultuur, een religieuze verbondenheid impliceert, dan was ik er geen en zal ik er nooit één kunnen zijn. Het begon pas toen ik in 1935 in een Weens café over een krant gebogen zat om de net uitgevaardigde wetten van Neurenberg te bestuderen. Ik hoefde ze maar oppervlakkig door te nemen om te beseffen dat ze op mij van toepassing waren. De samenleving had me bij monde van de nationaal-socialistische Duitse staat (…) klaar en duidelijk tot Jood gemaakt. Améry zei het ook als volgt. Op mijn linkerarm draag ik het nummer van Auschwitz. Als ik zeg dat ik Jood ben, dan bedoel ik daarmee de werkelijkheden en mogelijkheden die in dat Auschwitz-nummer samengevat zijn. Ernst Weiss vrijdag 20 november 2009 Ook van Ernst Weiss is een koffer met manuscripten verloren gegaan en net als in het geval van Schulz, over wie ik in mijn vorige column schreef, is dat in een boek van een andere schrijver, Anna Seghers, verwerkt. Weiss is in 1882 geboren in Brünn (het huidige Brno) als zoon van een Joodse stoffenhandelaar. Hij is opgeleid tot arts en werkte als chirurg in Berlijn en Wenen. Hij heeft daarnaast een groot aantal romans geschreven, vóór 1940 onder andere Der Kampf en Der arme Verschwender. Weiss heeft in volgende drukken de titel van Der Kampf gewijzigd in Franziska. Toen moest Mein Kampf nog verschijnen. Dat had er dus niets mee te maken. Weiss heeft tijdens zijn studietijd in Praag Kafka leren kennen. Op de omslagen van de boeken van Weiss staat steevast dat hij bevriend was met Kafka. Dat is niet onjuist maar er is wel aanleiding om een kanttekening te plaatsen. Vanaf 1913 vinden we in de dagboeken en brieven van Kafka verwijzingen naar Weiss. Kafka schrijft in het begin zeer positief over Weiss, Jood van de soort die het dichtst het type van de West-Europese Jood benadert, men voelt zich daarom meteen bij hem thuis. De vriendschap tussen Kafka en Weiss gaat in die jaren zover dat Weiss, hij woonde toen in Berlijn, nauw betrokken is geraakt bij de verwikkelingen rond de eerste verloving van Kafka met Felice Bauer. Op 12 juli 1914 vond in hotel Askanischer Hof in Berlijn het beroemde gesprek plaats waarbij de verloving werd verbroken. Canetti heeft in zijn boek Het andere proces de briefwisseling tussen Kafka en Felice Bauer en het gesprek in hotel Askanischer Hof indringend beschreven. Canetti en anderen gaan ervan uit dat ook Weiss daar aanwezig was, omdat Kafka later aan Felice Bauer schrijft dat zij Weiss toen met tranen in de ogen had aangehoord. Weiss bracht iets mee, schrijft Canetti, dat voor Kafka van onschatbare waarde was, zijn onvoorwaardelijke afwijzing van Felice Bauer. Weiss zag niet veel in een verbintenis die Kafka onvoldoende vrijheid liet om zich helemaal aan het schrijverschap te wijden. Dat heeft echter ook de neergang van de vriendschap tussen Kafka en Weiss ingeluid. Weiss had weinig begrip voor de ambivalentie van Kafka ook in de relatie met Felice Bauer met wie Kafka de banden weer aanhaalde. Het onbegrip van Weiss irriteerde op zijn beurt Kafka die daarom enige afstand is gaan houden. Bij Weiss speelde nog iets wat een blijvende wrok lijkt te hebben opgeleverd. Volgens Weiss had Kafka hem beloofd Der Kampf, dat hij een goed boek vond, openlijk aan te bevelen. Maar dat heeft Kafka nooit gedaan. In de laatste levensjaren van Kafka lijkt de vriendschap weer enigszins hersteld. Weiss heeft Kafka nog in september 1923 in Berlijn opgezocht. Later uit Weiss zich toch weer kritisch over Kafka. Weiss heeft in 1933 Duitsland verlaten. Hij ging eerst naar Praag om zijn moeder te verplegen, die in januari 1934 overleed. Daarna ging hij naar Parijs waar hij nog steeds woonde toen de Duitsers op 14 juni 1940 Parijs binnenvielen. Diezelfde dag nam Weiss vergif in en sneed hij zijn polsen door. Een koffer met handschriften is verloren gegaan. Ook is onbekend waar hij begraven ligt. Anna Seghers (1900-1983), eveneens uit Duitsland naar Parijs gevlucht, heeft de dood van Weiss en de verdwenen koffer met handschriften verwerkt in haar roman Transit uit 1944 waarin zij tevens haar ervaringen heeft weergegeven met de vele vluchtelingen die uit Marseille probeerden weg te komen. Anna Seghers lukte het om in 1941 Mexico te bereiken. In Transit heet Weiss Weidel. Weidel, die in een café altijd met zijn neus in een krant zit, om toch maar door niemand te worden aangesproken en in die krant heeft hij dan met een speldje gaatjes geprikt om zo verscholen het doen en laten van de mensen na te gaan. Het is de omschrijving van de ooggetuige. Een manuscript van Weiss, Der Augenzeuge, is na de oorlog opgedoken en in 1963 alsnog in druk verschenen. Dat kwam omdat Weiss het manuscript van dit boek in 1938 in het kader van een prijsvraag naar een Amerikaanse uitgever had gestuurd. Dat leidde toen niet tot een publicatie en Weiss heeft het boek vervolgens omgewerkt. Dat manuscript is verloren gegaan, maar de naar Amerika gestuurde eerdere tekst kon in 1963 alsnog worden uitgegeven. De ooggetuige verscheen kort daarna ook in het Nederlands en is in 2007 door Van Gennep opnieuw uitgegeven. Terecht want De ooggetuige is een belangrijk boek. De hoofdpersoon, een arts, geneest tijdens de Eerste Wereldoorlog korporaal A.H. van zijn hysterische blindheid. Dat gegeven gaat een centrale rol spelen in het verdere leven van de arts. Het biedt Weiss de gelegenheid om het antisemitisme van zijn tijd haarscherp in beeld te brengen. De blinde haat tegen de Joden keerde steeds terug, het was de geheimzinnige kern van zijn ziel. Ik wist wel, dat ik hem voor altijd van zijn hysterische blindheid (…) maar geen ogenblik van zijn Jodenhaat had genezen. Het opmerkelijke boek van Weiss toont opnieuw aan dat men in 1938 kon weten wat daarvan komt. In Praag is daarna plotseling nog een manuscript van Weiss opgedoken. Het is in 1998 voor het eerst uitgegeven en in 2006 ook in Nederlandse vertaling verschenen, eveneens bij Van Gennep. Het boek, Jarmila, Een liefdesgeschiedenis uit Bohemen, laat opnieuw zien dat Weiss een echte verteller is. Het is in de eerste plaats een liefdesgeschiedenis en de geschiedenis van de tijd vóór de sjoa komt, anders dan in De ooggetuige, niet springend naar voren. Toch ligt daaronder, net als in veel van zijn andere boeken, tevens het persoonlijke levensverhaal van Weiss. Ook de hoofdpersoon van Jarmila woont in Parijs. Het Praag dat Weiss goed heeft gekend, is door hem in deze mooie novelle met liefde beschreven. De verwikkelingen tussen Weiss en Kafka stonden daaraan gelukkig niet in de weg. Bruno Schulz vrijdag 13 november 2009 De nazi’s hebben niet alleen Joodse schrijvers vermoord. In die donkere dagen zijn ook manuscripten verloren gegaan. Een bekend voorbeeld is de schrijver Bruno Schulz, in 1942 doodgeschoten in Drohobycz (Galicië) waar hij in 1892 was geboren. Schulz schreef in het Pools. Van hem zijn maar twee boeken, De Kaneelwinkels (1934) en Sanatorium Clepsydra (1937), bewaard gebleven. Plus enkele verhalen. Er moet meer zijn geweest, onder andere een manuscript met de titel De Messias. De biograaf van Schulz, Jerzy Ficowski, heeft uitgebreid gezocht maar niets gevonden. Het manuscript zal wel voor altijd verdwenen zijn. De van Schulz bewaard gebleven boeken en verhalen zijn in het Nederlands vertaald en in een prachtig vormgegeven uitgave te koop. Een heerlijk boek om te lezen en om af en toe weer in handen te nemen. De vertaler, Gerard Rasch, heeft een uitstekend nawoord geschreven waarin hij opmerkt dat in het proza van Schulz weinig sporen van zijn Joodse achtergrond terug te vinden zijn. De personen uit zijn boeken dragen Poolse namen, hoewel het vaststaat dat hun prototypen joods waren. In de tekeningen van Schulz (hij was werkzaam als tekenleraar op zijn oude gymnasium) is het joodse veel prominenter aanwezig. Niettemin is De Kaneelwinkels terecht opgenomen in de canon van belangrijke moderne Joodse literatuur, waarover ik in mijn eerste column heb bericht. Ook de tekeningen van Schulz zijn helaas maar gedeeltelijk bewaard gebleven. Er zijn verschillende uitgaven van die tekeningen. Ik bezit Das graphische Werk, de tentoonstellingscatalogus van het Literaturmuseum Warschau. Ook dat is een boek dat ik graag af en toe ter hand neem. De sfeer van de boeken en van de tekeningen is dezelfde. Volgens Ficowski waren de tekeningen met een Joods onderwerp bedoeld als illustraties voor De Messias. Het kunnen tekenen heeft Schulz eerst het leven verlengd en daarna het leven gekost. Op 1 juli 1940 vallen de Duitsers Drohobycz binnen en Schulz verliest als Jood zijn baan. Het lid van de gestapo Felix Landau, afkomstig uit Wenen (Landau was de naam van diens Joodse stiefvader), heeft de ontslagen tekenleraar sprookjesfiguren laten aanbrengen op de muren van de kamer van één van zijn kinderen. In het door de Duitsers ingerichte getto van Drohobycz vond op 19 november 1942 een moordpartij plaats. Schulz en ongeveer 230 andere Joden lieten het leven. Schulz werd door een andere gestapoman, Karl Günther, door het hoofd geschoten als wraak op Landau die kort daarvoor een door Günther ‘beschermde’ Joodse tandarts had vermoord. Günther moet tegen Landau hebben gezegd: Jij vermoordde mijn Jood en daarom vermoordde ik de jouwe. Schulz is op de plaatselijke Joodse begraafplaats begraven. Ook zijn graf is nooit teruggevonden. Resten van de voor Landau gemaakte muurschilderingen zijn wel teruggevonden en daarna heimelijk uit de Oekraïne naar Israël overgebracht. In Yad Vashem zijn ze te zien. De Oekraïne was hierover zeer ontstemd maar er is nu een regeling getroffen. Israël heeft erkend dat de muurschilderingen aan de Oekraïne toebehoren en de Oekraïne heeft ingestemd met langdurig bruikleen aan Israël. Schulz heeft de sprookjesfiguren die hij schilderde op de muren van de kinderkamer dezelfde Joodse gezichten gegeven als op zijn vroegere tekeningen. Schulz is, in de woorden van David Grossman, de geniale architect van een unieke taalexistentie. Maar niet alleen daardoor is Schulz een writer’s writer. Ook het thema van de verloren gegane manuscripten en de soms obsessieve zoektocht naar die manuscripten heeft een aantal schrijvers geïnspireerd. Philip Roth gebruikt het in zijn korte roman De Praagse orgie, al situeert hij de door de Duitsers vermoorde schrijver in Praag. Nathan Zuckerman, hoofdpersoon van meer boeken van Philip Roth, gaat naar Praag om de ongepubliceerd gebleven verhalen op te halen. Zuckerman krijgt de manuscripten, maar raakt ze ook weer kwijt. Cynthia Ozick gebruikt het thema van het verloren gegane manuscript in haar roman De Messias van Stockholm. Een oorlogswees werkt als journalist in Stockholm (een van de weinige plaatsen buiten Polen die Schulz, las ik bij Ficowski, ooit heeft bezocht). Hij denkt dat hij de zoon van Schulz is en hoopt het verloren gegane manuscript van De Messias terug te vinden. Via een vrouwelijke boekhandelaar en haar partner komt hij in contact met iemand die zegt de dochter van Schulz te zijn en het manuscript te bezitten. Het manuscript bestaat uit losse papieren die in willekeurige volgorde kunnen worden gelegd en uiteindelijk gaat het vermeende manuscript in vlammen op. Heel anders verwerkt David Grossman Schulz en diens verloren gegane manuscript in zijn grote roman Zie: liefde. Ook die roman is opgenomen in de canon van moderne Joodse literatuur. David Grossman, die de sjoa niet zelf heeft meegemaakt, beschrijft de zoektocht van zijn jeugdige hoofdpersoon naar wat er in die tijd is gebeurd en in die zoektocht spelen Schulz en De Messias een belangrijke rol. Ook bij David Grossman komt het manuscript niet boven water. Letterlijk, want Schulz verlaat in het boek van Grossman het getto van Drohobycz om in Danzig te water te gaan en uiteindelijk te verdwijnen in de anonimiteit van een school vissen. Schulz geeft in zijn boeken, die hij ook zelf heeft geïllustreerd, een beeld van de wonderlijke wereld van zijn jeugd in Drohobycz. Hij heeft, ik citeer Philip Roth, Drohobycz omgetoverd tot een angstaanjagender en wonderbaarlijker plaats dan die in werkelijkheid was. Het eerste hoofdstuk van Sanatorium Clepsydra heet Het Boek. Het gaat om een boek uit zijn kindertijd, dat in volle pracht lag op vaders bureau. Dit boek obsedeert hem. Het beeld van het Boek bleef met een heldere vlam in mijn ziel branden. Uiteindelijk krijgt hij het Boek in handen. Nog slechts enkele bladzijden met advertenties zijn er over, want elke dag waren er bladzijden uitgescheurd voor het vlees van de markt en vaders middagboterham ... Ook hier het thema van het verloren gegane boek. Met deze veel te korte aanduiding van een prachtig hoofdstuk van Sanatorium Clepsydra doe ik Schulz geen recht. Er zit echt niet anders op dan Schulz zelf te gaan lezen. De zwarte zwaan van Israël vrijdag 6 november 2009 Else Lasker-Schüler is er altijd voor uitgekomen dat zij een Jodin was. Hebräische Balladen noemde zij de dichtbundel die in 1912 verscheen. Zij nam daarin ook gedichten op die al in eerdere bundels stonden, zoals Versöhnung (over Jom Kipoer) en Mein Volk. Met deze beide gedichten opent Hebräische Balladen. Ook Sulamith was al eerder gepubliceerd. Dit gedicht uit Hebräische Balladen eindigt met de regel: Und meine Seele verglüht in den Abendfarben Jerusalems. Het zal de laatste jaren van haar leven letterlijk het geval zijn. Op 19 april 1933 ontvlucht Else Lasker-Schüler Duitsland. Zij gaat naar Zürich. Daar schrijft zij enkele gedichten die tot de mooiste van de exilliteratuur behoren. Toen Else Lasker-Schüler hals over kop en voor altijd Berlijn moest verlaten, liet zij twee koffers inpakken die verloren zijn gegaan. Maar misschien heeft ze haar blauwe Puppenklavier toch nog kunnen meenemen. In een ontroerend gedicht maakt ze die kleine piano tot symbool van wat verloren ging: Ich habe zu Hause ein blaues Klavier
Und kenne doch keine Note. Es steht im Dunkel der Kellertür,
Seitdem die Welt verrohte. (…)
Een ander gedicht, Die Verscheuchte, heeft Klaus Mann opgenomen in zijn tijdschrift Die Sammlung, dat bij Querido in Amsterdam uitkwam. Een eerdere versie had Else Lasker-Schüler Das Lied der Emigrantin genoemd. In het gedicht staan de volgende twee regels: Die Welt erkaltete, der Mensch verblich.
- Komm bete mit mir - denn Gott tröstet mich. Na 1933 gaat Else Lasker-Schüler met een zekere regelmaat naar de synagoge en onderhoudt ze meer dan voorheen contacten met rabbijnen en anderen uit de Joodse gemeenschap. In Zürich bezoekt zij de synagoge van rabbijn Martin Littmann. De Joodse gemeente van Zürich betaalde voor de berooide dichter van Hebräische Balladen de huur van haar woning. Tweemaal is zij voor enige tijd naar het toenmalige mandaatgebied Palestina gereisd, in 1934 en in 1937. Van haar eerste reis heeft zij in haar boek Das Hebräerland verslag gedaan. Op 27 maart 1939 reist Else Lasker-Schüler, ze is dan al 70, voor de derde keer naar Palestina waar ze op 4 april 1939 aankomt. Definitief, want Zwitserland zal haar geen inreisvergunning meer geven. Ze is ziek en moe. Er is een enkele foto van haar laatste levensjaren in Palestina en Miron Sima heeft een tekening van haar gemaakt. Een oude vrouw. Maar, zei Miron Sima, haar ogen kijken je doordringend aan en je hebt de indruk dat ze wil aftasten wat er in je omgaat. Else Lasker-Schüler is doodop, maar vindt toch de energie om nog zoveel mogelijk te doen. Ze schrijft brieven om achtergebleven vrienden en bekenden die gevaar lopen te helpen. Ze richt zich tot paus Pius XII met het verzoek zich om de Joden te bekommeren. Ze zet zich in voor betere relaties tussen Joden en Arabieren, doch unsere Brüder im Herzen. En ze dicht nog steeds. De in 1943 in Jeruzalem uitgekomen bundel, Mein blaues Klavier, Neue Gedichte, bevat naast de al in Zürich geschreven gedichten ook een aantal nieuwe gedichten. An Ihn, gedichten voor Ernst Simon die zij in Palestina heeft ontmoet. Op hem richt ze haar laatste liefdesgedichten, Komm zu mir in der Nacht - wir schlafen engverschlungen. Een dichterlijk verlangen, want van een liefdesrelatie is geen sprake geweest. Bovendien schrijft ze een eerste versie van een theaterstuk, IchundIch. De gedichtenbundel Mein blaues Klavier werd goed ontvangen, door Werner Kraft bijvoorbeeld, door Schalom Ben-Chorin en de nog jonge Lea Goldberg. Maar ook in Palestina stuit Else Lasker-Schüler soms op weerstand. Op één van haar eerdere reizen wilde zij Hugo Bergmann opzoeken maar trof diens buurman Gershom Scholem. Aan hem vertelde ze over haar ontmoetingen en gesprekken met koning David en dat schoot Gershom Scholem in het verkeerde keelgat. Gershom Scholem schreef aan Walter Benjamin: Sie hat eine halbstündige Unterredung mit dem König David gehabt, über die sie nun von mir kabbalistischen Aufschluss verlangt. Und ich bin leider nicht einmal überzeugt, dass sie ihn wirklich gesehen hat. Op een andere plaats laat hij zich nog scherper over haar uit: Eine Ruine, in der der Wahnsinn weniger haust als gespenstert. Ook Martin Buber had zij over haar openbaringen verteld. Martin Buber ziet er evenmin iets in en probeerde haar het verschil tussen een openbaring en dichterlijke inspiratie uit te leggen. Daaraan had zij echter geen boodschap. Martin Buber heeft ook altijd getwijfeld over de betekenis van haar gedichten. Was het nou wat of was het niks? Toch ging Martin Buber op 20 juli 1941 naar de Berger Club in Jeruzalem waar Else Lasker-Schüler uit IchundIch las. Hij moest op de grond zitten want het was stampvol. Toch was niet iedereen gekomen. Gershom Scholem liet verstek gaan. De lezers van deze tijd kunnen de gedichten van Else Lasker-Schüler op hun eigen merites beoordelen. Gedichten kunnen immers niet liegen. Else Lasker-Schüler staat de beoordeling niet meer in de weg. Haar gedichten worden nog steeds gelezen. En dat komt omdat zij haar gedichten heeft geleefd. In Jeruzalem ging Else Lasker-Schüler graag naar de synagoge Emet weEmoena van rabbijn Kurt Wilhelm. Op 22 januari 1945 sterft ze. Kurt Wilhelm leidde de dienst en citeerde haar gedicht Ich weiss, dass ich bald sterben muss met als laatste regels: Ich setze leise meinen Fuss / Auf den Pfad zum ewigen Heime. A.J. Agnon zei Kaddiesj. Naast de nieuwe biografie van Kerstin Decker heb ik gebruik gemaakt van een eerdere biografie uit 2004 van de hand van Sigrid Bauschinger, die veel feiten geeft. De biografie van Sigrid Bauschinger en ook Die Gedichte zijn te koop als Suhrkamp Tachenbuch. Verder verwijs ik naar de mooie uitgaven van het werk van Else Lasker-Schüler in de Jüdischer Verlag van Suhrkamp. Kafka en Else Lasker-Schüler vrijdag 30 oktober 2009 Kafka blijft slechts kort in Berlijn als hij Felice Bauer voor de eerste keer opzoekt. Toch vindt hij tijd om naar café Josty te gaan. Op 24 maart 1913 moet hij daar Else Lasker-Schüler hebben ontmoet want beide schrijvers ondertekenen een ansichtkaart aan hun gezamenlijke uitgever Kurt Wolff. Kafka schrijft: Sehr geehrter Herr Wolff! … Bis ich sie ins Reine werde haben schreiben lassen, schicke ich sie natürlich sehr gerne. Ihr ergebener F. Kafka. Kafka doelt in dit grammaticale hoogstandje op zijn verhaal Die Verwandlung dat Kurt Wolff wilde uitgeven. Ook anderen ondertekenen, Else Lasker-Schüler met Abigail Basileus III. Een kleinood van de Duitse literatuurgeschiedenis noemt Kafkabiograaf Reiner Stach de ansichtkaart. De ontmoeting tussen beide schrijvers is opvallend en niet alleen omdat Kafka de tijd en de energie vond om naar café Josty te gaan. Kafka wist dat hij daar Else Lasker-Schüler kon tegenkomen, hoewel hij een aantal weken daarvoor aan Felice Bauer had geschreven dat hij haar gedichten niet kon uitstaan en alleen maar weerzin voelde. Das wahllos zuckende Gehirn einer sich überspannenden Grossstädterin, oordeelt Kafka venijnig. Een scherpe afwijzing in bewoordingen die we van Kafka zo niet kennen. Waarom? Kerstin Decker volgt in haar nieuwe biografie van Else Lasker-Schüler de analyse van Reiner Stach. Kafka wilde niets weten van teugelloosheid. Het onbeheerste en het extreme vond hij vooral destructief. Hij reageerde dan furieus, zoals in het geval van Else Lasker-Schüler. Kafka hield zich verre van zulke schrijvers, omdat hij bang was om misschien toch iets aan te treffen dat hem persoonlijk zou kunnen raken. Het hield hem echter niet tegen om naar café Josty te gaan en hij vond het niet nodig om in de verdere briefwisseling met Felice Bauer te vertellen dat hij daar was geweest en Else Lasker-Schüler had ontmoet. Else Lasker-Schüler heeft hem nauwelijks opgemerkt, hoewel zij een antenne had voor mensen die haar niet mochten. Pas in 1927, Kafka is dan al overleden, refereert zij aan Kaffka (!) in een brief aan Paul Goldscheider. De hoofdletter K heeft zij voorzien van een stralenkrans. Niet lang na 24 maart 1913 gaat Else Lasker-Schüler naar Praag om daar voor te lezen. Met veel succes. Max Brod en Egon Erwin Kisch waren onder haar gehoor. En vermoedelijk ook Kafka, schrijft Kerstin Decker. Na afloop gaat een gezelschap eerst naar café Arco om daarna een wandeling te maken op de Altstädter Ring waar een politieman de buitenissig geklede, in gebed neergezonken Else Lasker-Schüler wegens haar in zijn ogen vreemde gedrag arresteert. Zij stelt zich voor als de Prins van Thebe waarop Kafka zou hebben gezegd: Dies ist nicht der Prinz von Theben sondern eine Kuh vom Kurfürstendamm. Een te mooi verhaal om niet door te vertellen, maar het is zeer de vraag of het waar is. Reiner Stach verwijst naar dit alles slechts in een noot en laat de uitlating van Kafka weg. Er is ook maar één bron. Bovendien het past niet goed bij Kafka. En Else Lasker-Schüler, had ze de opmerking van Kafka gehoord, zou later vast geen stralenkrans hebben getekend. Extreem was Else Lasker-Schüler zeker. Maar nu, ongeveer een eeuw later, kijken we van haar gedrag minder op. In het Berlijn van haar tijd stond ze aan de wieg van de avant-garde, niet alleen met haar gedichten maar ook met haar optredens, performances zouden we nu zeggen. Beroemd is de tekening waarin ze in een exotisch pak op een fluit speelt.
Leven en dichten vielen bij Else Lasker-Schüler samen. Zij noemt zich Tino van Bagdad of Jussuf, de Prins van Thebe. En ook haar geliefden krijgen nieuwe namen. Achter Giselheer gaat de dichter Gottfried Benn schuil. En die namen gebruikt ze niet alleen in haar gedichten. Wahrheit und Dichtung zijn soms moeilijk te ontrafelen en dat maakt een biografie van Else Lasker-Schüler tot spannende lectuur. Maar gedichten, zei Else Lasker-Schüler, gedichten kunnen niet liegen. Misschien wel de mooiste liefdesgedichten van Else Lasker-Schüler zijn aan Gottfried Benn gewijd. Giselheer dem Tiger
Über dein Gesicht schleichen die Dschlungeln. O, wie du bist! Deine Tigeraugen sind süss geworden In der Sonne. Ich trage dich immer herum Zwischen meinen Zhänen. (...) Aan Giselheer de tijger
Over je gezicht sluipen de jungles. Zoals jij bent! Je tijgerogen zijn zoet geworden In de zon. Ik draag je aldoor rond Tussen mijn tanden. (...) Onverminderd felle, indringende liefdespoëzie en het doet er niet toe voor wie bedoeld. Het zijn dichtregels die iedereen graag uit de mond van een geliefde wil horen. Veertig jaar later herdenkt Gottfried Benn Else Lasker-Schüler en schildert hij een liefdevol portret: een kleine slanke vrouw in extravagante kleren, behangen met kettingen en ringen, die iedereen op straat nakeek, dat was de Prins van Thebe, Jussuf, Tino van Bagdad, de zwarte zwaan. En, schrijft Gottfried Benn, zij was de grootste lyrische dichter die Duitsland ooit heeft gehad. Het is Peter Hille die haar de zwarte zwaan van Israël heeft genoemd. In de volgende column de Joodse kant van Else Lasker-Schüler die onder andere de ‘Hebräische Balladen’ schreef en in 1939 naar Palestina is gegaan waar ze in 1945 is overleden. Aanleiding tot deze column is de deze maand verschenen biografie van Kerstin Decker, Mein Herz – Niemandem, Das Leben der Else Lasker-Schüler, Propyläen, 2009. De vertaling van een gedeelte van het gedicht Aan Giselheer de tijger is uit Menno Wigman, Altijd kleurt je bloed mijn wangen rood, De mooiste liefdesgedichten van Else Lasker-Schüler. Rahel Varnhagen vrijdag 23 oktober 2009 Op 12 april 1801 trouwt Rose Levin uit Berlijn met de Amsterdamse jurist Carolus Asser. Haar zuster Rahel Levin is bij het huwelijk niet aanwezig. Dat vindt haar familie minder gewenst. Rahel, dan 29 jaar oud, is onvoldoende salonfähig na haar stormachtige liefdesrelatie met Karl Graf von Finckenstein. Kort na het huwelijk gaat Rahel haar zuster Rose alsnog opzoeken. Zij zal met Carolus Asser een goede relatie opbouwen waarvoor haar levenswandel en latere doop geen beletsel vormen, ook al speelde Carolus Asser een belangrijke rol in Joods Nederland. Carolus Asser was in 1806 één van de afgevaardigden van de afgescheiden gemeente Adath Jessurun naar het Grand Sanhedrin van Napoleon en maakte zich sterk voor de emancipatie van de Joden in Nederland. Hij deed dat voor de Joden als groep. Ook Rahel Levin wilde zich cultureel en sociaal ontwikkelen, maar zij probeerde dat door te assimileren, door zich aan haar Joodse afkomst te onttrekken. Daarover gaat deze column. Rahel Levin, rebelse dochter van een rijke Joodse bankier uit Berlijn, was een boeiende persoonlijkheid. Goethe bewonderde haar grote originaliteit. Ze was intelligent en scherp van tong en pen, met veel kennis van theater en literatuur. Als twintigjarige had ze al Rousseau, Lessing, Shakespeare, Dante en Montaigne gelezen. Ze is bekend geworden door haar salon waar kunstenaars, filosofen en diplomaten kwamen. Wat had ik een dergelijke salon graag eens meegemaakt. Ik zou daar de mooie Henriette Herz en ook Dorothea Veit, de dochter van Moses Mendelssohn, hebben ontmoet en later de jonge Heinrich Heine. Rahel was goed in het onderhouden van vriendschappen en een groot brievenschrijver. Al kort na haar dood verscheen Das Buch des Andenkens für ihre Freunde. De brievenboeken naar de originele handschriften die de laatste tijd één voor één door C.H. Beck worden uitgegeven, beslaan vele delen. Rahel Levin was niet de enige jonge Joodse vrouw die in de jaren vóór 1806 salon hield. Het was in die tijd voor vrouwen vrijwel de enige mogelijkheid om deel te kunnen nemen aan het sociale en culturele leven. De vrouwen van de Berlijnse salons wilden zich bovendien ontworstelen aan de beperkingen die voor hen als vrouw en als Jodin golden. Het afstand willen nemen van haar Joodse achtergrond heeft Rahel in de briefwisseling met haar jeugdvriend David Veith meermalen verwoord, vaak ook in voor Joden weinig vleiende bewoordingen. Solche Leute wie wir, können nicht Juden sein. Door doop en huwelijk dacht men zich aan het jodendom te kunnen onttrekken. Opvallend voor deze Berlijnse salons rond 1800 is de rol die de Duitse adel daarin speelt. Ook Rahel wil via de adel hogerop komen: Ich bin eine Falschgeborene und sollte eine Hochgeborene sein. Over de contacten tussen deze Joodse vrouwen en de Duitse adel valt veel te lezen in het boek van Deborah Hertz, Die jüdischen Salons im alten Berlin. Daarin tevens interessante gegevens over het aantal Joden dat zich in die tijd liet dopen. Op 27 september 1814 trouwt Rahel Levin met de veertien jaar jongere Karl August Varnhagen. Ook Rahel heeft zich enige dagen voor haar huwelijk laten dopen en ze heet voortaan Friederike Antonie Varnhagen von Ense. Voor vrienden bleef ze echter Rahel en onder de naam Rahel Varnhagen is ze bekend gebleven. Ze bleef zichzelf als Rahel zien: Der Zug R bleibt mein Wappen. Er zijn genoeg boeken over het bewogen leven van Rahel Varnhagen voorhanden. Maar ook de biografie van Hannah Arendt, Rahel Varnhagen, Lebensgeschichte einer deutschen Jüdin aus der Romantik, is nog steeds het lezen waard. Hannah Arendt schreef haar boek over Rahel Varnhagen in twee gedeelten, de eerste hoofdstukken in het begin van de jaren dertig, de laatste twee hoofdstukken zomer 1938, toen zij zich al bewust was van de naderende ondergang van het Duitse Jodendom. Het kleurt de laatste hoofdstukken. Hannah Arendt nam het manuscript in 1941 mee naar Amerika. In 1958 is haar biografie van Rahel Varnhagen voor het eerst in druk verschenen. Rahel Varnhagen heeft geprobeerd te assimileren maar, concludeert Hannah Arendt in het laatste hoofdstuk van haar boek, aus der Judentum kommt man nicht heraus. Hannah Arendt beschrijft hoe Rahel Varnhagen, die geborene Aussenseiterin, op latere leeftijd heeft ingezien dat al haar pogingen om te assimileren tot mislukken waren gedoemd. Angewachsen ist Rahel das Judentum wie dem Lahmen sein zu kurzes Bein. De vergelijking van Hannah Arendt is treffend. Rahel had het fysiek niet gemakkelijk, ze had reuma en haar gezondheid liet vaak te wensen over. Haar ene been was korter dan het andere. In 1819 was in Duitsland het Hep-Hep niet van de lucht. Rahel is hierover gränzenlos treurig en ze schrijft aan haar broer, sinds drie jaar zeg ik het: de Joden zullen aangevallen worden … Dit is de Duitse moed om in opstand te komen … het aanvallen van de Joden. Rahel komt tot het besef dat het haar niet is gelukt zich geheel en al van haar afkomst te bevrijden. Op 7 maart 1833 sterft ze en Varnhagen bericht dat zij op haar sterfbed moet hebben gezegd: Datgene wat ik mijn hele leven het allermeeste betreurd heb en wat het grote verdriet en het ongeluk van mijn leven was, dat ik als Joodse geboren ben, had ik nu voor geen goud willen missen. Interessant is de analyse van Hannah Arendt dat assimileren tot mislukken is gedoemd omdat men dan tevens het antisemitisme moet overnemen en omarmen. Jodenhaat, concludeert Hannah Arendt in 1938, behoort tot de Europese geschiedenis. Wie volledig wil assimileren, conformeert zich ook aan het antisemitisme van zijn tijd. En vooral indien antisemitisme uitgaat van de negatieve eigenschappen van het Joodse ras, is dat een onoplosbare paradox. Tegen die paradox is Rahel Varnhagen opgelopen. Dat geldt later ook voor Walter Rathenau, die in zijn jeugdjaren assimilatie heeft aangeprezen en heeft opgemerkt dat dit betekent dat je alle eigenschappen van de eigen groep, de slechte maar ook de goede, achter je moet laten als de meerderheid zich aan die eigenschappen ergert. Tegenwoordig hebben we het over integratie en niet meer over assimilatie. Het kan echter geen kwaad ons te blijven afvragen of wij wel helemaal gebroken hebben met de opvatting dat allochtonen zich maar moeten aanpassen en daarom volledig afstand moeten nemen van alles wat ons niet aanstaat, ook als dat hun identiteit aantast. Want die opvatting, zo leert de geschiedenis, staat integratie in de weg. Jacob Israël de Haan vrijdag 16 oktober 2009 In 1881 in Smilde geboren als zoon van een chazzan, dichter van het Joodse lied, schrijver van twee homoseksuele romans, rechtskundige, socialist, zionist, in 1921 naar Palestina geëmigreerd en na zich te hebben aangesloten bij een orthodoxe antizionistische beweging, in 1924 in Jeruzalem vermoord. Jacob Israël de Haan is ongetwijfeld één van de boeiendste figuren uit de Nederlandse letterkunde. Er is zelfs een op De Haan geïnspireerde roman, De Vriendt kehrt heim van Arnold Zweig. Een uitgave van die roman is afgebeeld op het vorige maand verschenen Jacob Israël de Haan-nummer van Uitgelezen Boeken. Ook de titel van de roman van Arnold Zweig is voor het Jacob Israël de Haan-nummer gebruikt: Een vriend komt thuis. De uitgave is een initiatief van de stichting Jacob Israël de Haan, die een jaar geleden is opgericht met als doel ‘het bevorderen van de studie van Jacob Israël de Haan, in de context van zijn tijd en in zijn historische betekenis’. De Bibliotheca Rosenthaliana is nauw bij de stichting betrokken. Concreet gaat het om het publiceren van werken van, of over De Haan en het organiseren van evenementen rond zijn persoon. Een eerder Genootschap Jacob Israël de Haan is ter ziele gegaan. Een vriend komt thuis is een mooie en toepasselijke titel voor deze eerste uitgave van de stichting Jacob Israël de Haan. De stichting laat weten op termijn te streven naar de heruitgave van het werk van De Haan en naar ‘een goede en complete’ en ‘uitstekende’ biografie. Maar we hebben toch de biografie van Jaap Meijer? De adjectieven zijn echter niet voor niets gekozen al lijken deze op het eerste gezicht vanzelfsprekend en dus overbodig. Een goede en complete biografie ontbreekt nog. Een bezwaar tegen de biografie van Jaap Meijer is onder meer dat deze eenzijdig is en vooral de Joodse kant van De Haan belicht. Het is ook vooral als dichter van Het Joodsche lied en van sommige Kwatrijnen dat De Haan in Joodse kringen wordt gewaardeerd. In de sidoer van het Verbond voor Progressief Jodendom zijn drie kwatrijnen opgenomen met de vertaling in het Ivriet van Jaap Meijer. Het is dus inderdaad de hoogste tijd dat er een volledige biografie van De Haan komt waarin aan alle aspecten van diens leven en werk aandacht wordt besteed. Aan de homoseksuele kant van De Haan doet Jaap Meijer in zijn biografie geen recht al heeft Jaap Meijer natuurlijk ook de kwatrijnen gekend waarin De Haan zijn homoseksualiteit telkens opnieuw verwoordt. In Ochtendgebed staat hij in tweestrijd: Ga ik naar de Klaagmuur voor de gebeden?
Of voor den kleinen Marokkaanschen Knaap? Die stout van lach en liefelijk van leden Mij dringend riep in onrustige slaap. Jaap Meijer kon de homoseksuele kant van De Haan kennelijk niet goed hanteren. Hij wist er geen raad mee. Evelien Gans laat daarvan in haar bijdrage in het nu verschenen Jacob Israël de Haan-nummer al iets zien. Op donderdag 22 oktober a.s. houdt Evelien Gans de eerste De Haan-lezing over Het spiegelgevecht van Jaap Meijer met Jacob Israël de Haan. Misschien komen we dan iets meer te weten. Anders is het wachten op het tweede deel van haar dubbelbiografie over Jaap en Ischa Meijer. Uit de doelstelling van de stichting zou kunnen worden afgeleid dat De Haan in Nederland in vergetelheid is geraakt. Dat lijkt me echter maar ten dele het geval en ook is niet alles ‘moeilijk te vinden’, zoals men schrijft. Op dit moment zijn herdrukken van Het Joodse lied en de beide romans Pijpelijntjes en Pathologieën nog steeds verkrijgbaar. En van deze en van andere werken zijn in het verleden steeds opnieuw uitgaven verschenen. Wie naar boeken van De Haan zoekt op antiquarische sites als Antiqbook, vindt veel. Maar naast een volledige biografie is een uitgave van het verzameld werk, inclusief alles wat wel moeilijk te vinden is, natuurlijk zeer welkom. Dat de stichting werken van De Haan tevens via het internet ter beschikking wil stellen, kan ook alleen maar worden toegejuicht. In het nu verschenen Jacob Israël de Haan-nummer staat een aantal interessante bijdragen. Marita Mathijsen plaatst De Haan als beginnend dichter tussen de Tachtigers, Johan Goossens en Gert Hekma bespreken de homoseksuele kant van De Haan. Ook wordt, door Sjoerd Faber, aandacht besteed aan De Haan als rechtskundige. Ludy Giebels schrijft over De Haan in Palestina. Een mooi begin. Hier nog een enkele opmerking over De Haan en Palestina. Ludy Giebels noemt ‘de onvergelijkelijke humor, de ene keer mild, de andere keer vilein, die De Haan als observator van het kleine en het grote menselijke leven zo bijzonder maakt’. Ik ben het er helemaal mee eens. Lees Palestina, de bundeling van de in Het Handelsblad verschenen opstellen van De Haan, in 1999 ter gelegenheid van het 150-jarig bestaan van de Maatschappij tot Nut der Israëlieten opnieuw uitgegeven. Bovendien is wat De Haan schrijft over het toenmalige Palestina nog steeds van belang. Een klein boekje met verhalen is mij dierbaar. Het heet Jerusalem en is in 1921 door Em. Querido uitgegeven. Het is niet alleen een heerlijk boekje om te lezen, want in de verhalen van De Haan zie je en voel je het Jeruzalem van die tijd, het is ook mooi uitgegeven met een groene linnen omslag met goudopdruk. Het boekje is, zo zag ik op internet, antiquarisch te koop en ik raad iedereen aan het onmiddellijk aan te schaffen. Je hebt er dan een nieuwe vriend bij van wie je alles wil lezen en weten. Een vriend komt thuis, Jacob Israël de Haan-nummer van Uitgelezen Boeken, katern voor boekverkopers en boekenkopers, 17 september 2009. € 12,50. In de zaal van de afdeling Bijzondere Collecties van de Amsterdamse Universiteitsbibliotheek, Oude Turfmarkt 129, houdt Evelien Gans op donderdag 22 oktober a.s. van 17 – 19 uur de eerste De Haan-lezing: Ik ben een Mensch: niets is mij vreemd gebleven. Het spiegelgevecht van Jaap Meijer met Jacob Israël de Haan. Noem het slaap vrijdag 9 oktober 2009 Zelfs de twee zoons van Henry Roth, geboren in 1941 en in 1943, wisten niet dat hun vader in 1934 een boek had geschreven. De eerste uitgave van Call It Sleep bestond uit niet meer dan 2500 exemplaren, waardoor het boek in 1934 nauwelijks opviel en vrijwel geheel in vergetelheid geraakte. Eerst na 1956 begint de roman uit zijn winterslaap te ontwaken en in 1964 is er de definitieve doorbraak. Nu behoort Call It Sleep tot de canon van de moderne Joodse literatuur. Henry Roth is op 8 februari 1906 in Galicië geboren. Zijn vader was toen al naar Amerika gegaan en kort daarna heeft hij ook zijn vrouw en kind laten overkomen. Zoals alle immigranten in die tijd zijn zij aangekomen op Ellis Island. En daar begint ook Call It Sleep, de roman van Henry Roth uit 1934. In de proloog van Call It Sleep is de aankomst van de moeder samen met de kleine David Schearl en hun ontmoeting met de vooruit gereisde vader beschreven. Een indringende maar ook ontroerende tekst. De uiteenlopende karakters van de hoofdpersonen en hun onderlinge relaties zijn in deze proloog al zichtbaar en achter die eerste paar bladzijden ligt het geheim al verscholen dat in het boek vanuit het gezichtspunt van David Schearl stap voor stap wordt ontrafeld. Call It Sleep is in de eerste plaats de geschiedenis van de intelligente en gevoelige David Schearl, die in het begin van de roman zes jaar oud is en aan het eind ongeveer acht jaar. David Schearl wordt gemangeld tussen een driftige, gewelddadige vader en een beschermende moeder. Het lukt de vader nauwelijks om als melkventer zijn gezin te onderhouden. Door deze achtergrond is Call It Sleep tevens de geschiedenis van ontwortelde, nog grotendeels alleen Jiddisj sprekende Joden uit de arme Lower East Side van New York in de jaren voor de Eerste Wereldoorlog. Maar genoeg, lees deze schitterende roman die is geworden tot de klassieke Amerikaanse roman over de arme Joodse immigranten in het begin van de vorige eeuw. Hoe was het de schrijver vergaan tot de wederopstanding van zijn romandebuut? Henry Roth woonde toen in Maine en Peter Mayer, die aan de wieg stond van de herontdekking van Call It Sleep, heeft hem daar opgezocht en was geschokt toen hij zag hoe Henry Roth leefde en hoe weinig boeken hij bezat. Henry Roth had New York voor het platteland van Maine verwisseld en vooral met handarbeid zijn brood had verdiend. De laatste tijd met het slachten van eenden en ganzen. Roth’s Waterfowl heette het bedrijf. Henry Roth is daarna toch weer gaan schrijven en onder de verzameltitel Mercy of a Rude Stream zijn vanaf 1994 nog vier romans verschenen. Het eerste deel van de romancyclus, A Star Shines over Mt. Morris Park, is in het Nederlands vertaald. De volgende drie delen zijn alleen in het Engels te raadplegen. A Star Shines over Mt. Morris Park sluit in tijd aan bij Call It Sleep en begint wanneer de hoofdpersoon, hier Ira Stigman geheten, op achtjarige leeftijd van Lower East Side naar Harlem verhuist. Mercy of a Rude Stream is minder exemplarisch dan Call It Sleep, maar is niettemin een indrukwekkende prestatie van een oudere schrijver die bovendien ziek was. Al 'in de stervenszone' merkt Henry Roth daar zelf over op. Tussen de publicatie van Call It Sleep en het verschijnen van A Star Shines over Mt. Morris Park liggen zestig jaar, één van de langste writer’s blocks uit de literatuur. Het was natuurlijk niet erg bemoedigend dat Call It Sleep nauwelijks aandacht had getrokken. Bovendien lukte een tweede boek niet goed. Henry Roth moet daar indertijd een eind mee zijn gekomen, maar het grootste gedeelte van dat manuscript heeft hij vernietigd. Ook ontstond discrepantie tussen wat Henry Roth over zijn jeugdjaren te vertellen had en zijn persoonlijk leven. Henry Roth had zich vrijwel geheel van zijn Joodse wortels afgewend. Dat Henry Roth op hoge leeftijd gelukkig door kon schrijven over de jongen die hij eens was geweest, komt niet alleen door de hernieuwde belangstelling voor zijn boek uit 1934 maar ook door het hervinden van zijn Joodse wortels. The Israeli Defence Forces had begun to break one of the most notorious writer’s blocks in American literary history, schrijft zijn biograaf Kellman. Een boude bewering maar er zit iets in. Henry Roth is zich in de loop van de tijd meer bewust geworden van de betekenis van zijn Joodse afkomst en dat kwam vooral door de Zesdaagse Oorlog van 1967, een gebeurtenis die Henry Roth sterk heeft aangegrepen. Henry Roth had in de voorafgaande periode geschreven dat het maar beter is dat de Joden opgaan in de bevolking van de landen waar ze terecht waren gekomen. Na de Zesdaagse Oorlog zei hij dat hij zich in de eerste plaats Jood en dan pas Amerikaan voelde. Henry Roth en zijn vrouw, Muriel Parker, hebben in 1972 Israël bezocht. Zij namen een abonnement op de Jerusalem Post en begonnen Hebreeuws te leren. Henry Roth heeft nog even het plan opgevat om op alia te gaan, maar daar is het toch niet van gekomen. De taalbarrière was te groot. Godsdienstig was Henry Roth niet al is hij in de loop van de tijd ook over religie wat milder gaan denken. Zijn alter ego Ira Stigman vond zijn bar mitswa maar een 'morbide grap'. Toch laat Henry Roth een artikel met als titel Kaddish eindigen met de woorden: A good morning to you, Lord God Almighty. Dat viel op en daarover geinterviewd zei hij: I have been profoundly moved by the religious current of theme, though I can’t believe it. Nevertheless, I am profoundly moved by it, so I found no reason why I couldn’t use it. Op 13 oktober 1995 is Henry Roth overleden. Hij is gecremeerd. Er was een kleine ceremonie, geleid door een vrouwelijke rabbijn. Ik denk dat Henry Roth daar vrede mee zal hebben gehad. Call It Sleep is verschenen in de serie Penguin Modern Classics. In het Nederlands zijn er twee uitgaven, van 1966 (Contact) en van 1989 (De Bezige Bij), nog slechts antiquarisch te verkrijgen. Steven G. Kellman, Redemption, The Life of Henry Roth, New York/London, 2005. Ongemakkelijk vrijdag 2 oktober 2009 Vorige week zag ik de grand opéra La Juive van Fromental Halévy, een schitterende coproductie van de Nederlandse Opera en de Opéra National de Paris. De opera dateert uit 1835. Het hoofdthema van de opera is een aanklacht tegen religieuze onverdraagzaamheid. Ja, het is gebeurd, en onze wraak op de Joden is voltrokken! Het zijn de laatste woorden van het koor als Eléazar en Rachel de dood tegemoet gaan, nadat over hen de banvloek is uitgesproken. Rachel is door Eléazar opgevoed, maar eigenlijk de dochter van een kardinaal. Eléazar en Rachel wekken van alle personages uit de opera de meeste sympathie op. De muziek van Halévy ondersteunt dat. De toeschouwer van deze tijd voelt zich echter tevens ongemakkelijk bij een figuur als Eléazar, die eigenschappen heeft meegekregen die tot de gebruikelijke stereotypen van Joden behoren. Eléazar is een rijke en wraakzuchtige goudsmid, die er plezier aan beleeft zijn christelijke klanten te bedriegen. Toch kan de componist moeilijk antisemitisme worden verweten. De Nederlandse Opera heeft het libretto van La Juive uitgegeven samen met een aantal verhelderende commentaren. Ik haal daaruit dat de antiklerikale strekking van de opera strookte met de eigen vrijzinnige politieke idealen van Fromental Halévy (1799-1862), zoon van een liberale Talmoedgeleerde. Net als Jeanne Weil, over wie ik in mijn column van 11 september schreef, behoorde Halévy tot de Joodse families die met verve gebruik maakten van de kansen die zij kregen nadat de Assemblée constituante van 1791 aan de Franse Joden burgerrechten had verleend. Fromental Halévy zat nog in het begin van die ontwikkeling. Hij ging nog regelmatig naar de synagoge, al was hij wel bevreesd dat de orthodoxe tradities de integratie in de weg konden staan. Maar hij twijfelde tevens of het de Joden wel vergund zou zijn volledig aan de Franse rooms-katholieke samenleving deel te nemen. De familie Halévy vinden we terug bij Marcel Proust. Bij die generatie is de ontwikkeling verder gegaan. Tot de vrienden van Proust op het Lycée Condorcet behoorden onder anderen Daniel Halévy en Jacques Bizet. De grootvader van Daniel Halévy was de broer van Fromental Halévy. Jacques Bizet was de zoon van de componist Georges Bizet en Geneviève Halévy. De componist Fromental Halévy was de vader van Geneviève Halévy. Geneviève Halévy (1845-1926) heeft in het leven en in het werk van Proust een belangrijke rol gespeeld. Na het overlijden van Georges Bizet hertrouwde Geneviève Halévy met de rijke advocaat Émile Straus. Ze hield salon waar veel bewonderaars kwamen, onder wie de jonge Proust, en stond mede model voor de Duchesse de Guermantes uit Op zoek naar de verloren tijd. Proust dweepte met haar en op den duur werd zij een levenslange trouwe vriendin. Hun uitgebreide en langdurige briefwisseling legt daarvan getuigenis af. Geneviève Halévy moet een levendige en vaak geestige vrouw zijn geweest met een scherpe tong. Van haar zijn verscheidene bon mots overgeleverd. Tot het christendom heeft ze zich nooit willen bekeren, want zei ze, ik heb te weinig geloof om van geloof te wisselen. Het is in Rondom mevrouw Swann, deel één van In de schaduw van de bloeiende meisjes dat de verteller uit Op zoek naar de verloren tijd samen met Bloch een bordeel bezoekt waar een zekere Rachel werkt, een Jodin die hem door de bazin van het huis als iets bijzonders wordt aanbevolen. Tot een verder contact komt het niet maar Proust noemt haar Rachel, quand du Seigneur, Rachel wanneer van de Heer, een aanhaling uit één van de mooiste door Eléazar gezongen aria’s uit de opera van Fromental Halévy. Eléazar staat in tweestrijd tussen zijn wraakgevoelens en de gevolgen daarvan die ook Rachel treffen, Rachel die de Heer aan zijn zorgen heeft toevertrouwd. En dan een pikant detail. In de stamboom achterin de biografie van Madame Proust, zie mijn column van 11 september, komt onder de aanverwanten van de familie Weil een Rachel Bloch voor. Toeval? Swann en Bloch zijn de twee belangrijkste Joodse romanfiguren in Op zoek naar de verloren tijd. Swann is een voorbeeld van de mogelijkheid van rijke, begaafde en kunstzinnige Joden om in het begin van de vorige eeuw door te dringen in de hogere kringen. Die kringen zijn de Franse adel van de Faubourg St. Germain, waar het kosmopolitisme van de Joden werd omarmd. Proust schrijft over het ‘loyale semitisme’ van Swann en op de drempel van de dood keert Swann ‘terug in de schoot van zijn geloofsbroeders’. Swann is zeker een veel sympathieker figuur dan Bloch, die in Op zoek naar de verloren tijd geen fraaie rol speelt. Bloch is luidruchtig en banaal en al probeert hij omhoog te klimmen op de maatschappelijke ladder, zijn typisch Joodse karaktertrekken kunnen niet worden weggepoetst. Hij is in het werk van Proust een Jood zoals antisemieten een Jood zien, een vergaarbak van slechte Joodse eigenschappen. In het laatste deel van Op zoek naar de verloren tijd komen we Bloch weer tegen. Hij heeft dan geprobeerd het Jood-zijn van zich af te schudden en noemt zich Jacques de Rozier, een niet mis te verstane vingerwijzing van Proust dat Bloch, wat hij ook heeft geprobeerd, nog steeds als Jood herkenbaar is. Proust was bepaald geen antisemiet. Bloch is een romanfiguur en Proust laat ons in zijn roman zien hoe in zijn tijd en in bepaalde kringen tegen de Joden werd aangekeken met hun, volgens de niet-Joden maar soms ook de Joden zelf, ‘aangeboren’ karaktertrekken, bewonderenswaardig of juist onaangenaam. Net als bij de opera van Fromental Halévy, voelt de Joodse lezer van deze tijd zich daar veelal ongemakkelijk bij. In het eerste gedeelte van The Origins of Totalitarianism (dat helaas niet in de Nederlandse vertaling is overgenomen) grijpt Hannah Arendt het werk van Proust aan om te laten zien wat er gebeurt als niet meer de maatschappelijke ongelijkheid van de Joden centraal staat en ook niet hun religie, maar alleen nog hun afkomst. Joden worden dan omschreven aan de hand van hun uiterlijk en aan de hand van karaktertrekken, die ‘typisch Joods’ zouden zijn. Het is de notie van wat Hannah Arendt noemt the Jew in general, de opvatting dat wie Jood is de daarbij behorende eigenschappen niet van zich af kan schudden. Joden blijven altijd herkenbaar als Joden. Wat van die opvatting de gevolgen kunnen zijn, weten we. Bernard Malamud vrijdag 25 september 2009 In de boeken van Bernard Malamud lopen voornamelijk Joden rond. Maar in interviews antwoordde Malamud altijd kribbig op de vraag of hij zich één van de vele Joods-Amerikaanse schrijvers voelde. Hij hield niet van de term Joodse schrijver. Ik schrijf over Joden, zei hij altijd, omdat ik met hen nu eenmaal het meest vertrouwd ben. Bovendien zag hij de Joden in zijn boeken vooral als personen met algemeen menselijke karaktertrekken. In 1968 was Malamud voor twee weken in Israël en in een interview met The Jerusalem Post zei hij: I try to see the Jew as universal man. Every man is a Jew though he may not know it. The Jewish drama is prototypic, a symbol of the fight for existence in the highest possible human terms. Jewish history is God’s gift of drama. De korte verhalen van Malamud behoren terecht tot de canon van de moderne Joodse literatuur waarover ik in mijn eerste column schreef. Het zijn prachtige verhalen: De jodenvogel, De Duitse vluchteling, De zilveren kroon, Saltzman, de huwelijksmakelaar, en niet te vergeten de verhalen van Fidelman, schilder en minnaar manqué. De verhalen van Fidelman spelen in Italië, zoals De vrouwe in het meer, dat de aanwijzing bevat dat je maar beter niet kunt ontkennen dat je een Jood bent. Over de Joodse kant van Malamud een enkele opmerking. Lastig is dat Malamud altijd weinig over zichzelf heeft losgelaten. De interviews die zijn verzameld in Conversations with Bernard Malamud zijn kort en lijken bovendien erg op elkaar. Malamud was een gesloten man, zelfs in huiselijke kring. Roger Strauss, de uitgever van Malamud, schoot in de lach toen hem werd gevraagd wat hij vond van een biografie van Malamud: I think it’s ridiculous. There was nothing there; as a life it was unexciting. Saul Bellow was filet mignon. Malamud was hamburger. Maar nu zijn er dan toch de herinneringen van zijn dochter Janna Malamud Smith, onder de titel My Father is a Book, en de biografie van Philip Davis, Bernard Malamud, A Writer’s Life. Beide boeken geven ons zicht op het leven van Malamud en dan valt op dat er, meer nog dan we al konden vermoeden, een sterke samenhang bestaat tussen dat leven en een aantal van de romans en verhalen die Malamud heeft geschreven. You don’t find my autobiography in Dubin’s Lives, although I dipped my finger – not my hand – more deeply into the autobiographical cream, gaf Malamud toe. In Dubin’s Lives (Het leven van Dubin) is de relatie verwerkt die de 47-jarige Malamud was aangegaan met een 19-jarige studente, Arlene Heyman. Zo unexciting was het leven van Malamud nu ook weer niet. Bernard Malamud is op 26 april 1914 in Brooklyn geboren. De ouders, Max (Mendel) Malamud en Bertha (Brucha) Fidelman, waren afkomstig uit een sjtetl in de Oekraïne, nabij Kamenets-Podoloski. Max Malamud dreef een kleine kruidenierszaak waarvan in het boek van Davis enkele foto’s te zien zijn. Toen Malamud een jongen was, in de jaren twintig en zeker de jaren dertig tijdens de Grote Depressie, was het een niet erg bloeiende zaak. Thuis sprak men Jiddisj en werd een Jiddisje krant gelezen, The Daily Forward. Het Joods zijn was in zijn ouderlijk huis een gegeven maar naar de synagoge ging men niet. Max Malamud beschouwde zichzelf als een socialist en een vrijdenker. Dat vinden we bijvoorbeeld terug in het verhaal over de bar mitswa van Malamud. Net als zijn vrienden wilde Malamud bar mitswa worden. Hij vond zelf een leraar die hem les gaf, maar veel moet dat niet om het lijf hebben gehad. Toen Malamud 13 jaar oud was geworden, nam zijn vader hem apart en leerde hem de tefilien om te doen en na een kort gebed dat hij moest nazeggen, zei zijn vader dat hij nu bar mitswa was geworden. Geen ceremonie, geen feest, geen geschenken. In één van zijn mooiste boeken, The Assistent (De bediende), heeft Malamud de kruidenierszaak van zijn vader laten herleven. Het is ook het leven van mijn vader maar, waarschuwt Malamud, Morris Bober, de kruidenier in The Assistent, is niet mijn vader, mijn vader was 'ruimer'. Het verhaal behelst, kort aangeduid, een overval op een armzalige Joodse kruidenierszaak door twee overvallers, onder wie Frank Alpine. Frank krijgt spijt, in het bijzonder omdat Morris Bober bij de overval gewond is geraakt. Stap voor stap dringt Frank als bediende het leven van de kruidenier en diens vrouw en dochter binnen. Morris Bober is een sjlemazzel, maar de eerlijkheid zelf. Ik steel niet van mijn klanten. Stelen ze van mij?, zegt Morris. Frank Alpine echter heeft twee kanten. Hij helpt de kruidenier maar besteelt hem ook al legt hij soms uit berouw het gestolen geld weer terug in de kassa. In het boek komt een passage voor waarin Frank aan Morris vraagt: wat is een Jood eigenlijk. Morris antwoordt dat de Tora het belangrijkste is, waarop Frank erop wijst dat Morris nooit naar de synagoge gaat en ook wel eens treife eet. Morris zegt hem dat dit er niet toe doet en hij herhaalt dat hij als Jood de Wet niet mag vergeten: dat wil zeggen, doen wat juist is, eerlijk zijn, goed zijn. Als Morris is overleden, houdt een rabbijn een toespraak waarin hij hem een ware Jood noemt: Morris Bober leefde wellicht niet volgens de officiële traditie, maar hij had het hart van een Jood. In zijn persoonlijk leven was Malamud ambivalent. Hij trouwde een niet-Joodse vrouw en hun kinderen zijn niet Joods opgevoed. Maar het deed hem ook pijn dat hij alleen in zijn boeken het jodendom heeft kunnen doorgeven. Toen zijn dochter Jane een niet-Joodse man wilde trouwen, verzuchtte hij: You know, I wish you were marrying someone Jewish. Op 18 maart 1986 is Malamud overleden. Cynthia Ozick heeft een mooie en zuivere necrologie over Malamud geschreven waarin zij hem als Joods schrijver eert. Zij trekt een parallel met Morris Bober. Ook Malamud had het hart van een Jood. Het kaddisj komt in de romans en verhalen van Malamud op verschillende plaatsen voor. Saltzman, de huwelijksmakelaar, zegt het kaddisj als hij ziet dat de rabbijnenstudent Leo Finkle in liefde ontvlamt voor zijn dochter. In de roman Gods Grace (De gratie Gods) wordt ook voor de laatst overgebleven, stervende mens, Calvin Kohn, kaddisj gezegd. Op de crematie van Malamud, schrijft zijn dochter Janna, zong de tenor Paul Sperry het kaddisj. Zo komen de lijnen bij elkaar. Een magere bar mitswa die toch een bar mitswa was. Een crematie die toch een lewaje was. Jane Malamud Smith, My Father Is a Book, a Memoir of Bernard Malamud, Houghton Mifflin Company, 2006. Philip Davis, Bernard Malamud, A Writer’s Life, Oxford University Press, 2007.Deze column is een verkorte en gewijzigde versie van de bespreking van deze boeken in Kol Mokum 5768-2. Van Bernard Malamud, Alle verhalen, is vorig jaar bij Meulenhoff een herdruk verschenen. Leo Perutz vrijdag 18 september 2009 Een literair slippertje van Franz Kafka met Agatha Christie, heeft men van het werk van Leo Perutz gezegd. Inderdaad. De romans van Perutz zijn spannende historische verhalen met vaak hoogst eigenaardige gebeurtenissen en op het eind veelal een onverwacht en verrassend plot. Perutz weet de nodige spanning op te roepen door historische feiten en onwaarschijnlijke gebeurtenissen tot een logisch geheel samen te smeden. Die onwaarschijnlijke gebeurtenissen worden in een meesterlijke stijl wiskundig nauwkeurig beschreven. De romans van Perutz zijn zeker ontspanningsliteratuur, literaire thrillers noemt men dat tegenwoordig. Maar bij nader inzien bieden zij meer. Met antiek materiaal worden moderne huizen gebouwd, las ik in de biografie van Hans-Harald Müller. Een treffende typering, want nader beschouwd bevatten de romans moderne thema’s. De identiteitsvraag staat vaak centraal en de hoofdpersonen zijn veelal antihelden. Vandaar dat slippertje van Kafka. De wijze van schrijven van Perutz is verbluffend. Na uitvoerig historisch onderzoek begint Perutz stap voor stap zijn hoofdstukken aaneen te rijgen. Perutz was in staat hoofdstukken in willekeurige volgorde te schrijven en bovendien aan twee romans tegelijk te werken. In zijn latere leven heeft hij romans die hij nog niet had voltooid, weer kunnen oppakken en tot een einde gebracht. Met een tussenpoos van meer dan twintig jaar! Maar men moet zich door de ogenschijnlijk gekunstelde wijze van werken niet op een dwaalspoor laten brengen. Perutz wist wat hij deed en het plezier van vertellen spat er vanaf. Prachtromans. Ik ben een liefhebber. Leo Perutz is geboren op 2 november 1882. De familie Perutz had een textielhandel met een zaak aan de Graben, één van de mooiste straten van Praag. Het was een welvarend Duitstalig Joods gezin. In het leven van Leo Perutz speelt religie echter geen centrale rol. Al in 1901 is hij van Praag naar Wenen verhuisd. Daar is hij tot verzekeringswiskundige opgeleid. Een toevallige bijkomstigheid is, dat Perutz net als Kafka werkzaam is geweest bij de Assicurazioni Generali, Perutz echter in Triëst en niet als jurist maar als actuaris. Met De Marques de Bolibar, geschreven in 1919, komt voor Perutz het grote succes en breekt hij literair door. Sindsdien leeft hij als schrijver in Wenen en vinden we hem terug in literaire cafés als Museum en Central, later vooral ook het café Herrenhof. Hij onderhoudt vriendschapsbanden met o.a. Egon Erwin Kisch en Franz Werfel. Bekende romans van zijn hand zijn De Meester van de Jongste Dag (1923) en Wohin rollst du, Äpfelchen ... (1928). De romans van Perutz kennen meer lagen en St. Petri-Schnee, dat in 1933 verscheen, is daarvan een goed voorbeeld. St. Petri-Schnee, of moedergodsbrand, is een drug waarmee geprobeerd wordt een proces van (religieuze) massahysterie op gang te brengen. Het moet voor veel lezers een schrikbeeld zijn geweest dat toen, in 1933, helaas actualiteit had. Uit die jaren, ik citeer, is er bijna geen Duitstalige tekst die met meer inzicht de gevaren van het nationaalsocialisme heeft blootgelegd. Het volgende boek van Perutz, De Zweedse Ruiter, in 1936 voltooid, kan al niet meer in Duitsland verschijnen. Die markt is voor hem gesloten. Perutz noteert: Finanzielle Lage düster. Deutschland für mich tot. Meine Bücher verramscht. Hij komt dan ook tot de conclusie dat es um deutsch-schreibende Autoren nichtarischer Herkunft Probleme gibt, die kaum mehr zu meistern sind en verzucht: Ist mein Leben sinnlos geworden? De broers van Perutz verplaatsen de familiefirma en reiken hem de hand om naar Tel Aviv te gaan. Op 9 juli 1938 verlaat Perutz Wenen. In het helaas onvoltooid gebleven Mainacht in Wien schildert Perutz de ambtenarij waaraan de hoofdpersoon, een Joodse journalist, wordt onderworpen als hij probeert Oostenrijk te verlaten en in het buitenland een nieuw leven te beginnen. Hij schrijft aan dat verhaal tijdens de maanden die hij in Italië doorbrengt. Op 15 september 1938 komt Perutz met zijn gezin in Haifa aan. Tel Aviv wordt zijn laatste woonplaats. Op 2 februari 1939 meldt Perutz vanuit Tel Aviv: we kunnen zeggen dat wij in de volledige betekenis van het woord een nieuw vaderland hebben gevonden. De biograaf van Perutz, Hans-Harald Müller, betwijfelt dat. Er zijn inderdaad aanwijzingen dat Perutz het in Tel Aviv moeilijk had. Perutz was een Duitstalige schrijver zonder lezerspubliek. Eens succesvol was hij nu volledig in vergetelheid geraakt. Bovendien kostte het hem moeite om Ivriet te leren, hoewel hij opnieuw werk als actuaris had gevonden bij de verzekeringsmaatschappij Menorah. Na jaren van stilzwijgen heeft Perutz twee romans afgemaakt die hij had laten liggen. Voor Nachts unter der steinernen Brücke vond Perutz pas in 1953 een uitgever die geïnteresseerd was. De Judas van Leonardo verscheen postuum. Nachts unter der steinernen Brücke is een meesterwerk. Op het eerste gezicht een verzameling korte verhalen die zich omstreeks 1600 afspelen in de Judenstadt, het getto van Praag, in de tijd van rabbi Löw en keizer Rudolf II. Maar al lezende ontvouwt zich een samenhangend drama met als centraal gegeven de onmogelijke liefde tussen keizer Rudolf II en Esther, de mooie vrouw van de rijke Joodse koopman en bankier Mordechai Meisl. Het boek is bovendien zo opgebouwd dat aan het begin van de 20e eeuw de verhalen worden doorverteld aan een nog jonge schrijver die deze verhalen onthoudt en vijftig jaar later aan het papier toevertrouwt. En zo valt die jonge schrijver samen met Perutz. Nachts unter der steinernen Brücke, heeft Perutz dan ook gezegd, spielt … in jenem alten Prag, dessen Kulissen ich noch als 15jähriger gesehen habe und dessen zauberhaftes und seit 55 Jahren verschwundenes Bild ich bis zu meinen Lebensende in mir haben werde. Toen Perutz de ode aan de stad van zijn jeugd gereed had, heeft hij terecht verzucht dat Kisch en Werfel, als ze nog geleefd zouden hebben, dit werk hadden weten te waarderen. Vóór zijn overlijden op 25 augustus 1957 heeft Perutz gezegd dat het waarschijnlijk nog wel veertig jaar zal duren voordat zijn werk herontdekt wordt und ein Literaturhistoriker ein grosses Geschrei darüber erhebt, dass meine Romane zu Unrecht vergessen sind. Ironie met een vooruitziende blik want Perutz wordt opnieuw gelezen. In Nederland heeft De Arbeiderspers in de jaren negentig een aantal boeken van Perutz uitgegeven. Onduidelijk is waarom De Arbeiderspers hiermee is gestopt. Jammer want daardoor is Perutz in Nederland onvoldoende bekend en hebben we de uit Joods perspectief meest interessante werken, St. Petri-Schnee, Mainacht in Wien en Nachts unter der steinernen Brücke, niet in Nederlandse vertaling. Hans-Harald Müller, Leo Perutz, Biographie, Paul Zsolnay Verlag, 2007
Bij De Arbeiderspers zijn verschenen: De Zweedse Ruiter, De Judas van Leonardo, De Marques de Bolibar en De Meester van de Jongste Dag. De kant van Jeanne Weil vrijdag 11 september 2009 Jeanne Weil is haar leven lang trouw gebleven aan haar Joodse afkomst. Trouwen met de katholieke Adrien Proust, akkoord. Haar kinderen laten dopen, ook dat wilde zij wel beloven. Maar zelf katholiek worden, ging Jeanne Weil een stap te ver. En daarom werd op 3 september 1870 tussen de Joodse Jeanne Weil en de katholieke Adrien Proust alleen een burgerlijk huwelijk gesloten. Evelyne Bloch-Dano heeft over Madame Proust een mooi boek geschreven dat daarna ook in Duitse en Engelse vertaling is verschenen. Helaas niet in het Nederlands. In het boek van Bloch-Dano krijgt de ‘kant van Jeanne Weil’ alle aandacht en in de hoofdstukken over de families Weil en Berncastel geeft Bloch-Dano een boeiend portret van twee Joodse families die gebruik maakten van de kansen die zij kregen, nadat de Assemblée constituante van 1791 aan de Franse Joden burgerrechten had verleend. Grootvader Baruch Weil kwam uit de Elzas en vestigde zich al in 1802 in Parijs. Hij was fabrikant van porselein en heeft daarmee een aanzienlijk vermogen opgebouwd. Zijn eerste zaak, Au vase d’or, was aan de Rue du Temple gevestigd. Daarna had hij een zaak aan de Boulevard des Italiens met een luxe vestiging in de Passage de l’Opera. Zijn generatie was nog actief in de Joodse gemeenschap. Baruch Weil was lid van het bestuur van de Joodse gemeente. Zijn zoon Nathé Weil, de vader van Jeanne Weil, was effectenmakelaar. Een koosjere huishouding voerden Nathé Weil en zijn vrouw Adèle Berncastel al niet meer. Ook was geen sprake van regelmatig sjoelbezoek. Alleen tijdens de Hoge Feestdagen ging men nog naar de synagoge. Nathé Weil, Adèle Berncastel en hun kinderen Jeanne en George-Denis behoorden tot de Joodse haute bourgeoisie. Geassimileerd, ja, maar Joden zeker ook. Nathé Weil en Adèle Berncastel zijn dan ook begraven op het Joodse gedeelte van de begraafplaats Père-Lachaise. Families als de Weils en de Berncastels belichamen de sociale opkomst van de Franse Joden, loyaal tegenover Frankrijk dat hun als eerste land burgerrechten had verleend. Ze waren Fransen. Maar ze bekeerden zich niet tot het christendom en de familiezin was sterk ontwikkeld. Het typeert ook Jeanne Weil. Net als haar ouders bleef zij een Franse Jodin, ook toen zij met de katholieke Adrien Proust was getrouwd. Adrien Proust was van veel geringere komaf dan Jeanne Weil maar heeft als vooraanstaand arts een glanzende carrière gemaakt. Hun huwelijk, hoewel tussen hen zeker sprake was van genegenheid, lijkt vooral sociaal ingekleurd. Adrien Proust was bovendien veel weg. Jeanne Weil behield hierdoor haar zelfstandigheid en de contacten met de eigen familie bleven diepgaand en veelvuldig. Ook haar zoon Marcel Proust moet dus wel het nodige hebben meegekregen van de kant van Jeanne Weil. Katholiek gedoopt, maar tevens lid van een invloedrijke Joodse familie, was Marcel Proust aanwezig bij bar mitswa’s, huwelijken en begrafenissen. In 1896 heeft hij de begrafenis van de broer van Nathé Weil bijgewoond. Bloch-Dano laat Marcel Proust bij die gelegenheid een keppeltje dragen. Kort hierna overleed Nathé Weil en ook bij de begrafenis van zijn grootvader was Marcel Proust natuurlijk aanwezig. Tijdens de choepa van zijn neef Henri Bergson, geleid door rabbijn Zadoc Kahn, zat Marcel Proust in de synagoge aan de Rue de la Victoire. Tussen Marcel Proust en zijn moeder bestond een zeer sterke band, al van jongs af aan. Overbekend is dat hij niet kon slapen als zijn moeder hem geen nachtkus had gegeven. Toen hij een keer een waardevol Venetiaans glas had gebroken, schreef zijn moeder hem: het gebroken glas zal tussen ons zijn wat het in de tempel is, het symbool van een onverbrekelijke eenheid. Door zijn kennis van Joodse rituelen heeft Marcel Proust kunnen begrijpen wat zijn moeder daarmee bedoelde, ook al wordt veelal aan het breken van een glas na de choepa een andere betekenis toegekend. Marcel Proust was, in zijn eigen woorden, passionnément en le plus ardent dreyfusard. De kant van Jeanne Weil zal daaraan hebben bijgedragen. Dreyfus werd aangeklaagd, niet omdat hij schuldig was, maar omdat hij een Jood was. De dreyfusaffaire raakte daarom de Joden in hun meest gevoelige punt: hun Franse identiteit. Kon men tegelijk Jood en Fransman zijn? Die dubbele identiteit werd door de dreyfusaffaire op de proef gesteld. Het is opvallend dat Adrien Proust antidreyfusard was, overtuigd van de schuld van Dreyfus. Hij kon zich niet indenken dat hoge ambtenaren, met wie hij dagelijks verkeerde, het bij het verkeerde eind hadden. Zijn vrouw en zijn beide zonen waren echter dreyfusards. In 1898, tijdens de dagen volgend op het J’accuse van Zola, plaatst Marcel Proust zijn naam op de lijst ten gunste van de eerste revisie van de strafzaak tegen Dreyfus. Hij volgt met intense belangstelling de zittingen tijdens het daarop volgende proces tegen Zola. In Op zoek naar de verloren tijd neemt de dreyfusaffaire een belangrijke plaats in. Jeanne Weil stierf op 26 september 1905. Haar begrafenis, zo meldt Bloch-Dano, is georganiseerd door de Consistoire Israélite de Paris. Dat staat op grond van documentatie vast. Bloch-Dano voegt hieraan toe dat een rabbijn kaddiesj heeft gezegd en zij noemt dat een laatste gebaar van een zoon voor zijn Joodse moeder. Mooi, maar zoals blijkt uit de daarbij geplaatste noot, gaat het om mondelinge overlevering, afkomstig van één bron. Marcel Proust is pas na het overlijden van zijn moeder begonnen aan het schrijven van Op zoek naar de verloren tijd. Op 18 november 1922 is hij overleden en na een dienst in de katholieke kerk Saint-Pierre-de Chaillot is hij op Père-Lachaise begraven. Katholiek gedoopt en begraven. Toch heeft Proust de kant van Jeanne Weil nooit onder stoelen of banken gestoken. Een samenvatting is te vinden in een brief van Marcel Proust aan Robert de Montesquiou: hoewel ik katholiek ben, net als mijn vader en mijn broer, is mijn moeder een Jodin. Het geeft de situatie precies weer. Niet meer en niet minder. Er is een parallel te trekken tussen Katia Pringsheim, over wie ik in mijn vorige column schreef, en Jeanne Weil. Zij staan allebei aan het eind van een assimilatieproces. De broer van Jeanne Weil, George-Denis Weil, is echter nog wel bar mitswa geworden en in de synagoge aan de Rue de la Victoire stonden hij en zijn vrouw onder de choepa. De achterin het boek van Bloch-Dano opgenomen stamboom vermeldt 1944 als jaar van overlijden van hun dochter en schoonzoon. De kant van Jeanne Weil lijkt zo te eindigen. Maar er was ook nog een kleindochter van George-Denis Weil. Hoe het haar is vergaan, staat er niet bij. Evelyne Bloch-Dano, Madame Proust, Biographie, Grasset, 2004. De Duitse uitgave verscheen in 2006 bij Claassen en de Engelse uitgave in 2007 bij de University of Chicago Press. De familie Pringsheim vrijdag 4 september 2009 München, 11 februari 1905. Thomas Mann trouwt met de Joodse Katia Pringsheim. Bij deze mensen denkt men niet aan jodendom, schreef Thomas Mann aan Heinrich Mann over de familie Pringsheim, slechts cultuur komt men tegen. En hun jongere broer Viktor deed zich bij de Pringsheims tegoed aan een kreeftensalade. De Pringsheims verloochenden hun afkomst niet maar Joden, neen Joden voelden ze zich eigenlijk niet meer. Thomas Mann heeft antisemitisme de domste houding genoemd die men kan aannemen. Toch was ook hij in het begin van de vorige eeuw niet vrij van denkbeelden die in het Duitsland van die tijd gemeengoed waren. Reeds in Der Wille zum Glück, een verhaal uit 1896, lezen we de volgende passage over baron Stein (tot de ‘geldadel’ behorend): Is hij Jood? Hij, geloof ik, niet. Zijn vrouw vermoedelijk wel. Ik kan overigens niet anders zeggen dan dat het uiterst aangename en fijne mensen zijn. In een artikel uit 1907, waarin hij zich een overtuigd filosemiet noemt, ziet Thomas Mann assimilatie als de weg voor de Joden om binnen de Europese cultuur als gelijkberechtigd te worden beschouwd. Dan komt het type Joden, ‘zoals het in boeken staat’, niet meer voor. Het is dan mogelijk om een Jood en toch een voornaam mens te zijn. En voorname mensen waren de Pringsheims. Alfred Pringsheim, de vader van Katia, was de zoon van Rudolf Pringsheim en Paula Deutschman. Rudolf Pringsheim had als zakenman, bij het exploiteren van spoorwegen en kolenmijnen, een aanzienlijk kapitaal vergaard. Alfred Pringsheim had het kapitaal, maar ook de belangstelling voor wetenschap en kunst van zijn vader geërfd. Door zijn rijkdom, hij was meervoudig miljonair, kon Alfred Pringsheim ondanks zijn afkomst deelnemen aan het wetenschappelijke en culturele leven in München, waar hij hoogleraar wiskunde was. Alfred Pringsheim voerde een grote staat en als mecenas begunstigde hij de Baryreuther Festspiele. Zijn muzikaliteit gaf hij door aan zijn zoon Klaus, de tweelingbroer van Katia, later een bekend dirigent. Over Katia Pringsheim zijn in 2003 twee biografieën verschenen, van Inge en Walter Jens en van Jüngling en Rossbeck. Inge en Walter Jens schreven daarna Katias Mutter, das ausserordentliche Leben der Hedwig Pringsheim, dat in 2005 verscheen. In dit boek veel foto’s, onder andere van de prachtige muziekzaal met wandtaferelen van Hans Thoma in het ongelooflijk monumentale pand aan de Arcisstrasse waar de Pringsheims vanaf 1890 woonden. Je gelooft je ogen niet als je de foto’s bekijkt. Zoveel pracht en praal. Bij de voorouders van de moeder van Katia Pringsheim verliep de assimilatie langs een andere weg. Ernst Dohm, de grootvader van moederszijde, was geboren als Elias Levy. Hij heeft niet alleen zijn naam veranderd maar ging ook over tot het protestantse geloof. Ernst Dohm was chef-redacteur van het satirische tijdschrift Kladderadatsch (Organ für und von Bummler). De familie van de grootmoeder van moederszijde, Hedwig Schleh, handelde op dezelfde manier. De vader van Hedwig Schleh heette voor zijn overgang tot het protestantisme Echanon Cohen Schlesinger. Hedwig Dohm, geboren Schleh, moet een buitengewoon interessante vrouw zijn geweest. Pacifiste en voorvechtster voor vrouwenrechten. In die tijd, de tweede helft van de 19e eeuw! En ze schreef romans. Ook haar dochter, Hedwig Pringsheim, was, zo blijkt uit haar biografie, een zelfstandige vrouw. De van haar bewaard gebleven brieven geven blijk van een scherpe blik en van schrijverstalent. In 1933 zijn Thomas en Katia Mann in Zwitserland gebleven en niet meer naar Duitsland teruggekeerd. In Duitsland kan ik niet meer leven, schrijft Thomas Mann aan Herman Hesse. Het nieuws uit Duitsland, de zwendel, het geweld, de dwaze voorspiegeling van een grote ‘geschiedenis’, gekoppeld aan zoveel wreedheid, vervullen me steeds weer met afgrijzen, verachting en afschuw. Thomas Mann wilde niets van het nationaalsocialisme weten. En andersom. Mann is zonder twijfel een grote vriend van de Joden, verkondigden de nationaalsocialisten al in 1934. Maar pas in februari 1936 publiceert Thomas Mann een open brief in de Neue Zürcher Zeitung waarin hij ondubbelzinnig afstand neemt van wat er in Duitsland gebeurt. Als direct gevolg van deze publicatie is Thomas Mann het Duitse staatsburgerschap ontnomen. Thomas en Katia Mann zijn in 1938 naar Amerika gegaan. Hoe verging het intussen de ouders van Katia Pringsheim? Op 31 oktober 1939, de laatst mogelijke dag, zijn Alfred en Hedwig Pringsheim, ze waren toen al ver over de tachtig jaar oud, uit München weggegaan en naar Zwitserland ontkomen. Daar is Alfred Pringsheim in 1941 en Hedwig Pringsheim in 1942 overleden. Al vanaf 1933 waren hen stap voor stap status en welvaart ontnomen. Zo is in november 1933 het monumentale pand aan de Arcisstrasse onteigend en met de grond gelijk gemaakt en is op die plaats een pompeus gebouw van de NSDAP neergezet. De brieven van Hedwig Pringsheim aan haar dochter zijn bewaard gebleven. Ach, ach! O weh, o weh! Welche Zeit müssen wir Urgreise noch erleben!, schrijft Hedwig Pringsheim. Maar het is ook duidelijk dat Hedwig Pringsheim haar dochter niet al te zeer met hun problemen heeft willen belasten. Toch zal Katia uit de brieven van haar moeder ongetwijfeld het nodige hebben opgevangen van die moeilijke periode, ook voor de geassimileerde Pringsheims. Voorjaar 1960 heeft Katia met haar tweelingbroer Klaus Pringsheim, die in Tel Aviv als gastdirigent optrad, een bezoek gebracht aan Israël. Beide biografen berichten daarover. Inge en Walter Jens schrijven over zwei alte Juden, maar uit niets blijkt dat de reis in een ander licht moet worden geplaatst dan in relatie tot de 80e geboortedag van Thomas Mann, voor wie onder andere bij kibboets Hazorea duizend bomen werden geplant. Jüngling en Rossbeck stellen vast: Besonderes Interesse der Zwilinge an den eigenen religiösen Wurzeln wurde, zumindest nach aussen hin, nicht spürbar. Het Joods zijn is voor Katia Mann nooit een persoonlijke factor geweest (al heeft ze in Amerika achter de schermen veel voor vluchtelingen gedaan). Ook bij de kinderen Mann vind je daarvan niets terug. Hetzelfde geldt voor de nazaten van de tweelingbroer Klaus Pringsheim. In het leven van zijn zoon, Klaus Pringsheim jr., hij schreef daarover een boek, speelt de deels Joodse afkomst geen rol. In 1974 schrijft ook Katia Mann haar herinneringen. De eerste zin luidt: mijn vader was hoogleraar in de wiskunde aan de universiteit van München en mijn moeder was een heel mooie vrouw. Dat is alles. Over haar Joodse afkomst geen woord. Een naam bepaalt mede de identiteit. Levy en Schlesinger hebben hun namen veranderd. Bij hun nazaten is ook de Joodse identiteit geheel verloren gegaan. Simone Veil vrijdag 28 augustus 2009 Simone Veil heeft haar autobiografie, Mijn leven, in een ingetogen stijl geschreven. Niettemin en misschien zelfs wel daardoor geeft ze in het eerste deel van haar boek een aangrijpend beeld van haar jeugd en van de donkere tijden van bezetting en deportatie, een voor haar verdere leven beslissende tijd. Maar het tweede gedeelte van haar boek, haar gang door de Franse en Europese politiek, komt niet hemaal uit de verf. Het is niet erg spannend geschreven en je hebt steeds het gevoel dat ze nog wel meer te vertellen heeft. En dat is jammer, want Simone Veil heeft veel en belangrijk werk verricht, als minister van volksgezondheid in Frankrijk en als eerste voorzitter van het Europese parlement. Als minister van volksgezondheid heeft ze de in Frankrijk omstreden wet ter legalisering van abortus door het parlement geloodst. Ze deugt. Op latere leeftijd heeft ze goed werk verricht als voorzitter van de stichting ter herinnering aan de Sjoa, de stichting die in Frankrijk het van de Joden geroofde geld beheert en verdeelt. Ze werd voorzitter, schrijft ze, omdat ze een ex-gedeporteerde was en tevens onafhankelijk, lid van geen enkele Joodse organisatie. Op 21 november 2008 is Simone Veil opgenomen in de Académie Française. Op 81- jarige leeftijd. Simone Veil is dus geboren in 1927. In Nice. Ze was de dochter van André Jacob en Yvonne Steinmetz. Simone Veil beschrijft het gezin, vader, moeder, één zoon en drie dochters, als een geassimileerde Joodse familie, patriottisch en niet-religieus. Als ze na de oorlog haar man Antoine Veil ontmoet, beschrijft ze diens familie op dezelfde manier: niet-religieuze, zeer ontwikkelde Joden die van Frankrijk hielden, waaraan ze hun integratie te danken hadden. Haar vader was er trots op dat de Joden het volk van het Boek waren. Het betekende voor hem dat ze konden denken en schrijven. Men las in de familie Jacob de Franse klassieken, Michel de Montaigne, Jean Racine en ook Émile Zola en Anatole France. ‘Als ik denk aan die gelukkige vooroorlogse jaren verlang ik er intens naar terug’. Toch wist men zich ook deel van de Joodse gemeenschap en men maakte daar geen geheim van. Haar moeder hield zich vanaf 1934 bezig met de opvang van de vluchtelingen uit Duitsland en Oostenrijk. Maar toen was het paradijs uit de kinderjaren al bezig ten onder te gaan. En alles veranderde radicaal toen, na de Italianen, op 9 september 1943 de Duitsers Nice binnentrokken. Ook voor de familie Jacob. In maart 1944 zijn ze aangehouden. Eerst na de oorlog bleek dat haar vader en haar broer op transport naar Estland waren gesteld en vermoedelijk daar zijn omgekomen. Hoe is nooit bekend geworden. Eén van haar zusters is in het verzet gegaan en is uiteindelijk in Ravensbrück terecht gekomen. Ze heeft de oorlog overleefd. Simone, haar moeder en haar andere zuster zijn vanuit Drancy naar Auschwitz gedeporteerd. Ze zijn daar op 15 april 1944 aangekomen. Simone en haar zuster hebben het overleefd, de moeder niet. De beschrijving van haar tijd in Auschwitz en van de barre tocht van Auschwitz langs verschillende andere concentratiekampen, Mauthausen, Bergen-Belsen, is onopgesmukt. Ze heeft het altijd van belang gevonden te vertellen wat haar toen is overkomen, in de hel, schrijft ze. Wilskracht en ook toeval hebben haar in alle ellende geholpen om toch in leven te blijven. Bij het overlijden van haar moeder, aan tyfus, schrijft ze: ‘Ze heeft me bezield en de wil om te handelen gegeven’. Uit haar boek licht ik twee passages. Ze schrijft dat ze tegen koningin Beatrix haar bewondering erover uitsprak dat koningin Wilhelmina in mei 1940 onmiddellijk naar Londen was vertrokken. Koningin Beatrix moet haar toen hebben geantwoord dat dit niet zo eenvoudig is en dat er ook veel kritiek op is omdat Wilhelmina haar volk in de steek zou hebben gelaten. Simone Veil koppelt dit gesprek aan het door haar herhaald beklemtoonde feit dat in Nederland verhoudingsgewijs veel meer Joden zijn omgebracht dan in Frankrijk. ‘Gezien het politieke vacuüm dat in Nederland heerste, zijn Joden er heel vaak verraden. Dat was het geval met Anne Frank.’ Het is wel heel kort door de bocht. Natuurlijk hebben ook anderen het standpunt ingenomen dat de aard van het bezettingsregiem en het feit dat de Duitsers een goed werkend overheidsapparaat konden overnemen, mede van invloed is geweest op het verhoudingsgewijs groot aantal Nederlandse Joden dat de sjoa niet heeft overleefd. Maar er valt wel wat meer over te zeggen. Bovendien was de situatie in Frankrijk en in Nederland ook om andere redenen nogal verschillend. De discussie over dit onderwerp is nog niet verstomd. Tegen januari 2010 is een nieuw boek aangekondigd van twee onderzoekers, Pim Griffioen en Ron Zeller, over Jodenvervolging in Nederland, Frankrijk en België, 1940-1945, overeenkomsten, verschillen, oorzaken. Simone Veil haalt in haar autobiografie bovendien plotseling fel uit naar Hannah Arendt. Ineens niet meer ingetogen. Wat Hannah Arendt over de collectieve verantwoordelijkheid en de banaliteit van het kwaad naar voren heeft gebracht, noemt Simone Veil ‘het masochisme van intellectuelen. Zeggen dat iedereen schuldig is, komt erop neer dat men zegt dat niemand het is. Het is de wanhopige poging van een Duitse die tracht tot elke prijs haar land te redden en de verantwoordelijkheid van de nazi’s te laten opgaan in een meer diffuse, zo onpersoonlijke verantwoordelijkheid dat dit uiteindelijk niets meer betekent.’ Onheuse en ongenuanceerde kritiek. Collectieve verantwoordelijkheid en collectieve schuld zijn geen eenvoudige begrippen en daarover schrijven gaat deze column te buiten, maar het zijn geen begrippen die zonder meer kunnen worden weggewimpeld. Simone Veil heeft op 26 januari 2006 de ‘Nooit meer Auschwitz’ lezing gehouden. Deze indrukwekkende lezing is op de website van het Auschwitz Comité te vinden. Ze gaat diep op haar onderwerp in en ze laat haar persoonlijke betrokkenheid doorklinken in haar algemene gedachtegang. En wat zegt Simone Veil in deze lezing? Zowel in Frankrijk als in Nederland was de eerste mythe die tot stand kwam die van het verzet, die vele jaren de werkelijke verantwoordelijkheid voor de deportatie van de Joden van deze landen maskeerde. De erkenning van de verantwoordelijkheid is langzaam tot stand gekomen, samen met het gevoel van collectieve schuld dat ons heden ten dage nog plaagt. Verbijsterend is dat het begrip ‘de banaliteit van het kwaad’, door Hannah Arendt gebruikt als ondertitel voor haar boek over het proces Eichmann, kennelijk nog steeds tot misverstanden leidt. Hannah Arendt heeft geconstateerd dat Eichmann een zo te zien ‘normaal’ mens was, maar tevens een mens die niet in staat was recht van onrecht te onderscheiden. Afkomstig uit een burgerlijk milieu en zonder uitzichten op een daarbij passende loopbaan vond Eichmann in het bureaucratische derde rijk een omgeving die hem kansen bood om zich te ontplooien. Eichmann plooide zich echter geheel naar zijn omgeving. De samenhang tussen zijn onvoorwaardelijke keuze voor de groepering waaraan hij zich verbond en zijn onmacht om zich ook maar enigszins in andere mensen in te denken, maakte hem uiteindelijk tot de organisator van de sjoa. Hannah Arendt constateert dat Eichmann niet in staat was te denken. Naar de kern is dat de banaliteit van het kwaad zoals Hannah Arendt het zag. De vreselijke uitkomst van de banaliteit van het kwaad, beklemtoont Hannah Arendt, is het schipbreuk leiden van het eigen denken. Deze belangrijke notie, zo voeg ik hier aan toe, doet niets af aan het radicale kwaad van de sjoa en aan de verantwoordelijkheid van degenen die daaraan hebben meegedaan. Hannah Arendt is altijd zelfstandig blijven denken. Onafhankelijkheid kenmerkt Simone Veil gelukkig ook. Simone Veil, Mijn leven, Uitgeverij Atlas, 2009. Grete Weil vrijdag 21 augustus 2009 ‘Na de oorlog schrijf ik uiteindelijk een paar boeken. Ze gaan over oorlog en deportatie. Ik kan over niets anders vertellen. Het kernpunt van mijn leven’. Grete Weil had nog slechts één opdracht. Gegen das Vergessen anzuschreiben … Vergessen tötete die Toten noch einmal, Vergessen dürfte nicht sein. Und so schrieb ich weiter, und immer häufiger wurde ich gelesen, und das war ein schwacher Abglanz von Glück. In deze columns ligt de nadruk op het Joodse aspect van schrijvers en boeken. Onze geschiedenis in literatuur weerspiegeld. Ook W.B. van der Grijn Santen heeft op die manier naar literatuur gekeken en in zijn vorig jaar verschenen proefschrift Makum Aleph, Amsterdam als jüdischer Zufluchtsort in der deutschen und niederländischen Literatur twee perioden onder de loep genomen, de 16e en 17e eeuw en de jaren 1933 tot 1940. Hij heeft onderzocht wat schrijvers ons laten zien over Amsterdam als toevluchtsoord voor vervolgde Joden. Een boeiend palet, vaak van schrijvers die langzamerhand in vergetelheid dreigen te raken, onder wie Konrad Merz, Elisabeth Augustin en Grete Weil. Hun portretten zijn op de omslag van het boek van Van der Grijn Santen afgedrukt. Grete Weil, de schrijfster van Tramhalte Beethovenstraat, zal nog wel enige bekendheid genieten. Maar herdrukt worden haar boeken in Nederland niet meer en haar autobiografie uit 1998 Leb ich denn, wenn andere leben is al niet meer in het Nederlands vertaald. En dat is jammer. Grete Weil heeft ons iets te vertellen en in haar boeken staat centraal wat haar in Nederland van 1935 tot 1947 is overkomen. Hoewel Grete Weil nog tot 1999 heeft geleefd, eindigt ook haar autobiografie in 1947. Grete Weil, geboren in 1906, was de dochter van Siegfried Dispeker en Isabella Goldschmidt. Siegfried Dispeker was parnas van de Joodse gemeente, maar hij heeft in zijn leven nooit een synagoge bezocht. Grete Weil groeide op in een volledig geassimileerd gezin dat zich Duits voelde. Geheel zonder Joodse bindingen en Joodse traditie opgevoed, heeft het Joodse lot mij in alle hevigheid getroffen, schrijft Grete Weil. ‘Ik had vier Joodse grootouders, dat telde. Mijn taal en mijn cultuur waren Duits, dat telde niet’. Jood op bevel heeft Kertész dit voor zichzelf genoemd. In 1935 is zij samen met haar man Edgar Weil noodgedwongen in Nederland terechtgekomen. Ook haar moeder is na het overlijden van haar vader naar Nederland uitgeweken. De emigratie viel haar van het begin af aan zwaar. Emigration ist ein Sturz ins Bodenlose, ist nich nur der Verlust der Heimat, der Landschaft, der Menschen, die den Alltag gestaltet haben, ist am allerschlimsten der Verlust der Sprache. Nederland stond haar bovendien tegen, ze vond de mensen maar grauw en in haar boeken heeft ze de nodige voorbeelden gegeven van de weerstand die de naar Nederland gevluchte Duitse Joden ondervonden, ook van Joodse kant. Wir sind für die Holländische Juden, was einst die Ostjuden für uns waren, fremd, abzulehnen. Grete Weil is niet de enige die dat zo heeft ervaren. Daarvan zijn in het boek van Van der Grijn Santen ook andere voorbeelden te vinden. Naar het gevoel van Grete Weil is Nederland bovendien altijd met de oorlogsjaren verbonden gebleven. Ze reisde na de oorlog wel weer af en toe naar Amsterdam, dat ze intussen recht gern habe maar, voegt ze eraan toe, für mich bleibt Amsterdam besetzt. Die arme Stadt kann nichts dagegen tun. Ich kan nichts dagegen tun. Es ist so. Edgar Weil is al op 11 juni 1941 in het kader van een vergeldingsactie op straat gepakt en vervolgens op transport gesteld naar Mauthausen. Hij is daar op 17 september 1941 omgebracht. Het heeft Grete Weil diep en blijvend geraakt en het is vooral de zorg voor haar moeder die haar de kracht gaf toch door te willen leven. Die zorg voor haar moeder bracht haar er ook toe om van juli 1942 tot september 1943 voor de Joodse Raad te gaan werken. Wie voor de Joodse Raad werkt, hoeft niet weg. Eerst toen ook dat niet meer hielp, is ze ondergedoken. In haar roman Mijn zuster Antigone heeft Grete Weil dit alles beschreven en haar eigen ervaringen en handelen afgezet tegenover Antigone, het voorbeeld van een vrouw die van geen wijken wist. Grete Weil schrijft dat ze werd geplaatst voor beslissingen die, hoe ze ook uitvielen, haar schuldig maakten. Mijn zuster Antigone en De bruidsprijs zijn naast de autobiografie haar meest indringende boeken omdat zij daarin moeilijke schuldvragen niet uit de weggaat en haar eigen identiteit tegen het licht houdt. Zo heeft ze over haar werk voor de Joodse Raad gezegd. Heute empfinde ich es als Schuld, dass ich im Jüdischen Rat mitgemacht habe. Niemand weiss, was passiert wäre, wenn es ihn nicht gegeven hätte. Ob das Entsetzliche noch viel grausamer abgelaufen ware oder nicht… Es is aber für mich keine Schuld, die mein Leben verdüstert. Ich kan nur sagen, mir wäre wohler, wenn ich nicht mitgemacht habe. In een radiolezing zei ze later kernachtig: Man kann nicht als reiner Engel durch Dreck schweben. In 1947 is Grete Weil weer naar Duitsland gegaan. Waarom? Een belangrijke rol speelde het terugvinden van haar oude vriend Walter Jockisch, met wie zij in 1960 is hertrouwd. Maar ook de taal. Ich wil schreiben, deutsch schreiben, in einer anderen Sprache ist es mir unmöglich, und dazu brauche ich eine Umgebung, in der Menschen Deutsch sprechen. Naar Duitsland, Land meiner Mörder, Land meiner Sprache, woorden van Grete Weil, door Lisbeth Exner gebruikt als titel voor haar biografie. Maar Duitsland als Heimat was verleden tijd, dat gevoel is nooit meer teruggekomen. De hoop haar Duits zijn en haar Joods zijn met elkaar te kunnen verzoenen, heeft ze uiteindelijk opgegeven. Net als Heine, zo besluit Grete Weil haar autobiografie. In De Bruidsprijs schrijft Grete Weil: ‘Veel moeilijker is de vraag naar mijn Joodse identiteit. … Ik ben van mening dat voor een Joodse identiteit het geloof nodig is … en ook de verbondenheid met het land Israël ... Ik bezit noch het een noch het ander, heb het nooit bezeten, daarom denk ik dat ik ook nooit een Joodse identiteit heb gehad. Wat overblijft is dat ik als Jodin heb ervaren wat lijden betekent’. Ongeveer tien jaar later, in haar autobiografie, herhaalt ze de vraag naar haar identiteit en kon ze daar toch nog een paar zinnen aan toevoegen. Trotzdem bin ich Jüdin. Alle sagen es. Ich sage es selbst, sage es ohne zu zögern. Ich bin Jüdin. W.B. van der Grijn Santen, Makum Aleph, Amsterdam als jüdischer Zufluchtsort in der deutschen und niederländischen Literatur, Königshausen & Neumann, 2008. Grete Weil, Leb ich denn, wenn andere leben, Nagel & Kimche, 1998. Lisbeth Exner, Land meiner Mörder, Land meiner Sprache, Die Schriftstellerin Grete Weil, A 1 Verlag, 1998. Heinrich Heine vrijdag 26 juni 2009 Nu er geen romantici en nauwelijks meer linkse intellectuelen zijn, moet Heinrich Heine als een vergeten schrijver worden beschouwd. Althans in Holland. Het enige dat van hem in het Nederlands rest, zijn wat vertaalde gedichten benevens een bundeltje aforismen, met veel mazzel verkrijgbaar in de betere boekhandel. Dit schrijft Martin van Amerongen in 1997 in zijn boekje Heine en Holland. Wat vertaalde gedichten. Van Amerongen zal het oog hebben gehad op Denk ik aan Duitsland in de nacht uit 1988, met naast elkaar een aantal gedichten van Heine en de door Peter Verstegen en Marko Fondse van die gedichten gemaakte vertalingen. Maar kijk aan, nu zijn die vertalingen uit 1988 aangevuld met nog veel meer door Peter Verstegen vertaalde gedichten van Heine. De fraaie, gebonden uitgave, getiteld Duitsland, een wintersprookje, en andere gedichten, is mogelijk gemaakt door Arnon Grunberg, die een gedeelte van het geld van de voor Tirza gekregen Libris Literatuurprijs bestemde voor een nieuwe uitgave van het werk van Heinrich Heine. Peter Verstegen heeft de nadruk gelegd op de satirische en absurdistische kant van Heine en ook twee langere gedichten toegevoegd, Deutschland, ein Wintermärchen en Atta Troll, ein Sommernachtstraum. Van de Hebräische Melodien is Disputation vertaald, de disputatie tussen een rabbijn en een frater-gardiaan, eindigend met de regels: ‘Wie gelijk heeft, weet ik niet, Maar het komt me voor dat beiden, Rebbe net zo goed als frater, Een gemene stank verspreiden.’ Peter Verstegen kan niet genoeg worden geprezen om zijn sprankelende vertalingen die vaak lezen alsof Heine direct in het Nederlands had geschreven. Heine had een scherpe en humoristische pen en dat maakt hem nog steeds leesbaar. En ook aan actualiteit heeft Heine nog weinig ingeboet. Ik heb van deze nieuwe vertalingen genoten. Heine was, de geciteerde versregels tonen het aan, ook een provocateur en een onrustzaaier. En, merkt Reich-Ranicki op in zijn bespreking van Heine, Heine was geniaal in de haat-liefde, en voor niemand koesterde hij meer haat en meer liefde dan voor de Duitsers en de Joden. Wie over Heine schrijft en meent over het hoofd te kunnen zien dat hij een Jood was of dit feit bagatelliseert, slaat de plank mis. Confessio Judaica, Bekenntnis zum Judentum is een handig boek voor wie in de relatie Heine en jodendom geïnteresseerd is. De door Heine aan het jodendom gewijde gedichten, prozastukken en brieven zijn daarin bijeengebracht. Het boek dateert al van 1925, maar is een paar jaar geleden herdrukt. Hierin staan alle Hebräische Melodien. Naast Disputation ook Prinzessin Sabbat (met de vaak geciteerde regel Schalet ist die Himmelspeise) en het prachtige Jehuda Ben Halevy. En bovendien het verhaal Der Rabbi von Bacherach, waarin ontroerende passages voorkomen, zoals de beschrijving van de sederavond (al loopt deze in dit geval niet goed af). Maar, zal men tegenwerpen, Heine was toch gedoopt. Al kort na die doop schrijft Heine aan zijn vriend Moses Moser dat hij daarvan zeer veel spijt heeft en jaren later formuleert Heine het zo: Ich mache kein Hehl aus meinem Judentume, zudem ich nicht zurückgekehrt bin, da ich es niemals verlassen hatte. En die stinkende rebbe dan? Ja, orthodoxe rabbijnen met een baard zijn vaak het onderwerp van zijn spot. En in zijn gedicht Das neue Israelitische Hospital zu Hamburg noemt hij de Joodse afkomst een duizendjarige familieziekte. Toch heeft Heine voor de Joodse traditie altijd een warme belangstelling gehouden. En toen hij ziek in zijn matrassengraf lag (ich bin jetzt nur ein armer todkranker Jude), bloeide zelfs zijn interesse in de Joodse religie op. Hij bleef echter ook een scepticus. Ich bin kein Frömmler geworden. Kerstin Decker noemt Heine in haar biografie een religieuze atheïst. Een formulering die mij aanspreekt en die, tegenstrijdig als deze lijkt, wel bij Heine past. Heine was in Duitsland lang controversieel. Maar hij werd gelezen, ook door de Duitse Joden. Presser vermeldt dat in de geïmproviseerde bibliotheek van Theresienstadt in 1945 een kleine 600 exemplaren van het werk van Heine bijeengebracht waren, door mensen, schrijft Presser, die naar dat kamp alleen het strikt onontbeerlijke konden meenemen. Voor de gedoopte Jood Heine was echter in het Israël van 1948 vrijwel geen plaats. Alleen het ruimdenkende Haifa had een Heinrich Heineplein en verder had Tel Aviv in een buurt waarvan de straatnamen naar chassidische rabbijnen verwijzen, een straat naar de rabbi van Bacherach vernoemd, een rabbijn die nooit heeft bestaan. Heine had dat misverstand vast zeer amusant gevonden. Door het verschijnen, in 2000, van een boek over Heine van de hand van Yigal Lossin, een jaar later gevolgd door een congres in Jeruzalem, is er in Israël weer volop aandacht voor Heine. Er kwam een postzegel met de beeltenis van Heine op de markt en ook in Jeruzalem is nu een straat - in de nabijheid van de molen van Montefiore - naar Heine vernoemd. Het straatbord vermeldt: Heinrich Heine, Joods-Duits dichter, liefhebber van Jeruzalem. Jüdischer Schriftsteller in der Moderne is de treffende titel van de biografie van Klaus Briegleb. Maar verder moet je maar niet proberen om Heine een etiket op te plakken of bij een bepaalde, al dan niet Joodse, stroming in te lijven. Heine was er te eigengereid voor. Ga zijn gedichten maar lezen. Daarom tot slot enkele regels uit de vertaling van Peter Verstegen van Atta Troll, ein Sommernachtstraum. Ook om nog een keer duidelijk te maken dat Heine, al schreef hij elders ich liebe sie (die Juden) persönlich, in dat gedicht het spotten, gelukkig maar, weer niet kon laten. De joden zijn in twee kampen verdeeld Die elk voor een ander doel staan, Terwijl de jeugd naar de tempel gaat, Blijft de oude garde naar sjoel gaan. De jongeren eten varkensvlees En zijn in de oppositie Als democraten; de oudjes zijn meer Van de fleem-de-adel traditie. Ik heb de ouden zo lief als de jeugd, Maar dit is wat ik bij God zweer: Dat ik meer van sommige visjes houd, En vooral van gerookte sprot meer. Heinrich Heine, Duitsland, een wintersprookje, en andere gedichten, Athenaeum - Polak & Van Gennep, 2009. Ferrara vrijdag 12 juni 2009 In De tuin van de Finzi-Contini’s van Giorgio Bassani (wie heeft het niet gelezen) zegt Giampi Malnate tegen zijn Joodse vrienden dat Ferrara hem goed bevalt en dat hij niet kan begrijpen waarom zij de stad als een graf of een gevangenis beschouwen. Op twee juni bezochten wij Ferrara. De stad is inderdaad ingesloten door de omheining van haar oude muren, maar een graf of een gevangenis, nee. Twee juni was toevallig een Italiaanse feestdag, dag van de republiek, en bovendien een heerlijke, zonnige dag. De ontspannen sfeer van die dag beviel ons en ook de architectuur rond de Duomo maakte indruk. Een prachtige stad, een stad om van te houden zo zeiden we tegen elkaar. En ik kon me nog beter verplaatsen in de liefde van de verteller voor Micòl Finzi-Contini. Maar De tuin van de Finzi-Contini’s is niet alleen de ontroerende geschiedenis van een verloren gegane jeugdliefde. Het is ook het verhaal van de ondergang van de Joodse gemeenschap van Ferrara. De tuin van de Finzi-Contini’s speelt zich in hoofdzaak af vanaf 1938, ongeveer twee maanden nadat in Italië de rassenwetten waren uitgevaardigd. Joden zijn niet meer welkom op de plaatselijke tennisclub en dat slecht de muur, ook sociaal, tussen de verteller en de Finzi-Contini’s, die de tennisbaan in hun tuin nu ook voor anderen openstellen. Colleges kunnen de Joodse jongeren niet meer volgen en de toegang tot de gemeentelijke bibliotheek wordt hen ontzegd. Zij ervaren Ferrara wel degelijk als een graf of een gevangenis. Natuurlijk zijn we naar de Via Mazzini gegaan, de straat die vanaf het Piazza delle Erbe langs het voormalige getto loopt - met de San Crispinokapel aan het begin, de nauwe ingangen van de Via Vignatagliata en de Via Vittoria halverwege, nog iets verder de rode bakstenen gevel van het Israëlitische godshuis. Van buiten is niet te zien dat op nummer 95 synagogen en een museum zijn gevestigd. Ik las dat in het nabij gelegen getto zelfs gold dat de synagogen aan de straatkant geen ramen mochten hebben. Bij het binnenkomen vallen de in de muur aangebrachte boxen op waar vroeger giften voor Erets Israel en voor tsedaka in konden worden gedaan. Gelukkig was niet alles slechts van vroeger tijden. De Asjkenazische sjoel, de Scola Tedesca, is gerestaureerd na de verwoesting door de fascisten op Rosj Hasjana 21 september 1941. Deze sjoel is weer in gebruik. Een mooie warme sjoel met houten banken en links 19e eeuws stucwerk van Gaetano Davia en rechts vijf brede ramen. De fraaie Aron Hakodesj markeert de zorgvuldige restauratie. De bovengelegen Italiaanse sjoel, de Scola Italiana, is niet meer als sjoel in gebruik. De ruimte wordt nu alleen nog benut voor bijeenkomsten. Ik vond het moeilijk om in die wat kale ruimte het verleden terug te roepen. Alleen het klinkende plaveisel van witte en roze ruiten herinnerde nog aan de tijd dat de Finzi-Contini’s hier naar sjoel gingen, door Giorgio Bassani in het begin van zijn roman beschreven. Maar ach, er is meer om je te moeten herinneren. Ook deze ruimte is door de fascisten verwoest en daarna door hen gebruikt als verzamelplaats voor de opgepakte Joden voordat zij naar Duitsland werden getransporteerd. Ik schreef dat je van buiten niet kunt zien wat de functies zijn van het gebouw aan de Via Mazzini nummer 95. Dat is nu niet meer helemaal waar, want aan weerszijden van de ingang zijn twee gedenkplaten aangebracht ter herinnering aan de 96 Joden uit Ferrara die tijdens de sjoa zijn omgebracht. Eén van de verhalen van Giorgio Bassani (uit Binnen de muren) heet Een gedenkplaat in de Via Mazzini. Geo Josz, uit Buchenwald in Ferrara teruggekeerd (van heel wat verder dan hij feitelijk gekomen was), ziet, lopend door de Via Mazzini, dat een gedenkplaat wordt aangebracht met daarop ook zijn naam. Het is het begin van een schrijnend verhaal over het elkaar niet meer kunnen of willen begrijpen. De inwoners van Ferrara wilden opnieuw beginnen met een schone lei en dachten dat de tijd die alles heelt, die maakte dat ook Ferrara uit de puinhopen herrees en weer de oude werd, uiteindelijk ook Geo Josz tot bedaren zou hebben gebracht, hem zou hebben geholpen weer een normaal leven te leiden, zich weer aan te passen kortom. Aanpassen, het lukt Geo Josz niet en uiteindelijk geeft hij het op en verdwijnt. De kleine nog overgebleven Joodse gemeenschap van Ferrara (minjan maken is, zo begreep ik, niet eenvoudig meer) mag zich gelukkig prijzen dat door de boeken van Giorgio Bassani haar geschiedenis niet in vergetelheid is geraakt. De cursieve teksten zijn citaten uit het werk van Giorgio Bassani. Op de gedenkplaten, zie de foto’s hieronder, staan 96 namen. Bassani schrijft dat 183 Joden, van de 400 die er voor de oorlog in Ferrara woonden, zijn afgevoerd naar Duitsland en daar zijn omgekomen,. Dat komt vrijwel overeen met de aantallen die www.jewishencyclopedia.com noemt. Die website geeft ook verdere informatie over de bloeiende Joodse gemeenschap die Ferrara vanaf de dertiende eeuw heeft gekend. Een voorbeeld van die bloei zijn de vele boeken die in Ferrara zijn gedrukt. Zo heeft Abraham Usque, oorspronkelijk afkomstig uit Portugal, in de periode 1553 tot 1557 meer dan 20 boeken in het Hebreeuws uitgegeven, waaronder in 1555 Or Adonai van Chasdai Crescas. Het bekendste door Abraham Usque uitgegeven boek is de “Ferrara Bijbel”, de eerste uitgave van het oude testament in het Spaans. Het Joods Historisch Museum heeft een exemplaar.
Imre Kertész donderdag 28 mei 2009, 12:00 Imre Kertész, geboren in 1929 in Boedapest, heeft het nodige met Appelfeld gemeen. Allebei hebben zij als enig kind uit een geassimileerd gezin de sjoa overleefd, allebei zijn ze schrijver geworden met als drijfveer hun jeugdjaren vóór en vooral tijdens de sjoa. In 1944 is de vader van Kertész, László Kertész (de familienaam luidde oorspronkelijk Klein), in de kampen verdwenen. Enige tijd daarna is ook Kertész opgepakt en naar Auschwitz op transport gesteld. Na enkele dagen is Kertész doorgestuurd naar Buchenwald en daarna naar het werkkamp Zeitl. Doodziek teruggebracht naar Buchenwald, is hij daar door de Russen bevrijd. Uiteindelijk wist hij Boedapest weer te bereiken. Geïnspireerd door wat er tijdens de sjoa met hem is gebeurd, heeft Kertész eerst Onbepaald door het lot (1975) geschreven en daarna onder andere nog Het fiasco (1988) en Kaddisj voor een niet geboren kind (1990). Wie geïnteresseerd is in het denken van Kertész, wijs ik op Dagboek van een galeislaaf (1992), Ik, de ander (1997), De verbannen taal (2004) en vooral Dossier K, een onderzoek, dat uit 2006 dateert en in 2007 bij De Bezige Bij in het Nederlands is uitgekomen. Kertész, die in 2002 de Nobelprijs voor literatuur kreeg, heeft over het schrijven van zijn eerste werk, Onbepaald door het lot, ongeveer dertien jaar gedaan en het heeft hem daarna nog enkele jaren gekost om in Hongarije een uitgever te vinden. Over het ontstaan van deze roman vinden we veel terug in Dagboek van een galeislaaf en in Dossier K. Het bijzondere van Onbepaald door het lot is dat het verhaal is geschreven vanuit het beleven en de gedachtewereld van een vijftienjarige jongen en zo voor de lezer, die weet wat er tijdens de sjoa is gebeurd, indringend weerspiegelt wat Kertész in die jaren heeft meegemaakt. Daarover is Kertész in zijn boeken steeds blijven nadenken en ook in zijn andere boeken komt hij telkens weer terug op wat hij samenvattend Auschwitz noemt. Hoe autobiografisch is Onbepaald door het lot? Iets is of een roman of een autobiografie en uiteindelijk lijkt een romanfiguur waarschijnlijk meer op degene die de roman schreef dan op degene die die dingen beleefde, schrijft Kertész in Dossier K. Dossier K. heeft als ondertitel Een onderzoek en het boek heeft de vorm van een interview. De interviewer stelt de vraag of de in Onbepaald door het lot beschreven eerste indruk van Auschwitz fictie of werkelijkheid is en Kertész antwoordt: de meest authentieke werkelijkheid, die de structuur van de fictie uitstekend diende. Een interessant antwoord omdat het laat zien dat, ook als het gaat om authentieke werkelijkheid, deze moet passen in de structuur van het verhaal. In Dossier K. geeft Kertész een voorbeeld van een weggelaten scène die niet paste in de structuur van de roman. Toen de jonge Kertész in Boedapest door gendarmes werd opgepakt, verkeerden deze gendarmes in een moordlustige stemming, maar het vermelden daarvan kwam niet goed uit, omdat Kertész in dat stadium van de roman wilde laten zien hoe onwetend zijn hoofdpersoon nog was van wat hem in Duitsland te wachten stond. Het aan het eind van de roman weergegeven en voor het duiden van de roman cruciale gesprek met twee buren (na de terugkomst in Boedapest) is fictie, is een constructie, ingelast om te beschrijven hoe de hoofdpersoon had ervaren wat er was gebeurd. Ook daarover is Kertész duidelijk. Ik heb Onbepaald door het lot nooit een holocaustroman genoemd, zoals anderen, schrijft hij in Dossier K., want datgene wat holocaust genoemd wordt kan niet in een roman worden gevat. Ik schreef over een toestand en ofschoon de roman de onuitsprekelijke ervaring tot menselijke beleving probeert om te vormen, hielden me toch in de eerste plaats de ethische gevolgen van beleven en overleven bezig. Ook bij Kertész gaat het daarbij om wat Appelfeld heeft genoemd ‘the naked Jewishness’. In de door Kertész geschreven fictie is de assimilatie van vóór de sjoa sterk aangezet. Zo lezen we in Onbepaald door het lot dat in het gezin van de hoofdpersoon varkensvlees werd gegeten (alleen een nog orthodoxe oom sloeg dit af). En als het in het kamp vrijdagavond is en een rabbijn gebeden zegt, hoort de hoofdpersoon een eigenaardig gemompel en vraagt hij zich af wat er aan de hand is. Tijdens de executie van ontsnapte maar weer opgepakte gevangenen, begrijpt hij niettemin (zelfs ik) dat er kaddisj wordt gezegd. En er wordt aan toegevoegd: op dat moment speet het me voor de eerste keer in mijn leven dat ik niet religieus was opgevoed. Uit Dossier K. weten we nu iets meer over het gezin waaruit Kertész afkomstig is. Bij de grootvader kwam nog geen varkensvlees op tafel, al ging ook hij volgens Kertész maar een doodenkele keer naar de synagoge. De nog meer geassimileerde vader heeft Kertész toch nog bar mitswa laten worden bij rabbijn Izsák Schmelczer (tegen betaling van een gans). In De verbannen taal vertelt Kertész bij een bezoek aan een synagoge dat hij tijdens zijn schooltijd voor het laatst in een synagoge was geweest. Ik leid uit dit alles af dat Kertész vanuit zijn jeugdjaren meer weet moet hebben gehad van de Joodse gebruiken dan de hoofdpersoon uit Onbepaald door het lot. Maar veel zal zijn kennis toch niet om het lijf hebben gehad en Kertész zal het zoveel mogelijk weg hebben gelaten om des te scherper te kunnen aangeven dat hij (en de geassimileerde Joden in het algemeen) om geen enkele andere reden dan hun Jood-zijn in de verschrikking van de sjoa terecht zijn gekomen. Het is een centraal thema in het werk van Kertész. Kertész noemt zich Jood op bevel. Hij is een mens die toevallig Jood is. Maar omdat ik een Jood ben, heb ik een heel bijzondere ervaring gehad, en wel de meest absolute ervaring die denkbaar is van overgeleverd zijn aan het totalitarisme, aldus Kertész in Dagboek van een galeislaaf. Ook in Dossier K. vinden we dit terug. Ik was Jood geworden door de Holocaust. Die notie maakt het Kertész mogelijk de rassenwaan van het Derde Rijk in zijn meest elementaire vorm bloot te leggen. Aharon Appelfeld vrijdag 15 mei 2009 Van Aharon Appelfeld is Bloemen der duisternis (2006) nu ook in Nederlandse vertaling verschenen. Het is de indringende en ontroerende geschiedenis van de elfjarige Hugo Mansfeld, tijdens de sjoa door zijn moeder noodgedwongen ondergebracht bij een jeugdvriendin die woont en werkt in een bordeel. In Bloemen der duisternis lezen we dat de ouders van Hugo Mansfeld niet naar de synagoge gingen en zich ook niet meer aan de godsdienstige gebruiken hielden. Hugo Mansfeld kwam dus, zo kunnen we constateren, uit een geassimileerd gezin. Verder heeft Appelfeld zijn roman niet in de ik-vorm geschreven, een aanwijzing dat het niet om een autobiografische roman gaat. Over beide aspecten in deze column iets meer. Aharon Appelfeld is in 1932 in de Bukowina geboren. De moeder van Appelfeld, Boniah Sternberg, is tijdens de sjoa vermoord. Samen met zijn vader is Appelfeld overgebracht naar een kamp in Transnistrië. Appelfeld wist te ontsnappen en hij heeft als jongen jaren in zijn eentje door de Oekraïne gezworven tot hij in 1944 in handen van het Russische leger viel. Weer kon hij wegkomen en via Joegoslavië bereikte hij Italië en uiteindelijk, met behulp van de Joodse Brigade, in 1946 Palestina. Daar heeft Appelfeld een geheel nieuwe taal moeten leren en in die taal heeft hij een groot aantal boeken geschreven. Boeken waarin Oost-Europa en de sjoa een centrale rol spelen. Ik noem naast Bloemen der duisternis hier nog twee romans, Het tijdperk der wonderen uit 1978 en Het verhaal van een leven uit 1999. Wie geïnteresseerd is in het denken van Appelfeld, wijs ik op Beyond despair: three lectures and a conversation with Philip Roth uit 1994. In de eerste lezing uit Beyond Despair heeft Appelfeld zijn geboorteplaats Czernowitz in de Bukowina, een zeer Joodse, maar tevens zeer geassimileerde stad genoemd. Voor zijn generatie, aldus Appelfeld, was assimilatie niet langer het doel maar was het a way of life. De grootouders, die Jiddisj spraken, leefden veelal nog volgens de Joodse traditie, maar voor de Duitstalige ouders gold dat zij zich daar niet langer mee verbonden voelden. Het heeft gemaakt dat zij door de sjoa hun hele wereld zagen instorten. Het betekende, in een bondige samenvatting van Appelfeld zelf, dat they were left with nothing but their naked Jewishness. In Het tijdperk der wonderen heeft Appelfeld onder andere aan dit thema extra aandacht besteed. De vader uit het boek (ik voeg er voor de zekerheid aan toe: niet de eigen vader) voelt zich geheel en al een gevierd Oostenrijks schrijver en hij wil niets weten van de niet-geassimileerde Joden op wie hij neerkijkt. Maar aan zijn Jood-zijn kon ook hij niet ontsnappen. Net zo min als het gezin Mansfeld uit Bloemen der duisternis. Aan Het tijdperk der wonderen en Het verhaal van een leven kunnen evenmin autobiografische gegevens worden ontleend, al zijn die boeken, anders dan Bloemen der duisternis, wel in de ik-vorm geschreven en ligt Het verhaal van een leven dichtbij wat Appelfeld zelf moet hebben meegemaakt. Maar ook voor Het verhaal van een leven geldt wat Appelfeld tegen Philip Roth heeft opgemerkt: al komen mijn boeken voort uit my most personal experiences, zij zijn niet the story of my life. Appelfeld wil ook niets weten van het etiket holocaustschrijver. Er is geen ergerlijker benaming te bedenken, schrijft hij in Het verhaal van een leven. Appelfeld kan niet, en wil ook niet, exact verslag doen van wat hem tijdens de sjoa is overkomen. Hij schrijft romans, fictie. Zijn herinnering aan die jaren is bovendien als van een kind, niet chronologisch maar een overvloeiende en een in zich steeds veranderende herinnering. Al is die herinnering wel zijn herinnering en in die betekenis de drijfveer achter zijn werk. Mijn poetica, schrijft Appelfeld, heeft zich gevormd in het begin van mijn leven, en daarmee bedoel ik alles wat ik heb gezien en onthouden in mijn ouderlijk huis en in de lange oorlog. De boeken van Appelfeld zijn geschreven in het Hebreeuws en dat is cruciaal. In Het verhaal van een leven heeft Appelfeld vastgelegd hoe, na een moeizaam begin, het zich eigen maken van een nieuwe taal gelijk op ging met het kennisnemen van de Joodse traditie en literatuur aan de Hebrew University. Die literatuur, merkt Appelfeld op, bleek voor hem de religieuze melodie die we verloren hebben. Het is de Hebreeuwse taal waardoor hij zichzelf vond, die hem tot een belangrijk Israëlische schrijver heeft gemaakt, al bleef zijn onderwerp het ouderlijk huis en de lange oorlog. Bloemen der duisternis bewijst dat opnieuw. Aharon Appelfeld, Bloemen der duisternis, Anthos, 2009. Aharon Appelfeld, Beyond despair: three lectures and a conversation with Philip Roth, Fromm International, 1994. Zaterdagavond voorjaar 1995. Jeruzalem. Aharon Appelfeld neemt zijn vriend Imre Kertész mee naar Mea Sjeariem. ‘Appelfeld‘, schrijft Kertész in Ik, de ander, ’zit gereserveerd naast me op een soort bank, maar hij verbergt zijn diepe betrokkenheid bij het gebeuren allerminst. Toch steekt hij met zijn hemdsmouwen, gladgeschoren wangen en Hamburgs petje enigszins af bij de overige aanwezigen. Ik draag de witte linnen hoed die ik in Venetië heb gekocht’. Met dit citaat begon ik een artikel over de vrienden Appelfeld en Kertész in Kol Mokum van vorig jaar. Wat ik toen over Kertész schreef, leest u in mijn volgende column. Joseph Roth (2) vrijdag 1 mei 2009 In Juden auf Wanderschaft uit 1927 beschrijft Joseph Roth een kleine stad met 18.000 inwoners van wie 15.000 Joden. 8.000 van hen leven van de handel, als marskramer, anderen oefenen de meest verschillende beroepen uit. De stad heeft een marktplaats en een station waar eenmaal per dag een trein langskomt. Er zijn twee kerken, een synagoge en 40 kleine gebedshuizen waar men ook de Tora en Talmoed bestudeert. Ontroerend is de beschrijving van de arme Jood die net zo weinig geld heeft als zijn antisemitische vijanden. Maar hij leeft anders. Hij hongert en spaart want zijn kinderen moeten naar school om onderwijs te volgen en op sjabbesavond eet hij alsof hij welvarend is. Hij speelt de welvarende. Joseph Roth beschrijft ook een lewaje waarbij vier Joden de kist door de straten van de stad naar de Joodse begraafplaats brengen. Had Joseph Roth zich de eigen lewaje ook zo voorgesteld? Voor die kleine stad stond Brody model, de grensplaats in Galicië waar Moses Joseph Roth in 1894 is geboren. Galicië behoorde in die tijd tot de Dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije en Brody was een Joodse plaats, met zelfs twee synagogen en 84 gebedshuizen. Habsburg en Brody werden voor Joseph Roth symbolen van een verloren tijd, vastgelegd in zijn boeken de Radetzkymarsch uit 1932 en Hiob uit 1930. Door de biografieën van David Bronsen en Von Sternburg weten we meer over de jeugdjaren van Joseph Roth. Zijn ouders, Nachum Roth en Maria (of Miriam) Grübel, stonden in 1892 in de synagoge van Brody onder de choepa. Met Nachum Roth is het slecht afgelopen. Al in de herfst van 1893 is hij ingestort waarna hij tot zijn dood in 1910 werd verpleegd in een instelling voor geesteszieken. Joseph Roth heeft zijn vader nooit gekend. Hij was enig kind en woonde met zijn moeder in bij grootvader Jechiël Grübel die geen erg succesvolle zakenman moet zijn geweest maar echt arm heeft Joseph Roth het in zijn jeugd toch niet gehad. Onder de Joden van Brody vond men zowel Chassidiem als aanhangers van de Haskala. Wat kreeg Joseph Roth hiervan mee? Jechiël Grübel en zijn dochter waren gelovige Joden. Men ging naar de synagoge en er werd een koosjere huishouding gevoerd. Het cheder heeft Joseph Roth echter niet bezocht. Hij ging naar de Duitstalige school van Moritz Hirsch al kregen de leerlingen ook hier Hebreeuwse les. Daarna bezoekt hij het Kronprinz Rudolf Gymnasium. Hij zat in een klas met 20 leerlingen onder wie 7 Joden. Dit alles laat een verschuiving naar een meer verlicht Jodendom zien wat waarschijnlijk is versneld na het overlijden van grootvader Jechiël Grübel. Toch kan worden geconcludeerd dat Joseph Roth in zijn jeugd veel van het traditionele Jodendom heeft opgestoken. En in zijn werken vind je de sporen terug van de verschillende facetten van het Jodendom waarmee hij in zijn jeugd is geconfronteerd. Joseph Roth heeft Juden auf Wanderschaft geschreven om de oostjoden te verdedigen tegen de neerbuigende houding en soms zelfs afkeer van de geassimileerde Joden die al langer in het westen woonden. Bijvoorbeeld in Wenen waar de arme oostjoden meestal in de wijk Leopoldstadt terecht waren gekomen. Joseph Roth geeft in zijn boek een indringend beeld van de moeilijke omstandigheden waarin de Joden in de wijk Leopoldstadt moesten leven. Maar, schrijft Joseph Roth, de kinderen van die oostjoden zijn soms al begaafde juristen, artsen, journalisten, toneelspelers. Zo ook Joseph Roth die eerst in Lemberg en later in Wenen is gaan studeren. Bij Joseph Roth zelf is van een neerbuigende houding niets te vinden, laat staan van Joodse zelfhaat. Juden auf Wanderschaft is onvertaald gebleven en minder bekend dan Hiob. De vorige column over Joseph Roth besloot ik met: zijn hart sloeg jüdisch. Wie Juden auf Wanderschaft heeft gelezen, zal dit moeilijk kunnen tegenspreken. Joseph Roth heeft altijd een Joods hart behouden. Juden auf Wanderschaft is een essay, geen roman. Misschien is daarom dit boek niet opgenomen in de canon van moderne Joodse literatuur waarover ik in mijn eerste column van 16 januari jl. schreef. Ook Hiob, een toch zo warm en echt Joods boek, vinden we niet terug in die lijst van honderd boeken en dat vind ik onbegrijpelijk. Joseph Roth is daarin gelukkig wel met zijn novelle Der Leviathan (1940) vertegenwoordigd. In de nieuwe biografie van Von Sternburg wordt Joseph Roth een sceptische Jood genoemd. Tja. Er zijn zoveel stromingen binnen het Jodendom dat altijd wel een standpunt te vinden valt waar iemand het niet mee eens is. Honderd Joden honderd meningen. En Joseph Roth had een zekere liefde voor tegendraadsheid. Von Sternburg geeft als voorbeeld de kijk van Joseph Roth op het zionisme. Daarover was Joseph Roth inderdaad kritisch wat in het verlengde ligt van zijn afwijzing van nationale staten, bevreesd als hij was dat een Joodse staat veel weg zou hebben van de Europese staten van zijn tijd. Hij begrijpt niet, schrijft hij in Juden auf Wanderschaft, dat de Joden een eigen staat willen in een tijd waarin de hele wereld zich aan patriottische waanzin overgeeft. Maar ook Joseph Roth erkent in 1927 al dat Joden een recht hebben op Palestina, niet omdat zij daar oorspronkelijk vandaan komen maar omdat geen ander land hen wil hebben. En tien jaar later noemt Joseph Roth het zionisme wellicht toch noodzakelijk; zelfs hij, de scepticus, noteert Von Sternburg. De catastrofe was nabij. Het gaf Joseph Roth aanleiding een voorwoord te schrijven voor een nieuwe uitgave van Juden auf Wanderschaft waarvan het toen echter niet meer is gekomen. In dat voorwoord merkt Joseph Roth op dat de geassimileerde Duitse Joden het hadden verleerd Joden te zijn, maar, schrijft hij, in deze tijd moeten ze stap voor stap opnieuw hun Joods zijn aanleren. Aan het Jodendom kon men zich niet meer onttrekken. Zelf heeft Joseph Roth dat ook nooit gedaan. Stefan Zweig had gelijk toen hij zich verbijsterd afvroeg waarom een zo Joods mens als Joseph Roth door een katholieke priester was begraven. Zie voor de biografie van de hand van Wilhelm von Sternburg de eerste column over Joseph Roth van twee weken geleden. DTV (Deutsche Taschenbuch Verlag) heeft een goedkope uitgave van Juden auf Wanderschaft uitgebracht. Joseph Roth (1) vrijdag 17 april 2009 Een ontwortelde die van hotelkamer naar hotelkamer trok, schreef ik eerder over Joseph Roth. Er ligt symboliek in dat Joseph Roth het hotel waar hij het langst kwam, hotel Foyot in Parijs, vanuit het tegenover gelegen café Le Tournon heeft zien afbreken, nadat hij als laatste gast daar was vertrokken. Joseph Roth was bijna zijn hele leven aan de drank, zuipt zwart gif, schreef Klaus Mann na een ontmoeting met Joseph Roth. Roth schreef zijn boeken in cafés als Le Tournon. Het wekt verbazing maar ook bewondering dat hij ons toch zoveel boeken heeft nagelaten. Een echte verteller die nog altijd wordt gelezen. Ook in Nederland. Uitgeverij Atlas geeft de laatste tijd zijn boeken, fraai vormgegeven, opnieuw in vertaling uit. En nu is er een nieuwe biografie van de hand van Wilhelm von Sternburg. Daarover valt veel goeds te zeggen. De biografie is zeer leesbaar, plaatst Joseph Roth in zijn tijd, ontrafelt door Joseph Roth in het leven geroepen mythes en maakt de vele tegenstrijdigheden in diens leven en werk zichtbaar. Een biografie over Joseph Roth. Het is bepaald geen gemakkelijke taak. Joseph Roth valt nu eenmaal moeilijk in een hokje te plaatsen. Daar zijn veel voorbeelden van. Zo schreef hij als journalist in de begin jaren twintig voor de socialistische krant Vorwärts en stond hij bekend als der rote Joseph. Maar in de jaren dertig was hij legitimist, een stroming die het herstel van de Habsburgse monarchie voorstond. Joseph Roth was in 1894 geboren in Brody, een grens- en garnizoensplaats in Galicië met ongeveer 17.500 inwoners van wie ruim tweederde Joden waren. Galicië behoorde tot de dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije. Naar zijn verloren gegane vaderland heeft Joseph Roth altijd verlangd. “Mijn sterkste belevenis”, schreef hij, “was de oorlog en de ondergang van mijn vaderland, het enige dat ik ooit heb bezeten, de Oostenrijks-Hongaarse monarchie”. Zijn voorkeur voor een herstel van de Habsburgse monarchie komt conservatief over. In bovennationale staten, en daaronder rekende hij de dubbelmonarchie, zag Joseph Roth echter een garantie voor vrede. Terugkijken was voor Joseph Roth verbonden met zijn afkeer van nationale staten, met zijn weerzin tegen het Duitsland van zijn tijd. Joseph Roth was van het begin af aan één van de meest fervente tegenstanders van het nationaalsocialisme (die Hölle regiert, schreef hij op 23 februari 1933 aan Stefan Zweig). Uiteindelijk ging het Joseph Roth om menselijkheid. Een pessimistische moralist, zo besluit Von Sternburg het eerste hoofdstuk van zijn biografie. Erstaunlich, wie sie ihn geliebt haben, die Freunde, die Frauen, die Kollegen. Er waren dan ook velen aanwezig op 30 mei 1939 bij de begrafenis van Joseph Roth die zich letterlijk had dood gedronken. Het was, al kan men dat van een begrafenis eigenlijk zo niet zeggen, een hilarische gebeurtenis. Jüdisch-katholisch-socialistisch-monarchistische Gespentsterszenen, noemt Von Sternburg het. Monarchisten en communisten stonden om zijn graf. De monarchisten legden een krans namens Otto von Habsburg, wat de woede opwekte van de razende reporter Egon Erwin Kisch die een kluit aarde en rode bloemen in het graf wierp. De begrafenisceremonie werd geleid door een katholieke geestelijke, wat de aanwezige Joden uit Galicië in het geheel niet beviel. Zij vroegen om een rabbijn en klaagden luid dat Roth een Jood was die volgens Joods gebruik begraven moest worden. Was Joseph Roth katholiek geworden? Wie zijn boeken Juden auf Wanderschaft en Hiob heeft gelezen, zal dat niet spoedig beamen. Joseph Roth heeft echter wel degelijk met het katholicisme gekoketteerd. Maar, zo staat vast, hij heeft zich nooit laten dopen. In de herinneringen van Soma Morgenstern, Joseph Roths Flucht und Ende, vorig jaar opnieuw door Kiepenheuer & Witsch als paperback uitgegeven en door Von Sternburg terecht het beste boek met herinneringen aan Joseph Roth genoemd, valt uitgebreid te lezen hoe Friderike Zweig en Johannes Oesterreicher, een gesjmadde katholieke geestelijke, geprobeerd hebben Joseph Roth een geheel katholieke begrafenis te geven. Door het ontbreken van een doopbewijs ging dat niet door, al leidde Oesterreicher uiteindelijk wel de begrafenisceremonie. Er wordt niets voor mij gelezen, mis noch kaddisj, geen van beide, dichtte Heinrich Heine. Ook geen kaddisj voor Joseph Roth, al was dat wel afgesproken. Joseph Gottfarstein zou kaddisj zeggen voor zijn vriend Joseph Roth. Door het ontstane gekrakeel zag hij daarvan af. Roth hield ervan mythen over hem te laten voortbestaan. Maar zelfs als hij koketteerde met het katholicisme, waarvan hij overigens maar bitter weinig afwist, zei hij tegelijkertijd dat hij zijn Jood-zijn nooit zal verloochenen. Het gaat wellicht wat ver om de woorden van Morgenstern over te nemen die schreef dat Joseph Roth eerder uit alkoholischen dan katholischen motieven handelde. Hoe dan ook, veel uitlatingen van Joseph Roth wijzen erop dat hij van zijn Jood-zijn niet kon en niet wilde loskomen. Zo schreef hij in 1936 aan Stefan Zweig: Was ein kleiner Jude ist, brauchen Sie nicht ausgerechnet mir zu erzählen. Seit 1894 bin ich es und mit Stolz. Volgens Morgenstern moet Stefan Zweig na de begrafenis (waar hij niet bij kon zijn) hebben gezegd: “Hoe kon je het toelaten dat een zo Joods mens als onze vriend Joseph Roth door Kaplan Oesterreicher begraven werd”. Zo is het. Zijn hart sloeg jüdisch. Daarover volgende keer verder. Wilhelm von Sternburg, Joseph Roth, Eine Biographie. Kiepenheuer & Witsch, 2009. Zoektochten vrijdag 3 april 2009 Joosje Lakmaker, Joseph Pearce en Vivien Kovacs hebben met elkaar gemeen dat zij alle drie in de jaren vijftig van de vorige eeuw zijn geboren en een zoektocht naar het verleden begonnen omdat hun ouders zwegen. En in alle drie de gevallen waren plotselinge familiegebeurtenissen de aanleiding om de zoektocht te beginnen. Voor Joosje Lakmaker, geboren in 1950, was het de zelfmoord van haar vader, Hans Lakmaker. Het bracht haar tot het schrijven van Voorbij de Blauwbrug, een prachtig portret van haar grootvader Leman Lakmaker. Leman Lakmaker klom omhoog uit een Joods arbeidersmilieu, dacht het jodendom achter zich te hebben gelaten en werd socialist en uitgever (bij de Wereldbibliotheek). De wereld om hem heen kantelde en hij is eind 1942 in Auschwitz omgebracht, samen met zijn vrouw Sophia Voorzanger. Zijn zoon Hans Lakmaker overleefde de sjoa, als één van de weinigen van zijn familie. Hij trouwde een niet-Joodse vrouw en werd arts. ‘Het ging bij mij thuis nooit over de oorlog en de familie van mijn vader’, schrijft Joosje Lakmaker in het begin van haar boek. Aan het eind van haar zoektocht komt zij tot de conclusie dat haar vader overleefde door zijn Joodse identiteit te verbergen. Het boek van Joosje Lakmaker is heel goed geschreven en is bovendien meer dan een portret van haar grootvader. Het geeft tevens een beeld van de tijd waarin Leman Lakmaker leefde. Het verleden hoort bij het heden. Zoektochten zijn daarom belangrijk als het verleden dreigt te vervagen door zwijgen, door gemengde huwelijken, door veranderde namen. Het geldt ook voor de familiekroniek van Joseph Pearce, Land van belofte, al in 1999 verschenen, zo bleek mij, maar nu opnieuw uitgegeven. Joseph Pearce is geboren in 1951, woont in België en heeft net als Joosje Lakmaker een Joodse vader. Maar van diens Joodse achtergrond heeft hij lang niets geweten. Zijn vader, Vernon Pearce, was getrouwd met een Belgische vrouw en sindsdien katholiek. Joseph Pearce dacht dat zijn vader uit Engeland afkomstig was. Maar Vernon Pearce kwam oorspronkelijk uit Breslau (tegenwoordig Wroclaw) en heette toen nog Werner Peritz. Het boek van Joseph Pearce is geen aaneengesloten familiegeschiedenis, maar verhaalt over de zoektocht van Joseph Pearce naar zijn nog levende familieleden, al worden daardoor natuurlijk wel brokstukken van de familiegeschiedenis zichtbaar. De zoektocht brengt Joseph Pearce naar verschillende landen, waaronder de Verenigde Staten, Bolivia en Israël. Met zijn vader bezoekt hij bovendien Breslau. Breslau is de verbindende schakel. Vrijwel alle familieleden die Joseph Pearce ontmoet, zien de tijd in Breslau als de mooiste tijd van hun leven. Van de emancipatie van de Joden maakten zij dankbaar gebruik en zij voelden zich meer Duitser dan Jood. Ook hun wereld stortte in, al hebben de overlevenden die Joseph Pearce ontmoette, daar ieder op hun eigen manier op gereageerd. Het maakt het boek van Joseph Pearce herkenbaar. Joseph Pearce houdt tevens enige afstand. Hij is familielid en buitenstaander tegelijk. Vivien Kovacs, die in 1953 is geboren, is de hoofdpersoon uit de roman van de Joodse schrijfster Linda Grant, De kleren die wij dragen, vorig jaar genomineerd voor de Man Booker Price en nu uit het Engels in het Nederlands vertaald. Ook voor de ouders van Vivien Kovacs geldt dat zij hun Joodse identiteit liever verborgen houden en om hun dochter te “beschermen” geven zij haar in het geheel geen Joodse opvoeding. Al voor de tweede wereldoorlog hebben de ouders van Vivien Boedapest verlaten en zijn zij naar Engeland gegaan. De familienaam was niet Kovacs maar Klein (de familienaam van de Hongaarse schrijver en winnaar van de Nobelprijs Imre Kertesz was oorspronkelijk ook Klein!). De komst in 1956 van een aan de rand van de samenleving opererende oom die haar vader (die dan plotseling Jiddisj spreekt) niet in huis toelaat, intrigeert Vivien zo dat zij er uiteindelijk toe komt zich in deze oom en in de geschiedenis van haar familie te verdiepen. Een mooi boek dat weer een heel ander licht werpt op de verstrooiing na de sjoa. Deze boeken geven mij de kans te wijzen op W.G. Sebald (1944-2001). Sebald is zeer de moeite waard. Hij is geen Jood, maar in zijn boeken komen wel Joodse thema’s voor. In De emigrés beschrijft Sebald het leven van vier ballingen, veelal van Joodse afkomst, en in Austerlitz ontmoet de verteller op verschillende momenten en op verschillende plaatsen Jacques Austerlitz, die in de jaren veertig van de vorige eeuw als Joods vluchtelingenkind bij een domineesgezin in Wales terecht is gekomen. Tijdens de gesprekken ontrolt zich de zoektocht van Austerlitz naar zijn verleden. Austerlitz is, zo staat terecht op de flap, het verhaal van een man die als kind is beroofd van zijn vaderland, zijn taal en zijn naam en die nu niet meer kan aarden in deze wereld. Hij heeft dat gemeen met veel van de personen uit de boeken die ik hiervoor heb genoemd. Joosje Lakmaker, Voorbij de Blauwbrug, Het verhaal van mijn joodse grootvader, Wereldbibliotheek, 2008. Joseph Pearce, Land van belofte, Een familiekroniek, Houtekiet/Atlas, 1999/2009. Pearce heeft ook enkele romans geschreven. Linda Grant, De kleren die wij dragen, Prometheus, 2009. Interessant is ook The People on the Street: A Writer’s View of Israel, Virago Press, 2006. De boeken van W.G. Sebald zijn uitgegeven door De Bezige Bij. Austerlitz zag ik bij De Slegte liggen. Kopen! Tegen het vergeten vrijdag 27 maart 2009 Op 10 mei 1933, drie maanden na het aan de macht komen van de nationaalsocialisten, branden in Duitsland boeken. In Berlijn op de Opernplatz. Eén schrijver, Erich Kästner, stond erbij, terwijl ook zijn boeken onder fanatiek geschreeuw van de duizenden studenten en toeschouwers in het vuur werden geworpen. Dat enkele omstanders boeken uit het vuur hebben gered, is een fabel. Protesten waren er niet of nauwelijks. Volker Weidemann heeft een boek geschreven over deze eerste grootschalige boekverbranding: Das Buch der verbrannten Bücher. De boekverbranding was een initiatief van de Duitse studenten, die gebruik maakten van een door een nationaalsocialistische bibliothecaris, Wolfgang Herrmann, op eigen initiatief opgestelde lijst van schrijvers die volgens hem uit de bibliotheken zouden moeten worden verwijderd. Een belangrijk aantal van die schrijvers is in vergetelheid geraakt. Sommigen natuurlijk niet, onder wie Egon Erwin Kisch, Heinrich Mann, Erich Maria Remarque, Joseph Roth, Arthur Schnitzler, Kurt Tucholsky en Stefan Zweig. Weidemann heeft in zijn boek van alle 131 schrijvers van de Lijst Herrmann een korte biografie geschreven. Zo zijn zij allemaal aan de vergetelheid onttrokken en is zijn boek een belangrijk document geworden ter herinnering aan wat op 10 mei 1933 heeft plaatsgehad. In het laatste hoofdstuk van zijn boek noemt Weidemann bovendien de verzamelaar Georg Salzmann, die op zoek is gegaan naar eerste drukken van alle boeken van de schrijvers die op de Lijst Herrmann stonden. Zijn verzameling, eveneens een monument tegen het vergeten, bestaat uit 12.500 boeken met als pronkstuk de verzameling boeken van Stefan Zweig, schrijver van Die Welt von gestern. In 1933 schreef Zweig een essay over Freud en hij stuurde die naar Freud met de bittere opdracht: dem verehrten Meister im Jahr der Verbrennung sein getreuer Stefan Zweig. Zweig kon het exil, hij ontvluchtte Oostenrijk in 1934, niet aan. Hij had het gevoel nergens aan de golf van onmenselijkheid te kunnen ontkomen en pleegde in 1942 zelfmoord. Het waren niet alleen Joodse schrijvers die op de Lijst Herrmann terecht waren gekomen. Het ging om alle schrijvers die niet pasten in het “nieuwe Duitsland”. Naast de Joodse schrijvers waren dat veelal marxisten en pacifisten. Het was, zo blijkt uit het boek van Weidemann, een bonte verzameling schrijvers van wie de boeken in vlammen opgingen. En soms met de nodige vergissingen, want zelfs boeken van schrijvers met nazisympathieën werden verbrand. Van Alexander Lernet-Holenia bijvoorbeeld, die na de oorlog nog altijd weinig begrip toonde voor wat de Joden was aangedaan. Niettemin werd hij president van de Oostenrijkse PEN-club. Van sommige schrijvers dacht Herrmann dat het Joden waren, terwijl dat niet het geval was. Daarom stond Gustav Meyrink, schrijver van Der Golem, op zijn lijst. Johanna Bleschke was evenmin Joods, maar zij had het pseudoniem Rahel Sanzara gekozen en dat was voor Herrmann al genoeg. Ook buitenlandse schrijvers kwamen op de lijst van Herrmann, waarna hun boeken in vlammen opgingen. Veel schrijvers uit de Sovjet Unie, onder wie Isaak Babel en Ilja Ehrenburg. Maar ook Ernest Hemingway, Upton Sinclair en Henri Barbusse. Voor de Joodse schrijvers was er geen ontkomen meer aan. Al in april 1933 werden binnen de universiteiten zogenaamde thesen tegen de undeutschen Geist opgesteld. Die thesen luiden dat alleen Duitsers in de Duitse taal mogen schrijven. Joden zijn vreemden en liegen dus altijd als zij in het Duits schrijven. Met deze wartaal verloren de Joodse Duitstalige schrijvers hun publicatiemogelijkheden in Duitsland en bovendien liepen zij het gevaar dat de nationaalsocialisten het niet bij het verbranden van hun boeken zouden laten. Al in 1817 hadden Duitse studenten boeken verbrand, wat Heine deed opmerken dat waar men boeken verbrandt, men uiteindelijk ook mensen verbrandt. Joseph Roth zei hetzelfde in 1932: ze zullen onze boeken verbranden en daarmee ons bedoelen. Als je Wassermann heet of Döblin of Roth, merkte Roth op, kan je niet langer afwachten. We moeten weggaan zodat het slechts boeken zijn die in brand worden gestoken. Wasserman, die Mein Weg als Deutscher und Jude had geschreven, zag na de verbranding van zijn boeken die weg, Duitser en Jood, afgesneden. Wassermann was er letterlijk ziek van en overleed al in 1934. Döblin, de schrijver van Berlin Alexanderplatz, heeft al in 1933 Duitsland moeten ontvluchten. Eén van de vele door Weidemann geportretteerde schrijvers die dat overkwam. Hij heeft nog tot 1957 geleefd, maar vaste grond had hij niet meer onder de voeten. En ook Roth zelf was een ontwortelde die tot zijn dood in 1939 van hotelkamer naar hotelkamer trok. Volker Weidemann, Das Buch der verbrannten Bücher, Kiepenheuer & Witsch, 2008. Een goedkopere paperback uitgave is aangekondigd. Vermoedelijke verschijningsdatum 1 augustus a.s. Jeruzalem stond om ons heen vrijdag 20 maart 2009 Ik toon je Jeruzalem, had Ilana Shmueli tegen Paul Celan gezegd bij hun ontmoeting in Parijs op 11 september 1965. Lang geleden, in Czernowitz, behoorden ze tot dezelfde vriendenkring, maar ze hadden elkaar uit het oog verloren. Shmueli wist in 1944 naar Palestina te ontkomen en Celan was uiteindelijk naar Parijs gegaan. Het heeft tot oktober 1969 geduurd voordat Celan voor de eerste en enige keer daadwerkelijk naar Israël ging, waar hij op uitnodiging van de Hebreeuwse schrijversbond gedichten las. Vooral het tijdens de zesdaagse oorlog van juni 1967 ontstane gedicht Denk dir maakte grote indruk. Denk dir: der Moorsoldat von Massada bringt sich Heimat bei … Een gedicht over Israel noemde Celan het. Bedenk: je
eigen hand heeft dit weer in het leven omhoog- geleden stuk bewoonbare aarde vastgehouden. Celan had Shmueli en Israël laten wachten. In een indringend gedicht uit 1968 heet het: Mandelnde … dich liess ich warten, dich. En het gedicht eindigt met Hachnissini, het neem mij in je op uit het bekende gedicht van Bialik. Ik heb niets op deze wereld, neem mij onder je vleugels, zo ging Celan in 1969 naar Israël. Hij nam zichzelf mee. De briefwisseling tussen Celan en Shmueli is warm en triest tegelijk. Het begint met warmte, letterlijk, de hitte telt ons bij elkaar in het ezelgebalk voor Absaloms graf, ook hier. Shmueli heeft Celan Jeruzalem laten zien en tussen hen is een liefdesrelatie ontstaan. Wat ze hebben gezien, heeft Shmueli bijgehouden: de Mount Scopus, de Olijfberg, de oude stad en haar poorten, de molen van Montefiori, het graf van koning David en niet te vergeten café Atara, het café dat ook Aharon Appelfeld, eveneens uit Czernowitz afkomstig, vaak bezocht. Of ze elkaar hebben ontmoet, weet ik niet. In een nawoord bij de briefwisseling heeft Shmueli haar herinneringen aan Celan samengevat. Wat Celan in Israël heeft ervaren, heeft hij vormgegeven in de twintig gedichten uit de Jeruzalemcyclus, opgenomen in de postuum verschenen bundel Zeitgehoft. De relatie met Shmueli maakt dat in die gedichten Jeruzalem en de geliefde met elkaar verweven zijn: Jeruzalem stond om ons heen, dicht Celan. Israël betekende veel voor Celan. Ik stond in jou: Celan voelde zich in Jeruzalem geborgen. En terug in Parijs schrijft hij aan Shmueli: dass Jerusalem eine Wende, eine Zäsur sein würde in meinem Leben - das wusste ich. Enkele dagen later herhaalt hij: Jerusalem hat mich aufgerichtet und gestärkt. Paris drückt mich nieder und hohlt mich aus. Toch heeft Celan vier dagen eerder dan gepland Israël hals over kop verlaten en is hij teruggegaan naar Parijs. Waarom? Celan heeft zich daar niet duidelijk over uitgelaten. Er zijn een paar aanwijzingen. In Tel Aviv las hij voor aan Israëliërs die afkomstig waren uit de Boekovina. Als hun lotgenoot werd hij erkend maar als dichter voelde hij zich ook door hen onvoldoende begrepen. Hij was bovendien bezorgd om Israël en schreef al eerder over eine Kette von Kriegen die hij voorzag. Aan Shmueli zegt hij dat zijn denken an Israel auch ein Bangen um Israel is. Maar is dit alles genoegzaam als verklaring voor de angstgevoelens die de laatste vier dagen voor zijn plotselinge vertrek overheersten? De belangrijkste reden voor zijn vlucht zal Celan zelf zijn geweest. Hij was voordien langere tijd, van november 1968 tot februari 1969, in een psychiatrisch ziekenhuis behandeld. Door de reis naar Israël en de ontmoeting met Shmueli waren zijn angsten niet geweken. Het kleurt de na oktober 1969 voortgezette briefwisseling. Al op 23 november 1969 schrijft Celan: ich fühle, ich weiss, dass die Kräfte, die ich in Jerusalem hatte, geschwunden sind. Shmueli antwoordt hem: wir werden uns nicht mehr quälen müssen. Ze ziet zijn eenzaamheid en vertwijfeling, maar bereikt hem niet meer. Ook hun ontmoeting in Parijs, januari 1970, brengt geen verbetering. In mir ist höllische Leere, noteert Celan. Nog op 6 maart 1970 schrijft Celan aan Shmueli: Wäre ich, ich sagte es Dir ja, im Vollbesitz meiner Kräfte, ich ginge nach Israel, ohne Illusionen, aber - ich ginge hin. En op 27 maart 1970: Es ist ein Kampf, Ilana, ich kämpfe ihn aus, Du weisst, dass es ein jüdischer Kampf ist. In zijn brief van 12 april 1970, een week voor zijn zelfgekozen dood, drukt Paul Celan jegens Ilana Shmueli zijn dankbaarheid uit. Deze laatste brief eindigt: Du weisst, was meine Gedichte sind - lies sie, das spüre ich dann. Paul Celan - Ilana Shmueli, Briefwechsel, Suhrkamp 2004. De vertalingen van de gedichten van Celan zijn van de hand van Ton Naaijkens (Paul Celan, Verzamelde gedichten, Meulenhoff 2003). Berditsjev vrijdag 13 maart 2009 Na het succes van Leven & Lot is nu gelukkig ook de vertaling van Alles stroomt van de Russische schrijver Vasili Grossman herdrukt met een nawoord van Ronald Bos. In dat nawoord besteedt Bos ruim aandacht aan de levensloop van Grossman en aan de tegenwerking die Grossman in Rusland ondervond waardoor Leven & Lot en Alles stroomt eerst na zijn overlijden konden worden gepubliceerd. Ronald Bos behandelt in zijn nawoord de Joodse thematiek in het werk van Grossman wel maar het is goed hier nog eens te benadrukken dat ook Leven & Lot terecht is opgenomen in de canon van moderne Joodse literatuur. Het behoort tot de boeken die voor de kennis en het begrijpen van de Joodse geschiedenis en het Joodse lot onmisbaar zijn. Grossman schrijft over de menselijke tragedie die zich in zijn tijd heeft voltrokken. Hij was als frontlijnjournalist persoonlijk aanwezig bij de slag om Stalingrad en bij de bevrijding van Treblinka. Hierdoor en ook door zijn Joodse achtergrond kon Grossman twee thema’s met elkaar verbinden: de oorlog tussen Duitsland en Rusland en de moord op de Joden. Duitsland en Rusland kenden allebei, wat Grossman noemt, het staatsantisemitisme. Het volgende stadium van staatsantisemitisme, schrijft Grossman, is uitroeiing en dat gebeurde in de twintigste eeuw onder het fascisme. Grossman heeft het antisemitisme, in het Rusland van zijn tijd wijd en zijd verspreid, onverbloemd beschreven. In Leven & Lot is Viktor Strum het alter ego van Grossman. Voor de oorlog had Strum over zijn Joodse achtergrond nooit nagedacht. De oorlog maakte dat anders. Al in het eerste gedeelte van Leven & Lot ontvangt Viktor Strum een brief van zijn moeder, Anna Strum. Die brief, met als datum 14 september 1941, beschrijft het leven van Anna Strum achter het prikkeldraad van het getto en is terecht een indrukwekkend monument voor de vermoorde Joden van Oost-Europa genoemd. Anna Strum weet dat de Duitsers samen met de Oekraïense politiemannen de Joden neerschieten. Ze voorziet haar dood en beschrijft in haar brief de plaats waar je moeder zal liggen en, zo eindigt de brief, dit is de laatste regel van je moeders laatste brief … In januari 1944 bereikte Grossman met de Russische troepen de stad Berditsjev, ten westen van Kiev. Als Iosif Solomonovitsj Grossman was hij daar op 12 december 1905 in een geassimileerd en zeker niet religieus gezin geboren. Van de 60.000 inwoners van Berditsjev waren 30.000 Joods. ‘De hoofdstad van de Jidden’ werd de stad wel genoemd. Toen Grossman Berditsjev bereikte, waren er vrijwel geen Joden meer. Als journalist heeft hij uitgebreid onderzoek naar hun ondergang gedaan en het schokte hem het meest dat een niet onaanzienlijk gedeelte van de plaatselijke bevolking mede schuldig was aan de gruweldaden. Er waren in Berditsjev maar 25 SS’ers. Niettemin zijn daar op 5 september 1941 in één dag 10.000 Joden doodgeschoten. In twee dagen, op 15 en 16 september 1941, zijn nog eens bijna 20.000 Joden omgebracht. Ze zijn allemaal in massagraven terechtgekomen. Het gebeurde stond model voor het meer bekende bloedbad van Babi Jar, waar eind september 1941 tienduizenden Joden zijn omgebracht. Ik haal dit alles uit het boek van John en Carol Garrard (dat Ronald Bos niet noemt), The Bones of Berdichev, The Life and Fate of Vasily Grossman. John en Carol Garrard waren in 1994 in Berditsjev. Daar stond een monument ter herinnering aan de gebeurtenis van medio september 1941, met als opschrift dat ter plaatse 18.640 Sovjetburgers door de fascisten zijn vermoord. Geen woord dat deze 18.640 slachtoffers allen Joden waren, geen van hen uitgezonderd. Geen woord ook over de actieve rol van de Oekraïense politie. Eén van de slachtoffers was Jekaterina Saveljena Vitis, de moeder van Grossman. Dat het hem niet is gelukt zijn moeder tijdig uit Berditsjev weg te krijgen, heeft Grossman zichzelf nooit kunnen vergeven. Leven & Lot is aan haar opgedragen. Grossman heeft twee keer, in 1950 en in 1961, ontroerende brieven aan zijn in Berditsjev omgebrachte moeder gericht. Ik denk dat mijn liefde voor u en dit verschrikkelijke verdriet tot de dag van mijn dood niet zullen veranderen, schrijft hij in 1950. En in de brief van 1961: Als ik sterf, leeft u voort in het boek dat ik aan u heb opgedragen. Grossman is overleden op 14 september 1964. Vóór zijn dood schreef Grossman dat hij begraven wil worden op de Joodse Vostrykovskoe begraafplaats en, zo voegde hij daaraan toe, ik wil ook graag dat mijn boek wordt uitgegeven. Het boek van Grossman is uitgegeven en hij ligt op die Joodse begraafplaats. En zo gaf hij, ik citeer Garrard, uiting aan zijn verbondenheid met het Joodse volk. Vasili Grossman, Alles stroomt, De Geus, 2009. John and Carol Garrard, The Bones of Berdichev, The Life and Fate of Vasily Grossman, The Free Press, 1996. Over Grossman schreef ik ook in het laatste nummer van Kol Mokum, het kwartaalblad van de Liberaal Joodse Gemeente Amsterdam (5769-3). Engführung vrijdag 6 maart 2009 Van zijn gedicht Todesfuge heeft Paul Celan nooit afstand genomen. Wel is hij gestopt met voordragen omdat het gedicht, lesebuchreif geworden, als te mooi, te poëtisch werd verstaan. Het ging Celan niet om esthetiek: es geht mir nicht um Wohllaut, es geht mir um Wahrheit. In het lange gedicht Engführung, in het Nederlands Stretto, heeft Celan nogmaals de Sjoa in taal gevangen. Het gedicht dateert van begin 1958 en sluit de bundel Sprachgitter af. Het is een uiterste poging met de taal het onzegbare te zeggen en de tot zwijgen gebrachte stemmen van de omgekomen Europese Joden hoorbaar te maken. Sprachgitter begint met het gedicht Stimmen waarin Celan het verleden met het heden verbindt. In Engführung verbindt Celan de Sjoa met de bedreiging van het menselijk bestaan door de atoombom. Engführung begint zo (wederom in de vertaling van Ton Naaijkens): Weggevoerd naar het
terrein met het onloochenbare spoor: gras, uiteengeschreven. De stenen, wit, met de schaduw van de halmen: lees niet meer - kijk! Kijk niet meer - loop! In Meridian, de rede in 1960 gehouden bij de aanvaarding van de George-Büchner-Prijs, heeft Celan gezegd: ga met de kunst naar je allereigenste Enge. Die weg van het onmogelijke is Celan gegaan. Celan was er zeer gevoelig voor indien zijn gedichten verkeerd werden begrepen, vooral indien in kritiek antisemitische elementen verscholen lagen. Het lijkt soms bijna obsessief maar steeds moet voor ogen worden gehouden dat daardoor de basis onder zijn gedichten en onder zijn bestaan werd weggetrokken. Nog pijnlijker was het verwijt van plagiaat dat sinds het begin van de jaren vijftig door Claire Goll werd verspreid. Claire Goll was de vrouw van de dichter Yvan Goll (1891-1950) voor wie Celan gedichten uit het Frans in het Duits had vertaald. Al enkele jaren na het overlijden van Yvan Goll begon Claire Goll Celan van plagiaat te beschuldigen. Celan zou vertalingen van gedichten van Yvan Goll gebruikt hebben voor zijn eigen gedichten. Extra beroerd is dat Claire Goll, zelf Jodin, zich in haar aanval op Celan bedient van antisemitische clichés. Nog in haar herinneringen uit 1978, La poursuite du vent, maakt ze Celan zwart. In de Duitse vertaling is de passage over Celan weggelaten, in de Nederlandse uitgave (ik bezit die uit 1999) helaas niet. In 2000 is alle beschikbare documentatie door Barbara Weidemann gepubliceerd onder de titel Die Goll-Affäre. Daarmee is definitief komen vast te staan dat het verwijt van plagiaat volkomen misplaatst was. Het onterechte verwijt van plagiaat heeft Celan diep verwond en is voor hem een toetssteen geweest in de relatie met zijn vrienden. Het heeft zijn psychische problemen minst genomen verergerd en heeft mede veroorzaakt dat Celan vanaf 1962 afwisselend in verschillende klinieken is opgenomen. Op 23 december 1952 is Celan getrouwd met Gisèle Lestrange. De in 2001 gepubliceerde briefwisseling tussen Paul Celan en Gisèle Lestrange is een waarlijk document humain. Gisèle Lestrange was beeldend kunstenaar en bekend zijn haar etsen bij de gedichten van Celan. Net als Celan was zij een begenadigd briefschrijver. De liefdesbrieven zijn ontroerend. Gisèle Lestrange begreep Celan en verstond zijn gedichten. Het Jood zijn van Celan was geen beletsel. Gisèle Lestrange, zelf afkomstig uit een katholiek adellijk geslacht, was volledig doordrongen van de centrale betekenis daarvan voor Celan. In de brieven heb ik niets aangetroffen wat erop zou kunnen wijzen dat Gisèle Lestrange de reacties van Celan op onterechte kritieken of op het verwijt van plagiaat niet begreep of overtrokken vond. Gisèle Lestrange is tot het eind toe Celan trouw gebleven hoewel Celan haar niet altijd trouw is geweest. Celan was bovendien geen gemakkelijke man om mee te leven. Wir werden standhalten zijn woorden die in de brieven met enige regelmaat terugkomen. En zelfs toen de psychische problemen zo ernstig waren dat Celan haar en hun zoon Eric met een mes te lijf is gegaan en samenwonen niet doenlijk meer was, liet Gisèle Lestrange Celan niet los, lieten zij elkaar niet los. Ich habe keine Frau so geliebt, wie ich Dich geliebt habe, wie ich Dich liebe, schrijft Celan begin 1970. In de nacht van 19 op 20 april 1970 heeft Celan zich in de Seine bij de Pont Mirabeau verdronken. Drie maanden daarvoor had Celan nog geschreven: Ich habe in meinen Gedichten ein Äusserstes an menschlicher Erfahrung in dieser unserer Zeit eingebracht. Paul Celan - Die Goll-Affäre, Suhrkamp, 2000. Paul Celan - Gisèle Celan-Lestrange, Briefwechsel, Suhrkamp, 2001 Deze uitgave bestaat uit twee banden. Band 1 bevat de brieven en band 2 een uitvoerig commentaar. Het lezen van Celan vrijdag 27 februari 2009 Kort vóór 9 november 1938 kwam de toen bijna 18-jarige Paul Celan met de trein door Berlijn. Hij was onderweg naar Tours waar hij medicijnen ging studeren. Juli 1939 ging Celan terug naar Czernowitz. Na de Sjoa, in 1948, is Celan naar Parijs gegaan, waar hij tot zijn dood heeft gewoond. In zijn gedicht La Contrascarpe uit 1962 komen de volgende regels voor:
Deze regels, die mij bij lezing steeds opnieuw raken, verbinden de treinreis van Celan en de Kristalnacht met elkaar. Het gedicht eindigt met het woord Kristall, een verwijzing naar het eerste gedicht met die titel dat Celan schreef nadat hij zich in Parijs had gevestigd. Aan de Place de la Contrascarpe liggen veel cafés waaronder Chope, enige tijd het stamcafé van Celan. De Place de la Contrascarpe was bovendien een ontmoetingsplek van daklozen en vreemdelingen. Van het gevoel slechts een dakloze en een vreemdeling te zijn, heeft Celan zich niet kunnen losmaken. Celan: ik heb nooit één regel geschreven die niet met mijn bestaan te maken had. Het gedicht La Contrascarpe is daarvan een voorbeeld. Celan lezen vraagt daarom kennis van autobiografische gegevens. Het is niet anders. Het is echter de moeite waard. Er is een biografie van de jeugd van Celan van de hand van Israel Chalfen en een meer volledige biografie van de hand van John Felstiner. Maar beide boeken dateren al weer van enige tijd terug. Vorig jaar is bij Verlag J.B. Metzler het Celan Handbuch, Leben-Werk-Wirkung, verschenen dat veel informatie geeft. Een indringende kijk op het leven van Celan geven de briefwisselingen die in de loop van de tijd zijn gepubliceerd, in 2008 eindelijk ook de briefwisseling tussen Ingeborg Bachmann en Paul Celan onder de titel Herzzeit. Hieraan en aan de eerder verschenen briefwisselingen met Gisèle Lestrange, Nelly Sachs en Ilana Shmueli hoop ik in volgende columns aandacht te besteden. Celan lezen vraagt echter nog meer inspanning omdat in zijn gedichten vaak, indirect, wordt verwezen naar schrijvers uit het verleden en uit hun werken wordt geciteerd. Het geldt al voor zijn meest bekende gedicht Todesfuge uit 1945, dat ik het liefst helemaal zou willen aanhalen. Maar het is vrij lang en gemakkelijk te vinden. Daarom hier slechts de begin- en eindregels (in vertaling): Zwarte melk der vroegte we drinken haar ‘s avonds
we drinken haar ‘s middags en ’s morgens we drinken haar ’s nachts we drinken en drinken we graven een graf in de luchten daar lig je niet krap je goudgele haar Margarete je asgrauwe haar Sullamith De beide namen verwijzen naar belangrijke werken uit de Duitse en Joodse literatuur. Margarete grijpt terug op de Faust van Goethe en Sullamith herinnert aan het Hooglied. Er zijn in Todesfuge nog veel meer verwijzingen en citaten aan te wijzen. Ook is er op gewezen dat in het Hebreeuws de medeklinkers van Sullamith dezelfde zijn als in sjalom en dat de moeder van Celan de naam Friede(rike) droeg. Celan zelf heeft de Todesfuge een grafmonument genoemd en geschreven: auch meine Mutter hat nur dieses Grab. Het lezen van Celan vraagt dus de nodige kennis. Maar, is wel gezegd, je wordt er erudieter van. Todesfuge is betrekkelijk toegankelijk. Met latere gedichten is dat vaak minder het geval. Celan heeft in zijn latere gedichten, vooral na 1955, willen verwoorden wat niet te zeggen viel. Bij Celan gaat het niet om dichtung nach Auschwitz sondern von Auschwitz her. Celan geeft, ik citeer Ton Naaijkens, in zijn poëzie uitdrukking aan uiterste ontzetting: niet door deze bloot te leggen maar door haar al sprekende steeds veelzeggender te verzwijgen. Deze wijze van werken, hier nog slechts kort aangeduid met veelzeggend verzwijgen, maakt het lezen van met name het latere werk van Celan er evenmin gemakkelijker op. In Nederland zijn de gedichten van Celan in een prachtige uitgave verkrijgbaar, met naast elkaar de oorspronkelijke en de vertaalde teksten en met een uitvoerig en verhelderend nawoord van de vertaler, Ton Naaijkens. Niettemin lijkt de kennis van Celan, ook in Joodse kringen, beperkt. Dat is jammer. De gedichten van Celan zijn opgenomen in de canon van belangrijkste Joodse literatuur, waarover ik in mijn column van 17 januari jl. schreef. Zij zijn te beschouwen, ik citeer nogmaals Ton Naaijkens, als een monument voor wat de mens in de twintigste eeuw is overkomen. Moederland woord vrijdag 20 februari 2009 Een Kafka uit Praag, een Roth uit Brody en een Celan uit Czernowitz zullen er nooit meer zijn. De Duitstalige Joodse cultuur van vóór 1940 is definitief uit die streken van Oost-Europa verdwenen. Czernowitz, nu in de Oekraïne gelegen maar voorheen hoofdstad van de Boekovina, kan daarvoor symbool staan. Wie geïnteresseerd is, kan over Czernowitz de nodige literatuur vinden. Ik noem Czernowitz, Jüdische Städtebild en Czernowitz, Die Geschichte einer untergegangenen Kulturmetropole. Hieraan is niets overdreven. In Czernowitz moet de cultuur in al haar facetten aanwezig zijn geweest. Dat gold ook de literatuur. Paul Celan heeft de Boekovina een land genoemd waar mensen en boeken leefden. Hij zei dat in zijn Bremer rede, in 1958. In de verleden tijd. Voor 1940 maakten ongeveer 50.000 Joden deel uit van de 110.000 inwoners van Czernowitz. Zij zijn in meerderheid naar Transnistrië verdreven en daar omgebracht. Er is nog maar weinig Joods leven in Czernowitz. Één van de vele synagoges, eens teken van de bloei en welstand van de grote Joodse gemeenschap, is nu een bioscoop. De dichters Rose Aüslander (1907-1978) en Paul Celan (1920-1970) hebben het overleefd. Daarna hebben zij de Boekovina verlaten. Hun gedichten schreven zij in de Duitse taal. Daarover laat ik hen in deze column aan het woord. Rose Ausländer is in Czernowitz geboren als Rosalie Scherzer. Na in Amerika te hebben gewoond en daar korte tijd getrouwd te zijn geweest met Ignaz Ausländer, is zij in 1931, in verband met ziekte van haar moeder, naar Czernowitz teruggekeerd, waar zij de oorlogsjaren in het getto heeft doorgebracht. Rose Ausländer is overleden in het Joodse bejaardentehuis Nelly Sachs in Düsseldorf. Veel van haar gedichten gaan over de Boekovina en over de Sjoa. Zoals Transnistrië 1941:
En vaak ook over de taal waarin ze nog kon leven. Uit het gedicht Sprache:
Het vorenstaande is samengevat in het gedicht Mutterland.
Rose Ausländer heeft Paul Celan gekend en daarover later gedicht:
Paul Celan is in Czernowitz geboren als Paul Antschel. Aan hem zal ik de komende tijd nog enkele columns wijden. Hier gaat het om het dichten in de Duitse taal, ook na de Sjoa. Paul Celan heeft in die donkere dagen beide ouders, Leo Antschel en Fritzi Schrager, verloren. Ook zij zijn naar Transnistrië verdreven. De vader is in de herfst van 1942 omgekomen, de moeder is in de winter 1943/1944 neergeschoten, mijn moeders haar werd nimmer wit, schrijft Celan in één van zijn gedichten. En in het gedicht Nähe der Gräber: Und duldest du, Mutter, wie einst, ach, daheim,
den leisen, den deutschen, den schmerzlichen Reim? Verdraag je dan, moeder, als toen, ach, als thuis, het zachte, het pijnlijke rijm van het Duits? Muttersprache Mördersprache is een formulering die men in dit verband wel heeft gebruikt. Maar Celan ook nog de taal van zijn moeder afnemen? Celan had nog slechts zijn dichterschap om telkens en telkens opnieuw te verwoorden wat in woorden nauwelijks te zeggen valt. In de al aangehaalde Bremer rede zei Celan over de Duitse taal: Bereikbaar, dichtbij en onverloren bleef te midden van alle verliezen dat ene: de taal. Ja, ondanks alles bleef zij, de taal, onverloren. Uit Czernowitz was Rose Ausländer en Paul Celan alleen de taal gebleven. Ondanks alles. Czernowitz, Jüdisches Städtebild, Jüdischer Verlag, 1998 Czernowitz, Die Geschichte einer untergegangenen Kulturmetropole, Ch. Links Verlag, 2006 De vertalingen van de gedichten van Rose Ausländer zijn van E. Ottevaere en P. Thomas uit Moederland woord, gedichten van Rose Ausländer, Signum, 1985. Wie geïnteresseerd is in Rose Ausländer verwijs ik naar de biografieën van Cilly Helfrich uit 1995 en H. Braun uit 1999. De vertalingen van het proza en de gedichten van Paul Celan zijn van T. Naaijkens uit Paul Celan, Verzamelde gedichten, de prachtige uitgave van Meulenhoff uit 2003. Abraham Sonne vrijdag 13 februari 2009 Abraham Sonne krijgt in het derde deel van de memoires van Canetti (Het ogenspel. Mijn levensgeschiedenis 1931-1937) bijna mythische proporties, waardoor sommigen hebben betwijfeld of de Abraham Sonne die Canetti in zijn memoires beschrijft, echt bestaan heeft. Sonne was ook wel een heel bijzondere man en het is typerend dat Canetti Sonne ruim een jaar in het Weense koffiehuis ‘Museum’ zwijgend en verborgen achter een krant heeft zien zitten, voordat hij met hem in gesprek raakte. Canetti en Sonne moeten daarna vele gesprekken met elkaar hebben gevoerd. Zeker honderd, schrijft Canetti. De kunst van Sonne was het gesprek. Over zichzelf sprak hij echter nooit. Die jaren in Wenen, toen een catastrofe in de lucht hing, vielen Canetti zwaar, maar de gesprekken met Sonne hielpen hem erdoorheen. Canetti noemt Sonne de belangrijkste en meest integere persoon die hij ooit heeft gekend. Met Sonne heeft Canetti gesproken over de politieke gebeurtenissen van die tijd. Zij spraken ook over religie en Canetti verhaalt hoe Sonne de Hebreeuwse bijbel steeds letterlijk uit zijn hoofd citeerde, in de oorspronkelijke taal en in het Duits. De gesprekken in het koffiehuis ‘Museum’ kwamen tot een eind toen Canetti en Sonne in 1938 Wenen gedwongen hebben moeten verlaten. Canetti ging naar Londen, Sonne naar Jeruzalem. Canetti noemt Sonne in zijn memoires een dichter wanneer hij hem uit de Psalmen of uit Spreuken hoort citeren. Er erschien mir als königlicher Dichter. Sonne schreef toen echter al enige tijd geen gedichten meer. Dat had hij vroeger wel gedaan, onder de naam Avraham Ben Yitzhak. Die naam gebuikte hij alleen voor zijn gedichten. Abraham Sonne is geboren op 13 september 1883 in Przemysl, Galicië. Na een orthodoxe opvoeding ontwikkelt hij een brede belangstelling in zionisme en moderne literatuur. Zijn belezenheid moet enorm zijn geweest. In 1908 publiceert hij zijn eerste gedicht in het Hebreeuws (dat hij al in 1903 had geschreven). Het verscheen in Hashiloa, het toonaangevende tijdschrift voor Hebreeuwse literatuur, in 1896 begonnen door Ahad Ha-am, nadien voortgezet door Joseph Klausner en Chaim Nachman Bialik. In de jaren daarna verschenen, steeds met tussenpozen, nog acht gedichten. In 1918 is het gedicht A few say gepubliceerd en – na een lange periode van stilte – in 1930 nog één gedicht, Blessed are they who sow and do not reap, dat echter al vóór november 1928 moet zijn geschreven. In totaal zijn het slechts elf gedichten. Eerst twee jaar na zijn dood verscheen in Jeruzalem de Poems van Avraham Ben Yitzhak bij Tarshish Books. In 2003 heeft Ibis Editions te Jeruzalem de Collected Poems uitgegeven, met naast de Hebreeuwse teksten van de elf gedichten (en enige fragmenten) een Engelse vertaling van Peter Cole en een nawoord van Hannah Hever, hoogleraar Hebreeuwse literatuur aan de Hebrew University in Jeruzalem. Dat nawoord en ook de noten bevatten veel informatie. Toen Canetti hem in Wenen ontmoette, had Sonne zijn maatschappelijke carrière al achter de rug. In 1913 was Sonne benoemd op Hevrat ha-Ezra, het lerareninstituut voor Hebreeuwse literatuur in Jeruzalem. In 1917 ging hij voor de WZO werken, onder meer in Oostenrijk en Engeland, maar na een controverse met Chaim Weizmann leefde hij teruggetrokken in Wenen, waar hij werkzaam was aan het Hebräisches Pädagogium. Vanaf 1938 tot zijn dood op 29 mei 1950 leefde Sonne in Jeruzalem, net zo teruggetrokken als in Wenen. In Israël had Sonne vooral contact met Lea Goldberg, die eveneens met bewondering over hem heeft geschreven. Haar waarnemingen wijken niet af van het beeld dat Canetti van Sonne heeft geschilderd. In gezelschappen kwam het vaak voor dat hij geen woord zei, noteert Goldberg, maar soms doorbrak Sonne het stilzwijgen en dan bleek zijn grote belezenheid en gevoeligheid. De gedichten van Avraham Ben Yitzhak gelden als hoogtepunten van de moderne Hebreeuwse dichtkunst. Voor Bialik was Sonne een pionier. Zijn laatste gedicht moet Sonne tweemaal met Avraham Ben Yitzhak hebben ondertekend. Daarna heeft hij nooit meer een gedicht geschreven. De uitgave van Ibis Editions met de gedichten van Avraham Ben Yitzhak, is nog steeds verkrijgbaar. Uit die bundel citeer ik hieronder de laatste strofen van twee van zijn gedichten, zowel in het Hebreeuws als in Engelse vertaling. Degene die, zoals ik, de oorspronkelijke tekst niet of onvoldoende kan beoordelen, proeft ook in de vertaling de zeggingskracht en de schoonheid van deze poëzie. A few say
Blessed are they who sow and do not reap...
Canetti en het jodendom vrijdag 6 februari 2009 De levensloop van Canetti is veelkleurig en diens boeken zijn niet onder één noemer te vangen. Toch is Sven Hanuschek er in zijn biografie, die nu ook in het Nederlands is verschenen, uitmuntend in geslaagd leven en werk van Nobelprijswinnaar Canetti overtuigend in beeld te brengen. Lezen dus. Hier iets over de levenslange latrelatie van Canetti met het jodendom. Canetti is op 25 juli 1905 in Roetsjoek, Bulgarije, geboren. De ouders van Canetti, Eliëzer Canetti en Mathilde Arditti, waren Sefardische Joden. Al in 1911 gingen zij naar Manchester, waar familieleden van Mathilde Arditti een zaak hadden. Het overlijden van de vader van Canetti, op 8 oktober 1912, markeert het begin van de tocht van Canetti naar Wenen, Zürich, Frankfurt en Londen, een tocht door Europa die Canetti heeft gemaakt tot een schrijver die in de Duitse taal een woning vond. Thuis in Roetsjoek was Ladino de voertaal. Duits was echter voor de ouders van Canetti de geheimtaal van hun liefde. Canetti, die hen niet verstond als zij Duits met elkaar spraken, dacht dat het om wonderlijke dingen moest gaan, die je alleen in die taal kon zeggen. In Manchester leerde Canetti Engels. Het verhaal hoe Canetti daarna toch een Duitstalige schrijver werd, is een centrale passage uit De behouden tong, het eerste deel van de memoires van Canetti. Zijn moeder las Canetti hardop zinnen voor, die Canetti tot de volgende les moest onthouden. Lukte hem dat niet, dan gaf zijn moeder te kennen hem maar een domme idioot te vinden. Voor Canetti was Duits niet alleen alsnog zijn moedertaal, het was ook de taal van het Exil. In die zin valt de paradox te verstaan die Canetti na de oorlog onder woorden bracht: Die Sprache meines Geistes wird die deutsche bleiben, und zwar weil ich Jude bin. Uit De behouden tong weten we dat Canetti tijdens de sederavond het Ma-nisjtana heeft mogen zeggen en ook Poerim heeft gevierd. Canetti moet dus in zijn jeugd van de Joodse tradities het nodige hebben opgestoken, maar zo heel ver zal dat toch niet zijn gegaan. In Manchester zette zijn moeder hem varkensvlees voor om het taboe te doorbreken. In Wenen bezocht Canetti toch weer enige tijd Talmoed Tora. Hij logeerde dan in het weekend bij zijn nog traditionele grootvader Canetti. Zijn moeder vindt dit onderwijs echter nog steeds van weinig belang. Volgens haar komt het alleen aan op het Kaddiesj zeggen voor zijn overleden vader en mogelijk ook Jom Kipoer. Maar aan het Jood-zijn kon men zich niet onttrekken. De Anschluss van 13 maart 1938 maakte het voor Joden vrijwel onmogelijk langer in Oostenrijk te blijven. Zo werden de Joden vanaf zomer 1938 systematisch uit hun huizen verdreven. Dat lot trof ook Elias en Veza Canetti, die in 1934 waren getrouwd. Maanden, schrijft Hanuschek, hebben zij moeten wachten op het uitreisvisum dat uiteindelijk op 19 november 1938 is afgegeven. De oorlogsjaren heeft Canetti in Engeland doorgebracht. Hij heeft die jaren niet gepubliceerd. Dat heeft te maken met zijn toen begonnen studie Massa en Macht maar hangt mogelijk ook samen met een gevoel van schuld tegenover degenen die het tijdens de Sjoa zoveel moeilijker hebben gehad dan hijzelf in het betrekkelijk veilige Engeland. In zijn boek over die tijd, Party tijdens de blitz, laat Canetti de oorlog op de achtergrond. Maar al gaat Massa en Macht niet rechtstreeks over de Sjoa, Canetti kon, toen hij dit boek af had, terecht schrijven: Jetz sage ich mir, dass es mir gelungen ist, dieses Jahrhundert an den Gurgel zu packen. De schroom om zich over de Sjoa te uiten loopt parallel met, wat Canetti heeft genoemd, zijn grootste uitdaging, de steeds terugkerende verleiding om volledig Jood te willen zijn. De eerste Aufzeichnung uit 1944 luidt: Die grösste geistige Versuchung in meinem Leben, die einzige, gegen die ich sehr schwer anzukämpfen habe, ist die: ganz Jude zu sein. Het is vooral zijn visie op, kort samengevat, het algemeen menselijke, die Canetti in laatste instantie weerhoudt geheel en onvoorwaardelijk Jood te zijn. Es gibt eine Klagemauer der Menschheit, und an dieser stehe ich. Aan religie heeft Canetti steeds opnieuw aandacht besteed. Maar hij kon niet toetreden tot de Joodse geloofsgemeenschap, die hij vereerde maar waarvan hij zich in zijn leven heeft losgemaakt en willen losmaken. In 1954 maakt Canetti een reis naar Marokko, waarover hij in De stemmen van Marrakesch verslag heeft gedaan. Centraal in het boek staat zijn bezoek aan de Joodse wijk van Marrakesch. Canetti beschrijft hoe hij, alleen en beschroomd, de Joodse wijk inloopt. In het midden van de wijk aangekomen heeft hij het gevoel het doel van zijn reis te hebben bereikt. Ik wilde hier niet meer weg, honderden jaren geleden was ik hier al geweest, maar ik was het vergeten en nu kwam alles terug. Ik vond er de dichtheid en de warmte van het leven die ik in mezelf voel. Ik was dat plein toen ik daar stond. Ik geloof dat ik dat plein nog steeds ben. Als Canetti de volgende dag weer de Joodse wijk inloopt, komt het tot verschillende ontmoetingen, onder andere met Eli Dahan. Aan Canetti wordt gevraagd of hij een Jood is en hij antwoordt begeistert dat dit het geval is. En dan treft Canetti de vader van Eli Dahan, net als zijn eigen grootvader een patriarch van de oude stempel. In de beschrijving van die ontmoeting laat Canetti zijn diepe verbondenheid met het jodendom zien en tegelijk zijn schroom. Als hij wordt uitgenodigd het Poerimfeest mee te vieren, laat hij het afweten omdat dan, zo schrijft Canetti, zou blijken hoe weinig hij weet van de Joodse gebruiken en gebeden. De laatste stap, volledig Jood te zijn, zet Canetti niet. Verbondenheid en toch afstand houden. Deze ambivalentie komen we op meer plaatsen in het werk van Canetti tegen. In 1993 schrijft hij: Ik geloof dat het de eigenlijke roeping van de Joden is hun betekenis, hun afkomst te erkennen, die nooit te verloochenen, maar wel het geloof te wantrouwen dat hen tot op heden onder pijnen heeft bewaard. Met deze woorden heeft Canetti een jaar voor zijn dood zijn latrelatie met het jodendom nogmaals samengevat. Sven Hanuschek, Elias Canetti, De biografie, Arbeiderspers, 2008. Dora Diamant vrijdag 30 januari 2009 Als Kafka in juli 1923 Dora Diamant ontmoet, is hij al ernstig ziek. Zijn liefde voor Dora geeft hem echter weer hoop. Voor het eerst van zijn leven gaat hij met een vrouw samenwonen, een idylle noemt Max Brod het als hij het paar in Berlijn opzoekt. Eind 1923 gaat het met de gezondheid van Kafka bergafwaarts. Uiteindelijk wordt hij opgenomen in sanatorium Kierling waar Dora en de medisch student Robert Klopstock hem tot zijn dood hebben verzorgd. Dat is met veel aandacht en respect gebeurd. Wie Dora heeft gekend, weet wat liefde is, heeft Klopstock aan de ouders van Kafka geschreven. Wie was Dora Diamant en hoe is het haar na het overlijden van Kafka op 3 juni 1924 vergaan? Daarover weten we meer na het verschijnen van Kafka’s last Love, het boek van Kathi Diamant uit 2003. Dora Diamant is op 4 maart 1898 in Pabianice (vlakbij Lodz) geboren als Dworja Diament, dochter van Horn Aron Diament en Frajda Frid Diament. De vader, bekend als Herschel der Schleikesmacher, was een streng orthodoxe man en aanhanger van de chassidische Gerer Rebbe. Het is Dora gelukt uit die omgeving, die haar benauwde, weg te komen, eerst naar Breslau en daarna naar Berlijn. Toen Kafka haar ontmoette, was zij al 25 jaar oud en niet een naïef, hulpvaardig meisje van 19 of 20 jaar oud, zoals eerdere biografieën haar meestal beschrijven. Dora was een zelfstandige vrouw en tussen Kafka en haar bestond een meer volwassen relatie dan vaak is gedacht. Van het literaire werk van Kafka heeft Dora maar weinig geweten. En er moeten ook schriften zijn geweest met aantekeningen van Kafka uit de tijd dat hij met Dora in Berlijn samenwoonde. Die schriften zijn helaas verloren gegaan. Het was alleen de goudkleurige haarborstel van Kafka die Dora steeds heeft kunnen bewaren. Na het overlijden van Kafka is Dora aan het toneel gegaan. Ze zal er goed in zijn geweest, maar - zo lijkt het - geen toptalent. Na haar opleiding aan de toneelschool in Düsseldorf is ze voor één seizoen aan een toneelgezelschap verbonden geweest. In 1929 keerde Dora werkeloos naar Berlijn terug. Ze werd lid van de communistische partij en ontmoet Lutz Lask, met wie zij in 1932 trouwde. In augustus 1933 is Lutz Lask gearresteerd. Dora was toen zwanger van Marianne, die op 1 maart 1934 is geboren. Lutz Lask wist na enige tijd naar de Sovjet-Unie te ontkomen en Dora en haar dochter zijn hem gevolgd. Dora nam de goudkleurige haarborstel van Kafka mee. In Rusland hebben Lutz Lask en Dora niet samengewoond, ook omdat aan hun liefdesrelatie al een einde was gekomen. Politiek veilig was het in Rusland evenmin. Lutz Lask is naar Siberië verbannen en Dora heeft in 1938 met de toen al zieke Marianne, Rusland weer verlaten. Hoe dat haar is gelukt, is niet duidelijk, maar uiteindelijk wist ze in de loop van de winter Den Haag te bereiken, waar de zuster van Lutz Lask en haar man al vanaf 1933 woonden. In augustus 1939 zijn Dora en Marianne in Engeland toegelaten. Het betekende, na de ontsnapping uit de klauwen van Hitler en Stalin, eerst weer internering. In Engeland heeft Dora zich vooral bezig gehouden met Jiddisch theater. In die tijd is ze zich steeds vaker de vrouw van Kafka gaan noemen. Dat zij in haar ogen de vrouw van Kafka was, heeft uiteindelijk haar leven bepaald. Vlak voor haar dood is zij begonnen haar herinneringen op te schrijven. Het is bij fragmenten gebleven en Dora heeft maar weinig aan het beeld van Kafka kunnen toevoegen. Het moet voor haar verwarrend zijn geweest. Voor haar gevoel was Kafka van haar en in haar herinnering was hij een man van vlees en bloed. Tegelijkertijd was Kafka, die zij als schrijver niet echt heeft gekend, steeds meer van iedereen geworden. Herfst 1949 is Dora Diamant naar Israël gereisd. Dat bezoek heeft veel voor haar betekend. De zusters van Kafka zijn tijdens de Sjoa vermoord. Dat gold ook voor de meeste broers en zusters van Dora Diamant. Maar in Israël vond zij haar broer David en haar zuster Sara terug. Zij ontmoette Max Brod en andere vroegere vrienden van Kafka. Het moet een heerlijke tijd voor haar zijn geweest en ze bleef in Israël tot januari 1950. Vooral haar verblijf in kibboets Ein Charod gaf haar het gevoel eindelijk thuis te zijn. Dat was de plek waar zij de rest van haar leven wilde gaan wonen. In kibboets Ein Charod liet zij de goudkleurige haarborstel van Kafka achter, toch een stukje van Kafka in Israël en bovendien een talisman ter verzekering van haar terugkeer naar Israël. Helaas is het daar niet meer van gekomen. Niet alleen Marianne was voortdurend ziek, waardoor op alijah gaan feitelijk niet goed mogelijk was, ook Dora zelf werd ernstig ziek. Op 15 augustus 1952 overleed Dora Diamant in Plaistow Hospital. Zij is begraven op de United Synagogue Cemetery in East Ham. In Israël moet nog ergens een goudkleurige haarborstel liggen. Kathi Diamant, The Mystery of Dora Diamant, Kafka’s last Love, Secker & Warburg, 2003. Hierover schreef ik eerder in Kol Mokum 2005/5766-2. Deze webcolumn is een verkorte versie daarvan. Kathi Diamant is geen familie maar de gezamenlijke familienaam heeft haar wel de aanzet gegeven tot de speurtocht naar Dora Diamant. Ook over Klopstock is in 2003 een boek verschenen: Kafkas letzter Freund, uitgegeven door Inlibris. Klopstock, afkomstig uit Hongarije, heeft zijn studie afgemaakt en zich als longarts gespecialiseerd. Toen in 1938 de situatie in Boedapest voor Joden onhoudbaar werd, wist Klopstock, geholpen door Thomas Mann, Amerika te bereiken. Hij wordt hoogleraar in New York, waar hij op 15 juni 1972 overlijdt. Kafka en het zionisme vrijdag 23 januari 2009 Onder de uitgebreide literatuur over Kafka is de biografie van Reiner Stach een aanrader. In 2002 verscheen Kafka, Die Jahre der Entscheidungen, over de periode 1910 tot 1915. En nu is Kafka, Die Jahre der Erkenntnis verschenen dat de periode na 1916 bestrijkt. Gedetailleerd en daarom kloeke delen maar toch vlot leesbaar. In dit kort bestek tip ik slechts één onderwerp aan: Kafka en het zionisme. In het literaire werk zijn daarvan geen directe sporen terug te vinden. Kafka liet in zijn literaire werk doelbewust elke verwijzing naar zijn persoonlijke, en dus ook zijn Joodse, achtergrond weg. Ook hierin een purist. Stach voegt daaraan toe: Und dennoch erreichte er eine Tiefenschärfe, die jeder nationaljüdisch inspirierten Literatur weit überlegen war. Van het religieuze jodendom had Kafka van huis uit weinig meegekregen. Zijn vader, schrijft Kafka, had uit zijn dorp nog een beetje jodendom meegebracht, maar voor een kind was dat te weinig, het sijpelde helemaal weg. Een vaste synagogebezoeker is Kafka nooit geworden en van bijzondere belangstelling voor religieuze rituelen blijkt maar weinig. Dat wil niet zeggen dat voor Kafka het Jood zijn geen centraal thema was. Integendeel, het raakte hem diep en hij had een brede interesse in het jodendom. Vooral over zijn relatie met het zionisme valt het nodige te melden. Veel van zijn Praagse vrienden, onder wie Max Brod, waren overtuigd zionist en er zijn aanknopingspunten om te menen dat dit ook voor Kafka geldt. Als ik me beperk tot de door Stach besproken jaren, valt op dat Kafka de parabel Vor dem Gesetz aan het zionistische Selbstwehr heeft aangeboden. Ook in enkele andere Joodse tijdschriften verschijnen bijdragen. En in 1917 begint Kafka Hebreeuws te leren. Stach ziet hierin een hernieuwd Joods zelfbewustzijn, die Erkenntnis van zijn Joodse identiteit. Met de komst van Puah Ben-Tovim naar Praag, in 1921, intensiveert Kafka zijn studie van het Hebreeuws. Puah Ben-Tovim, geboren in Palestina, is dan achttien jaar en spreekt een modern Hebreeuws. Praag en Kafka zijn onder de indruk en tot medio 1923 krijgt hij tweemaal per week les van Puah Ben-Tovim. Er zijn honderden bladzijden met oefeningen teruggevonden. Kafka denkt er zelfs over om naar Palestina te gaan. Was Kafka zionist? Ik denk niet dat we die vraag met een eenvoudig ja of nee kunnen beantwoorden. We moeten het ook niet willen. Het was niet zo dat Kafka zich bij de zionistische beweging had aangesloten. Zelfs Max Brod tastte hier aanvankelijk mis en werd door Kafka op de vingers getikt. Kafka wilde niet in een hokje worden geplaatst, zeker niet als schrijver. Bovendien heeft Kafka, die maar zelden over het Grenzland zwischen Einsamkeit und Gemeinschaft is gegaan, het in hoge mate over zichzelf, ook als hij het over het zionisme heeft. Der Zionismus, wenigstens in einem äussern Zipfel den meisten lebenden Juden erreichbar, ist nur der Eingang zu dem Wichtigern. Dergelijke voor Kafka typerende uitlatingen, wie denkt hier niet aan Vor dem Gesetz, vallen slechts te begrijpen als je inziet dat het bij Kafka steeds gaat om een persoonlijk zionisme, Stach noemt het einen geistigen Habitus, jenseits aller konkreten Überzeugungen. Kafka begon al Hebreeuws te leren kort voordat bij hem tuberculose werd geconstateerd. Het heeft hem er niet van weerhouden daarmee door te gaan. Dat past in het concept van een persoonlijk zionisme. Kafka heeft natuurlijk beseft dat Palestina zijn persoonlijke droom was die geen werkelijkheid kon worden, al heeft hij het overwogen toen Hugo Bergmann, die in Jerusalem woonde, hem probeerde over te halen daadwerkelijk naar Palestina te komen. In 1923 ontmoet Kafka Dora Diamant met wie hij in Berlijn gaat samenwonen. Dora Diamant stamde uit een orthodoxe familie en sprak Jiddisch. Kafka wilde er alles van weten en allebei volgden zij lessen aan de Hochschule für die Wissenschaft des Judentums. En het zionisme? Kafka hield de droom overeind: samen naar Palestina om daar een restaurant te beginnen met Dora in de keuken en hijzelf als kelner. Maar aan Milena Jesenska schrijft Kafka dat het natuurlijk nooit zo ver zal komen, het is een fantasie van iemand die zijn bed niet meer zal verlaten. Warum soll ich dann nicht zumindest bis nach Palästina fahren? Wie was Dora Diamant en hoe is het haar vergaan na het overlijden van Kafka op 3 juni 1924? Is zij alsnog naar Palestina gegaan? Nee, maar toch heeft zij iets van Kafka naar Palestina gebracht. Hierover volgende keer. Reiner Stach, Kafka, Die Jahre der Entscheidungen, Fischer Verlag, 2002. Ik kon Kafka en het zionisme slechts aantippen niet uitdiepen. Wie geïnteresseerd is in dit onderwerp wijs ik - naast de boeken van Stach - op Kafka, Zionism, and Beyond, Edited by Mark H. Gelber, Conditio Judaica 50, een uitgave van Max Niemeyer Verlag, 2004. Het bevat de inleidingen die zijn gehouden tijdens een conferentie over dit onderwerp in Israël. Zo schrijft Niels Bokhove over Kafka’s Personal Zionism en Alfred Bodenheimer over Kafka’s Hebrew Notebooks. Canon vrijdag 16 januari 2009 We hebben de canon van de Nederlandse geschiedenis en de canon van Amsterdam. Het verbaast dus niet dat er ook een lijst van belangrijkste Joodse boeken bestaat, From Mendele to Maus, The 100 Greatest Works of Modern Jewish Literature. Ga naar www.yiddishbookcenter.org en kijk onder “Resources”. De honderd belangrijkste Joodse boeken zijn door een aantal deskundigen, afkomstig uit verschillende landen, gekozen uit een longlist van ongeveer 2500 boeken. Elk gekozen boek is voorzien van een korte annotatie. Het gaat om de moderne literatuur met als startpunt de Verlichting aan het eind van de negentiende eeuw. Ik heb niet zoveel bezwaren tegen een dergelijke lijst. Het kan nuttig zijn, voor educatieve doeleinden en om te zien welke boeken je nog niet kent. Je kan je natuurlijk ergeren dat een bepaald boek niet of juist wel op de lijst voorkomt. Zo slecht is dat niet. Het gevaar van verstarring dat iedereen altijd noemt bij zulke canons staat naast het gegeven dat een canon ook de discussie voedt. Maar wat is eigenlijk een Joods boek? De gekozen boeken zijn geschreven in het Engels, het Jiddisch, het Hebreeuws, het Duits en in nog enkele talen. Anders dan voor de Nederlandse literatuur, is de taal dus niet van belang. Wat dan wel? Joodse boeken, is het criterium, zijn boeken, geschreven door Joden, die elucidate of explore Jewish experience or sensibility. Het gaat dus om de Joodse ervaring en het Joodse bewustzijn. Een niet-Joodse schrijver komt niet in aanmerking, ook al schrijft hij of zij over een Joods onderwerp. Daniel Deronda van George Eliot valt dus af. Maar het enkele feit van een Joodse moeder is ook niet voldoende als volgens de samenstellers van de canon de Joodse ervaring en het Joodse bewustzijn geen centrale rol spelen. Marcel Proust is evenmin vertegenwoordigd. Een van de deskundigen die de lijst met honderd belangrijkste Joodse boeken hebben samengesteld, is Ruth Wisse, docent aan de Harvard University. In haar boek The Modern Jewish Canon, in 2005 in het Nederlands verschenen onder de titel Een reis door de moderne Joodse literatuur (en na enige tijd bij de Slegte terecht gekomen), heeft Wisse aan de hand van een groot aantal door haar behandelde schrijvers criteria ontwikkeld waarom bepaalde boeken juist wel of juist niet tot de moderne Joodse canon kunnen worden gerekend. Over de behandelde schrijvers en boeken bevat het boek van Wisse veel dat het lezen waard is. Over de criteria kan men verschillend denken en wie daar meer van wil weten, wijs ik op de vorig najaar verschenen essays ter ere van Wisse onder de titel Arguing the Modern Jewish Canon (i). Ik noem Wisse omdat zij terecht schrijft: de moderne Joodse literatuur is de schatkamer van de moderne Joodse ervaringswereld. In deze columns zal ik mijn eigen voorkeur volgen. Maar de door mij gekozen schrijvers komen steeds aan bod omdat zij een blik werpen op onze geschiedenis en zij zullen worden besproken vanuit een Joods perspectief. Dat Joodse perspectief geeft aanleiding tot een waarschuwing want het betekent een beperking bij het beoordelen van het werk van een schrijver. Franz Kafka is daarvan een voorbeeld. Het Joods zijn van Kafka is ongetwijfeld een essentieel aspect van zijn schrijverschap. De boeken van Kafka hebben echter een universele betekenis. Je zou ook een canon kunnen maken onder de noemer: Jewish writers on universal themes in non-Jewish languages (ii). Op Kafka kom ik de volgende keer al terug. Enkele maanden geleden is een prachtige nieuwe (deel)biografie over Kafka verschenen van de hand van Reiner Stach, Die Jahre der Erkenntnis. Er is ook alle aanleiding met Kafka te beginnen. S.Y. Agnon en Kafka zijn de enige schrijvers die in de lijst van honderd Joodse boeken met drie boeken zijn vertegenwoordigd. (i) Arguing the Modern Jewish Canon, Essays on Literature and Culture in Honor of Ruth. R. Wisse, Center for Jewish Studies, Harvard University. (ii) Ik citeer Hillel Halkin uit Arguing the Modern Jewish Canon. |
Leo Frijda was rechter en geniet nu van zijn pensioen. Hij is redacteur van Kol Mokum, het kwartaalblad van de Liberaal Joodse Gemeente Amsterdam en schrijft daarin onder andere over literatuur. Hij is verder bestuurslid van de Stichting Individuele Marorgelden en voorzitter van de bezwarencommissie van het Joods Humanitair Fonds.
Volg dit blog automatisch!
Wilt u automatisch op de hoogte worden gehouden wanneer er een nieuw bericht op deze weblog verschijnt? Abonneer u dan op de RSS-feed. Abonneer via RSS Abonneer via Google
Klik hier voor meer informatie over RSS maart 2010:
Celan en Bachmann (1) februari 2010: Georg Hermann, een beschaafde Duitse Jood Heinz Liepmann bestraft Tussen orthodoxie en assimilatie januari 2010: Soma Morgenstern in de vergeethoek Hooligan in Roemenië Nogmaals Feuchtwanger Het succes van Feuchtwanger december 2009: Paul Hellmann, medeaanklager Lezen over Auschwitz november 2009: Ernst Weiss Bruno Schulz De zwarte zwaan van Israël oktober 2009: Kafka en Else Lasker-Schüler Rahel Varnhagen Jacob Israël de Haan Noem het slaap Ongemakkelijk september 2009: Bernard Malamud Leo Perutz De kant van Jeanne Weil De familie Pringsheim augustus 2009: Simone Veil Grete Weil juni 2009: Heinrich Heine Ferrara mei 2009: Imre Kertész Aharon Appelfeld Joseph Roth (2) april 2009: Joseph Roth (1) Zoektochten maart 2009: Tegen het vergeten Jeruzalem stond om ons heen Berditsjev Engführung februari 2009: Het lezen van Celan Moederland woord Abraham Sonne Canetti en het jodendom januari 2009: Dora Diamant Kafka en het zionisme Canon |
||||||||||||||||||