|
WEBCOLUMN LEO MOCK
De langste Poeriem ooit vrijdag 12 maart 2010 Als u de afgelopen week het NIW heeft gelezen, dan weet u welke berichten ‘echt’ waren en welke een Poeriemgrap. En dat mijn vermoedens griezelig uitkwamen: je kunt nauwelijks nog een grap van de werkelijkheid onderscheiden. De Sjabbat-tandenborstel was serieus bedoeld! Ook in de Nederlandse pers was het één-en-al Poeriemgrappen, sommige wat verlaat. Zo zag je een foto van twee mensen in een stemhokje in Rotterdam. Afrikaanse toestanden daar in Rotterdam, grapte een krant ... Want dit soort dingen gebeurt toch niet in ons democratische Nederland? Bij Leefbaar Rotterdam was men blijkbaar ook druk aan het Poeriemgrappen rond de volmachten, fluistert men nu. Ook grappig was het CJO (Centraal Joods Overleg). Die, nadat de PKN het nodig vond een brief aan de ambassadeur van Israël aan te bieden met daarin de inmiddels wel bekende standpunten inzake het Palestijns-Israëlisch conflict, de PKN de wacht aanzegde. Natuurlijk kun je van Joodse kant kanttekeningen plaatsen bij die brief: wat is de noodzaak ervan, wat draagt het bij, eenzijdige standpunten, denken ze echt dat ze het vanuit Nederland gaan oplossen, etc ... En natuurlijk biedt de PKN een dergelijke brief niet aan de ambassadeur van China aan, met het verzoek iets aan die ca. 3000 executies te doen die daar per jaar worden uitgevoerd (volgens sommigen een welkome bron van donororganen). Maar toch, het CJO dat niet meer met de PKN wil praten? Hoeveel Joden in Nederland vertegenwoordigt het CJO eigenlijk? Laat zoiets toch door de ambassadeur van Israël opknappen, daar is die toch voor?. Dat lijkt mij de consequentie van de Staat Israël, dat we eens ophouden met die politiek uit het Sjtetl. Helemaal grappig werd het toen het Simon Wiesenthal Center uit de VS zich er mee ging bemoeien – blijkbaar op verzoek van mensen in Nederland, want daar in de VS volgen ze echt niet elk windje dat de PKN laat. En hun Nederlands daar zal ook niet zo goed zijn. Laten die zich toch met interne zaken daar in de VS bemoeien. Wat een hysterie allemaal. Het is nu wachten op het comité Stop de Bezetting, Malle Gretchen en EAJG, die er ook nog even aan snuffelen en er een plasje overheen doen. En dan kunnen de Raad van Kerken en een aantal NGO’s natuurlijk niet achter blijven, die ongetwijfeld – als een Pavlovreactie – weer zullen aandringen op de boycot van één of ander product uit Israël (over andere landen hoor je zo’n oproep tot boycot natuurlijk niet). En zo trekt het mediacircus rond Israël elke keer weer de aandacht – hype na hype, cliché na cliché, en pseudo-feitjes oplepelend. Terwijl er echt wel serieuze, zorgelijke ontwikkelingen zijn die al een tijd aan de gang zijn: het afschilderen van Israëli’s als nazi’s of pseudo-nazi’s, de beschuldigingen alsof Israël een genocide aan het uitvoeren is, en Israël als apartheidsstaat zijn helaas vaak genoeg in de pers of op internet te vinden. Beschuldigingen die in hun stelligheid en simplisme naïef, kwaadaardig en onjuist zijn. En dan is het vaak een kwestie van tijd totdat argumenten die foute termen als ‘de Joden’ en ‘de Joodse lobby’ bevatten, opduiken. Lees de reacties die mensen insturen op artikelen over Israël – daar word je vaak niet vrolijk van (understatement) ... Maar dít is in ieder geval niet de weg. Ondertussen is volgens Trouw van afgelopen woensdag de kou weer uit de lucht: het CJO en de PKN hebben een goed gesprek gehad ... Baruch Hasjem. Tot slot was er ook nog een leuke witz rond het klimaat. Ja, de opwarming van de aarde is niet alleen een feit, nee die gaat nog veel sneller dan men dacht. De reden hiervoor is de verminderde luchtvervuiling – door het terugdringen van o.a. drijfgassen – waardoor meer zonnewarmte de aarde bereikt en deze nog verder verhit! Zo, nou u weer! Het hele tumult rond CFK’s uit de jaren tachtig van de vorige eeuw – dat toen vooral in ijskasten, je deodorant en andere spuitbussen zou zitten – heeft geleid tot een verminderde luchtvervuiling en afbraak van de ozonlaag, maar zorgt wel voor een versnelde opwarming. Dan zijn er ook nog mensen die zeggen dat een snelle opwarming veroorzaakt door een vergrote CO2-uitstoot gevolgd wordt ... door een sterke afkoeling en een mini-ijstijd! En dan heb ik het nog niet eens over een deskundige die zegt dat de zon dood is ... Nee, dit wordt vrees ik de langste Poeriem ooit – een soort Groundhog Day (Bill Murray, 1993). Want de wereld lijkt wel doorgedraaid, dolgedraaid en gevangen in haar eigen web. Je zou er haast apocalypticus van worden: “Maar op de berg Zion zal er ontkoming zijn, en die zal heilig(dom) wezen” (Obadja 1:17). Herken de Poeriemgrap! vrijdag 5 maart 2010 Wanneer u deze column leest zijn Poeriem en de gemeenteraadsverkiezingen alweer achter de rug. Ik weet niet welk van de twee gebeurtenissen voor u grappiger was, want ook bij de verkiezingen is er ommekeer: de winnaars van vier jaar geleden zijn nu verliezers, en de verliezers van toen zijn nu winnaars. Eén van de kenmerken van Poeriem is de humor, die bij de verkiezingen echter volledig ontbrak. Humor is vaak ook een omkering, een overdrijving of parodie op het normale. Dat maakt het nu juist zo leuk! Vroeger bestond er een mooi gebruik om een Poeriemrebbe aan te stellen. Dit was een figuur die de hele Poeriem met iedereen de draak mocht steken, wel binnen bepaalde grenzen uiteraard. Ook verschenen er geschreven parodieën onder namen als “Poeriem-Traktaat”, waarin in Talmoedisch jargon een persiflage werd gegeven van het Talmoedische en rabbijnse genre. Ook hier werden de grenzen wel in het oog gehouden en probeerde men toch onder de vele grappen en immitaties een serieuze ondertoon te bewaren. Ik schrijf ‘vroeger’ omdat deze fenomenen eigenlijk nauwelijks nog bestaan in de (ultra-)orthodoxe wereld. Gevoel voor humor heeft men nog nauwelijks, hetgeen een veeg teken is. Lachen om en met rabbijnen vind men allang niet okay – het zijn immers de plaatsvervangers van God op aarde! Chassidiem geloofden altijd al dat hun rebbe bezield was met de Heilige Geest, en het is dan maar de vraag of je erg lachen kan met die Geest. Maar ook het doorgaans meer rationele Lithuaanse jodendom is tegenwoordig ‘bevuild’ met theologische concepten als ‘daat Tora’, een concept dat inhoudt dat Tora-geleerden de wijsheid in pacht hebben over alle onderwerpen in de wereld, maar over jodendom in het bijzonder. Ze kunnen zich dan ook nooit vergissen – en de rabbijnen uit eerdere generaties zijn al helemaal halve goden, dus die zitten er natuurlijk ook nooit naast. Net als het leerstuk van de onfeilbaarheid van de paus zie je ook dit idee laat opkomen: eind 19e eeuw en voornamelijk in de 20e eeuw. Vooral de laatste 50 jaar viert het leerstuk van ‘daat Tora’ hoogtij. Traditioneel bevat ook de Joodse pers rond Poeriem veel witzen, met nieuwsberichten die als grap, persiflage of imitatie zijn bedoeld. Bij mezelf merkte ik dit jaar echter iets nieuws: het wordt steeds moeilijker om een Poeriemgrap van echte berichten te onderscheiden! Neem nu het NIW (nr 20, p. 5) van afgelopen week, met de Sjabbat-tandenborstel, een tandenborstel waarmee je op Sjabbat gewoon je tanden kan poetsen zonder halachische problemen. Tja, het zal wel een grap zijn, maar – verdorie – ze zijn er toch toe in staat?! Ik ken wel voorbeelden van andere narrisjkeit die helaas echt is. Neem de ‘gescheiden buslijnen’ bijvoorbeeld. Ook heb ik me ooit laten vertellen dat een rabbijn een verhandeling hield over het al of niet toegestaan zijn van neuspeuteren op sjabbat, vanwege het per ongeluk uittrekken van neushaartjes. Maar misschien is dat ook wel een oude Poeriemgrap? Of neem het bericht dat het Sinai Centrum zich nu ook gaat concentreren op de verkoop van kosjer vlees uit het buitenland, en dat allemaal onder de bezielende leiding van Binjomin Jacobs, Opperrabbijn van Nederland en de Waddeneilanden – Amsterdam uitgezonderd. Tja het zal wel een grap zijn, maar ook de productie en verkoop van brood, wat wèl al een tijdje echt gebeurt, is natuurlijk niet één van de kerntaken van een instituut voor mensen met problemen met hun geestelijke gezondheid. En als ik de berichtgeving in de media omtrent het Sinai-centrum een beetje volg de laatste weken, zou ik zeggen: schoenmaker hou je bij je leest, en daar hoort brood ook niet bij! Bovendien is het natuurlijk een vorm van oneerlijke concurrentie door mensen die patiënten zijn, brood te laten maken. Heeft ook iets Middeleeuws / 19e-eeuws als je het mij vraagt ... Ook in de Israëlische pers las ik berichten waarvan je eigenlijk niet weet of het nu een grap is of niet. Zo las ik dat met de Pesach en de zomer in aantocht er een nieuwe uitvinding is die het ultra-orthodoxe Joden makkelijker moet maken om met de goddeloze El-Al te vliegen. Goddeloos omdat er tijdens de vluchten allerlei films vertoond worden met een zeer onzedelijk karakter (mij was het niet opgevallen, maar goed...). Daarom de oplossing – een flexibele, opklapbare afscheiding in de vorm van de Hebreeuwse letter chet (ח) die de vrome om zich heen kan draperen en zo niets hoeft te zien van de film voor hem. Grap of echt waar?? Ze zijn er toe in staat, denk ik dan weer ... Overigens was EL-AL enkele jaren geleden al begonnen om de films te kuizen en expliciete beelden van naakt er uit te halen om de gevoelens van orthodoxe Joden niet te kwetsen – dat meen ik me althans te herinneren uit een eerder krantenbericht. Ik moest hierbij denken aan een film uit de jaren tachtig – volgens mij heette die de Bachelor-party – waar de vrouwen de mannen die uit hun dak willen gaan op het vrijgezellenfeestje een poets bakken. Dit doen ze door allerlei pittige fragmenten weg te halen uit de films, die de mannen gekozen hadden om de avond ‘op te vrolijken’. Elke keer, net als het spannend begin te worden, slaat de film een stukje over tot grote frustratie van de bruidegom en zijn vrienden ... Waar niet meer gelachen kan worden, staat niets meer ter discussie en is alles even serieus. Vaak gaat een dergelijke sfeer gepaard met onverdraagzaamheid, het schenden van rechten van anderen en een klimaat waarin angst en wantrouwen floreren. Om te lachen moet je wel vertrouwen in elkaar hebben - anders wordt een grap al snel opgevat als een belediging, die al even snel kan ontaarden in een gewelddadig conflict. Dat het ook anders kan, heb ik in mijn eigen tijd in de ultra-orthodoxe wereld beleefd. In mijn jesjiwa waren genoeg mensen te vinden die humor hadden en waar een grap okay was – zelfs als die een (licht) erotisch getinte lading had. En ook was er kritiek op sommige rabbijnen. Zo zei men eens over een bekende rabbijn die in zijn boeken zich zeer sterk laat inspireren door de Maharal van Praag (Jehoeda Löw, 16e eeuw), het volgende: “ja, die denkt dat hij de leer van de Maharal verkondigt, maar in werkelijkheid zegt hij de leringen van diens Golem”. In het Jiddisj klonk dat natuurlijk beter: “joh, er meint er zogt die Toires von der Maharal, ober in emmesen zogt er die Toires von sein Goilem”. Best grappig toch? Rare vragen, rare antwoorden vrijdag 26 februari 2010 Met Poeriem in aantocht vind je op internet zeeën van vragen die aan rabbijnen worden voorgelegd. Een klein overzichtje: Vraag: Kan je het geld dat bedoeld is voor de armen (één van de verplichtingen van Poeriem) ook aan een meisje van 12-13 geven? Ik heb namelijk gehoord dat als er geen arme in de buurt is, je het geld ook kan geven aan iemand die niet werkt en geen inkomen heeft. Kijk, hier begrijp ik dus niets van, van deze vraag. Uiteraard moet een meisje van 12-13 door haar ouders onderhouden worden en dus geen zorgen hebben over haar levensonderhoud! Ook wonderlijk dat deze persoon geen arme mensen in de buurt kent. En hoe zou je in onze maatschappij iemand noemen die geen werk heeft en geen inkomen heeft? Toch zeker iemand die best een financieel steuntje in de rug kan hebben ... Ook rijst de vraag of je op Poeriem de aalmoezen aan verslaafden mag geven in Zuid-Tel Aviv, waar blijkbaar veel verslaafden zijn. Volgens de vraagsteller zwerven die op de stoepen daar. Het hele jaar door geeft de vragensteller deze mensen geen geld, maar misschien ligt dat op Poeriem anders? Op Poeriem kennen we namelijk de stelregel dat "iedereen die zijn hand uitsteekt, geld krijgt" en we niet hoeven uit te zoeken of het geen bedrieger is. Maar het is vrij duidelijk dat de verslaafde van het geld weer drugs gaat kopen? De rabbijn is echter onverbiddelijk: "Men moet geen aalmoezen geven aan een arme die niet fatsoenlijk / geschikt is, en zelfs niet op Poeriem!" Zo, dat zal ze leren die verslaafden! De rabbijn heeft het probleem hiermee opgelost ... Vraag: Ik zou graag het volgende willen weten: wij hebben een feestje op de werkplek en men heeft verschillende verkleedkleren gekocht. Is er een probleem om je als een demon te verkleden? Ik weet niet of ik het einde van dit antwoord helemaal begrijp. Maar het komt er op neer dat onze normale kleding een vorm van bedriegen is. We bedekken onze ware aard immers aan de buitenkant door kleren aan te trekken en de toeschouwer als het ware te bedriegen. Door onze normale kleding die al een verhullen en bedriegen is, nogmaals te verhullen door een verkleedpak kom je dus bij je ware aard uit, lijkt deze rabbijn te zeggen. Maar helemaal zeker ben ik hier niet van … Natuurlijk wordt er ook gevraagd hoe Esther nu eigenlijk met Achasjverosj kon trouwen, een niet-Jood. Is dat dan geen zonde? Het antwoord: Inderdaad, het is een grote zonde om met een niet-Jood te trouwen, en nog een slechte antisemiet ook! Maar de geleerden zeggen dat ze niet uit vrije wil huwde, maar alles was gedwongen. Slechts één keer vroeg ze Mordechai of ze uit vrije wil naar de koning moest gaan. En hij zei haar dat het toegestaan was om alle Joden te redden. En hierover zegt de Talmoed: "een zonde begaan met een zuivere intentie is belangrijker dan een religieus gebod volbrengen zonder zuivere intentie!" Vooral dit laatste “een zonde begaan met een zuivere intentie” is een beetje een gevaarlijke uitspraak. Sabbetai Tzvi en de Frankisten werden hier nu juist voor veroordeeld. Deze groepen ontwikkelden namelijk de theologie dat men af moet dalen tot het Kwaad om het Kwaad te verlossen. Dat zet de deur open voor allerlei bedenkelijke handelingen onder het mom van "ik doe juist een grote religieuze daad". Maar hoe verlos je het Kwaad dan wel? Goede vraag, misschien heeft u het antwoord? En ook, zoals elk jaar, duikt de vraag op of mannen zich als vrouwen mogen verkleden. Volgens een rabbijn uit Tsfat – u weet wel uit dat woelige noorden van Israël waar het al meer dan 2000 jaar borrelt en bruist (het noorden was o.a. een tijdje de bakermat van opstanden tegen de Romeinen) – kunnen kinderen onder de 13 dat wel, maar volwassenen niet. Hij wijst er wel op dat er rabbijnen zijn die toestaan dat men slechts één vrouwelijk kledingstuk aandoet, omdat voor iedereen duidelijk is dat men zich niet geheel als vrouw verkleedt. Maar gewoon voor de Poeriem-lol één kledingstuk van vrouwen aandoet. Minder leuk was het bericht in de krant over de escalatie van de ruzie tussen Sjas-aanhangers en Lithuaanse ultraorthodoxen, waar ik al eerder over schreef. Volgens de Jedi'ot Acharonot zal dit jaar rabbijn Mazoz – één van de prominente Oriëntaalse rabbijnen – de fik steken in de traditionele Haman-pop. Zaterdagavond zal in Bne Berak in de leerschool Kisee Rachamim, hangende vanaf de 4e verdieping, de traditionele Haman-pop in de fik gestoken worden, een oud Tunesisch gebruik. Echter, deze keer is de pop gemaakt van kranten uit het Lithuaanse kamp, de Jeted Ne'eman, het lijfblad van de ultraorthodoxe Lithuaanse Joden uit Bne Berak. Ik schreef al eerder dat ik hier niet vrolijk van word. Je steekt andermans kranten, boeken of geschriften niet in de fik (ook poppen niet, vind ik een onsympathiek gezicht en een symbolische handeling die geweld uitstraalt). Dat is vaak een voorbode van haat en geweld, zoals de geschiedenis helaas al vele malen liet zien. Niettemin een vrolijk Poeriem en drink aub met mate … Rabbijn Elon in problemen vrijdag 19 februari 2010 Terwijl het aantal verdachten in de zaak van de liquidatie van een Hamas-topman in Dubai inmiddels is opgelopen tot meer dan tien, vraagt een aantal mensen zich af hoe het kan dat hun identiteit is gestolen. Hun identiteit zou zijn gebruikt voor de valse paspoorten die de uitvoerders van de operatie bij zich droegen. Is dit nu niet een klassiek voorbeeld van diefstal van identiteitsgegevens waar sceptici nu al jaren tegen waarschuwen? Dat je zeer, zeer terughoudend moet zijn met het opslaan van persoonsgegevens, waaronder DNA, vanwege fraude en misbruik? Denk ook even aan het biometrische paspoort dat ons door de strot wordt gedrukt. Ook in Israël is veel verzet tegen het biometrische paspoort vanwege misbruik en diefstal van gegevens. Bijvoorbeeld door de mafia of andere geïnteresseerden. Ik denk dat we ons hier zeker zorgen om moeten maken, nu het dus blijkbaar in praktijk gewoon mogelijk is. Tegelijkertijd houdt de affaire rond rabbijn Elon al dagen de Israëlische media bezig. Deze charismatische rabbijn die hoofd was van de bekende nationaal-religieuze middelbare school Chorew en later tevens hoofd van Jesjiwat Hakotel in de Oude Stad, verdween zo’n vier jaar geleden van het toneel. Gezondheidsproblemen mompelden sommigen. Anderen beweerden dat hij aan een spirituele retraite bezig was. Verbijstering alom toen enkele dagen geleden het Forum Takana bekend maakte dat zij Elon de wacht had aangezegd wegens gedrag dat niet overeen kwam met "ethiek en heiligheid". Forum Takana werd in 2003 opgericht als zelfbenoemde waakhond tegen seksueel misbruik en intimidatie in de nationaal-religieuze gelederen. Indirect was de affaire Kopolowitch (voormalig hoofd van Netiv Meïr) van ruim 10 jaar geleden de aanleiding – de rabbijn en rector van de middelbare school Netiv Meïr die veroordeeld werd voor seksueel misbruik van minderjarigen en 3½ jaar in de cel zat. Maar wat was er nu met Elon precies aan de hand? "Het gaat om serieuze zaken", zegt een lid van Takana in de krant. "Het gaat om meer dan seksuele intimidatie", wist een rabbijn en forumlid te vertellen in een andere krant. En weer later kwam de aap uit de mouw: de rabbijn zou langdurig een relatie met een seksueel karakter hebben gehad met iemand van hetzelfde geslacht. Misbruik van zijn spirituele positie, zegt Takana – we moesten dan ook de jeugd waarschuwen, met alle pijn in ons hart. Toch is er veel steun voor Takana. Men prijst het forum dat men de zaak in de openbaarheid heeft gebracht en het niet binnenskamers probeert op te lossen. Dat men streeft naar transparantie en openheid. Bovendien werd de affaire Elon behandeld door 10 zeer bekende nationaal-religieuze rabbijnen als Lichtenstein, Sharlo, Gigi, Lewanon, en Gissar die allemaal tot de dezelfde conclusie kwamen. Ondertussen reisden honderden mensen af naar Migdal bij Tiberias – u weet wel dat plaatsje waar 2000 jaar geleden een zekere Maria rondliep – waar rabbijn Elon al sinds 4 jaar verblijft in een soort ballingschap, hem opgelegd door Takana. Daar kwamen zijn leerlingen, ex-leerlingen en vrienden hem een hart onder de riem steken. Maar er is ook kritiek op Takana. Zo stapte de orthodox-feministische organisatie Kolech uit het forum omdat er volgens hun onzorgvuldig gehandeld is inzake Elon. En waarom hebben ze de zaak juist nu in de openbaarheid gebracht? Wil men echt schoon schip maken of is men toch bezig met de zaken onder het tapijt te vegen – men heeft immers 4 jaar gezwegen! Van een verslag van vandaag in Ma'ariw over hoe Takana via een telefoongesprek met ene 'Zwika' (schuilnaam) informatie probeert te verzamelen over de vermeende misdaden van Elon, wordt je niet echt vrolijk. Het ademt een sfeer van amateurisme uit. Zo heeft die 'Zwika', die men bevraagt, het verhaal van zijn beste vriend gehoord, het (vermeende) slachtoffer van Elon. Voor de lezers die Hebreeuws kennen: klik hier "Welkom in de Middeleeuwen", schrijft iemand in een opiniestuk. Want als mensen weer beoordeeld worden door zelfopgeworpen instanties uit hun eigen sector in plaats van door de politie en de rechtbank, dan zijn we weer terug in de Middeleeuwen. Op internet weet men het ondertussen wel: het is een bloedsprookje, men kan het gewoon niet hebben dat Elon zo populair en charismatisch is. Anderen wijzen op politieke motieven: Elon was voorstander van de terugtrekking uit Gaza. Conflicten rond Jesjiwat Hakotel en wat nog allemaal meer, worden ook meegenomen in de reacties. Men is vooral ontzet, met stomheid geslagen, of boos. Ondertussen worden in de vele reacties serieuze onderwerpen aangesneden: wat is de rol van een rabbijn eigenlijk? Moet een rabbijn charisma hebben, wat zijn de gevaren van een goeroe als rabbijn? Welke verantwoordelijkheid heb je zelf als volgeling van zo’n goeroe-rabbijn? Is men niet te krampachtig over seksualiteit? En is de scheiding tussen de seksen in het onderwijssysteem misschien de boosdoener? Of zijn het de taboes rond homoseksualiteit die ook in nationaal-religieuze kringen aanwezig zijn? Is men niet veel te opgesloten binnen nationaal-religieuze kringen en opereert men als "een staat binnen een staat", zoals o.a. Awraham Burg in een artikel zegt? Volgens sommigen kan de affaire Elon tot een serieuze crisis in het geloof onder de nationaal-religieuzen leiden. Allerlei instituten houden al ingelaste bijeenkomsten om hun leerlingen te sterken in deze moeilijke uren. Het laatste woord zal hierover nog lang niet gezegd zijn. Ook in Tsfat is het feest. Daar probeert een onbekende organisatie om Joodse winkeliers, fabrikanten en ondernemers te bewegen om hun Arabische werknemers een verklaring te laten ondertekenen dat ze zich aan de 7 Noachidische geboden zullen houden. De Arabische werknemer verklaart: "Ik, de ondergetekende, verklaar hierbij dat ik me verplicht om de 7 Noachidische geboden te onderhouden, die mijn verklaring van trouw is aan het Joodse volk, op basis van de Joodse waarden. Ik weet dat als ik betrapt wordt dat ik een gebod heb overtreden, dat mijn werkgever mij kan ontslaan zonder voorafgaande kennisgeving en compensatie". Te gek voor woorden – wat doen ze daar in het drinkwater in het noorden? Gescheiden buslijnen vrijdag 12 februari 2010 We gaan inmiddels al weer de 8e week van sneeuw in, enkele dagen uitgezonderd waarop de sneeuw wegblubberde of zelfs eventjes geheel wegsmolt. Al met al goede dagen voor een boekenkoopverslaving. Want, alsof de duivel ermee speelt, allerlei boekhandels hebben hun voorraaduitverkoop verlengd tot de maand februari. De mooiste boeken zijn nu te koop voor kleine, soms belachelijke, prijsjes. Goed, je moet al die boeken ook nog lezen, maar je hebt ze toch maar! Een bibliotheek kan daar niet echt tegenop. Ten eerste kost het tijd om naar de bieb te gaan, het boek te zoeken, te lenen en weer terug te brengen. Heb ik wel een tijdje gedaan hoor, tot ik ontdekte dat je soms voor het lenen van een boek, in de parkeergarage van Stadshart Amstelveen, zes euro aan parkeerkosten betaalt. Drie euro bij het lenen en drie euro weer bij het terugbrengen. Want je gaat natuurlijk niet alleen om één boek te lenen, maar kijkt ook even in winkels of drinkt een kop koffie. De parkeermeter tikt echter rustig door. Terwijl je dus in de opruiming boeken voor 6 euro of minder kan krijgen. Inmiddels heb ik zoveel boeken dat het de vraag is of ik ze allemaal nog uitlees in dit leven. Maar ik ben optimistisch – de maximale leeftijd van 120 jaar moet voor mij haalbaar zijn en bovendien wordt de wedstrijd soms verlengd door middel van reïncarnatie. Een andere verslaving die de kop opsteekt tijdens deze sneeuwtijd is informatie- annex internetverslaving. Behalve een vijftal Nederlandse websites, lees ik dagelijks ook nog eens 3 Israëlische kranten. Dat is niet altijd goed voor mijn religieus-spirituele gezondheid. Zo las ik ruim een week terug op een Israëlische site dat er een positief advies was uitgegeven voor het handhaven van de zogenaamde 'mehadrin buslijnen'. Dit zijn buslijnen in ultra-orthodoxe gebieden waar mannen en vrouwen gescheiden in de bus zitten – de mannen vóór, de vrouwen achter. Hiertegen was bezwaar gemaakt op basis van discriminatie door één of andere organisatie, maar dit bezwaar was blijkbaar verworpen. Ik vind het echt te gek voor woorden – gescheiden buslijnen. Kijk, dat je niet naast je eigen vrouw mag zitten, is nog tot daar aan toe, maar dat je ook niet naast andere vrouwen mag zitten is natuurlijk van de zotte. Je kunt er maar beter om lachen, denk ik dan maar, maar de toestand vind ik vrij ernstig. Ook schijnt er een titanenstrijd te zijn uitgebarsten tussen de Oriëntaalse partij Shas en haar aanhangers, en de Lithuaanse ultra-orthodoxen. Inzet van de strijd is de toetreding van Shas tot de WZO – de World Zionist Organisation. Een inderdaad best opmerkelijk nieuwsfeit. Immers, zo uitgesproken zionistisch is Shas toch doorgaans ook weer niet … Vanuit het kamp van de Lithuaanse ultra-orthodoxen is hier furieus op gereageerd, vooral in hun krant de Jeted Ne’eman. In de trant van: hoe kunnen ze in vredesnaam met deze seculiere atheïstische religiehaters samenwerken, vraagt men zich daar af. En dat terwijl de ultra-orthodoxe rabbijnen in het verleden tegen het seculiere zionisme streden. Wat halen die Oriëntaalse Joden en hun leider Ovadija Josef zich wél in het hoofd? Bij Shas was men furieus: wat denken die Asjkenaziem wel, dat ze hun grootste rabbijn – Ovadija – wel even kunnen beledigen? En zo ging het moddergooien nog een beetje door. Afgelopen week kreeg het allemaal een minder fris geurtje toen verhitte Shas-aanhangers duizenden exemplaren van de Jeted Ne’eman in de fik staken. Tja, als diaspora-Jood hou ik niet zo van fikkend Joods drukwerk. Een oud Middeleeuws verhaal legt een verband tussen het verbranden van de geschriften van Maimonides door diens Joodse tegenstanders en enige tijd later de grote Talmoed-verbranding in Parijs, door de Kerk, in 1241. Andermans boeken of geschriften verbranden leidt vaak tot een weinig heilzaam sociaal klimaat … Gisteren las ik dat zakenmensen van Shas een boycot proberen door te drukken bij adverteerders, zodat deze niet meer in de Jeted Ne’eman van de Lithuaanse Asjkenaziem zullen adverteren. De verhoudingen tussen Asjkenaziem en Sefardiem in Israël zullen hierdoor niet verbeteren, is mijn inschatting … Ook spannend was een bericht van enkele weken geleden waar we zowaar te maken kregen met een oproep om de religieuze ban uit te spreken over zo’n 20 personen, een scherpe reactie van een Chabad-rabbijn in Melbourne, volgens de Ma’ariew van 24 januari jl. Wat was er aan de hand? Een zeer fanatiek groepje messianistische Chabad-chassidiem in Australië vond dat, omdat de messiaanse tijd al aangebroken is, het niet nodig is om nog te vasten op 10 Tewet. Deze vastendag wordt traditioneel gehouden ter herinnering aan het begin van het beleg rond Jeruzalem door Nebukadnezar. Een beleg dat zal uitmonden in de ondergang van Judea en de Tempel in Jeruzalem in 586 vóór de jaartelling, en verbanning naar Babylonië van tienduizenden gevangenen. Rabbijn Telzner uit Melbourne windt er geen doekjes om: “totdat deze individuen zich niet melden voor een gerechtshof van drie en vergiffenis zullen vragen en een remedie (tikkoen) voor hun daden, zijn ze in de ban en verworpen (cherem en niddoei) in onze gemeenschap. Ze tellen niet mee voor het minjan (de benodigde 10 mensen voor een gebedsdienst) of het dankgebed na de maaltijd, men mag geen ‘amen’ zeggen na hun zegen, ze mogen niet voor de Tora geroepen worden en niet geëerd worden door welke mitswa (ritueel of ceremonie) dan ook”. Spannender werd het toen ook in Israël Zimroni Chik – het hoofd van het Chabad-huis in Bat Yam en redacteur van Sichat haGeoela (Gesprek van de Verlossing) – ervan werd beschuldigd, dat hij gezegd zou hebben dat “de dagen van de masjiach aangebroken zijn en het niet nodig is om nog te vasten op de (traditionele) vastendagen” ter herinnering aan de tempel in Jeruzalem. Immers, binnenkort wordt de Derde Tempel al herbouwd, dus waarom nog treuren om eerdere tempels?! Binnen Chabad in Israël bezon men zich op maatregelen tegen Chik, die overigens ontkende iets dergelijks gezegd te hebben. Dit soort uitspraken over het opheffen van vastendagen ter herinnering aan de verwoesting van eerdere tempels ligt zeer gevoelig. Het was immers de pseudo-masjiach Sjabtai Zwi die een kleine 400 jaar geleden 17 Tammoez en mogelijk andere vastendagen wilde afschaffen omdat de masjiach al gekomen was – namelijk hijzelf! Wie vastendagen wil afschaffen uit messianistische optiek laadt sindsdien meteen de verdenking op zich Sabbatist te zijn … Diboeks, de ban, gescheiden buslijnen – ik ben aan een vakantie in een zonnig land toe… En in Israël is het overigens ook relatief koud ☹ Nogmaals de diboek vrijdag 5 februari 2010 De afgelopen week schreef ik over de diboek-uitdrijving in Jeruzalem van vier weken geleden. Ik kan me voorstellen dat men zich afvraagt in hoeverre dit niet gewoon randverschijnselen zijn. Tja, het is maar de vraag hoe je randverschijnselen definieert. Er waren ‘duizenden mensen’ aanwezig volgens de media. Misschien een beetje jiddisje overdrijving, maar 2000 mensen lijkt me niet onmogelijk. Laat ik beginnen met te stellen dat esoterie / New-Age in Israël op dit moment zeer in is, onder allerlei stromingen van seculier tot ultra-orthodox. In de ultra-orthodoxie worden tegenwoordig bijvoorbeeld regelmatig boeken uitgegeven op het gebied van dromen en hun uitleggen, het boze oog, demonen, reïncarnatie, leven na de dood, handleeskunde en gezichtleeskunde. Of de vele segoela- boeken die worden uitgegeven – boeken met remedies uit oude geschriften met een hoog mystiek-magisch gehalte. Zo lees ik in het boek Mareh ha-Jeladim – een oud manuscript dat heruitgegeven werd door rabbijn Rafaël Ochana – een probaat middel voor een vrouw die pijn aan haar borsten heeft. Na eerst in de weer te zijn geweest met meel, rozenwater, en eigeel en wat suiker waarmee een leuk verbandje aangelegd kan worden om de pijnlijke borst, komt er zowaar een wat meer magische aanpak: “schrijf de [heilige] namen als volgt: ABU SUSYA ABU SUSI en plak dit op de borst met een beetje spuug, en laat de geschreven kant naar buiten gericht zijn. En doe er iets overheen om het te bevestigen en vast te maken” (p. 64). Dit boek werd in 1990 uitgegeven door een kleine uitgeverij in Me’a Sje’ariem. Een toch gerenommeerde (ultra-) orthodoxe uitgeverij als Feldheim gaf in 2008 ook een boek uit over segoelot: Likutei Segulot Jisraël. Hier lezen we dat een probaat middel tegen vergeten is om elke ochtend voordat je iets anders eet, honing te eten. Maar wel zo dat je je rechtervinger in de honing doopt. Ook leuk: “een remedie [segoela] om iets te herinneren dat men vergeten is: richt je hoofd op en kijk naar boven, en als je iets wil begrijpen buig je hoofd dan naar beneden”. Ook lijkt het orthodoxe jodendom in Israël doordrenkt van messianisme van een apocalyptische variant – en heus niet alleen bij Chabad. Veel hiervan komt op conto van de invloed van de mystiek op het jodendom in de laatste decennia, of beter: de laatste eeuwen. Neem nu het boek ‘Geesten en diboeks’ dat ik, baroech Hasjem, in mijn bezit heb. Daar valt aan het eind van het boek zo waar het verhaal te lezen over “de diboek uit Dimona” en de uitdrijving hiervan in Jeruzalem, in de jesjiwa van kabbalist Batzri waarmee we al vorige week kennis maakten. Batzri kwam overigens enkele maanden geleden in het nieuws tijdens de Varkensgriep / Mexicaanse griep. Samen met enkele andere kabbalisten maakte hij in augustus 2009 immers een rondvlucht boven Israël om een zeldzaam mystiek ritueel uit te voeren ter bedwinging van deze griep. Centraal in het ritueel staan teksten over het wierookoffer uit de Tempel waaraan mystieke en magische krachten worden toegekend die dood en verderf – en dus ook epidemieën – kunnen stoppen. Tijdens de vlucht bad men en werden er mystieke gebeden en Godsnamen uitgesproken. Na afloop wist zijn zoon te melden dat “zonder twijfel de epidemie zal stoppen. Na een dergelijk gebed is het duidelijk voor ons dat we binnenkort een daling van deze griep zullen zien.” Dat laatste lijkt me overigens niet waar, want de hele winter door was de griep er nog. Volgens mij is er enkele dagen geleden nog een vrouw van 55 jaar aan overleden, maar dat terzijde. Men steeg op vanuit Lod en vloog richting het noorden, naar de Golan Hoogte. Vandaar ging men weer helemaal naar het zuiden naar Beër Sjewa (het goddeloze Elat wordt blijkbaar overgeslagen …), om vervolgens op Ben-Gurion te landen. Volgens de kabbalisten werd er een zeer zeldzaam ritueel uitgevoerd dat eerder in WO II door de opa van Batzri werd uitgevoerd, R. Jehoeda Petajah. Ook toen deed deze kabbalist dat vanuit een vliegtuig in de lucht, met als doel om de toegang tot Israël voor Hitler af te sluiten. En inderdaad werden de Duitsers in Egypte afgestopt door Montgomery. Bekijk de foto of lees het Hebreeuwse artikel in de Ma’ariw op: http://www.nrg.co.il/online/1/ART1/928/464.html Enfin, terug naar de diboek uit Dimona … Ene Judith uit Dimona leidt aan de diboek. In zijn leerschool in Jeruzalem voelt Batzri de diboek aan de tand. Maar, wat een verrassing als de diboek de overleden echtgenoot van de vrouw blijkt te zijn, die jong aan de alcohol stierf … In ‘Geesten en diboeks’ is het artikel te lezen dat de uitdrijving beschrijft – of beter: het gesprek met de diboek – zoals dat in een Jeruzalemse orthodoxe krant destijds verscheen (lente 1999). Dat gaat als volgt: Rabbijn: wat wil je van deze vrouw Diboek: haar (mee)nemen Rabbijn (schreeuwend) Je hebt geen toestemming om enig schepsel in de wereld schade te doen. Jij zult niemand schade doen. Ik wil dat je vertelt wat je wilt, wat heb je gedaan? Diboek: Ik heb veel zondes gedaan R: waarom heb je dat gedaan, heb je nu spijt? D: ik heb spijt R: ben je tot inkeer gekomen? D: ik wil naar boven gaan R: wil je naar boven? God zal je helpen dat je naar boven gaat, maar je moet één ding weten – dat je geen schade mag aanrichten. Welke tikkoen [=herstelritueel] wil je? D: een herstel voor zondes R: kan je specificeren voor welke zondes D: Ik zeg het niet (…) Hilarisch wordt het wanneer een collega-kabbalist van Batzri – rabbijn Monsengo – de diboek vraagt of het voormalig parlementslid Arje Deri schuldig is (aan corruptie e.d.) of niet: Rabbijn Monsengo: Is Arje Deri schuldig of niet? Diboek: hij is schuldig (Noot van de redactie: in overleg met de rabbijnen is het beledigende woord dat hij [de diboek] heeft gezegd weggehaald. Later zal de diboek beweren dat hij gelogen heeft en dat Deri onschuldig is, zie vervolg) Batzri even later schreeuwend tegen de diboek: “Hoe kan je dat zeggen, je bent een leugenaar. Leugenaar. Rabbijn Ovadija heeft verkondigd in een uitspraak dat hij [Deri] onschuldig is. De rechtbank heeft weliswaar zo besloten [dat hij wél schuldig is], maar volgens de wetten van de Tora is hij onschuldig. Neem deze woorden nu terug, neem ze terug!!” De diboek: (onduidelijk antwoord) Sommigen beweren dat de overledene inderdaad zijn woorden terugneemt (…) Of dit erg gezond is voor het religieuze klimaat is de vraag. Ikzelf zet hier grote vraagtekens bij. Of beter: ik vind het niet gezond allemaal. Diboek vrijdag 29 januari 2010 Op 6 januari 2010 zag ik op de Israëlische televisie een toch wel zeer opmerkelijk schouwspel. In het hart van de ultra-orthodoxe wijk Ge’oela, in de leerschool Yeshivat haShalom, werd in aanwezigheid van duizenden mensen een diboek uitgedreven – althans een poging daartoe gedaan. Hoofdrolspeler in dit toch wel merkwaardige verhaal is de kabbalist rabbijn David Batzri. Deze man zou al eerder enkele mensen van een diboek genezen hebben. Maar wat is een diboek? Een diboek is een begrip dat verwijst naar het verschijnsel dat de ziel van een dode bezit neemt van een levend persoon. Deze persoon gaat zich hierdoor heel anders gedragen, bijvoorbeeld door vreemde talen te praten, de religieuze normen van de gemeenschap te breken, en ander raar gedrag. Wij zouden zeggen: een acute psychose, schizofrenie of andere psychosomatische ziektebeelden. Volgens de kabbalisten is de diboek een geest van een overleden, zondig persoon die nog niet eens de hel in mag en daarom ronddoolt en probeert bezit te nemen van een levende persoon, om zich op deze manier te manifesteren en door diens mond te spreken. Tijdens de ceremonie van uitdrijving wordt eigenlijk een soort deal gesloten: de diboek vertrekt en de aanwezigen zorgen voor diens zielenheil, door zijn zonden deels te repareren (tikoen) door middel van kabbalistische gebeden. Dan kan hij in de spirituele werelden verder met deze reiniging en herstel totdat ook hij gezuiverd zal zijn. ‘Diboek’ betekent letterlijk in het Hebreeuws (stam: dbk) ‘hechting’ of ‘aankleving’. In dit geval was sprake van een zeer hardnekkige diboek die in een jonge getrouwde man uit Brazilië was getrokken. Sommigen beweren dat hij al 7 jaar in de man vertoefde. In november 2009 probeerde Batzri gedurende 3 uur op afstand via Skype de diboek uit te drijven, maar zonder succes. De jonge man werd daarom geadviseerd om naar Jeruzalem te komen om daar ‘live’ door de kabbalist genezen te worden. Duizenden mensen kwamen die 6e januari ’s avonds op het ritueel af. Zoals hieronder op de foto te zien is, staat het zwart van de mensen en is het zo vol dat men in groten getale buiten staat te wachten.
Via luidsprekers wordt men buiten goed op de hoogte gehouden van wat er binnen gebeurt. De menigte herhaalt de verzen die binnen gezegd worden. Zoals te horen is op dit youtube filmpje waarop helaas vanwege het feit dat het donker is en het buiten is opgenomen, weinig te zien is, maar des te meer te horen. Luister maar: Ongeveer op 1min28 hoor je de menigte roepen “tzee, tzee, tzee”, dat betekent: “ga uit, ga uit, ga uit”, waarmee de diboek natuurlijk wordt bedoeld en gemaand wordt op te rotten. Ook wordt er op ramshoorns geblazen om de diboek uit te drijven, te beluisteren op ca. 2min35. Om een indruk te krijgen van de toch wel hysterische sfeer binnen in de leerschool van Batzri raad ik aan dit volgende korte fragment op youtube te bekijken. Wel geduld hebben, want er is niet altijd beeld. De hysterisch huilende en gillende man is de kabbalist Batzri: “We moeten allemaal tot inkeer komen”, roept hij enkele keren volgens mij. Doel is om de diboek er toe te bewegen het lichaam van de man te verlaten door diens kleine teen, en niet via andere organen om dat dit ernstige schade aan het lichaam zou kunnen toebrengen. Tja, wie is hier nu gek vraag ik me dan af, de man met de diboek of de kabbalist die de diboek uitdrijft?! De publieke uitdrijving op 6 januari mislukte ook. Wat er verder gebeurde, is mij niet duidelijk. Volgens sommigen zou Batzri het nu overdag gaan proberen en niet meer onder grote aanwezigheid van mensen en de media. De antropoloog en socioloog Yoram Bilu heeft serieus onderzoek gedaan naar het verschijnsel diboek en vormen van bezetenheid onder Marokkaanse immigranten in Israël (‘aslai’ genaamd) en onder Ethiopische Joden (‘zar’ genaamd). Het verschijnsel diboek is echter niet typisch Oriëntaals-Joods, maar was ook in Oost-Europa tot begin 20e eeuw een bekend verschijnsel. Denk maar aan het in 1920 door S. Anski geschreven toneelstuk ‘De Diboek’. In de Oudheid komt bezetenheid in Joodse bronnen overigens zeker voor: bronnen uit het Tweede Tempel-jodendom, Talmoed, Josephus en Dode Zee-fragmenten illustreren dit duidelijk. De volgende fase wordt door de verspreiding van de kabbala vanaf de 14e eeuw ingezet, maar komt pas tot volle wasdom in het Tzfat van de 16e eeuw. Sindsdien wordt de diboek regelmatig gesignaleerd in de literatuur. Volgens Bilu en anderen biedt de diboek zelf aan de persoon die daar aan leed, de mogelijkheden om zich aan de heersende normen en verwachtingen te onttrekken. De rol van de ceremonie van uitdrijving op zijn beurt, is om de sociale hechtheid en normen weer te versterken en de genezen persoon weer op te nemen in de gemeenschap. Recent schreef Rachel Elior een kort boekje over deze materie: Dybbuks and Jewish Women in Social History, Mysticism and Folklore (Jerusalem, Urim 2008). Elior kiest hier vooral een feministisch perspectief en ziet de diboek vooral als uiting van de inferieure staat van vrouwen in de traditionele Joodse samenleving van vroeger. Het zijn namelijk bijna altijd vrouwen die aan een diboek leiden. Het klassieke patroon is dat van een jonge vrouw die door een mannelijke geest wordt bezeten. Zij ziet hierin vooral een uiting van seksuele dwang en mogelijk zelfs misbruik, veroorzaakt door onder andere de jonge leeftijd waarop meisjes werden uitgehuwelijkt met mannen die doorgaans ouder waren. Elior’s boek is kort door de bocht en van dik hout zaagt men planken – het is allemaal de schuld van het jodendom en de mannen – maar niettemin wel aardig om te lezen. Het interessante is dat Bilu er op wijst dat het verschijnsel van bezetenheid onder Marokkanen in Israël in de loop van de tijd aanvankelijk verdwijnt met de verdergaande integratie van deze groep in de Israëlische samenleving. Dit leidt tot de vraag of het niet vooral een cultureel verschijnsel is en niet een psychisch. Nog interessanter is echter dat er juist de laatste tijd weer een toename is van diboek en aanverwante verschijnselen. Al in 1999 verdreef Batzri een diboek uit een vrouw in Dimona. Bilu wijdt dit aan het sterk veranderende karakter van de Israëlische samenleving, socio-economische en politieke ontwikkelingen die latente etnische folkloristische elementen weer in leven roepen. Het is alsof men weer terugvalt op oudere patronen van een traditionele samenleving waarin de clan en familie erg belangrijk zijn, en sociale cohesie en sociale controle sterk aanwezig zijn. Interessante materie waarover het laatste woord nog niet gezegd is. Natuurrampen vrijdag 22 januari 2010 De afgelopen weken werd op sjabbat het Exodusverhaal voorgelezen. Hoe een volk van sympathieke buitenlanders veranderde in gastarbeiders en ten slotte in slaven. Na 10 bloedstollende plagen verlost God de Israëlieten uit Egypte. Toeval of niet: de wereld is vorige week geconfronteerd met één van de grootste rampen van de laatste decennia. In korte tijd veranderde de schokkende aarde Haïti in één grote puinhoop. Het aantal doden is nog niet bekend maar zal mogelijk rond de 150.000 of meer liggen. Miljoenen mensen zonder dak boven hun hoofd. Verschrikkelijk. Het illustreert de onmacht en hulpeloosheid van de moderne mens tegen dit soort natuurgeweld. Het is tegenwoordig geaccepteerd om een verschil te maken tussen rampen, veroorzaakt door de mens (‘man-made disasters’) en rampen die door de natuur worden veroorzaakt. Aan natuurrampen valt nu eenmaal weinig te veranderen – het beste wat we kunnen doen is hulp bieden aan de slachtoffers en redden wat er te redden valt. Inderdaad een nobel doel. Ook een Israëlisch reddingsteam, bestaande uit 220 personen, is afgereisd naar Haïti. Zij hebben een noodhospitaal opgezet waar 500 patiënten per dag geholpen kunnen worden. Het is uitgerust met een apotheek, kinderafdeling, radiologie-afdeling, intensive care unit, twee operatiekamers en een eerste hulp- chirurgie- interne- en kraamafdeling. Men is er tevens al in geslaagd om enkele mensen te redden van onder de puinhopen. Voor die mensen het verschil tussen leven en dood. Maar kan de mens er inderdaad niets aan doen? Volgens de Tora correspondeert de natuur met het gedrag van de mens. Gedraagt de mens zich goed, dan geeft de natuur haar zegens; gedraagt de mens zich slecht dan krijg je gedonder: geen regen, overstromingen, warmte etc. Voor moderne mensen een manier van kijken die terecht niet te accepteren valt. Alsof er een directe 1-op-1 relatie bestaat tussen het gedrag van de mens en hoe de natuur zich gedraagt. In sommige gebieden regent het nu eenmaal meer dan in andere. Sommige gebieden zijn groen, andere woestijn. Het zou pervers zijn om te stellen dat de zondes van de mens in Haïti geleid hebben tot deze aardbeving (of de tsunami van Indonesië). Sommige ultra-orthodoxen denken dit misschien toch stiekem. De sjoa zou immers ook te wijten zijn aan het zionisme of de seculariteit. Wanneer zich in Israël soms een groot ongeluk (destijds een schoolbus die door een trein werd geramd) voordoet, is er altijd wel één of andere rabbijn te vinden die zegt dat het komt omdat men in Israël de sjabbat niet houdt, of iets anders. Recent las ik dat de vele verkeersongelukken in Israël door de onzedige kleding van de vrouwen zouden komen of iets dergelijks. Ik denk dat je dit soort onzin moet negeren. We weten niet hoe God de wereld bestuurt en een ieder die denkt dat hij dat wél weet, liegt. Toch is het de vraag of we zonder meer de natuurrampen moeten accepteren als iets waar weinig aan te doen valt. Fanatieke ecologen vinden dat het gedrag van de mens wel degelijk invloed heeft op het klimaat en milieu – een soort seculier bijbels standpunt, hoewel de mensen die het direct treft hier natuurlijk geen schuld aan hebben. Ze wijten de relatief vele natuurrampen aan de opwarming van de aarde die allerlei systemen beïnvloedt. Misschien een beetje te veel doemdenken. Maar, gegeven dat we al enkele eeuwen weten dat natuurrampen zich door natuurlijke oorzaken voordoen, rijst de vraag of er niet veel meer onderzoek en geld besteed moet worden aan preventie en het begrijpen van de mechanismen die deze rampen veroorzaken. Voorkomen is beter dan genezen. Is het echt onmogelijk om natuurrampen als in Haïti en andere plaatsen redelijk betrouwbaar te voorspellen? De menselijke geest lijkt me vernuftig genoeg om ook deze problemen het hoofd te bieden. We doen eigenlijk vanaf de prehistorie niet anders. Wanneer gebieden overstroomden, verhuisden we naar hoger gelegen plaatsen. En door dijken, dammen en afwateringssystemen te ontwerpen, wisten we het water tot vriend te maken. En wanneer een vulkaan begon te rommelen, trokken we snel weg. A propos Egypte. In de Haarets van ruim een week geleden stond een artikel over de piramides in Egypte. Nieuwe archeologische opgravingen en vondsten zouden volgens de Egyptische wetenschappers bewijzen dat de bouwers van de piramides geen slaven waren. Er zijn namelijk graven gevonden naast de piramides van bouwers. Wat blijkt? De bouwers woonden naast het bouwproject en kregen gewoon onderdak. Ook werden ze van eten voorzien, ze kregen zelfs dagelijks vlees: per 10.000 bouwers kregen ze per dag aan vlees 21 runderen en 23 schapen te eten. Ook zouden ze gewoon betaald zijn voor hun werk en werd er elke 3 maanden van ploeg bouwers gewisseld. De Israëlische Egyptoloog Raphaël Ventura verbaast het allemaal niets. Wie de materie echt bestudeert, weet dat de piramides niet door echte slaven zijn gebouwd en al helemaal niet door de Israëlieten. Inderdaad woonden de bouwers vaak in dorpen en nederzettingen in de buurt van de piramide in aanbouw. Wel wijst hij er op dat het hoe dan ook zeer zwaar werk was. Als legitimatie van de zware arbeid gold de opdracht om een graf te bouwen voor de koning, die een heel hoge status had. Inderdaad is niet de hoofdzaak of die piramides nu wél of niet door de Israëlieten zijn gebouwd. In hoeverre werd het zware werk vrijwillig uitgevoerd? Wat voor samenleving is in staat om tienduizenden mensen dagelijks keihard te laten werken met gevaar voor eigen gezondheid, en dat allemaal voor de koning, het vaderland, de staat, et cetera? Hoe zwaar telt het individu in zo’n samenleving en wat is een mensenleven waard? Ook al betaal je iemand, zijn er daarmee nauwelijks grenzen aan wat je iemand kan laten doen? De ethische boodschap van de bijbel en rabbijnse literatuur – aangevuld met onze moderne inzichten – ten aanzien van het juist omgaan met personeel, lijken mij nog steeds relevant. Zeker in deze tijd waarin allerlei verworvenheden weer keihard worden teruggedraaid … Tot slot goed nieuws: het niveau van het meer van Tiberias – de Kineret – is door de hevige regenval van de afgelopen dagen een halve meter gestegen. Een boek kopen vrijdag 15 januari 2010 Elke keer als ik in Israël ben valt het me op hoe zeer het een land in beweging is. Toen ik in 1985 naar Israël emigreerde, waren daar al volop geldautomaten waar je geld kon ‘pinnen’. In Nederland waren die er toen nog niet, of amper. Of neem de bouw. In recordtempo worden in Israël hele wijken en stadjes uit de grond gestampt. Of het allemaal zo’n goede kwaliteit is weet ik niet, maar in Nederland gaat het allemaal aanmerkelijk langzamer. Overigens hoeven we ons van de Nederlandse kwaliteit van vroeger ook niet zo veel meer voor te stellen: een gemiddeld huis volgens de Vereniging Eigen Huis had in 2009 bij oplevering gemiddeld 22 gebreken. Ook de hoeveelheid asfalt lijkt zich in Israël exponentieel te vermeerderen. Als je er even een half jaar niet geweest bent, zijn er opeens nieuwe afritten of heel nieuwe wegen. Dat leidt soms tot vergissingen als toerist, vooral ’s avonds. Ik rij dan ook liever niet ’s avonds op wegen die ik niet goed ken. Ik rij eigenlijk liever zo min mogelijk in Israël, maar dat is weer een ander verhaal. Toch is het tegelijkertijd opmerkelijk dat bepaalde dingen in Israël moeizaam blijven. Een voorbeeld is het riool. Waarom weet ik niet, maar er zijn veel meer verstopte wc’s en riolen in Israël dan in Nederland. Misschien zijn de buizen daar minder breed, wie zal het zeggen. Vroeger was het helemaal erg. Een prop(je) wc-papier was voldoende om de wc te verstoppen. Wanneer ik bij mijn ouders op bezoek ben, komt het dan ook soms voor dat er net een verstopt riool is. Altijd leuk op je vakantie. De loodgieter van mijn ouders ken ik dan ook al goed. Leuke man, gezellige prater. Zijn vrouw ken ik ook, want die had hij een keer meegenomen omdat het grote nood was en hij met haar onderweg was. Terwijl haar man het minder frisse werk in de tuin van mijn ouders deed, keuvelden mijn vrouw en ik in de keuken gezellig met zijn echtegenote. Ze waren net getrouwd. Bij mijn recente verblijf – ben net een week terug – bleek het riool weer overstroomd en dus zag ik de loodgieter weer. Hij had inmiddels al een kindje en een andere baby was onderweg. “Wacht eens”, zei ik, terugrekenend naar de laatste overstroming, “dan is je kindje ongeveer een jaar of zo”. En inderdaad, dat klopte. Hij kon de verstopping overigens niet verhelpen – ze moesten van de gemeente een wagen sturen om het riool leeg te zuigen. Die wagen zou over “tien minuten komen”. U begrijpt dat we ruim anderhalf uur moesten wachten … Ook met het elektriciteitsnet wil het maar moeilijk lukken. Het aantal stroomstoringen dat ik in Israël door de jaren heb meegemaakt is niet meer te tellen. Leuk ook voor je computer … Een stroomstoring doet zich traditioneel altijd voor op extreem warme dagen – teveel airco’s aan – en op vrijdagmiddagen omdat er teveel elektriciteit in één keer wordt gebruikt. Ook een douche kan je in Israël maar beter niet direct voor Sjabbat nemen. Omdat iedereen tegelijk nog even een douche voor Sjabbat neemt, is de waterdruk dan vaak erg laag. Jaarlijks maakt het blad “International Living” een index van de landen waar je het best kunt wonen. Hiervoor worden jaarlijks 194 landen onderzocht. Er wordt gekeken naar 9 categorieën: infrastructuur, gezondheidszorg, cultuur & recreatie, kosten van levensonderhoud, milieu, vrijheid, veiligheid, het weer, en de economie. Wat bleek? Frankrijk werd alweer 1e , gevolgd door Australië, Zwitserland, Duitsland, Nieuw-Zeeland, Luxemburg, de VS, België, Canada en als 10e Italië. Nederland werd 11e, met hoge scores voor veiligheid, vrijheid, infrastructuur en gezondheidszorg. En Israël? Israël werd als 47e gerangschikt, net na Mexico en voor IJsland. Deze lage plaats van Israël werd vooral veroorzaakt door de slechte staat van de infrastructuur en de relatief hoge kosten van het levensonderhoud. Ook economie, milieu en veiligheid waren een zorgenkindje en kregen krappe voldoendes. Het beste scoorde Israël op de onderdelen ‘recreatie & cultuur’ (8.3), het weer (8.4), de gezondheidszorg (8.5) en vrijheid (9.2). Ik weet het niet hoor, maar ik leef liever in Nederland dan in België (“want dat land bestaat niet echt”). En liever in Israël, dan in Mexico. Elders las ik namelijk een onderzoek naar het aantal moorden per 100.000 inwoners in grote steden over de wereld. De top van de 10 gevaarlijkste steden was in 2008:
Dus volgens mij is het allemaal erg relatief, dit soort onderzoeken. Ook een stomerij is in Israël ingewikkeld. De eerste jaren in Israël hadden we grote moeite om een goede wasserij /stomerij te vinden. Bij één stomerij kreeg je de kleren, lakens of kleden terug met witte vlekken van de bleek. Bij een ander zaten er hele gaten in een duur tafelkleed door de grote hoeveelheden bleekwater of andere chemische rotzooi. Terwijl mijn moeder het tafelkleed nog afleverde met de opdracht “om er voorzichtig mee om te gaan omdat het een duur tafelkleed is”. Anderen hebben weer de neiging om een papiertje met je naam in je kleding te nieten, zonder dat je het weet. Voel je opeens een nietje in je rug of middel prikken. Nog steeds hebben mijn ouders problemen om een goede stomerij te vinden, begreep ik onlangs. “Kijk”, zei mijn vader, terwijl hij naar de boordpunten van een duur wit Sjabbesoverhemd wijst. “Zie je die zwarte vlek op de hoek?”. “Ja”, antwoord ik. “Dat is van de strijkbout van de stomerij”. Ook andere kledingstukken bleken van deze mysterieuze zwarte vegen voorzien nadat ze uit de stomerij terugkwamen. Vandaar dat ze nu wassen bij een vrome Chabad-Chassied die in een klein winkeltje een stomerij en wasserij runt. Ik bracht mijn broek dan ook naar hem. 25 Sjekel kost het stomen van een broek, 15 sjekel een overhemd. Tja, als je een nieuwe mooie broek voor 100 sjekel kan kopen, en op de markt een goedkoop (kunststof) overhemd voor 35 sjekel, wordt het natuurlijk nooit iets met deze branche. Een paar dagen later was de broek inderdaad klaar. “Eh, die olievlekken heb ik er niet helemaal uit gekregen”, zegt hij. Olievlekken?, die zaten er toch helemaal niet in, denk ik verbaasd. “Of waren het vetvlekken?”, vraagt hij, mijn verbaasd gezicht aftastend. “Kweenie”, zeg ik. “Zal wel die choemoes zijn geweest denk ik”. “15 Sjekel dan maar voor die broek in plaats van 25, omdat hij niet helemaal schoon is geworden”, zegt de vriendelijke man. “Prima”, zeg ik. Maar dan valt mijn oog op een boek op de plank: De heilige Tanya en diens Goddelijke kracht. De Tanya is het theologische, mystieke basisboek van de grondlegger van het Chabad-Chassidisme, Shneur Zalman uit Liady (1745-1813). Ik ken dat boek helemaal niet! “Waar kan je dat boek kopen”, vraag ik hem. Ik mag het boek meenemen voor 35 sjekel. “Het boek en de broek samen voor 50 sjekel”. “Deal”, zeg ik en loop tevreden weg. Want waar kan je nou in een stomerij een boek kopen? Toch alleen in Israël? Uitvinding van de bakker vrijdag 8 januari 2010 Terwijl de inkt van mijn vorige column nog niet droog was, las ik in de Jediyot Acharonot de uitkomst van een enquête die onder ruim 500 Israëli’s was gehouden door een voor mij verder onbekend instituut. De enquête ging over het vieren van Oud-en-Nieuw in Israël. Wat bleek? 69% Had geen enkel bezwaar tegen dit soort vieringen. Van die 69% zou 21% zelf ook actief meevieren. 31% Antwoordde echter absoluut tégen te zijn, het is een christelijk feest! Het grappige is dat onder orthodoxen en ultra-orthodoxen zo’n 90% faliekant tegen is. Maar blijkbaar is er 10% die het minder kan schelen – wel weer verrassend (misschien viert die 10% wel gewoon ‘undercover’ mee, in plaats van een zwarte hoed een rood kerstmutsje et cetera ...). De volgende vraag was of de plaatselijke overheden en publieke instanties moeten helpen met het organiseren van deze Oud-en-Nieuw vieringen in plaatsen waar voornamelijk Joden wonen. 55% Was hier tegen, volgens 37% alleen wanneer de meerderheid vindt dat dit gevierd moet worden, en 8% was sowieso een voorstander van dergelijke hulp. Ook hier waren orthodoxen en ultra-orthodoxen natuurlijk felle tegenstanders, maar opmerkelijk genoeg met nog niet eens 90%. De laatste vraag was of het terecht was dat het rabbinaat de kasjroet-certificaten afneemt van horeca-bedrijven en hotels waar Oud-en-Nieuw wordt gevierd. 61% Was hier op tegen, volgens 23% van de ondervraagden is dat helemaal correct omdat het rabbinaat niet alleen over het kasjroet gaat van het eten en drinken, maar ook over de Joodse ‘geest’/ sfeer, en tenslotte volgens 16% is dit juist contraproductief omdat veel horeca-ondernemingen dan zullen afzien van het nemen van een kasjroet-certificaat. Alweer opvallend was hier dat maar 78% van de ultra’s en 63% van de ‘gewone’ orthodoxen het eens is met het afnemen van de certificaten door het rabbinaat. Gisteren was ik in Tel Aviv. Ik was daar lange tijd niet geweest. Maar het viel wat tegen. Van de ooit mooie moderne (Europese) architectuur vond ik maar weinig terug. Wel veel stoffige winkels, slecht onderhouden gevels en afbladderende muren. Wie echter oude foto’s ziet van Tel Aviv van zo’n 80 jaar geleden, ziet een mooie, ruime, ademende stad die inderdaad westers aandoet. Brede, rechte avenues die de stad doorsnijden en mooie, strakke gevels. Kijk, dat ziet er toch wel anders uit?
In een café in de Ben-Yehudastraat drink ik een kop koffie. De uitbater is een grote Rus die me heimelijk doet afvragen of hij en ik wel gezamenlijke voorouders hebben. Maar je mag natuurlijk nooit afgaan op uiterlijk alleen en ik ben natuurlijk gefrustreerd dat ik zo klein ben. Aan de muur hangen nog de restanten van een Oud-en-Nieuw viering: een met (getekende) dennentakken versierd menubord met daarop in Russisch en Engels het menu: porc, shrimps, etc. Geen probleem hier dus met kasjroet-certificaten ☹ Wie denkt dat er geen Joods leven is in Tel Aviv, vergist zich echter. Nog steeds zijn er veel sjoels overgebleven en zelfs enkele eilandjes met ultra-orthodoxen, van Chassidiem die niet willen vertrekken naar Bne Berak en andere ultra-orthodoxe plaatsen. Ja, zelfs in Jaffo waar ik rondloop, woont een Rebbe die naar de sprookjesachtige naam Zeide Shmuel Smelke Rosenboim luistert, oftewel de Rebbe van Bitsjikov. Al ruim 60 jaar woonde de Rebbe’s (schoon)familie in Jaffo en sinds een jaar of 30 heeft deze man een eigen toko daar, met een jesjiva en een school en zet het werk van zijn schoonvader door. Zeide Shmuel Smelke Rosenboim is de zoon van de Kretsjnever Rebbe die zijn imperium in Rechovot heeft met een eigen wijkje en instituten, en als wonderdoener wordt gezien. Enkele weken geleden zou de Rebbe van Jaffo door Arabische jongeren vijandig zijn bejegend: hij werd bespuugd en uitgescholden en men probeerde hem aan te vallen. Een oudere Arabische inwoner van Jaffo wist de Rebbe te beschermen. Tussen de oudere Arabieren in Jaffo en de Chassidiem daar gaat het altijd goed, vertelt de Rebbe in een sjoelblaadje “Sichat Hageoelah” van Chabad. Maar de nieuwe generatie is helaas militanter en door jodenhaat beïnvloed, sombert de Rebbe. Een tijdje geleden zou er een poging tot brandstichting zijn geweest in zijn leerhuis en zijn eigen huis werd met stenen bekogeld. Maar de Rebbe blijft in Jaffo om het jodendom daar levend te houden. Omdat ik honger heb ga ik wat eten daar in Jaffo. Eettentjes met intellectuele namen als ‘dr. Houmous’ en ‘dr. Sjaksjouka’ (een gerecht met voornamelijk tomaten en eieren) proberen me te verleiden in een buurt die vol zit met winkeltjes met antieke spullen en tweedehandsjes. Uiteraard heet een van de winkels ‘dr. Antika’. Na een leuk dagje ga ik tevreden terug naar Rechovot. Tot slot wil ik nog iets met u delen. Een bakker hier in Rechovot heeft een opmerkelijke uitvinding gedaan. Op Sjabbat (en feestdagen) is het een gebruik om bij elke broodmaaltijd twee broden bij de maaltijd te hebben (lechem misjneh). Als herinnering aan de dubbele portie manna die op vrijdag viel, die voor vrijdag en Sjabbat bedoeld was. En als teken dat Sjabbat een geheiligde dag is waarop je geen verboden voorbereidingen van voedsel mag doen – dat moet je allemaal op vrijdag al gedaan hebben. Door een wonder immers bleef het manna vers van vrijdag op zaterdag (wat je vaak niet van het brood kan zeggen ...), terwijl het normaliter al na een dag bedierf. Het gebruik van het extra brood leidt vaak echter tot het weggooien van brood. Zelfs als je als tweede brood een kleiner broodje gebruikt, wordt dat kleine broodje vaak niet opgegeten en ligt het alleen symbolisch op tafel. ‘Onze’ bakker heeft echter iets unieks uitgevonden – een zeer klein gevlochten broodje, een challe, die hieronder op een foto te zien is. Om de grootte te illustreren heb ik een sjabbestafel in scène gezet (ietwat kitscherig) met een kleedje, een zoutvaatje, een fles wijn en de twee minibroodjes. Aan de fles en het zoutvaatje zie je hoe klein het broodje is (ca. 8 x 2 cm). Lief hè? Dus geen reden meer om brood weg te gooien. Een nominatie voor “het beste Joodse idee van 2010”!
Oud-en-Nieuw vrijdag 1 januari 2010 Wanneer u deze column leest is het alweer 2010. Het jaar is omgevlogen. In mijn gevoel begon het jaar pas een maand of drie geleden ☺ Gek hè? Vroeger vond ik Oud-en-Nieuw fantastisch, ja leuker nog dan Simchat Tora en Poeriem! Onze niet-Joodse buurvrouw bakte special voor ons ‘kosjere’ oliebollen en appelflappen. Dat wil zeggen dat ze kosjere ingrediënten gebruikte en alles in de zonnebloemolie bakte. Heerlijk. Wanneer Oud-en-Nieuw op Sjabbes viel was dat een tegenvaller, maar ja volgend jaar beter. Als puber vond ik al dat geknal zonde van het geld eigenlijk, terwijl ze in Afrika niet te eten hadden. Maar ja, die kanonslagen en strijkers waren natuurlijk wel erg spannend. Zo ongeveer het spannendst dat een Joodse jongen die niet in dienst zou gaan zou meemaken ... Vooral die strijkers: volgens sommigen waren die illegaal of inferieur – ik weet het niet meer. In ieder geval, boze tongen beweerden dat 1 op de zoveel strijkers in je handen kon ontploffen. Reden te meer om ze aan te schaffen natuurlijk. Ja, in die goede oude tijd werden zwart/grijsrijden in het OV, voortijdig afsteken van vuurwerk en spijbelen nog niet als halsmisdrijven aangemerkt die een groot ambtenaren-apparaat rechtvaardigen, om overtreders op te sporen en te straffen. Wel verboden natuurlijk, maar laten we het niet overdrijven. Hoe 30 jaar kabinetten van immer klagende conservatieven en nep-christenen (er is geen geld meer, bezuinigingen, overheidsschuld, fatsoen & moraal geblabla, etc) een land kunnen veranderen ... Na mijn schooltijd vertrok in naar Israël, en in de jesjiva vierden ze natuurlijk geen Oud-en-Nieuw. Eigenlijk vierden Israeli’s bijna nooit Oud-en-Nieuw, behalve in een enkele pub in Tel-Aviv en wat toeristenhotels. Tot mijn milde verbazing gingen veel Nederlandse immigranten in Israël door met het vieren van Oud-en-Nieuw. Ik heb dan ook meerdere malen deelgenomen aan zo’n viering met kosjere champagne en upgraded soefganijot. Na een paar jaar had ik er wel genoeg van. Bij mijn terugkomst naar Nederland, midden jaren ’90, had ik nog geen beleid inzake Oud-en-Nieuw vastgesteld. Mijn echtgenote kende dit Nederlandse gebruik als Jemenitische Israëlische vrouw natuurlijk nog niet. Omdat we de eerste jaren werden uitgenodigd bij anderen, vierden we natuurlijk gewoon mee – we zijn goed ingeburgerd en geïntegreerd (voor je het weet stuurt Verdonk mijn vrouw naar Jemen terug ...). Tot mijn verbazing vierden zelfs orthodoxe Joden (Cheider-kringen!) Oud-en-Nieuw mee. Compleet met kosjere champagne, de conference en een glatt-kosjer vuurwerkpakket. De laatste jaren heb ik het echter weer helemaal gehad. Het staat me opeens tegen, niet eens uit religieuze overtuiging. Misschien te burgerlijk? Ik weet het niet precies. Al vanaf Soekot krijg ik langzaam minder energie. Sint Maarten, Sinterklaas en Kerst hakken er bij mij dan ook in. Volgens sommigen het gevolg van een (milde?) winterdepressie door te weinig zonlicht, wie zal het zeggen. Wanneer ik de laatste weken van december, schuifelend door een halfverduisterde school (voor de sfeer!), op de tast mijn kinderen naar het juiste lokaal probeer te brengen – onderweg struikelend over een gloeiend klein plastic kerstboompje met nep-kadootjes eronder – weet ik dat het tijd wordt om een reis richting Israël te boeken. En zo de laatste week van december en het begin van het nieuwe jaar aan mij voorbij te laten gaan. Hier in Israël ben ik veilig zo aan het eind van het jaar, dacht ik. Maar dat valt de laatste jaren nog wel mee. Een paar jaar geleden verschenen er opeens op 31 december ’s avonds vrienden van mijn ouders uit Nederland, die gezellig langskwamen om Oud-en-Nieuw te vieren, tot in de kleine uurtjes van de nacht. Deze (orthodoxe!) vrienden hadden om de feestvreugde te verhogen uit Nederland kosjere appelflappen en oliebollen van wijlen bakkerij Theeboom meegenomen. Leuk toch?! Het jaar daarna was het weer raak. Dit keer kwam een oom van me langs met vrouw en hondje en 20 meter familiefilms uit de oude doos. Films van vakanties van de familie, beginnend ergens in de jaren ’50 van de vorige eeuw en eindigend zo’n 35 jaar later. Kortom een filmarchief waar je trots op kan zijn. De eerste filmpjes waren wel aardig, in bibberige zwart-wit beelden. Maar zo’n drie uur later haakte ik gapend af. Dit jaar ben ik ook door het oog van de naald gekropen. Mijn ouders zijn uitgenodigd bij familie buiten de stad om daar Oud-en-Nieuw te vieren. Maar deze jongen blijft lekker thuis, wat TV kijken en gewoon naar bed om een uur of 12 ’s avonds. Niks geen kosjere champagne, gerookte zalm, oliebollen van eigen kweek, of Franse kazen. Overigens zag ik vandaag terwijl ik hier in Rechovot wat rondliep, een winkel met ... kerstartikelen! Kijk, is dat blauwe kerstboompje geen beauty?
Verder was er nog een hoop ander lekkers te vinden: kerstverlichting, kerstslingers, serpentines, poppetjes, kerstkaarsjes, kerstballen (luxe ballen voor 23 sjekel!) en rode kerstmutsjes en zelfs een kerstmanjasje! Dat had ik nog niet eerder gezien. “Russen, dat komt allemaal door die Russen”, mompelde iemand. En inderdaad zijn de opschriften van de winkel in het Russisch geschreven. Overigens vond ik op een kleine afstand van deze winkel nog drie andere winkeltjes en kraampjes met kerstspullen. “Heh”, zei mijn vrouw, “is Kerst niet allang afgelopen”. Ze begrijpt er natuurlijk niets van. Die boom en die sfeer, dat gaat natuurlijk naar heidens gebruik door tot het begin van het jaar. Want met Christendom hebben Kerstmis en Oud-en-Nieuw natuurlijk weinig te maken, maar alles met heidendom. Die boom is natuurlijk gewoon een symbool van vruchtbaarheid (zie ook ‘Hengstenbal’ [Koot & Bie] – “een boom opzetten”). En die lichtjes hebben natuurlijk met de zonnewende te maken eind december. De Rabbijnen kenden deze toen heidense feestdagen maar al te goed van hun (Grieks-)Romeinse, heidense buren. In de Misjna lezen we dan ook: Dit zijn de feestdagen van de heiden: Kalenda, Saturnalia, Kratesis ... etc. Kalenda (denk aan ons woord kalender) werd door de Romeinen aan het einde van het jaar gevierd. Zoals Rabbi Hanan bar Raba uitlegt: Kalenda wordt gevierd op de acht dagen na de [winter] equinox, de zonnewende, en Saturnalia op de acht dagen voor de zonnewende. De zonnewende valt meestal rond 21-23 december, dus het was meestal feest vanaf ca. 13 december tot 1 januari. Ruwweg de periode vanaf Sinterklaas tot Oud-en-Nieuw (Awodah Zarah 8a). Enfin, ik zit lekker in de zon. Gut Sjabbes! ☺ Taal vrijdag 18 december 2009 De afgelopen twee weken waren erg hectisch. Naast mijn drukke bezigheden volg ik een zeer intensieve cursus golfen. Deze sport had tot enkele weken geleden in mijn ogen een wat oubollig imago. Typisch iets voor 50-plussers die met bolknak, glas cognac en golfclub in de hand de toestand in de wereld bespreken. U weet wel, van die mensen die Hans Wiegel nog steeds de beste politicus vinden. Maar nu blijkt golfen opeens een super-sexy sport te zijn, waarmee je menig vrouw weet te imponeren – en nu druk ik me nog netjes uit, als ik de verhalen in de media over Tiger Woods mag geloven … Overigens schijnt men onderzocht te hebben wat mensen in 2009 de meest irritante uitdrukking vonden. “Je ding doen” en “doorcommuniceren” schijnen erg hoog geëindigd te zijn. Zelf vind ik “aangeven” in de zin van ‘hij / zij heeft aangegeven dat …’ behoorlijk irritant. Het is niet gewoon gezegd; nee, ‘aangegeven’. Dat ligt natuurlijk veel subtieler dan gewoon zeggen. Altijd handig om bepaalde zaken wat mee af te zwakken – je had het immers alleen ‘aangegeven’. Aan de andere kant, wanneer het verkeerd gaat kan je je altijd verschuilen achter het feit dat je het wel op tijd had ‘aangegeven’. Inmiddels schijnt het woord ‘ontvrienden’ als hét woord van 2009 te zijn gekozen. Het betekent zoiets als het verwijderen van een contact uit je digitale netwerk – dus je verwijdert iemand uit je LinkedIn, Facebook of Hyves. De laatste tijd merk ik overigens steeds vaker dat de onschuldige vraag “alles goed?”, leidt tot gevatte, semi-filosofische antwoorden: ‘Hoi, alles goed?'
‘Nou, alles … Alles is wat veel' Of: ‘Hoi, alles goed?’ Taal heeft een veel ambiguer karakter dan we ons doorgaans bewust zijn. We doen net alsof we alles precies kunnen definiëren, omschrijven, beschrijven en rubriceren. Disciplines als filosofie en theologie bestaan bij de gratie van exacte definities, omschrijvingen en probleemstellingen. De praktijk blijkt veel weerbarstiger te zijn, getuige de vele conflicten die ontstaan door verkeerde communicatie, door sommigen ‘miscommunicatie’ genoemd. Of beter gezegd: woorden hebben verschillende betekenissen in verschillende situaties voor degene die ze gebruiken. Laten we eens kijken naar meneer Cohen. Meneer Cohen wil de datum op zijn vliegticket veranderen. Hij vraagt aan de dame van El-Al of dat erg kostbaar is. ‘Nee hoor, dat valt wel mee’, zegt ze. ‘Maar de exacte kosten zal ik nog even uitzoeken, ik bel u morgen terug’. De volgende ochtend blijkt dat de verandering 100 euro kost. Dat vindt meneer Cohen helemaal niet meevallen. Hij spreekt de dame van EL-Al daarop aan. ‘Ik bedoelde met meevallen, dat een heel nieuw ticket 600 euro kost, omdat het hoogseizoen is’ (bij EL-Al lijkt het overigens het hele jaar door wel hoogseizoen). Een ander herkenbaar voorbeeld is om in een plek die je niet kent, aan een local te vragen of de straat die je zoekt ver weg is van de plaats waar je je nu bevindt. Bijna nooit kan je je vinden in de inschatting van de local. Een kwestie van perspectief dus, omdat de betekenis van woorden afhangt van het referentiekader van degene die ze gebruikt. De Talmoed heeft het ambigue karakter van taal goed door. De discussies die vaak haarkloverig overkomen – volgens sommigen juist het woord van God – draaien nu precies om wat taal precies betekent. Men zoekt naar verschillende betekenissen – de Tora heeft 70 gezichten, oftewel 70 verklaringen – en probeert uiteindelijk tot één betekenis te komen die de gangbare moet worden. Dit doet men vaak door naar de Tenach te verwijzen als maat voor wat een woord betekent. Of naar principes uit de Mondelinge Leer of het gewoonterecht die duidelijk maakt wat de uiteindelijke betekenis in de praktijk nu is, wanneer iemand een bepaald woord gebruikt. Hierbij worden vaak allerlei woorden en verzen associatief met elkaar in verband gebracht, iets wat voor beginnende studenten Talmoed vaak moeilijk te doorgronden is. Voor gevorderden overigens soms ook … Het stelde de geleerde rabbijnen overigens wel in staat om allerlei objectieve rituelen te ontwerpen voor anders vage bijbelteksten. Bijvoorbeeld het leggen van de gebedsriemen dagelijks, en het zwaaien met de loelav (plantenbundel) op Soekot. Ook wisten ze ‘oog om oog – tand om tand’ te neutraliseren in een geldboete. En van de weerspannige zoon die naar bijbels recht gestenigd moest worden – de pubertijd was nog onbekend blijkbaar – zei men: ‘dit is nooit zo letterlijk uitgevoerd, en dat is ook niet de bedoeling’. Jammer alleen dat dit creatieve omgaan met Tora en traditie in onze tijd niet altijd door de rabbijnen in de praktijk wordt gebracht. De afgelopen decennia zien we vooral een duidelijke verzwaring bij het uitleggen van de wet en het toepassen van bepaalde principes uit de Mondelinge Traditie. Men is vooral met de franje bezig en niet met de hoofdzaak, lijkt het. Afgelopen week zorgde de minister van Justitie van Israël – Ne’eman – voor veel ophef door tijdens een symposium voor juristen te pleiten voor het invoeren van de halacha in Israël. Dan zou het er allemaal veel rechtvaardiger aan toe gaan, vond hij. Later haastte hij zich om er aan toe te voegen dat hij het uiteraard niet over het strafrecht had, maar over geldzaken. Alsof het persé juist is om dergelijke zaken in 2009 op te lossen door uitspraken van Middeleeuwse rabbijnen toe te passen. Ik vind dit soort uitspraken gevaarlijk in het huidige religieuze klimaat in Israël dat door obscurantisme, fanatisme en verkeerd messianisme wordt opgewarmd (lees: vervuild). Laat Ne’eman als hij voor rechtvaardigheid pleit zich eens gaan inzetten voor het dichten van de enorme inkomenskloof tussen rijk en arm in Israël, voor de infrastructuur, scholing en onderwijs in arme wijken, en de positie van vrouwen. Er is genoeg te doen om het messiaanse visioen van de profeten gestalte te geven. Dat kan namelijk ook op een niet-apocalyptische manier. Goed Chanoeka. Of zoals een mij zeer dierbaar meisje zei: “het is toch Chanoekerst, Pap?” Halachisch veroorzaakte kinderloosheid vrijdag 4 december 2009 Donderdagochtend moest ik les geven in Utrecht, want sinds vorige week doceer ik op de plaatselijke universiteit een cursus Jodendom. Aangezien het om 10 uur begon, hees ik me om 9 uur de auto in. Zoals u weet ben ik dan nog slapende, maar goed. Al rijdende kreeg ik echter een gevoel van thuiskomen, een AHA-Erlebnis. Ik waande me – hoewel rijdend op de A2 richting Utrecht – in Israël. Slecht asfalt, een snelweg die om de honderd meter sierlijke wendingen aannam, stukken zonder wegbelijning, wisselende kleuren van belijning (geel en oranje), en natuurlijk files. Het opmerkelijke op dit stuk snelweg is, dat net als in Israël, de weg zich steeds een stukje lijkt te verleggen. Als de bedding van een rivier die door de tand des tijds zich steeds iets verplaatst. Het enige wat ik miste om deze Israël-ervaring compleet te maken, waren auto’s op de vluchtstrook met pech, automobilisten die al stilstaand bellend hun tijd daar gezellig doorbrengen, of hun slaap inhalen. Want in Israël is de cultuur van de vluchtstrook, het bermleven, tot in de finesses ontwikkeld. Alleen nog een barbecue en muziek erbij en het wordt nog echt gezellig … Even iets anders. Enkele dagen geleden werd in Israël een symposium gehouden over het probleem van “halachisch veroorzaakte kinderloosheid”. Wat is er aan de hand? Volgens de Tora is een vrouw tijdens haar maandelijkse menstruatie onrein. Deze onreinheid duurt 7 dagen. Hierna is zij weer rein en is het toegestaan om seksueel contact te hebben. Volgens rabbijnse exegese echter pas nadat ze in een ritueel bad, een mikva is geweest – iets dat strikt genomen niet in de tekst staat (zie Wajikra 15:19-24), maar volgens de rabbijnen wel een bijbelse verplichting is. Tot zo ver is er nog niet zoveel aan de hand. In de Talmoed lezen we echter dat vrouwen op een bepaald moment deze reinheidswetten zijn gaan aanscherpen (of waren het mannelijke scherpslijpers die hiervoor het initiatief namen?) en een gewone menstruatie om verwarring te voorkomen zijn gaan behandelen als een ‘zava’. Een zava is volgens de Tora een vrouw die een bloeding krijgt buiten haar normale cyclus, of een menstruatie die na 7 dagen nog niet afgelopen is en dus verder gaat op de 8e dag en later. In zo’n geval is een strengere bijbelse wet van toepassing: de vrouw moet nadat de bloeding opgehouden is 7 reine dagen tellen waarin geen bloeding meer wordt waargenomen (Wajikra 15:25-33). Vindt bloedverlies toch plaats dan kan dat betekenen dat er opnieuw begonnen moet worden met tellen. In de praktijk betekent dit dat orthodoxe vrouwen al eeuwen, in plaats van 7 dagen, 12-14 dagen per maand onrein zijn en afzien van seksueel contact, omdat dit in de halachische bronnen zo is gecodificeerd. Met de voortschrijdende medische kennis is echter duidelijk geworden dat bij veel vrouwen de eisprong nu juist plaatsvindt in deze extra toegevoegde dagen die bijbels gezien niet nodig zijn. Volgens sommige doktoren is het resultaat van deze oude gewoonte dat 25% van onvruchtbaarheid bij orthodoxe vrouwen hieraan te wijten valt. Hoe wordt dit tot nu toe opgelost? Soms wordt dit opgelost door kunstmatige inseminatie met het zaad van de echtgenoot toe te passen tijdens de onreine periode van de vrouw, wanneer de eisprong plaatsvindt. Een andere oplossing is het toedienen van hormonen om het moment van de eisprong van de vrouw in de cyclus te verschuiven, of haar menstruatiecyclus te veranderen. De laatste tijd is hier echter groeiend ongenoegen over waar te nemen bij orthodoxe vrouwen met een feministische inslag. Waarom hormonen en IVF als je eigenlijk een gezond lichaam hebt en alleen door een oude wet van ruim 1500 jaar geleden ongewild kinderloos wordt? Bovendien is het toedienen van hormonen niet zonder gevaar. Nu hebben ook doktoren zich geschaard achter de vrouwen in de persoon van ene dr. Rosenak. Hij wijst op het hoge percentage van 25% van onvruchtbaarheid die aan deze halacha te wijten is, en wijst ook op andere nadelen van de aangescherpte rabbijnse wet: scheidingen door kinderloosheid, relatieproblemen, depressiviteit en het verlies van libido bij vrouwen, en het geheel loslaten van het nakomen van de huwelijkswetten rond de menstruatie. Hij wijst bovendien op de verhoogde kans op kanker en hersenbloedingen als gevolg van het toedienen van hormonen. En hoe zit het met mannen die een beroep hebben waardoor ze vaak ver weg van huis zijn en nooit thuis zijn wanneer hun vrouw rein is? – tenminste als je deze twee weken als onreine periode vasthoudt. En hoe zit het met mensen die vanuit een seculiere levensstijl orthodox worden, maar dit aspect van de huwelijkswetten te zwaar vinden? Al deze vragen en problemen werden enkele dagen geleden dus besproken op dat symposium. Afschaffen die extra dagen en terug naar de oude bijbelse wetgeving, vindt Rosenak dus. De rabbijnse kant van de zaak werd vertegenwoordigd door rabbijn Sharlo, hoofd van de religieus-zionistische jesjiva (Talmoed Hogeschool) in Petach Tikva, en bekend om zijn soms gematigde standpunten. Zo kwam deze rabbijn de laatste jaren vaak in het nieuws doordat hij door andere rabbijnen uit de religieus-zionistische stroming als ketter en liberaal werd gebrandmerkt. Hoewel Sharlo de scherpe kritiek van dr. Rosenak op de rabbijnen niet deelde, is hij zich bewust van het probleem. Een rabbijn heeft volgens hem wel degelijk de autoriteit om deze extra dagen soepel te behandelen. Maar, dat mag nooit als algemene beslissing verwoord worden. Per geval moet dat door een rabbijn bekeken worden – in overleg met doktoren – en de mogelijke dispensatie is altijd strikt persoonlijk. Vandaar dat hij ook tijdens het symposium niet concreet wilde ingaan op de situaties waarin een dispensatie van die extra dagen van onthouding mogelijk zou zijn. “De halacha maakt niemand kinderloos”, is echter zijn standpunt. Vooropgesteld dat die correct wordt toegepast. Maar daar zit hem nu vaak het probleem … Ongetwijfeld zullen deze uitspraken van de rabbijn wel weer tegen hem worden gebruikt. Want de één zijn rebbe, is de ander zijn ketter ... Dawwenen op het juiste moment vrijdag 27 november 2009 Vanochtend – donderdagochtend – kreeg ik een mail van een bevriende rabbijn in Nederland (dat zijn er niet zo veel ☺ …). Daarin werd verwezen naar een segoela die in een oud kabbalistisch boek zou zijn gevonden aangaande deze donderdag. Een segoela is een soort kabbalistisch-magisch middel om iets te bereiken. Enfin, die rabbijn uit Nederland stuurde aan zijn kennissen en vrienden het verzoek rond om rekening te houden met de oude kabbalistische gewoonte om op deze donderdag 26 november te dawwenen (bidden), en wel tussen 14.30 en 14.51 uur. Omdat dit tijdstip een welwillend moment in de Hemel is. Omdat ik hier nog nooit van gehoord had, begon ik te googlen … Al gauw vond ik het zelfde bericht terug op websites in Israël. In het boek Briet Menoecha zou staan geschreven dat: “in het negende jaar van de Jubel-cyclus is een uitverkoren jaar, de negende maand is de beste maand onder de goede maanden, en een maand van Goddelijke welwillendheid, en de negende van die maand is het beste van de hele maand, en het negende uur van die dag is een goed uur en het beste van alle uren op de dag”.
Sommige Middeleeuwse rabbijnen hanteren het oude systeem van het tellen van jaren volgens 50-jarige cycli, waarbij er in elke cyclus van 50 jaar 7 cycli zijn van 7 jaar. Elk 7e jaar is een bijzonder jaar (sjemita) en na 7 cycli van 7 jaar volgt het 50e jaar – het Jubeljaar – dat een heilig jaar is. Een dergelijke manier van tijdsberekening werd ook in de Tweede Tempelperiode toegepast. Men hield exact bij in welke Jubelcyclus men was, en welk jaar binnen die cyclus zelf. Maar ja, ik had ook nooit van het boek Briet Menoecha gehoord, dus verder googlen maar weer … Het boek Briet Menoecha wordt aan rabbi Awraham me-Rimon Ha-Sefardi toegeschreven, ook wel bekend onder de naam Awraham ben Jitschak uit Granada (Spanje, 13e-14e eeuw). Om het ingewikkelder te maken, zijn er meerdere mensen met de naam Awraham ben Jitschak actief in de Middeleeuwen, ongeveer in hetzelfde gebied. Zo is er de al eerder genoemde Awraham ben Jitschak uit Granada, Awraham ben Jitschak uit Narbonne en een Awraham ben Jitschak uit Girondi. Vandaar dat sommigen het boek Briet Menoecha aan Awraham ben Jitschak uit Narbonne toeschrijven, die echter in de 12e eeuw leefde. Het boek Briet Menoecha werd door rabbijn Chaim Vital aangeprezen als een zeer diep kabbalistisch boek. Vandaar dat we deze bovengenoemde kabbalistische remedie ook aantreffen in latere kabbalistische boeken, zoals Chessed Le-Awraham die eveneens vindt dat dit tijdstip een moment is dat zeer geschikt is voor succes. Israëlische rabbijnen berekenden dat het gaat om het tijdstip tussen 13.43 en 13.56 uur op deze donderdag. Hierbij houdt men maar liefst rekening met 5 verschillende visies ten aanzien van het moment waarop de dag begint en eindigt volgens grote rabbijnen uit het verleden. U dacht dat bij alle Joden de dag op hetzelfde moment begon? Mis! Ruwweg bestaan er de volgende meningen: de dag begint bij het ochtendgloren (het eerste licht), of de dag begint op het moment dat de bol van de zon zichtbaar is (later dus). Over de manier van berekenen van het ochtendgloren bestaan, Baruch Hasjem, twee methodes. Dan, het einde van de dag: is dat met zonsondergang, of juist wanneer de sterren zichtbaar zijn? Wat betreft de zichtbaarheid van de sterren zijn er natuurlijk ook op zijn minst 2 meningen. Maar, wanneer dus in Nederland? In een eerste mail ging het om 14.30 – 14.51 uur, maar dit werd later weer betwijfeld door de rabbijn zelf die het mailtje had verzonden – hij zou een fout gemaakt hebben in de berekening. Ondertussen bemoeide een andere rabbijn in Nederland zich er mee en beweerde dat het om het tijdstip 13.43 – 13.56 gaat, dezelfde tijd als in Israël! Vandaar dat de tijd werd bijgesteld: 13.43 – 14.00 uur. Wel vreemd dat het dezelfde tijd zou zijn – of zeer dicht daarbij – als in Israël, terwijl wij in Nederland een stuk noordelijker liggen, zo’n 20 graden NB. Na enig rekenwerk zag ik echter dat het wel aardig klopte, met een afwijking van hier-en-daar wat minuten. Om helemaal zeker te zijn zou je volgens mij van 13.38 tot 14.07 uur moeten bidden. Maar ik bemoei me er maar niet meer tegen aan … Wanneer u dit leest heeft u er natuurlijk niets meer aan, omdat het inmiddels al vrijdag is. Tenzij u net als ik die mails heeft gekregen in uw mailbox. Maar geen nood, over 7 jaar schijnt dit verschijnsel zich weer voor te doen, dus even geduld. Ikzelf ben wel door de magie van tijd binnen de orthodoxe religie gefascineerd. En zo erg is het toch niet om allemaal op hetzelfde tijdstip een moment van bezinning in te plannen? Misschien vind u het allemaal wel narrisjkeit en gaat u over 7 jaar gewoon door met wat u aan het doen bent, op het negende uur, van de negende in de maand, in de negende maand … Kosjer vrijdag 20 november 2009 Ja, het was een spannende tijd. Ik doel hiermee niet op de grote landelijke storing van Vodafone waardoor veel mobiele telefoongebruikers – zoals mijn vrouw, dochter en ikzelf – bijna 24 uur niet konden bellen. Een dag niet bellen! Schande! Ik doel ook niet op de uitgelekte (vermeende) sekstape van Carmen Electra. Nee, ik heb het over iets veel groters: de kosjere vleescrisis van de afgelopen weken. Want, wat was het spannend! We hebben bij ons thuis inmiddels een speciale mailbox geopend waar allerlei mail van de NIHS, vermeende geluidsfragmenten van rabbijnen, beledigende mails over-en-weer, geheime correspondentie, beeldfragmenten et cetera rustig binnenloopt, zonder de rest van het mailverkeer te storen. Gelukkig (of helaas?) is het nu geregeld en is aan dit circus voorlopig een eind gekomen. Want het rommelt al een tijdje op kasjroetgebied. Ruim een jaar geleden speelde ‘de kosjere brood-crisis’, weten we het nog? Eerst bakkerij Theeboom failliet, toen Laromme als enige kosjere bakker, toen werd het certificaat van Laromme weer afgenomen – waarna met ‘doortastend’ optreden van de NIHS, brood op de parkeerplaats van het JCC werd uitgedeeld dat uit Antwerpen was gehaald. Baruch Hasjem. Inmiddels houdt de zorginstelling Sinai zich ook al een tijdje bezig met brood en gebak. Natuurlijk niet met een officieel kasjroetcertificaat, maar wel met een verklaring van kasjroet van de Opperrabbijn van Nederland, minus Amsterdam. Een opmerkelijke wending in deze branche van zorgvoorziening overigens. Dat je naast het behandelen van mensen met psychische problemen ook brood en gebak maakt. En dat terwijl brood al eeuwen voor 90% uit water en meel bestaat – allebei van nature kosjere ingrediënten. Maar nu dus het vlees. Wie tekent er op het certificaat van kasjroet? Dat is de vraag natuurlijk. Ik vind eigenlijk dat ook alle IPOR-rabbijnen voor de zekerheid moeten tekenen op het certificaat en de Opperrabbijn van Nederland (behalve Amsterdam) natuurlijk ook. Het vlees wordt immers ook buiten Amsterdam gegeten, in de Mediene – IPOR-gebied bij uitstek! En eigenlijk moeten ook de Opperrabbijnen van België tekenen. U weet het misschien niet, maar de kosjere kippen voor Nederlandse consumptie worden in België geslacht. En even tussen ons: ik wil zelf eigenlijk ook tekenen op het certificaat. Maar inmiddels is het opgelost dus: drie rabbijnen staan er met hun naam op, maar één rabbijn tekent: rabbijn Wolff. Hieronder – heel bijzonder! – alvast een foto van het nieuwe certificaat waarop duidelijk maar één handtekening te zien is, Baroech Hasjem:
En als primeur hier alvast een fragment uit de tekst die u in het NIW zult lezen, uit de gezamenlijke verklaring van de PIG en de NIHS: Voorts zijn de NIHS en de PIG initiatieven aan het ontplooien die
ertoe moeten leiden dat er voor de consument goedkoper kosjer vlees
beschikbaar zal zijn. Maar wacht eens – goedkoper vlees? Hoe staat het eigenlijk met dierenwelzijn? Goedkoop en dierenwelzijn liggen elkaar niet altijd. Wat ons bij een echte discussie over kasjroet brengt. Enkele maanden geleden was ik op een feest waarop ganzenlever werd geserveerd. Tja, als je je verdiept in de productie van ganzenlever dan kan je niet anders concluderen dan dat het dierenmishandeling is. En tegen-natuurlijk, om maar een orthodoxe theologische term te gebruiken. De beesten worden via dwangvoeding kunstmatig vetgemest, totdat ze letterlijk bijna door hun poten zakken, hoge bloeddruk hebben en een abnormale vervette lever. En die eet je dan vrolijk op – kosjer en wel. Vrome rabbijnen hebben het altijd over het verheffende van kasjroet. “Je bent wat je eet”, of beter: “je wordt wat je eet”. In dit geval dus vet en lijden, als je deze redenatie strikt volgt. Gelukkig zijn er rabbijnen die geen kasjroet willen geven op ganzenlever. Maar helaas vaker uit technische redenen – door de dwangvoeding beschadigt de slokdarm waardoor het dier niet geschikt wordt (tereifa) en niet uit principiële gronden: het is onnatuurlijk en pijnlijk om zo behandeld te worden als gans. Ja, u las het goed – ook kippen krijgen vis te eten! Kwestie van tijd voordat een nieuwe ziekte opduikt door dit bizarre dieet van de kippen: “gekke kippenziekte” of zoiets. Toch hoor ik tot dusver geen rabbijn zeggen dat het ‘tegen-natuurlijk’ is dat een kip vis eet. En dan heb ik het nog helemaal niet over het feit dat het voedsel van die kippen gemaakt wordt van vis die misschien niet altijd kosjer is. Dus je eet een kosjere kip die misschien gedeeltelijk bestaat uit niet-kosjere vis. Begrijpt u er nog iets van? Ik niet Bidden om regen vrijdag 13 november 2009 Vorige keer schreef ik over het belang van de seizoenen in de Joodse traditie in verband met het vaststellen van de verschillende feestdagen, die van oorsprong een duidelijke agrarische achtergrond hadden. Het ging hier vooral om het astronomische begin van de seizoenen, de tekufah. Maar de tekufah heeft in de diaspora nog een andere betekenis, die te maken heeft met het bidden om regen in de dagelijkse gebeden – het Achttiengebed (Sjemone Esreh). Dit gebed met oorspronkelijk 18 zegeningen (en later 19) wordt op doordeweekse dagen drie maal per dag gebeden. De 9e zegening (beracha) gaat in zijn geheel om een voorspoedig agrarisch jaar. Dat was in de oudheid natuurlijk heel belangrijk – ten eerste leefden de meeste mensen van de opbrengsten van de landbouw en veeteelt. Ten tweede was men voor de voedselproductie volledig aangewezen op wat de natuur hen elk jaar toebedeelde. In de bijbelse visie is het wel of niet slagen van een agrarisch jaar in handen van God, en een direct gevolg van het menselijke gedrag. God gehoorzamen leidt tot voorspoed en God’s vermaningen negeren, leidt tot droogte, mislukte oogsten en ander onheil – bijvoorbeeld en sprinkhanenplaag. De tekst voor de bede voor een voorspoedig agrarisch jaar luidt als volgt: Zegen voor ons, Eeuwige onze God,
dit jaar en al haar opbrengt ten goede. En geef zegen op de akker en verzadig ons vanuit Uw goedheid, en zegen ons jaar als de goede jaren. Gezegend bent U Eeuwige, Die de jaren zegent. Dit is de versie zoals die in de lente en zomer gezegd wordt. In de herfst – wanneer we beginnen met het vragen om regen – en de hele winter door wordt er een kleine verandering aangebracht in de tekst van deze 9e beracha (zegen), waarin een bede om regen werd toegevoegd. Juist in de herfst en het begin van de winter is de regen zo belangrijk. In de maanden november en december werden de meeste gewassen namelijk ingezaaid, terwijl bepaalde gewassen laat werden ingezaaid – in januari. Hiervoor was regenval juist in deze periode natuurlijk erg belangrijk. In plaats van ‘En geef zegen op de akker’ zegt men dan: ‘en geef dauw en regen tot zegen op de akker’. Maar wanneer begint men exact met het vragen om regen in het dagelijkse gebed? De Misjna (Ta’anit 10a) geeft hier – niet geheel onverwachts – een meningsverschil over. Volgens één mening vanaf de 3e Chesjwan – 11 dagen na Soekot (Loofhuttenfeest). Volgens de andere mening – en deze wordt als gezaghebbend gezien – vanaf de 7e Chesjwan, 15 dagen na Soekot. Dit jaar dus de 25e oktober. Volgens deze mening moest je eigenlijk eerder beginnen met het bidden om regen, maar dat zou vervelend zijn voor de pelgrims die weer terug naar de diaspora moeten. Die zouden door al die stortregens overvallen worden op hun terugreis naar huis, hetgeen tot overlast leidt. Daarom moet je tot ruim twee weken na Soekot wachten, zodat de Joden uit de verste plaatsen in de diaspora – bij de Eufraat – weer thuis zijn gekomen, na een reis van ca. 14 dagen. Blijkbaar heeft men het volste vertrouwen in bidden – zodra men zal bidden om regen, zal die regen ook daadwerkelijk vallen, met alle gevolgen van dien. In de Talmoed wordt deze Misjna uitgelegd als uitsluitend betrekking hebbend op Israël. Alleen daar begint men ruim 14 dagen na Soekot met om regen te bidden. In de diaspora – lees: vooral Babylonië – geldt een andere regel. Daar ga je pas 60 dagen na het begin van de herfst om regen vragen. Oftewel: 60 dagen na de tekufah van Tisjrie – twee maanden na 21 september – hetgeen betekent rond 20 november. Dat gold aanvankelijk vooral voor Babylonië, maar werd later de gewoonte in het grootste deel van de diaspora op het Noordelijke Halfrond. In het commentaar van Josef Karo – de schrijver van de codex Sjoelchan Aroech – op een eerdere codex van rabbijn Jakov ben Asjer (14e eeuw), heeft hij het dan ook over 22 of 23 november als begin voor het bidden om regen. Tegenwoordig zou dat dus nog steeds gelden, dat je rond 21-23 november, afhankelijk van het astronomische begin van de herfst, met bidden om regen moet beginnen. Toch doet men dat al eeuwen anders. Wie de loeach (religieuze kalender) van het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap van dit jaar openslaat (p. 71), ziet dat het bidden om regen op de avond van 5 december (geen pakjesavond maar regenpakjes-avond dus …) moet gebeuren. Dat is overigens al jaren zo. Hoe kan dat nou, waarom niet op 21 of 22 november? Waarom zo’n twee weken later?
Het antwoord hierop heeft te maken met de bekende kalenderhervorming van Paus Gregorius in 1582. Men ontdekte dat de tot dan gebruikte Juliaanse kalender niet helemaal klopte met het werkelijke zonnejaar. Men liep 10 dagen achter. Besloten werd dat na 4 oktober 1582, de dag erop 15 oktober zou zijn. Om zo het achterlopen op te lossen. Deze kalenderhervorming is overigens nooit tegelijkertijd ingevoerd in Europa en de rest van de wereld. In sommige landen gebeurde dit pas in de 20ste eeuw! Het gevolg was wel dat ergens de rabbijnen besloten dat deze correctie van 10 dagen uit 1582 ook op het begin van het seizoen van toepassing zou zijn. Ondertussen zijn al ruim 400 jaar verstreken sinds 1582 en loopt men dus opnieuw wat achter. Dat hebben de rabbijnen elke keer braaf meegenomen, zodat men nu de correctie dus op ca. 13 dagen heeft gezet ten opzichte van de oude kalender waarmee men nog in de Talmoed rekende. Vandaar 5 december dus. Elke 100 jaar gaat men hiermee verder en verschuift het een extra dag. Dus over een tijd gaat men in de diaspora op de 6e december beginnen met het vragen om regen, 100 jaar later op de 7e december, weer 100 jaar later op de 8e december, et cetera. “Van 5598 tot 5660 [ de jaren 1838-1840] begint men dit gebed den 4 December …”
Toen – 171 jaar geleden – begon men dus op 4 december, en niet 5 december zoals we nu al jaren gewend zijn. Op zich klinkt dit allemaal mooi, maar er is één probleem. Het begin van de seizoenen – de tekufah – heeft te maken met een astronomisch verschijnsel dat gewoon te berekenen is – en staat op zich los van hoe je die dag noemt in de kalender. De oorspronkelijke ingreep in 1582 was er overigens voor bedoeld dat het begin van de lente weer op 21 maart zou vallen en niet op 11 maart, zoals tot dan het geval was omdat men 10 dagen was achter komen te lopen. De huidige tekufah is dus te berekenen en valt meestal op de 21e van de maand – 21 maart, 21 juni, 21 september, 21 december. Het doorschuiven van de kalenderdatum is volgens mij dus echt een dwaling. Ik heb dit verschillende rabbijnen voorgelegd en tot op heden geen bevredigend antwoord gekregen. Heeft u het wel, laat mij dat dan weten: mockleo@gmail.com Het wisselen van de seizoenen vrijdag 6 november 2009 Terwijl ik deze column / dit blog aan het schrijven ben, zie ik aan het weer buiten dat de herfst nu definitief begonnen is. Regen, wind, grijze luchten en kale bomen. Dat mag zo langzamerhand ook wel, de herfst is immers al bijna 1½ maand geleden begonnen! Eigenlijk hebben we tot nu toe prima weer gehad, dus ik moet niet klagen. Het begin van de herfst wordt gemarkeerd door de herfstevening – op deze dag zijn dag en nacht even lang en staat de zon boven de evenaar. Op het noordelijk halfrond valt die herfstevening altijd rond 21 september, zoals we dat vroeger op school hebben geleerd: 21 september begint de herfst. In werkelijkheid zit het allemaal wat lastiger in elkaar en valt die evening meestal tussen de 21e en de 23e september. ‘De vier seizoenen worden door 4 momenten bepaald: de herfst- en lente-evening, waarop dag en nacht even lang zijn, en de beide zonnewendes (solstitium): de winterwende in de winter, waarop de dag het kortst is – meestal 21 december – en de zomerwende, de dag waarop de dag het langst is, meestal 21 juni. De vier seizoenen worden in de Joodse kalender aangeduid met het woord ‘tekufah’. Er zijn dus 4 tekufot: die van de herfst (september / Tisjri), die van de winter (december / Tewet), de lente (maart / Nisan), en de zomer (juni / Tamoez). In de mozaïekvloeren in oude synagoges vinden we naast de sterrenbeelden ook de vier seizoenen afgebeeld. Op onderstaande afbeelding uit de sjoel van Beth Alpha zien we in het midden een soort Helios in de zonnewagen – getrokken door 4 paarden – met daaromheen de 12 sterrenbeelden. In de vier hoeken vinden we de vier seizoenen: in de linker bovenhoek de lente, de rechter bovenhoek de winter, de linker benedenhoek de zomer, en de rechter benedenhoek de herfst. ![]() Vooral het begin van de seizoenen – het moment waarop het seizoen astronomisch gezien – precies begint, speelde in het jodendom vroeger een grote rol. De kennis om het moment van het begin van het nieuwe seizoen te berekenen – de tekufah – werd als specialistische, geheime kennis beschouwd. De seizoenen spelen namelijk een belangrijke rol bij de vaststelling van de Joodse-rabbijnse maankalender, met correctie naar het zonnejaar. Pesach moet namelijk altijd in de lente vallen, de Tora noemt Nisan – de eerste kalendermaand – de maand van ‘aviv’ (abib), het moment waarop de vruchten en het graan beginnen te rijpen. In de praktijk betekent dat dus dat Pesach altijd ná de lente-evening moet vallen. Voor Soekot is het eveneens van belang: “En het feest der inzameling (van de oogst), bij de ommekeer van het jaar” (Sjemot 34:22), schrijft de Tora. Met ‘ommekeer van het jaar’ (tekufat hasjana) wordt volgens de rabbijnen bedoeld, het tijdstip waarop het herfstseizoen begint. De Tora gebruikt voor ‘ommekeer’ immers tekoefa, een woord dat zoals we zagen ook het astronomische begin aanduidt van de vier jaargetijden. In praktijk betekent het dat Soekot in de kalender altijd in de herfst moet vallen, ná de tekoefa van Tewet die rond 21-23 september valt. Met het begin van het seizoen – het tijdstip van de tekufah – waren allerlei angsten verbonden. Zo lezen we in de verkorte uitgave van de Sjoelchan Aroech, de Kitsoer Sjoelchan Aroech 33:8 het volgende: “Het is een gebruik (minhag) om tijdens het wisselen van de seizoenen (tekufah) iets van ijzer op al het voedsel en het drinken te leggen. Maar op gekookt, ingemaakt of gezouten voedsel hoeft dat niet”.
In de vertaling van Z. Goldberg die bij het NIK is uitgekomen klinkt het allemaal wat braver: “Het is een gebruik om tijdens het wisselen van de seizoenen het voedsel en drinken af te dekken. Maar op wat gekookt, ingemaakt of gezouten is, hoeft dat niet”.
Het verhaal van het ijzer wordt weggelaten, misschien om het niet al te bijgelovig te laten lijken. Overigens was niet iedereen het er over eens dat het leggen van ijzer in het voedsel en de vloeistoffen het gevaar weghaalt. Maar over welk gevaar hebben we het eigenlijk? In de Sjoelchan Aroech (JD 116:5) van rabbijn Karo (dus niet de verkorte uitgave van Ganzfried) lezen we het volgende in de glossen van Isserlies: “Het is een wijdverspreid gebruik dat men geen water drinkt tijdens het wisselen van de seizoenen – sommigen zeggen dat dit ook voor andere etenswaren en dranken geldt.
En zo schreven ook de oude leermeesters – en dit [gebruik] mag niet veranderd worden”.
Nu weet je nog niet wat dat gevaar nu inhoudt. Andere rabbijnen geven uitkomst: wie dit wel doet, loopt het gevaar dat zijn ingewanden gevaarlijk opzwellen. De Chacham Zvi (1656-1718) – voormalig rabbijn in Amsterdam – en diens zijn zoon Jakov Embden (1697-1776) moesten niets van dit alles hebben. We hoeven hier helemaal niet bang voor te zijn, schrijft zijn zoon Jakov Embden. Alles wat geen fundament heeft in de Talmoed, hoef je niet voor op te passen. ‘Oude wijvenpraat’ noemde vader dit, schrijft hij. Hoewel de tekufah in de moderne tijd bijna niet meer belangrijk is, geldt er één uitzondering. In de Diaspora moet men 60 dagen na het begin van de herfst met het vragen van regen beginnen in de dagelijkse gebeden. Maar daarover volgende week meer. Vergeet uw paraplu niet ..... Leerhuizen in de mediene vrijdag 30 oktober 2009 Dinsdagavond. Koortsachtig probeer ik in het duister de weg naar Oosterbeek te vinden. Want de wegen zijn in dit gedeelte van Nederland maar matig verlicht. Her-en-der duiken verwijzingen op naar “Operatie Market Garden” van september 1944 (Een brug te ver): een begraafplaats met gevallen Britse soldaten, een herdenkingsplaats en het Airborne Museum ‘Hartenstein’. Via ‘Plein 40-45’ moet ik naar mijn bestemming zien te komen: het Leerhuis Oosterbeek. “De herdenking aan de oorlog is hier nog levend”, zal een oudere man later op de avond zeggen. Want Oosterbeek heeft zwaar geleden onder het oorlogsgeweld van 1944 (zie: link) Maar, blijkbaar een herdenking die vooral met het militaire aspect te maken heeft. Woonden er Joden in Oosterbeek voor de oorlog? Vast wel, hoewel het waarschijnlijk geen grote gemeente zal zijn geweest. ‘Dat ga ik opzoeken op Internet’, beloof ik mezelf. Oosterbeek behoorde voor de oorlog tot de Joodse Gemeente Wageningen, lees ik later. Maar ook toen waren natuurlijk niet alle Joden aangesloten bij de Joodse Gemeente …Er blijken 10 Joden uit Oosterbeek geregistreerd te staan op de lijst van oorlogsslachtoffers. Geheel naar de traditie kom ik te laat, een kleine tien minuten dit keer. “Heeft u de weg makkelijk kunnen vinden”, vraagt de vriendelijke doch zenuwachtige vrouw. Om er vervolgens meteen aan toe te voegen: “we zaten al in spanning te wachten, komt ie nou, of komt ie niet”. Ik mompel wat over dat het “voor een Amsterdammer buiten de stad nu eenmaal buitenland is en de weg moeilijk te vinden is”. Ook wijs ik haar met een knipoog op het belang van geloof. “Túúrlijk komt hij, maar je moet wel geloven”. Het ijs is gebroken. Na de gebruikelijke inleiding door de voorzitter waarin enkele biografische details over mijzelf de revue passeren, kan ik van start. Zo’n 35 toehoorders zitten vol verwachting te luisteren wat deze Randstad-Jood te vertellen heeft over de rol van Jeruzalem tijdens de Eerste Tempel. Jeruzalem blijkt het jaarthema van het leerhuis te zijn, dat al 35 jaar actief is en blijkbaar – aan het aantal bezoekers te zien – nog springlevend is. Er zijn zelfs wat mensen van rond de 45-50 aanwezig – en een enkele jonge dame. Voor de rest heeft het publiek al de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Zoals dat in veel leerhuizen het geval is. Het woord ‘Leerhuis’ is de Nederlandse vertaling van het Joodse Beth ha-Midrasj, de leerschool waar men op informele wijze al minstens 2000 jaar de Joodse traditie bestudeert. Iedereen is zowel leraar als leerling – er is een horizontale verbinding met je medestudenten en een verticale met je leermeester(s) en je eigen leerlingen. Want je kunt volgens deze Joodse visie zowel ván iedereen iets leren als áán iedereen onderwijzen. Van je leermeesters, medestudenten en je leerlingen kun je leren, maar omgekeerd onderwijs jij weer aan je eigen leerlingen of medestudenten. Of leert jouw eigen leermeester weer iets van jou. En leren betekent natuurlijk niet alleen teksten lezen, maar ook vanuit het leven zelf leren. Hoe ga je in allerlei situaties met je medemens om, hoe eet je, hoe praat je, hoe moet je je in het badhuis gedragen, op het toilet, tijdens de seks, et cetera. De rabbijnse geschriften staan vol met dit soort informele lessen die onderweg, tijdens de maaltijd, of in het badhuis gegeven worden. Het moderne leerhuis gaat terug op het ‘Freien Jüdischen Lehrhaus’ van Franz Rosenzweig, Buber en anderen, in het vooroorlogse Frankfurt-am-Main. Dat richtte zich oorspronkelijk op de seculiere Joodse burgers met een goede opleiding, die weinig of geen bindingen hadden met de Joodse traditie, ter versterking van hun Joodse identiteit. Centraal in het leerhuis van Rosenzweig en Buber stond de bestudering van de Tenach, die vanuit het Hebreeuws bestudeerd werd. In Nederland zijn de leerhuizen door verschillende bronnen geïnspireerd. De christelijke theoloog Miskotte richtte al in 1941 een Leerhuis op, waarin aandacht voor het Oude Testament en het luisteren naar wat de Joodse traditie leert centraal stonden – de vragen en antwoorden van Joden over bijbelse thematiek. In de jaren ’60 van de vorige eeuw waren onder invloed van de tijdsgeest waarin de Kerk toenadering tot het jodendom zocht al enkele leerhuizen actief. Door inzet van Christelijke zijde van mensen als Kroon, Ramselaar en Folkertsma en van Joodse zijde van H. van Praag en J. Soetendorp. De grote vlucht van de leerhuisbeweging kwam echter in de jaren ’70 en ’80 van de vorige eeuw, mede onder invloed van rabbijn Yehuda Aschkenasy, die het belangrijk vond om ook niet-Joden bekend te maken met de Joodse bronnen. Leerlingen van Aschkenasy zijn nog actief in leerhuizen door het hele land. De Joodse participatie in Leerhuizen was van begin af minimaal. Maar dat geldt ook voor de interreligieuze dialoog in zijn geheel, zoals die bijvoorbeeld uitgedragen wordt door het OJEC (Overlegorgaan Joden en Christenen). De Nederlands-Joodse gemeenschap is door WOII een kleine, beschadigde groep geworden die begrijpelijkerwijs vooral gericht is op opbouw in eigen kring en minder met de blik naar buiten. Men wil vooral met rust gelaten worden. Daarnaast heerst er toch nog altijd wantrouwen: wat willen die Christenen nu écht van ons? Niet geheel onbegrijpelijk gezien de geschiedenis … Paradoxaal genoeg is de interreligieuze dialoog – waarin de leerhuizen een rol spelen – nu misschien nog wel belangrijker dan 30-40 jaar geleden. De religieuze spanningen zijn immers toegenomen in de wereld. In het multiculturele woud van Nederland is de Joodse gemeenschap maar een piepklein groepje. De schuld van de sjoa en de automatische identificatie met de Staat Israël van christelijke zijde, zijn langzamerhand aan het verdwijnen, naarmate WOII verder weg is en de samenleving ingrijpend verandert qua cultuur en discours. Praten mét is altijd beter dan praten over… Een boek uitlezen vrijdag 23 oktober 2009 Herfstvakantie. En dus zitten we in een huisje ergens op de Veluwe, in de buurt van Apeldoorn. Omdat je niet de hele dag in zo'n bungalowpark wil zitten, gaan we met de auto richting Apeldoorn. Bij een benzinestation tanken we even. Ik vang een gemoedelijk gesprek op tussen de vrouw achter de kassa en een klant. Ja, het gaat gelukkig al weer veel beter met haar man die aan zijn oog is geopereerd. Dan valt opeens het woord ‘Amersfoort’, waarna het gesprek een voor mij opmerkelijke wending neemt: ‘Ben jij wel eens in Amersfoort geweest’, vraagt de vrouw die net getankt heeft aan de caissière. Tja, Amersfoort … Na ruim twee uur in Apeldoorn rondgekeken te hebben, gaan we terug, richting ons huisje. Al gauw rijden we weer in bosrijk gebied, de stad achter ons latend. Wat doe je de hele dag in zo'n huisje? Zonder internet duurt de dag een stuk langer dan normaal. Ik besluit om verder te gaan lezen in een boek over Rabbi Nachman van Breslav, dat ik heb meegenomen van huis. “Heb je dat boek nog niet uit?”, vraagt mijn vrouw verbaasd. “Je bent volgens mij al jaren bezig met dat boek.” Ze heeft gelijk, ik heb het boek al 3 jaar geleden gekocht en lees het in een tergend langzaam tempo. Waarom weet ik niet precies. Telkens lees ik een stukje en stop weer, om vervolgens dan weer verder te gaan in een ander boek. Ik lees vaak meerdere boeken tegelijk. Maar ik had me voorgenomen om deze vakantie dit boek nu echt uit te lezen. En dus zit ik te lezen op de bedbank met wegzakkende kussens. Het boek heet De smalle brug overgaan, een verwijzing naar de bekende uitspraak van Rebbe Nachman: “de hele wereld (of: het hele leven) is één zeer smalle brug – en de hoofdzaak is om helemaal niet bang te zijn.” Het boek probeert aan de hand van een twintigtal uitgewerkte thema’s een overzicht te geven van het gedachtegoed van Rebbe Nachman. Soms is dat gedachtegoed inspirerend, zoals de moeizame worstelingen met het geloof die Rebbe Nachman zeer getrouw beschrijft. Of de kloof tussen geloof en praktijk. Zolang we veilig in het leerhuis, in sjoel of achter onze Talmoed thuis zitten, lijkt alles duidelijk en makkelijk. Maar zodra we het echte, chaotische, stressvolle leven binnenstappen met al haar paradoxen, is alles wat ons zo duidelijk leek, opeens vertroebeld. Door onze hang naar lichamelijke genoegens en geld, slechte karaktereigenschappen, of de lasten van het menselijke bestaan zelf: een levensonderhoud, je relatie met je partner, vrienden en medemensen, ziekte en ellende – aldus rebbe Nachman. Andere passages zijn minder inspirerend – hier gaat het vooral over hoe je een goede Jood bent. Je aan de hele Sjoelchan Aroech houden, je verbinden met de echte tsaddiek (Vrome) van de generatie, en aan je relatie met Rebbe Nachman werken. Door zijn boeken te lezen, naar zijn graf te gaan, in contact te staan met zijn volgelingen, etc. Een beetje een politieke boodschap, naar mijn smaak. Op de tv is een schokkende speelfilm te zien over mensenhandel, helaas geen fictie maar werkelijkheid in sommige landen. Jonge meisjes worden gesmokkeld in containers om vervolgens gedrogeerd naar bordelen te worden gebracht. Best onsmakelijk om daar een speelfilm van te maken, zo verwordt het toch weer tot amusement – brood en spelen. Ook de Tora heeft het overigens over mensenhandel: “Wie een mens rooft om deze te verkopen, en deze nog in zijn bezit wordt aangetroffen, zal zeker ter dood gebracht worden” (Sjemot 21:16). Volgens sommige rabbijnen moet je bovendien het “steel niet” uit de Tien Geboden uitleggen als van toepassing op het roven van mensen en niet van voorwerpen of geld (Rasji op Sjemot 20:12). Ik doe de tv uit en ga verder in het boek van Rebbe Nachman. Want dat boek moet uit … Onze minhag vrijdag 16 oktober 2009 De afgelopen nachten waren mooie, heldere nachten. Woensdagavond laat. Ik sla mijn boek over Rabbi Nachman van Breslav dicht en wil naar bed gaan. Terloops kijk ik uit het raam naar de lucht – een prachtige sterrenhemel. Opeens wil ik naar buiten om die hemel eens goed te bekijken. Ik trek een extra trui en vest aan en sta even later op mijn balkon naar boven te staren. Gefascineerd kijk ik naar de patronen die de sterren vormen, sterrenbeelden en andere rare clusters. Er zijn ’s nachts met het blote oog zo’n 1000 sterren te zien, volgens een oude Joodse Middeleeuwse bron. Ik denk dat dat wel klopt. Ze konden vroeger ook wel kijken. Toch is het raar dat die zichtbare sterren figuren en patronen vormen. Als je 1000 knikkers willekeurig uitstrooit in de woonkamer, zouden er dan ook zulke patronen uitkomen? Ik begrijp opeens de fascinatie die mensen vroeger hadden met astronomie en astrologie, Joden incluis: Wanneer ik uw hemel aanschouw, het werk van uw vingers, de maan en de sterren, die U bevestigd hebt: wat is de mens, dat U hem zou gedenken, de Mensenzoon, dat U naar hem omziet? (Ps. 8:4-5) Ik zie een streep die langs de hemel flitst, een vallende ster, of is het een stuk van de vele kapotte satellieten die rond de aarde tollen? ‘Baruch oseh ma’aseh Bereesjiet’, mompel ik, ‘Geprezen die de scheppingswerken van het begin maakte’ (of is het ‘scheidde’?). Na een kwartiertje naar boven getuurd te hebben, word ik me bewust hoeveel licht er ’s nachts nog te zien is – lichtvervuiling heet dat tegenwoordig – van lantaarnpalen, verlichte huiskamers (blijkbaar ook avondmensen), de neonletters op de gevel van gebouwen en een kantoorgebouw dat enkele honderden meters van mijn huis badend in het licht staat (absurd eigenlijk, en zonde van het geld). De A9 is om half twee ’s nachts opeens ook duidelijk te horen – er rijden nog steeds auto’s om deze tijd. Waarschijnlijk zelfs vrachtwagens zo aan het geluid te horen. Inspirerend, zo af en toe naar de hemel kijken, misschien wel meer dan de vele uren die ik de afgelopen twee weken in sjoel doorbracht (hoewel een synagoge volgens de traditie ramen moet hebben – volgens de Zohar zelfs 12 – zodat je de hemel kan zien tijdens het gebed …). Afgelopen Simchat Tora moest ik in sjoel aan een oude witz denken: In een sjoel breekt een meningsverschil uit over een bepaald gebruik. De ene helft van de gemeente zegt dat de minhag (het lokale gebruik) X is, terwijl de andere helft zegt dat het gebruik juist Y is. Omdat de gemoederen hoog oplopen, besluit men het oudste lid van de gemeenschap te raadplegen, een man van over de honderd die vanwege zijn broze gezondheid niet meer in staat is om naar sjoel te komen. Beide partijen kiezen een afgevaardigde en spoeden zich naar de oude man, om van hem opheldering te krijgen wat nu de juiste minhag van hun gemeente is. Na thuis bij het gerespecteerde oudste lid van de gemeenschap hun beider standpunten te hebben uiteengezet, wachten de afgevaardigden gespannen op het antwoord van de oude, licht dovige man. De man wrijft eerst langzaam over zijn voorhoofd, trekt een beetje aan zijn grijze, spitse baard en zegt dan langzaam met krakende stem: ‘De minhag … in onze gemeenschap is … geloof ik … dat we … daar altijd … ruzie over hadden …’ Want zoals gewoonlijk was er ook dit jaar weer discussie of vrouwen wel of niet met de Tora mogen dansen met Simchat Tora. De minhag in die sjoel is namelijk dat er een kleine Tora-rol naar de vrouwenkant wordt gebracht en dat enkele vrouwen daar mee dansen. Vervolgens ontstaat er dan elk jaar discussie over – soms lopen mensen boos weg uit sjoel, de gang op. Zo ook dit jaar, Baruch Hasjem. Dit keer kwam het verzet opmerkelijk genoeg van enkele vrouwen zelf. ‘Vrouwen horen niet met de Tora te dansen’, zou er gezegd zijn. Waarom eigenlijk niet? Als een Tora-rol dezelfde status heeft als de Heilige Ark uit de Tempel, waarin volgens de traditie de Stenen Tafelen en een Tora-rol lagen, dan mag niemand een Tora-rol aanraken. Immers, volgens Bemidbar 4 mogen alleen de zonen van Kehat de Ark dragen, maar ook zij mogen de Ark zelf niet aanraken, maar alleen de draagstokken (Bemidbar 4:15). Toen Uzza de Ark aanraakte omdat die dreigde te vallen, greep God in en doodde Uzza ter plekke (II Samuël 6:7). Dat wordt nog een hele klus om authentieke ‘zonen van Kehat’ in Nederland te vinden … De Tora-rol is dus geen Heilige Ark uit bijbelse tijden. Waarom zouden vrouwen geen Tora-rol mogen aanraken dan? Omdat ze onrein zijn? Iedereen is tegenwoordig onrein, door aanraking van een overledene, aanwezig te zijn in één ruimte of huis waarin een overledene ligt, of door boven / bij een graf te staan. Volgens Tora en Misjna is de onreinheid van een dode vele malen sterker dan die van een onreine vrouw (vanwege menstruatie). Ook mannen worden overigens onrein door het aanraken van een vrouw die onrein is, of het hebben van seksuele gemeenschap met een vrouw die nog niet het mikva in is geweest. We hebben dan ook nooit gehoord dat een Tora-rol onrein is geworden en dat die daarom niet meer gebruikt mag worden. Een Tora-rol is helemaal niet onrein te maken. Of zoals Maimonides schrijft: “de woorden van de Tora kunnen niet onrein worden, zij staan in hun onreinheid voor Eeuwig”. Daarom mogen onreine mannen ook uit de Tora lezen, ondanks hun onreinheid (H. Keriat Sjema 4:8). Enkele jaren geleden hadden we een oom van mijn vrouw te logeren op sjabbat. Deze Jemenitische rabbijn uit Bne Berak is slachter en had behalve het slachthuis in Aalten en Schiphol, nog nooit eerder iets van Nederland gezien. Op sjabbat gingen we naar sjoel en hij was aangenaam verrast – het viel wel mee met de goddeloosheid in Nederland. Er werd volgens de orthodoxe ritus gebeden, tijdens de dienst gebruikte men geen geluidsinstallaties zoals bij Liberale en Conservative gemeentes nog wel eens gebruikt worden, en de mechietse was ook kosjer. Alles ging goed, tot het einde van de dienst, toen de mechietse weggeschoven werd en mannen en vrouwen elkaar ‘goed sjabbes’- kusten. ‘Godbewaar, wat is dít nu weer’, mompelde hij geschokt in het Jemenitisch … Een soeka in de Diaspora vrijdag 9 oktober 2009 “En op Soekot wordt men (de wereld) berecht ten aanzien van het water”, lezen we al in de Misjna. Dat is de reden dat we meteen na Soekot, op Sjemini Atzeret, het regengebed uitspreken voor een overvloedige regenval in de herfst en winter. Opnieuw een oordeel, terwijl we net de Hoge Feestdagen achter de rug hebben … En dat terwijl mijn soeka nog drijfnat is van de regen van de afgelopen dagen, de versieringen geven inmiddels hun rode kleur af. Misschien moeten we in Nederland wel bidden voor minder regen? De idee dat er een oordeel is, zou ons moeten aanzetten tot een beter, ethisch leven. Maar, je kan natuurlijk overdrijven. Ook het jodendom kent een hel-en-verdoemenis traditie, uitgedragen in sommige ethische werkjes. Niemand minder dan Nachmanides schreef een werkje Sja’ar Hagemoel – “Poort van de vergelding / beloning” – waarin hij uiteenzet hoe het oordeel, de hel, de hemel, en de Opstanding er precies uitzien. Ik moet eerlijk zeggen dat ik het nooit echt heb gelezen maar er wel eens in gebladerd heb. Ik heb het gewoon thuis in de kast staan, met een moderne Hebreeuwse vertaling en uitleg. Zo heeft de Hel drie ingangen, lees ik: één in de woestijn, één op zee en één in Jeruzalem. De ingang van Jeruzalem bevindt zich volgens mij vlak bij het winkelcentrum Malcha, naast het voetbalstadion … Ik zal een jaar of 18 zijn geweest toen ik met het begrip “de Hemelse video-recorder” in aanraking kwam. Ik leerde toen in een jesjiwa in de Oude Stad. Onze leraar zou ons precies uitleggen hoe het oordeel er na de dood uit zou zien. Inmiddels is men ook in de Hemel gemoderniseerd, sinds de tijd van Nachmanides en zijn “Poort van de vergelding / beloning”. Nee, je moet het je zo voorstellen – aldus de enigszins glunderende rabbijn – dat alles – ik herhaal A-L-L-E-S – wat je doet, daarboven als op een videorecorder wordt opgenomen. Na je dood wordt de film van je leven afgespeeld en zal je precies al je zonden zien die je hebt gedaan. En op grond daarvan wordt het oordeel uitgesproken. Geen detail wordt overgeslagen. Ik vroeg me natuurlijk af hoe dat met seksuele zondes zat. Wordt daar ook een gedetailleerde film van gemaakt? Maar ik hield wijselijk mijn mond en stelde de vraag niet. Ik vind dit totalitaire theologie, die de Hemel tot een soort voormalige USSR of Stasi maakt en de mens onderdrukt. God vergeet niet, zeggen we in de liturgie, maar de mens moet wel vergeten. Rabbi Nachman van Breslav zegt dat zonder vergetelheid er geen religieus leven mogelijk was. Je zou je immers altijd je zondes herinneren en daarom geen nieuw begin kunnen maken. God is inderdaad alwetend en vergeet niets, maar tegelijkertijd ‘beperkt’ Hij zich tot het menselijke vermogen. Zodat wanneer de mens tot inkeer komt, zondes verdwijnen, er op de ‘delete’- knop wordt gedrukt … Vanuit mijn werkkamer kijk ik uit op onze soeka – een stalen constructie, met zeil en een rieten- / houten dak erop. Onze soeka is in Israël gemaakt en gekocht via internet. Enkele weken na de aankoop werd hij keurig per koerier bij ons thuis afgeleverd (mag ook wel voor die prijs …) Het heeft iets grappigs – soeka’s voor de Diaspora, die in Israël worden gemaakt. Terwijl Soekot een feest is dat bij uitstek met het Land Israël te maken heeft. Welke oogst moet ik in hemelsnaam hier in Amstelveen binnenhalen met Soekot? Hoe kun je in Nederland gehoor geven aan de plicht “in je soeka te leven, zoals je in je huis leeft”. Ik loop in huis niet de hele dag rond met mijn jas aan … Uit naam van een bekende rabbijn wordt gezegd dat er een overeenkomst is tussen de plicht om in de soeka te zitten en in Israël wonen. Beide geboden vervul je met je lichaam en bij beide geboden worden de fysieke kanten van ons bestaan tot een spiritueel niveau opgetild. Vandaar dat eten, drinken en slapen in de soeka opeens een mitswa worden, een spirituele daad. Zo ook in Israël worden zaaien, maaien en oogsten spirituele daden – zoals we dagelijks in het Sjema zeggen: “je zult je graan binnenhalen, je most en je olie” (Dewariem 11:14). Ooit hoorde / las ik ergens dat wanneer je in de soeka zit in de Diaspora je ‘iets’ van de heiligheid van Israël proeft, door het zitten in die geheiligde ruimte. Rabbi Nachman – die op Soekot overleed – maakte ook werkelijk de tocht naar Israël. In het jaar 1798 besloot hij opeens dat hij naar Israël wilde reizen. Na een lange boottocht kwam hij uiteindelijk in Israël aan, waar hij Soekot doorbracht. Hij bezocht de voor de Joodse traditie heilige plaatsen Tiberias, Tsfat, en Meron. Op zijn tocht door Israël werd hij gehinderd door de veroveringstochten van Napoleon, waardoor hij in Akko terecht kwam. Hij besloot terug te gaan en kwam naar allerlei avonturen weer terug in Oost-Europa. Toen hij thuis kwam, verzocht hij zijn leerlingen om al zijn leringen die hij uit had gesproken vóór zijn tocht naar Israël, niet meer te herhalen en aan de vergetelheid prijs te geven. Na zijn bezoek aan Israël was hij iemand anders geworden. Sindsdien zei hij: “Mijn plaats is enkel het Land Israël (Eretz Jisra’el). Op al mijn reizen ben ik steeds op weg naar het Land Israël. Maar voor het moment ben ik een herder in Breslav”. Toch lijkt ‘het land Israël’ in deze uitspraak meer een metafoor dan een echte fysieke realiteit. Immers: overal waar hij gaat, bevindt hij zich als het ware in Israël … Maar er is ook een ander verhaal over Rabbi Nachman. Op een dag hield Rabbi Nachman een uitgebreide les over het spirituele belang voor de ziel van Eretz Jisra’el, het Land Israël. Zijn bekende leerling rabbi Nathan vroeg hem na de les wat hij precies bedoelde met ‘het Land Israël’. Waarop Rabbi Nachman geïrriteerd schijnt te hebben geantwoord: “Ik bedoel het Land Israël in zijn eenvoudige betekenis – met die huizen en de hofjes, zoals ze in Tsfat, Tiberias en andere plaatsen van het Land Israël staan” (Jemee Moharanat, V. II). Tja, niet alles is altijd een metafoor… Soekotmelancholie vrijdag 2 oktober 2009 Nadat ik vorige week een lans had gebroken voor het sjofarblazen op sjabbat, kreeg ik een dag later steun uit onverwachte hoek. In een van de Israëlische kranten las ik dat er inderdaad ergens op de sjofar was geblazen op sjabbat, en wel in de Oude Stad van Jeruzalem in de Beth Habechira-jesjiwa – een voor mij tot dusver onbekend leerhuis. Initiatiefnemers: een illuster gezelschap met de naam “het Nieuwe Sanhedrien”. Zo’n 7 jaar geleden werd dit nieuwe instituut opgericht. Sommige van de oprichters zien zichzelf nu al als een echt Sanhedrien met bijbehorende jurisdictie. Uiteraard gaan de oprichters er van uit dat de komst van de Masjiach zeer nabij is. Ogenschijnlijk een raar clubje, maar toch bevat de lijst van mensen die lid zijn van dit “Nieuwe Sanhedrien” enkele prominente namen: Rabbijn Adin Steinsalz, rabbijn Ariël – hoofd van het Tempelinstituut in de Oude Stad - en professor Hillel Weiss. De waarheid gebiedt me te zeggen dat Ariël en Weiss tot het uiterst rechtse spectrum behoren van de Israëlische politiek en al meerdere malen verhoord zijn door de politie op verdenking van ophitsing en dergelijke. Talmoedgeleerde Steinsalz was aanvankelijk een actief lid, maar in de loop van de jaren is hij steeds meer op afstand gekomen van het instituut – in feite is hij niet meer betrokken bij het “Nieuwe Sanhedrien”. Hij bleek niet helemaal op de lijn te zitten van de anderen, en was gematigder in de pretenties van het nieuwe instituut. Volgens hem was het slechts een fase in de voorbereiding tot de terugkeer van het Sanhedrien in messiaanse tijden. Enfin, de eerste dag Rosj Hasjana werd er dus in aanwezigheid van 23 aanwezigen – waaronder 3 leden van het “Nieuwe Sanhedrien” – op de sjofar geblazen. In een schrijven liet het “Nieuwe Sanhedrien” weten zich op de oude verordening van rabbijn Jochanan ben Zakai te baseren die ik in mijn vorige column besprak. Na de gebedsdienst hield het rechtscollege pro forma een zitting van een kwartier, waar de aanwezigen de mogelijkheid werd geboden om halachische vragen te stellen. Dit om gehoor te geven aan de Talmoed die stelt dat er geblazen mag worden “zolang het gerechtshof zitting heeft”. Ook op nog twee andere plaatsen in Jeruzalem – die blijkbaar anoniem willen blijven – werd nog op de sjofar geblazen, aldus rabbijn Ariël, hoofd van het Tempelinstituut en prominent lid van het “Nieuwe Sanhedrien”. Voor de volgende keer dat de eerste dag Rosj Hasjana op sjabbat valt – in 2020 – moeten we ons goed voorbereiden volgens het “Nieuwe Sanhedrien”. Men verwacht en wil dat dan het Opperrabinnaat van Israël officieel het standpunt zal uitdragen, dat overal op de sjofar geblazen zal worden waar een rabbinaal gerechtshof gevestigd is. Het Opperrabinnaat van Israël moet haar besluit van te voren kenbaar maken aan alle rabbinale gerechtshoven, zodat die zich kunnen voorbereiden op het sjofarblazen op de sjabbat. Om de sjofars al van te voren klaar te leggen in de synagoges en sjofarblazers aan te stellen als gezanten van de rabbinale gerechtshoven. Er zal een duidelijke waarschuwing gegeven worden dat de sjofar niet gedragen mag worden naar de synagoge of naar elke andere plaats. Elke Jood heeft vervolgens de plicht om naar de plaats te gaan die door het rabbinale hof bestemd zal worden om daar de sjofar te horen. En zo de bijbelse verplichting van de sjofar ook op sjabbat te vervullen, aldus het krantenbericht. Een mesjogge en fanatiek groepje – ze worden door vrijwel geen andere institutionele rabbijnen gesteund, hoewel hun acceptatie iets gegroeid is door de jaren heen – maar ze maken de rabbijnse autoriteit wel tot een transparant geheel. Over naar Soekot. Uitgaande Jom Kipoer werd ik opeens door een golf van nostalgie overvallen. Ik moest terugdenken over hoe ik jarenlang de Joodse feesten vierde in Israël. Het is allemaal veel meer in de publieke ruimte zichtbaar, hetgeen ook in bijvoorbeeld New York het geval is, hoewel toch anders. Een voorbeeldje. Uitgaande Jom Kipoer blazen we één toon op de sjofar. We markeren hiermee de afsluiting van de gewijde dag en de overgang naar de normale gang van zaken – van geheiligde tijd naar gewone tijd. In sommige teksten symboliseert de ene sjofartoon het vertrekken van de Sjechina, het Heilige. Zoals ook bij de Sinai Mosjé op de sjofar moest blazen tijdens de Openbaring. En nadat de sjofartoon wegstierf, mocht het gewone volk de berg op (Sjemot 19:13) zonder het gevaar te lopen om te sterven. Mijn vrouw vertelt dat ze bij haar thuis vroeger altijd zat te wachten op die ene toon – zij, haar moeder, en zussen. Jemenitische vrouwen gingen vroeger traditioneel namelijk bijna niet naar sjoel. Wanneer ze die ene toon hoorden uit één van de vele nabijgelegen sjoeltjes – vaak niet meer dan een huissjoel, zoals veel Jemenitische sjoelen ooit waren – wisten ze dat het volbracht was, het is voorbij en ging men weer over tot de gewone gang van zaken. Snel de tanden poetsen, de tafel dekken en het eten opwarmen, zodat wanneer de mannen uit sjoel komen, iedereen meteen aan tafel kan. Prachtig toch, dat je uit je huis de sjofar kan horen uit het nabijgelegen sjoeltje, op een afstand van soms maar 10-20 meter! Uit onze Nederlandse sjoelen kan geen enkele toon ontsnappen. Al sta je buiten aan de deur, je hoort niets! Niet bij de bunker aan de Straat van Messina in Amstelveen, noch aan het dubbelglaspaleis van het JCC – de laatste creatie van Rietveld, dat wel. Het is een symbool van hoe we hier in een diaspora als Nederland ons jodendom beleven als vooral iets dat zich in de synagoge afspeelt, zonder dat iemand daar buiten er iets van merkt.
Terwijl we zaten aan te bijten, merkte ik dat ik nog iets miste: het geklop en getimmer dat je in Israël overal om je heen hoort uitgaande Jom Kipoer. Volgens de traditie moet je namelijk na het aanbijten meteen aan de bouw van de soeka beginnen, om zo van het spirituele niveau van Jom Kipoer je al voor te bereiden op een nieuw spirituele ervaring: Soekot. Gut Jom Tof! Jom Kippoer vrijdag 25 september 2009 Zo, de kop is eraf. Rosj Hasjana ligt alweer achter ons en we maken ons nu op voor Jom Kippoer. Toch was het raar om de 1e dag Rosj Hasjana geen sjofar te blazen. De reden die gegeven wordt, is het draagverbod. Omdat men bang was dat mensen de sjofar naar sjoel dragen, verbood men het blazen op de sjofar op sjabbat. Ook als er een sjofar al in sjoel ligt, ook als er een eroev is – toch blijft sjofar blazen verboden. Het lijkt een haast karakteristiek element van het orthodoxe jodendom – geen millimeter mag veranderen, geen detail mag anders. Terwijl er toch wel wat in het jodendom veranderd is de afgelopen 3000 jaar. Ik vraag me werkelijk af of de bijbelse Mosjé zou begrijpen wat orthodoxe Joden allemaal doen, wanneer hij met een tijdmachine naar een sjoel in Amsterdam geflitst zou worden. Waarschijnlijk zou men hem sowieso niet laten meetellen voor het minjan omdat hij er niet vroom genoeg uitziet, in zijn lange jurk en woestijnslippers. Overigens is het uit de Tora helemaal niet duidelijk dat je op Rosj Hasjana op de sjofar moet blazen! Er staat allen maar dat die dag een ‘jom teroe’a’ zal zijn, een dag van geschal, gejubel. We vinden immers wel expliciet in de Tora dat er op feestdagen en op nieuwemaansdagen op trompetten werd geblazen (zie Bemidbar 10:10). Het woord teroe’a verbindt de traditie met de sjofar, maar zo vanzelfsprekend is dat allemaal niet. In psalm 150 vinden we het woord teroe’a samen met cimbalen en bekkens – blijkbaar vallen ook andere muziekgeluiden dan die van de sjofar onder de noemer teroe’a! Maar, psalm 98:6 biedt uitkomst: “Met trompetten en het geluid van de sjofar moeten jullie juichen (hari’oe) voor de Koning, de Eeuwige”. In de Tempel blaas je op trompetten én de sjofar, buiten de Tempel alleen op een sjofar, volgens de rabbijnen. Enfin, als we al op de sjofar blazen, dan moeten we dat ook op sjabbat doen, vind ik. Rabbi Jochanan ben Zakai vond dat ook. Hij stelde na de verwoesting van de Tempel in, dat er in het nieuwe religieuze centrum van Yavne op de sjofar werd geblazen, ook wanneer Rosj Hasjana op sjabbat viel! Hij zag het nieuwe Yavne als de spirituele voortzetting van het Sanhedrien in Jeruzalem. En in de Tempel werd op sjabbat op de sjofar geblazen, omdat het Sanhedrien – dat ook op de Tempelberg gezeten was – er zeker voor zou zorgen dat er een sjofar in de Tempel lag en men het draagverbod niet overtrad. Sterker nog, in heel Jeruzalem blies men op de sjofar wanneer Rosj Hasjana op sjabbat viel! Ja, zelfs in de nabijgelegen dorpjes gebeurde dat volgens de Misjna. Volgens een andere mening gold de maatregel van Rabbi Jochanan ben Zakai niet alleen voor Yavne, maar voor elk rabbinaal gerechtshof in de Joodse wereld. Wanneer een Joodse gemeente een rabbinaal hof had, dan blies men in dat hof op sjabbat! Blijkbaar is elk rabbinaal hof in deze visie een voortzetting van het Sanhedrien in Jeruzalem. Misschien een beetje overdreven, maar het leidde er wel toe dat men ook geloofde de kracht te hebben om dingen te kunnen veranderen. Rabbi Jitschak Alfasi (11e eeuw) – een van de grootste Talmoedgeleerden uit de Middeleeuwen – blies vrolijk op de sjofar in zijn gerechtshof op sjabbat. Sjo-far, so good … Terug naar Jom Kippoer. Jom Kippoer staat in het teken van verzoening en vergiffenis, als Goddelijke gift na het doorlopen van het proces van inkeer en introspectie. De zondebelijdenis (widoej) is een belangrijk onderdeel van het verzoeningsproces – wie immers kan zeggen dat hij een fout heeft gemaakt, heeft zich daarmee al losgemaakt van deze misstap en kan de weg van het herstel ingaan. Toch is het opvallend dat de hele tekst van de zondebelijdenis – zowel de korte (het Asjamnoe) als de lange (het Al Chet) – geheel in meervoud is gesteld. ‘Asjamnoe – wij hebben gezondigd …’, ‘Al chet sjechatanoe lefanecha – over de zonde die wij tegenover u begaan hebben …’ Waarom is dat? Ik denk dat hier een duidelijk communaal denken achter zit. De overtreding van een individu is de gehele gemeenschap aan te rekenen en is in een bepaald opzicht ook een zonde van de gehele gemeenschap. Waarom is de gemeenschap er niet in geslaagd om de normen en waarden goed over te brengen op dit individu? In Tempelse tijden was verzoening een communaal gebeuren. De Hogepriester moest verzoening bewerkstelligen voor het hele volk. Dit deed hij door een zondebelijdenis uit te spreken over de zondebok: “en hij legt zijn beide handen op de kop van de (nog) levende bok en zal daarop alle zonden van Israël, hun misdaden, en wandaden beleiden” (Sjemot 16:21). De Hogepriester legt de zonden op de zondebok die daarna weggevoerd wordt en losgelaten in de woestijn (Sjemot 16:22). Volgens de rabbijnen werd de bok van een hoge rots in de woestijn afgeduwd. Volgens een traditie werd er een stuk rode wol op zijn horens gebonden en ook aan de deur van de ingang van de Tempel. Wanneer de zondebok de diepte in was gestort, verkleurde de wol aan de deur van de Tempel van rood naar wit. Zo kon iedereen zien dat God zijn volk vergiffenis had geschonken. Ik ben geen pleitbezorger van zondebokken en communale schuldgevoelens, maar dat wil niet zeggen dat we niet onze verantwoordelijkheid moeten nemen voor wat er in breder perspectief in de wereld gebeurt. De manier waarop we onze samenleving inrichten, de manier waarop we met de natuur omgaan, onze manier van handel drijven – dit alles beïnvloedt mensen elders in de wereld. Uiteraard zijn het vaak de zwakkeren die de rekening betalen. Een zojuist uitgekomen rapport beschrijft de gevolgen van de huidige crisis in ontwikkelingslanden. Vooral vrouwen en meisjes zijn het slachtoffer. Scholing voor meisjes moet wijken voor kinderarbeid als oplossing van de economische problemen. Veel vrouwen en meisjes komen in de prostitutie terecht. Volgens de sombere berekeningen zal de crisis aan ca. 700.000 extra pasgeborenen in Afrika het leven kosten. Kunnen wij hier echt helemaal niets aan doen? Volgens een minder bekende verklaring betekent ‘chet’ geen zonde, maar gebrek. Het ontbreekt ons aan iets. We hebben een kans gemist om ons gedrag en karakter verder te verfijnen. ‘Al chet sjechatanoe lefanecha – over de zonde die wij tegenover u begaan hebben doordat we de kans gemist hebben er een betere wereld van te maken … Leeuwen en beren vrijdag 18 september 2009 De jamiem nora’iem staan weer voor de deur – ontzagwekkende dagen, vreeswekkende dagen, of vreselijke dagen? De liturgie helpt hier een handje mee, gelukkig. Eén van de meer ‘vrolijke’ gebeden is in Moesaf van Rosj Hasjana te vinden: ‘Wie zal leven, wie zal sterven?
Wiens leven zal tot zijn (van te voren vastgestelde) einde komen, en wiens leven zal voortijdig eindigen? Wie zal door het water (sterven), en wie door het vuur? Wie door het zwaard, en wie door honger (andere versies: wilde dieren)? Wie door een aardbeving, en wie door een epidemie? Wie zal stikken, en wie door steniging? Wie zal rust kennen, en wie zal ronddolen? Wie zal rust kennen, en wie opgejaagd worden? Wie zal gemoedsrust hebben, en wie zal gekweld worden? Wie zal arm worden, en wie rijk? Wie zal vernederd worden en wie verheven?’ Deze passage volgt op het mooie liturgische gedicht (pijoet) ‘oenetane tokef’. Als kind werd mij verteld hoe dit gedicht gecomponeerd werd door rabbi Amnon uit Maintz. Deze rabbijn weigerde volgens de legende om over te gaan tot het christendom tijdens de Kruistochten. Daarom werd hij door de Christenen gruwelijk gemarteld – zijn armen en benen werden afgehakt. In zijn laatste uren lag hij in de sjoel naast de Aron Hakodesj (Heilige Ark) en componeerde dit gedicht. Bij uitspreken van de laatste woorden stierf de rabbijn. Volgens modern onderzoek overigens komt dit gedicht helemaal niet uit het Middeleeuwse Duitsland, maar uit het Israël van de 7e eeuw na de jaartelling. In de sjoel waar ik als jongen kwam, had de rabbijn de gewoonte om zijn preken op de Hoge Feestdagen vaak te verbinden met de verschrikkingen uit WOII of de Sovjet-kampen. Daar werd ik ook niet vrolijk van. Maar misschien is dat ook niet de bedoeling? Later als jesjiwa-jongen waren de Hoge Feestdagen ook loodzwaar. In een jesjiwa waar ik eens leerde had het hoofd – de rosj jesjiwa – de gewoonte om voor Moesaf een ‘huil-drosje’ te houden. Gehuld in zijn talliet die zijn hele gezicht bedekte, behalve zijn mond, hield hij een toespraak onder veel gehuil en gesnotter, waar ik geen woord van snapte en ook nauwelijks iets van verstond. Gedurende de hele maand Elloel was ons natuurlijk al ingeprent hoe serieus we deze dagen moeten nemen. Aan een bekende moesar-rabbijn uit Oost-Europa worden de volgende gevleugelde woorden toegeschreven: “Wanneer je denkt dat Elloel (zo angstaanjagend als) een beer is of een leeuw, dan vergis je je. Elloel is nog veel angstaanjagender dan een beer of een leeuw! Een bewijs hiervoor vinden we in Tenach, waarin Koning David zegt: ‘Leeuwen en beren heeft uw dienaar verslagen’ (I Sam. 17:36), maar aan de andere kant zegt ‘Uw oordelen / vonnissen vreesde ik …’ (Ps. 119:120). Leeuwen en beren versloeg hij dus zonder vrees, maar voor het oordeel van God was David wel bang. Hier leer je dus uit dat Elloel sterker is dan een leeuw of een beer!”. Tja, het zou natuurlijk wel een bak zijn als er opeens op Rosj Hasjana, tijdens de herhaling van Moesaf, een leeuw of beer de synagoge in zou lopen. De rabbijn zou de inmiddels uitgebroken paniek bezweren door een paar keer hard op de biema te slaan en te roepen: “Mensen, het is maar een leeuw! Het oordeel van God op deze dag is veel angstaanjagender. Laten we dus vooral gewoon doorgaan met dawwenen.” Overigens, ook op doordeweekse dagen hoef je niet zo bang te zijn voor gevaarlijke dieren tijdens het gebed. We lezen immers het volgende in de Sjoelchan Aroech (OH 104:3): “En zelfs als er een slang zich om je hiel heeft gewikkeld, moet je niet stoppen (met bidden), maar voor een schorpioen moet je wel het gebed onderbreken, omdat die meer geneigd zijn om te bijten. En ook bij een slang, als je ziet dat de slang boos is en bereid is om te bijten, moet je stoppen”. Tja, wat doe je dan als er een slang om je been zit? De Remah (R. Isserlies) biedt een oplossing: “Maar je mag wel rondlopen zodat de slang van je been valt”. Tijdens het gebed is het dus handig om een soort woudlopers-handboek bij je te hebben, waarin allerlei gevaarlijke diersoorten duidelijk in zijn afgebeeld, zodat je precies weet hoe te handelen. Laten we allemaal hopen dat het dit jaar zo ver niet zal komen. En dat het ergste dat u overkomt, het uitscheuren van de naad van uw broek is, wanneer u zich ter aarde werpt tijdens het gebed op de Hoge Feestdagen (voor vrouwen: een ladder in uw kous). Want ook dergelijke kleine ongemakken zijn als een straf van God te beschouwen. De Talmoed zegt immers dat God’s straffen ook alledaagse frustraties kunnen zijn. Als voorbeeld geeft men het binnenste-buiten aandoen van een kledingstuk, of: je steekt je hand in je zak om er drie muntjes uit te halen, maar je haalt er per ongeluk maar twee uit (Arechien 16b). Een goed, gezegend jaar! Woordeloze haast vrijdag 11 september 2009 Met het aanbreken van Elloel was er een lichte verandering merkbaar in de atmosfeer van de jesjiwa waar ik leerde. Per slot van rekening was dit het begin van de 40 dagen van inkeer – van 1 Elloel tot Jom Kippoer – die traditioneel verbonden worden met de 40 dagen die Mosjé doorbracht op de berg Sinaï, in de hoop vergiffenis voor het Joodse volk te regelen na de zonde van het Gouden Kalf. Men was wat serieuzer dan normaal, maakte wat minder grapjes en er werd wat meer geleerd dan normaal. Ook werd de dagelijkse verplichte portie aan moraliserende literatuur – moesar – met zo’n kwartier opgevoerd, tot een maximum van circa drie kwartier of een uur per dag. Omdat het een klassieke Lithuaanse jesjiwa was, werd er natuurlijk niet te veel moesar geleerd. Talmoedstudie is en blijft natuurlijk de hoofdzaak in de strijd tegen de Kwade Neiging. We leerden klassieke middeleeuwse moesar, zoals De Plichten van het Hart (Bachja Ibn Pekuda), De Poorten van Inkeer (R. Jonah uit Girondi), De Wegen der Rechtvaardigen (anoniem). Maar ook ethische literatuur uit latere periodes – soms met een mystieke inslag – werden door sommigen bestudeerd, zoals De Dadelpalm van Deborah (Kordovero) of de Lichtende Menora (Aboab) en natuurlijk de topper Het Pad der Oprechten van Luzatto. Een boek dat ikzelf maar matig kon waarderen, ondanks de grote populariteit hiervan in de jesjiwa-wereld. Ik vond het vrij saai en weinig intrigerend. En tot slot natuurlijk de literatuur van de moesar-beweging uit Oost-Europa, gesticht door de vrome rabbijn Israël Salanter. We lazen stukken uit de werken van de grote moesar-meesters, uit steden van belangrijke Joodse centra die nog slechts voortleven in de herinnering: Slobodka, Novardok, Chelm. Sommigen gaan uit van de nederigheid van de mens als uitgangspunt voor een ethisch leven; anderen benadrukken juist de verhevenheid van de mens als handwerk van de Eeuwige Schepper zelf. Zoals de Psalmist zegt: “En u maakte hem slechts een weinig minder dan een Goddelijk wezen” (Ps. 8:6). De 'midrechov' in Jeruzalem vrijdag 4 september 2009 Vrijdags ga ik (gaan we) meestal naar Plein 1960, het ‘grote’ winkelcentrum van Amstelveen, en zo ongeveer de enige plek waar nog iets te beleven valt in deze slaapstad. Een op zich aardige markt en een leuk plein moeten de sfeer wat opvrolijken. Enkele weken geleden probeerde een jonge vrouw me op de markt een abonnement op een krant aan te smeren. Er ontspon zich een best aardig gesprek over het in mijn ogen droevige gehalte van de Nederlandse media, wat haar er overigens niet van weerhield om mij een kookschort aan te bieden bij het abonnement. Ik bleef uiteraard beleefd weigeren (een kookschort, hoe kom je erop?) Toch wist ik een gratis krant af te troggelen en liep ik al lezend weg – alweer een gewoonte / vaardigheid die ik uit mijn jesjiwa-tijd heb overgehouden. Ik ben sinds mijn studietijd in de jesjiwa perfect in staat om al lopende te lezen – of moet ik zeggen al lezende te lopen? – zonder tegen obstakels of personen aan te botsen. Terwijl ik even later al lezende nog een blik achterom werp naar de vrouw, was er iets merkwaardigs gebeurd. De vrouw is weg, in lucht opgelost. In bijbelse tijden zou ik ongetwijfeld denken dat ik een ‘Engel van de Eeuwige’ had gezien, vermomd in de gedaante van een jonge vrouw. Maar, omdat ik doorgaans geen engelen zie en ook niet aan hallucinaties lijdt, moest er een andere verklaring zijn. Enkele dagen later kwam ik de vrouw toevallig opnieuw tegen, dit keer in de binnenstad van Amsterdam. En alweer probeerde ze de voorbijgangers kranten aan te smeren. ‘Hé’, zei ik, ‘jij stond toch ook enkele dagen geleden in Amstelveen?’ Ze moest even nadenken, maar antwoordde toen bevestigend. Aangezien ik nieuwsgierig van aard ben, besloot ik naar de reden van haar spontane verdwijning te vragen. Het bleek de Amstelveense politie te zijn, die al patrouillerend optreedt tegen allerlei niet-officiële verkopers. Ze hadden die bewuste dag al twee jongens gepakt die het gewaagd hadden om voorbijgangers een abonnement op Het Parool aan te bieden. Het resultaat: twee boetes van 60 euro per persoon. Vandaar haar spontane verdwijning toen ze in de verte twee agenten zag komen aanlopen. Ik vraag me toch af of dit veel helpt in de strijd tegen de harde criminaliteit ... Nee, geef mij dan maar de Israëlische midrechov – een woord waar ik zo snel geen precies equivalent voor ken in het Nederlands. Misschien boulevard? Het woord midrechov is een samenstelling van de woorden straat (rechov) en trottoir (midracha). Elke zichzelf respecterende Israëlische stad heeft een midrechov als toeristische trekpleister. De bekendste is natuurlijk die van Jeruzalem, de Ben-Jehoeda. Een echte midrechov is afgesloten voor motorische voertuigen, biedt volop gelegenheid tot winkelen en eten, en is vaak geplaveid met een speciaal soort stenen. Tatoeages, een beladen imago vrijdag 28 augustus 2009 Bij mijn recente bezoek aan Israël viel het me opeens op hoeveel jonge mensen een tatoeage hadden. Het gaat vooral om jonge volwassenen tot een jaar of 35. De voormalige Veronica-doelgroep zal ik maar zeggen. Chinese tekens, draken, adelaars of andere voor mij onbekende symbolen blijken populair te zijn en worden vooral aangebracht op de schouders, de nek en bovenrug, enkels, polsen en bovenarmen. En wat mij ook opviel: het zijn vooral vrouwen die zich laten tatoeëren. Of lijkt dat alleen maar zo, omdat ik vooral naar vrouwen kijk en minder naar mannen? Dat was althans de uitleg van een vriend die ik met dit – in mijn ogen – opmerkelijke feit confronteerde. Tatoeages hebben onder Joden vaak een beladen imago. Allereerst vanwege de Tweede Wereldoorlog, waarin Joden door de Duitsers uit minachting een nummer op hun arm kregen getatoeëerd. Maar ook vanuit het oogpunt van de traditionele Joodse religieuze cultuur liggen tatoeages niet echt goed. We lezen immers in de Tora: “... en ingekerfde tekens zult u niet op uzelf aanbrengen – Ik ben de Eeuwige” (Wajikra 19:28). Dit verbod staat in een wijder verband van verboden ten aanzien van het lichaam. We lezen eerder in de Tora over het verbod om de randen van het hoofdhaar rondom te scheren, de uiteinden van de baard niet te vernietigen (je moet ze dus blijkbaar laten groeien) en het verbod om je lichaam in te krassen als teken van rouw (Wajikra 19:27-28). Wat is de reden van het bijbelse verbod op een tatoeage? Volgens sommigen is er geen reden – het is God’s wil en we moeten niet te veel vragen stellen. Gewoon niet doen dus. Volgens Maimonides heeft het verbod iets met afgodendienst te maken. In bijbelse tijden gebruikte men namelijk tatoeages om aan te geven dat je als het ware een dienaar was van een bepaalde (af)god. Immers, ook slaven kregen een tatoeage. De Tora wil in haar strijd tegen de afgodendienst ook dit soort van praktijken verbieden. Wie de rabbijnse bronnen bestudeert, ziet dat het verbod op een tatoeage genuanceerder ligt dan men meestal denkt. Volgens één mening is een tatoeage alleen verboden als het een afgodische inscriptie betreft, maar niet zomaar een tatoeage. Bovendien zijn er meningen die alleen letters verbieden, maar niet tekens of afbeeldingen. In de latere halachische bronnen worden tatoeages echter in het algemeen verboden, zonder nuancering. In de moderne tijd wordt het onderwerp opnieuw relevant door de grote populariteit in de hedendaagse Westerse cultuur. Op Internet vindt je relatief veel materiaal over het verbod op tatoeages, dat volgens de schrijvers ‘helaas niet bij iedereen bekend is’. Ook ontstaan er nieuwe vragen: wat moet een proseliet doen die toen hij/zij nog niet Joods was een tatoeage heeft laten aanbrengen, maar daar zich nu, na te zijn uitgekomen, ongemakkelijk bij voelt? Moet deze verwijderd worden? Een vriend kent een vrouw die – toen ze nog christen was – na het overlijden van haar vader een groot kruis op haar rug had laten tatoeëren. Na haar uitkomen heeft ze de tatoeage door middel van een serie behandelingen laten verwijderen. Mag je met een tatoeage wel het mikwe - het rituele bad in? En vormt dit geen afscheiding (chatzitza) tussen het vrouwelijke lichaam en het water? Wat moet een man doen die een tatoeage op zijn arm had, vroom werd en nu tefillien over de tatoeage heen moet leggen? Opnieuw rijst de vraag of dit geen afscheiding (chatzitza) vormt tussen het lichaam en de tefillienriemen. En mag een tatoeage zo maar weggehaald worden met behulp van een laser, terwijl dit ook weer littekens op het lichaam kan achterlaten? En hoe zit het met permanente make-up – bijvoorbeeld wenkbrauwen of lippen – die ook min-of-meer op een tatoeage lijkt? Veel vragen waarop ook antwoorden te vinden zijn: Wie zich erg ongemakkelijk voelt met zijn tatoeage mag (maar moet niet!) die verwijderen, zelfs met het risico littekens te veroorzaken. Een tatoeage is geen afscheiding voor het mikwewater of de tefillienriemen. En hoewel veel rabbijnen permanente make-up verbieden, schijnt recent rabbijn Ovadia Josef te zijn teruggekomen op zijn eerdere verbod. Indien een vrouw permanente make-up wil aanbrengen ter verfraaiing van haar lichaam, dan hoef je daar niet tegen te protesteren, omdat er meningen zijn die het verbod beperken tot alleen schrifttekens of afgodische symbolen. Bovendien schijnt permanente make-up niet zo permanent te zijn, maar slechts enkele jaren goed te blijven. Duidelijk is wel dat er een grote kloof gaapt tussen het seculiere Israël en het meer traditionele, religieuze gedeelte van de Staat Israël. Voor deze laatste groep staan tatoeages voor al het kwaad uit de niet-Joodse cultuur in verleden en heden. Zegt de Talmoed niet al over de slechte koning Jehojakim dat hij een tatoeage van een afgod op zijn geslachtsdeel had aangebracht? (zie Sanhedrien 103b). En de Westerse cultuur geeft de mens volledig eigenaarschap over zijn lichaam, met alle geperverteerde gevolgen van dien, van abortus tot een vrije seksuele moraal. Hoe zal deze cultuurstrijd eindigen? De filosoof Leibowitz had zich al jaren geleden pessimistisch uitgelaten over de kloof tussen beide kampen. Uiteindelijk zal men niet meer met elkaar eten en huwen, somberde hij. De seculiere Israëli’s omschreef hij ook wel als ‘gojim die Hebreeuws spreken’. Daarentegen zijn juist de sterk messianistische groeperingen (Chabad, Breslov, Kook) in de basis positief gestemd. Dit zijn de laatste seculiere stuiptrekkingen vóór de komst van de Masjiach, waarna iedereen orthodox wordt. Vandaar dat men zich alle mogelijke moeite getroost om mensen te bekeren. Door zichtbaar aanwezig te zijn in de publieke ruimte en op het internet, door educatief materiaal uit te delen op kruispunten van drukke straten, in legerkampen of op scholen. Want de toekomst zal glorieus zijn ... Sehen muss ich, zeiden wij altijd. Op bezoek bij S vrijdag 21 augustus 2009 Nu de vakantie alweer voorbij is, bent u eenmaal thuisgekomen natuurlijk weer begonnen met het oppakken van het oude, vertrouwde ritme. Of ik een leuke vakantie heb gehad? Natuurlijk. Vooral de vele bezoeken door heel Israël heen, hebben weer een geestverruimende invloed op mij gehad. Neem nou S. Die hadden we al ruim drie jaar niet gezien. Elke keer als we iets afspraken, kwam er iets tussen: zij kon niet (op punt van bevallen etc.), wij konden niet, of het was te warm, te koud. Dit keer hadden we ons voorgenomen dat we ons geen inspanning zouden besparen om haar te ontmoeten. S kennen we al bijna 15 jaar van de Israëlische universiteit waar mijn vrouw en ik studeerden. S was een jonge, mooie Jemenitische vrouw die destijds maar weinig ophad met religie. Ergens rond 2001 ging het mis. Ze raakte in contact met kringen rond een bekende prediker in Israël, die met zijn hel-en-verdoemenis-preken jongeren tot het orthodoxe jodendom probeert te bekeren. Een soort televisiedominee, maar dan op zijn orthodox-Joods. Sindsdien is S in een immer voortschrijdend religieus proces verwikkeld. Al jaren is zij in Chabad, en vooral in de Rebbe. Terwijl mijn vrouw de auto parkeert voor haar huis in een dorpje bij Natanya, constateer ik dat er in die drie jaar weinig veranderd is. Plantages met citrusvruchten, veel stoffig zand, en warmte. Voor het huis staat de bekende mangoboom, achter het huis het paard van haar vader. Of is het paard van haar broer? Zoals vaak gebeurt wanneer wij komen, is haar man nog op zijn werk. Deze keer zullen wij hem helemaal niet zien – te druk op kantoor. Na het welkomstritueel worden we naar de eettafel geleid, want er is een maaltijd gepland. Snel legt S de laatste hand aan de schnitzels, rijst, aardappels en gesneden groentes. Een paar uur verder lijkt ons bezoek tot een afronding te komen. Althans, dat dacht ik. Of we hun nieuwe appartement willen zien dat ze gekocht hebben. Het is te warm om me te verzetten en dus zitten we even later in een hete auto richting een nabijgelegen stadje waar ik normaliter nooit zou komen. Later zal ik op internet lezen dat in het stadje al een tijdje spanningen bestaan tussen religieuze en seculiere bewoners. Na een chaotisch ritje kris-kras door het stadje staan we even later voor het nieuwbouwproject dat zomaar ergens is neergekwakt. De woning is ruim en mooi. Vanaf het balkon kijk ik peinzend naar het ruime uitzicht over landerijen, waar iets verbouwd wordt, maar wat? Over vijf jaar zullen ook daar flats staan en zal er geen plekje meer leeg zijn, denk ik in mezelf. Of we zin hebben om naar het plaatselijke Chabadhuis van het stadje te gaan. S koopt daar al jaren al haar religieuze boeken en voorwerpen. Ze wil een kado kopen voor onze oudste dochter, nog voor haar bat-mitswa van afgelopen winter. Even later staan we voor een mini-winkelcentrumpje van vijf winkeltjes. Het Chabadhuis ziet er uit als een loods – afgesloten door een stalen hek met hangslot. Terwijl het wel al 4 uur is en hij open zou moeten zijn. Ondertussen ga ik naar het hoekwinkeltje dat een eetgelegenheid is (ik mijd het woord restaurant bewust). In een triest ingericht vertrek (oude ventilator aan het plafond) staat een jongen aardappels en groentes te schillen. Achterin zitten vier mannen te kaarten, één blijkt de eigenaar te zijn. Snel koop ik één flesje zwartbier en één cola, uiteraard met vijf rietjes (we blijven Nederlanders) en spoed me naar de auto waar ik de buit aan vrouw en kinderen overhandig. Dan ga ik naar het winkeltje ernaast om een kop koffie te scoren. De buurman blijkt voornamelijk in loterijen en andere kansspellen te doen, hoewel hij ook snoep, sigaretten en drankjes verkoopt. De koffie is verrassend goed. Eindelijk blijkt de uitbater van het Chabadhuis gearriveerd te zijn. Na enig overleg is het plan gemaakt: ik zal met S naar binnen gaan om de Joodse boeken te bekijken en iets uit te zoeken voor onze dochter, terwijl mijn vrouw en kinderen in de auto met airco blijven wachten. Al snel heb ik iets gevonden, maar wil toch dat ook mijn vrouw even naar de ‘winkel’ komt kijken. Misschien ziet zij een leuker kado. Maar mijn vrouw wil niet echt. Ze wil de kinderen niet alleen laten in de auto, ze heeft haar twijfels over de buurt. Terwijl ik koffie zat te drinken in het gokhol, blijk ik een opmerkelijk typetje buiten gemist te hebben, vertelt mijn vrouw. ‘Een vreselijke ars’, zegt ze. ‘Hij kwam aanrijden in een foute BMW’. Want een ‘ars’ tuigt zijn auto ook het liefst op met grote spoilers, paarse lichten vanonder en draaiende wieldoppen. Een ‘ars’ is wat wij in het Nederlands een patser, een patjepeeër zouden noemen, semi-penose, chajes. Een ‘ars’ draagt glimmende polyester overhemden – liefst zwart en zonder hemd eronder – waaruit het borsthaar puilt. Foute broeken en schoenen, eventueel een tatoeage en een enkele oorbel in één oor doen de rest. Wacht, ik ben het hang- en sluitwerk vergeten: een grote (nep)gouden ‘Chai’ om de hals, een goudkleurig horloge met dikke band en natuurlijk een schakelarmband van nep-goud. “Ja, dus?”, vraag ik ongeduldig. “Nou, toen kwam hij een andere man tegen en …” “Noe”, zeg ik weer ongeduldig tegen mijn echtgenoot. Mijn vrouw besluit om de letterlijke weergave van de ontmoeting tussen de ‘ars’ en een bekende aan mij te vertellen: Heee Itzik … hoe is tie?
– Toda la’El (Godzijdank) Ben je weer vrij? – Nou ja, niet helemaal … Wat bedoel je man? – Nou dit … (de man tilt zijn broekspijp op en wijst naar een dikke stalen band om zijn enkels) ‘Ah’, zeg ik, ‘een (ex)gedetineerde …’ ‘Niks aan de hand schat’, (jihjeh beseder). En na een mooi kado uitgekozen te hebben in het Chabadhuis, keren we even later weer terug naar ons vakantieverblijf. ‘Dat was toch weer een leuke dag’, zeggen we later tegen elkaar op de bank … Vakantie vrijdag 26 juni 2009 Voelt u het ook al kriebelen - het is bijna vakantie! Want daar hebben we het hele jaar natuurlijk naar uitgekeken. Want we gaan op vakantie, om … tja, waarom eigenlijk? Oh ja, om uit te rusten. Maar hoe ontspannend is het om urenlang in de rij voor Euro Disney te staan? Of om na twee dagen al diarree te krijgen in een ver oord waar het water uit de kraan ondrinkbaar is? En dat in een hotelkamer, die een stuk kleiner is dan op de foto in de folder bij het reisbureau. En het uitzicht op die blinde muur gaat na een paar dagen ook vervelen. Je raakt die mooie oorbellen kwijt, wordt beroofd door locals, of komt in andere narigheid terecht. Nee, zo leuk is vakantie niet. Volgens een expert komen tijdens de vakantie ook veel relatieproblemen aan het licht, getuige de piek in echtscheidingen na de vakantieperiode. Ook zouden veel mensen juist tijdens de vakantie ziek worden. Veel mensen komen vermoeider thuis, dan ze bij vertrek waren, concludeert hij. Nu wist ik dat allemaal allang - terwijl ik niet eens naar verre oorden ga, maar elk jaar in Israël doorbreng. Dat heeft een praktische reden: daar woont de familie van mijn vrouw en ook mijn familie woont grotendeels daar. Bovendien is Israël best een fijn vakantieland - althans als er tijdens je vakantie geen oorlog is en er geen militaire operaties, oefeningen, of aanslagen zijn. Zo hadden we een paar jaar geleden tijdens onze zomervakantie de ontruiming van de Gazastrook, die met veel emotie gepaard ging en een jaar of zo later de Libanon-oorlog. In de buurt van Rechovot, waar we meestal verblijven, is een militaire basis van de luchtmacht. Dat betekent dat wanneer er een gespannen situatie is, er ‘s nachts en ook overdag F15- en F16-vliegtuigen laag over ons verblijf scheren. Of helikopters natuurlijk. De eerste keer is dat best leuk en spannend, maar op een gegeven moment niet echt pittoresk meer. En dan zijn er natuurlijk de familiebezoeken, vooral aan de familie van mijn vrouw omdat die nu eenmaal een grotere familie heeft. Mijn schoonmoeder bijvoorbeeld, heeft baruch hasjem 14 broers en zusters, dus mijn vrouw heeft alleen van moederskant al zo een 60 neven en nichten. Die natuurlijk allemaal zelf weer kinderen hebben, of zullen hebben. Zelf komt mijn vrouw uit een gezin van 5 kinderen, die allemaal getrouwd zijn en kinderen hebben. En omdat ik zelf ook ooms en tantes, neven en nichten (en hun kinderen) daar heb te bezoeken, hebben we het zeer druk met bezoekjes afleggen. In deze grote familie valt er altijd wel een huwelijk, een geboorte, een besnijdenis, een lossing van de eerstgeborene, een verjaardag, of weet-ik-veel wat te vieren, zodat er altijd tijdens onze vakantie wel een-of-ander familiefeest is waar we naar toe moeten. Gelukkig zijn twee van mijn dochters en ikzelf ook tijdens de vakantie jarig, zodat we dat meteen ook op locatie kunnen vieren. Gezellig toch? Dan heb ik het nog niet eens over onze vrienden die in Israël wonen en ook bezocht moeten worden. En natuurlijk onze vrienden uit Nederland die op vakantie naar Israël gaan. Om daar bijvoorbeeld een bar mitswe of huwelijk te vieren. Kan je weer opdraven op een simche tijdens je vakantie, om gezellig tussen de bewoners van het Amstelveen-Buitenveldertse Ghetto te zitten. Onder de stralend blauwe hemel van het Beloofde Land, dat wel. Verder belooft mijn vrouw altijd aan mensen die ook naar Israël op vakantie gaan, dat ‘’we gezellig een dagje langskomen, om samen een tochtje te maken, of zo”. Volgens mij is het goedkoper om gewoon thuis in Nederland te blijven en daar elkaar te bezoeken. U begrijpt dat ik na de vakantie wat mensenschuw ben uitgevallen en soms bijt als ik geaaid wordt. Terwijl ik dit schrijf denk ik terug aan vroeger, toen ik nog meer haar had en mijn keppel zwarter en groter was. Vier jaar lang zat ik in de banken van een ultra-orthodoxe jesjiva in Israël, waar ik uren per dag over oude teksten gebogen zat. Dag in, dag uit. Althans, op ruim twee maanden per jaar na. Want ook een jesjiva-student heeft vakantie, oorspronkelijk bedoeld om de student de mogelijkheid te geven terug te gaan naar zijn familie in zijn woonplaats. In het voorjaar is het ‘jesjivavakantie’ in de maand van Pesach (Nissan), ‘s zomers in de drie weken tussen Tisja Be-Av (9 Av) en 1 Elloel, en in het najaar de maand van de Hoge Feestdagen (Tisjrie). Het begrip ‘vakantie’ is eigenlijk vreemd aan het ultra-orthodoxe gedachtegoed. Je bent immers nooit vrij om het Hemelse Juk van de geboden af te werpen en de Tora-studie te verkwanselen. Nee, het is geen ‘vakantie’ (chofesj), maar een ‘verpozing’, een op kracht komen - in het Hebreeuws ’nofesj’. Een woord dat verwant is aan ademen, en aan ziel (zie Sjemot 3:17 - wa’jinafasj). Een rusten dat een spirituele dimensie moet hebben. We leren nu even niet, om krachten op te doen om later weer met volle kracht te gaan lernen. Krachten verzamelen door meer te slapen, het lichaam te verzorgen, te wandelen in de natuur om Gods’ wonderbaarlijke schepping te aanschouwen, en door lichte sport te doen. Tot zover de theorie. In de praktijk heeft de verpozing voor de meesten een minder spiritueel karakter. Jesjiva-jongens blijken fanatieke trekkers te zijn die de woestijn ingaan, bergen beklimmen (snappling) en moeilijke wandeltochten maken langs kloven, dalen, grotten, meren en stroompjes. Niet altijd is dit allemaal kosjer. Soms blijkt men een tochtje te houden waarbij leden van het andere geslacht betrokken zijn. Ja, soms blijkt men zelfs naar de Stad der Onreinheid te gaan - Eilat. Gelernd wordt er niet en de drie dagelijkse gebeden worden vaak niet, of te laat uitgesproken. Reden te meer dat religieuze leiders dit allemaal nauwgezet gadeslaan. Al zo’n 20 jaar geleden waarschuwde Rav Sjach - de toenmalige leider van de Lithueense jesjiva-wereld - voor de spirituele en fysieke gevaren van de vakantietijd. Want de gevolgen van sommige uitstapjes zijn helaas vaak verkeersongelukken, omgeslagen jeeps, een doodsmak in een ravijn en verdronken studenten. Weer anderen moeten soms door het leger ontzet worden vanuit een rotskloof waar ze niet meer vanaf kunnen, omdat ze het steile terrein een beetje onderschat hebben. De huidige leiders van de jesjiva-wereld willen een einde maken aan de hele vrijetijdscultuur tijdens de vakantieperiodes. De studenten moeten de tijd nuttig besteden, binnen de familie en in de ultra-orthodoxe gemeenschap en ze moeten proberen door te gaan met lernen op een minder intensief niveau dan normaliter. Als het niet anders kan, dan mag er een uitstapje gemaakt worden. Maar dan wel in familieverband - onder het toeziend oog van de ouders - of in georganiseerde groepsreizen waar toezicht wordt gehouden op de zedigheid en het spirituele niveau. Zelf had ik als jesjiva-student altijd veel lol tijdens deze vakantie/verpozing. Zodra mijn ouders, broer en zus naar Nederland waren vertrokken, had ik samen met enkele medestudenten het ouderlijke huis voor enkele weken voor ons alleen. TV kijken, videofilms huren, opblijven tot in de kleine uurtjes, de stad afstruinen en naar mooie vrouwen kijken, hoorden daar natuurlijk ook bij. En ons spirituele niveau? Ach, dat kwam in de maand Elloel (augustus/september) wanneer de jesjiva weer begon, altijd wel weer op zijn oude peil terecht. Niet voor niets is de maand Elloel de maand van de inkeer … Prettige vakantie en tot Elloel! Generatiekloof vrijdag 12 juni 2009 Bij de zomer hoort natuurlijk muntthee. Sinds mijn jarenlange verblijf in Israël ben ik verzot op “thee met nana”, zoals dat daar heet. Waar ik ook kom, altijd wordt me zomers een kopje thee met nana-bladeren aangeboden – soms uit eigen tuin. Nadat ik ooit bij een feestje ter gelegenheid van de inwijding van een nieuw huis (chanoekat habajit), de hoofdbewoner al plassend in een hoekje van zijn eigen tuin aantrof, sla ik soms nana van eigen teelt af. Je weet maar nooit. Bij vrome gastheren is nana-thee soms een gedoe, want die zijn dan druk in de weer om de blaadjes goed af te spoelen en te controleren op beestjes. Want ook op nana schijnen allerlei beestjes te zitten die Joden niet mogen eten. Enfin, als je maar goed genoeg zoekt, vind je ook wormen in de wormen … De gewoonte om nana-thee te maken hebben we meegenomen naar Nederland. Mijn echtgenote had dan ook bij het opkomende fraaie zomerweer een fijn zakje munt gekocht bij ‘een supermarkt’ (mag geen sluikreclame maken). Vrolijk pak ik het zakje uit de ijskast om het vervolgens open te scheuren – uiteraard op zo’n manier dat het zakje niet meer te gebruiken is. Maar, wacht eens, wat staat daar nou? “Plaats van herkomst: Colombia”. Ik dacht altijd dat Colombia bekend stond om ‘andere plantaardige producten’ die een stuk duurder zijn dan munt. Waarom in vredesnaam munt uit Colombia halen als het in Nederland ook prima kan groeien? Nieuwsgierig begin ik aan een warenonderzoek onder de andere boodschappen in de ijskast. Hm, korianderblaadjes uit Israël (voor het goede doel, vooruit …), champignons uit Polen (!), frambozen uit Marokko, van die kleine leuke kinderappeltjes uit Brazilië en komkommers uit Spanje. Dat zootje fruit en groenten heeft al meer van de wereld gezien dan ik. Maar, waar slaat dit eigenlijk op? Al deze groenten en fruitsoorten groeien ook prima in Nederland, dus waarom die producten de halve wereld over sjleppen? Wat is daar nou het voordeel van, behalve blijkbaar voor de supermarkt? Goedkoper is alles niet geworden, dus de enige die hierop verdient, lijkt mij de supermarkt te zijn en de tussenhandelaren. Nadelen te over: zonde van de verspilde transportkosten, schade aan het milieu en onduidelijkheid over de veiligheid van de producten. Want niet overal hebben ze dezelfde maatstaven voor hygiëne en veiligheid. Zo worden in Spanje meer bestrijdingsmiddelen gebruikt dan in Nederland en soms ook soorten die bij ons verboden zijn. Dat zal dan in een (bijna) 3e wereldland als Colombia vast niet beter zijn. Maar misschien ligt het aan mij en ben ik ouderwets en begrijp ik de voordelen van deze overbodige vorm van globalisering niet. Volgens mijn oudste dochter ben ik inderdaad ouderwets en begrijp ik niets. En daar heeft ze natuurlijk gelijk in. Zo begrijp ik inderdaad niet de noodzaak en lol van MSN, Hyves, Facebook en andere communicatiesystemen. Ik heb geen Skype, geen webcam en zelfs geen Wifi – zo’n ding waarmee je opgetogen een strike door je eigen beeldscherm gooit, nep-tennist, of gezellig virtueel gaat honkballen in je toch al te kleine huiskamer. Nee, ik begrijp ook al niets van de school van mijn oudste dochter – één van de betere in Amsterdam. Zo schijnt er een vaag vak cultuurgeschiedenis te bestaan, waar ze over allerlei geloven en culturen leren. Dat resulteerde tot nu toe in het groepsgewijs maken van een muurkrant over een bepaald geloof en het bouwen van een moskee van suikerklontjes. “Maar, zijn jullie ook naar een echte moskee, kerk en synagoge geweest” – vraag ik met een mix van achterdocht en interesse. “Nee, pap”. “Maar, hoe kun je nou een moskee van suikerklontjes bouwen als je er nog nooit één van binnen hebt gezien”, vraag ik. “Weet ik niet, pap. Maar bemoei je er maar niet mee.” Laatst kwam ze thuis met het belangrijke inzicht dat door haar docent was meegegeven ‘dat het grote verschil tussen christendom en jodendom is, dat Christenen geloven dat Jezus de Masjiach was – en Joden niet’. Ja, zo ken ik er ook nog wel een paar. “Ik ga eens met die juf van je praten,” brom ik. “Nee pap, dat ga je niet.” Laatst was het weer mis, toen ze een spreekbeurt over keizer Vespasianus moest houden. Toevallig stond het document van de tekst van haar spreekbeurt nog open op mijn computer, zodat ik besloot uit jiddisje nieuwsgierigheid annex bemoeizucht een stukje te lezen. Mijn oog viel op de passage dat ‘Vespasianus best een aardige en grappige man was’. Eerst dacht ik het verkeerd gelezen te hebben – hoe kan een Romeinse Keizer in vredesnaam een aardige en/of grappige man zijn? Leren ze nog nadenken daar op school? Ik bedoel, Caesar was er trots op dat hij een genocide onder de Galliërs had gehouden en Caligula liet geloof ik tijdens zijn maaltijden mensen martelen en doden en peuzelde rustig door. Lees Suetonius zou ik zeggen. Maar Vespasianus is in de Joodse traditie natuurlijk helemaal een sjeiketz (gruwel), een rasja (schurk), als vernietiger van de Tempel in Jeruzalem, waarbij mogelijk honderdduizenden de dood vonden. Ik probeer het pedagogisch aan te pakken: “Schat, wat herdenken we ook al weer elk jaar op Tisja Be’ Av – 9 Av?”. “De verwoesting van de Tempel, pap”. “Juist, en hoe kan de dader dan een grappige, aardige man zijn?!”. “Ja pap, je hebt gelijk. Maar bemoei je er niet meeeee”. Wanneer ik mijn lezing nog even wil voortzetten – met pareltjes als “Is het toeval dat de nazi’s en de fascisten zich van Romeinse symbolen bedienden?” en “die Romeinen hebben het hele Midden-Oosten verziekt, waarvan we nu nog de ‘vruchten’ plukken” – wordt ik door het bekende ‘BOE-IEN’ onderbroken. Ach, de generatiekloof is van alledag – en bovendien bemoei ik me natuurlijk inderdaad overal mee ... Ik put steun uit de woorden van de profeet Maleachi, die belooft dat in de messiaanse Eindtijd Elijahoe Hanavi het hart van de vaders / ouders zal doen terugkeren tot dat van de kinderen en het hart van de kinderen naar dat van hun vaders / ouders (Maleachi 4:6). Maar tot dan, nog vol-op ‘gezelligheid’. Hoewel, zonder jiddisje discussies is het saai, toch? Cheesecake donderdag 28 mei 2009, 12:00 Al enkele weken voor Sjawoe’ot begon het. Wanneer mijn vrouw met haar vriendinnen in sjoel aan het praten is, verstommen de gesprekken heel eventjes wanneer ik in de buurt kom. Vrijwel meteen gaat de conversatie verder, maar volgens mij over een ander onderwerp. Dan komen de telefoontjes, op de gekste tijden van de dag. Wanneer de eerste ‘onschuldige’ e-mails binnenstromen, weet ik dat er iets broeit. Stiekem klik ik op de link in de e-mail. Aha, als ik het niet dacht! Een site met recepten. Want het wordt weer feest en dus moet je met iets speciaals – het liefst exotisch – op tafel komen. Een recept van Noord-Afrikaanse, Italiaanse, Franse of Jemenitische Joden. Maar – oh ironie – omdat iedereen origineel wil zijn, eet je uiteindelijk overal hetzelfde, of je nu thuis bent of te gast bij anderen. Omdat iedereen dezelfde kookboeken leest en dezelfde websites bezoekt. Ik ken dit fenomeen ook uit de het najaar, zo rond de Hoge Feestdagen, en ik weet ook precies wat dat voor ons gezin betekent. We zullen in de resterende tijd als proefkonijnen dienen, waarop de gerechten uitgeprobeerd kunnen worden. Zo was mijn vrouw eens in de herfst gedurende weken in haar oranje periode, waarbij wortel, pompoen en zoete aardappel telkens in wisselende hoeveelheden tot de ideale pompoensoep gemaakt moesten worden. Want met Rosj Hasjana eten sommige Joden pompoen. Nu had een vriendin mijn vrouw weer eens mesjogge gemaakt met ‘tonijnkoekjes’ voor Sjawoe’ot, want ‘dat is nu eens wat anders dan gewone viskoekjes, en ook lekker.’ Over dat laatste wil ik nog wel eens met die vriendin spreken. En, geloof me, dat wordt geen prettig gesprek. Na het experiment met de tonijnkoekjes moest mijn vrouw toegeven dat tonijn uit blik (brrr…) te vet is om koekjes van te maken. “En ik heb ze nog niet eens gefrituurd, zoals eigenlijk in het recept stond,” mompelde ze enigszins teleurgesteld. In mijn rijke fantasie zag ik een vuilstortplaats met daarop een tiental van onze tonijnkoekjes, waaraan de meeuwen zich enthousiast tegoed deden. Om even later loodzwaar ter aarde te storten, niet in staat meer om te vliegen. Terug naar Sjawoe’ot. Want dat is tegenwoordig totaal uit de hand gelopen. Extreme hoeveelheden melkproducten zou je op deze feestdag moeten eten. Ja, je hebt je plicht pas gedaan als je een lactose-intolerantie hebt opgelopen. Van alle cheesecake die ik in mijn leven op Sjawoe’ot heb moeten verorberen, kan je een vierbaans Autobahn aanleggen van Amstelveen naar Jeruzalem. Maar daar blijft het niet bij. Met een gewone cheesecake kom je niet meer weg tegenwoordig. In een door mij onderschepte e-mail van mijn schoonzus stonden bouwplannen voor melkkost-taarten die zulke ingewikkelde lagen hadden, dat je er minimaal HTS voor nodig had. U begrijpt dat die e-mail mijn vrouw niet mag bereiken. Maar wacht eens, waar komt die minhag (gewoonte) eigenlijk vandaan, om met Sjawoe’ot melkkost te eten? Deze gewoonte wordt o.a. vermeld in de glossen van rabbi Mosjé Isserlies op de Sjoelchan Aroech (16e eeuw), een gezaghebbende codex van het orthodoxe jodendom. De redenen die hiervoor in de rabbijnse literatuur worden gegeven, zijn veel en divers. Ik zal slechts drie populaire redenen noemen. Allereerst staat melk symbool voor geboorte en nieuw leven. Zo ook werd Israël als volk spiritueel opnieuw geboren na de Openbaring op de Sinaï. Een tweede uitleg stelt dat de Tora wordt vergeleken met ‘melk en honing onder je tong’ (Hooglied 4:11). In dat geval zou het eten van een boterbabbelaar – u weet wel, die van suikerbakker Gustav W. – ook voldoende zijn. En dan is er nog de ‘kasjroet-hypothese’. Deze houdt in dat de Israëlieten bij de Sinaï na het krijgen van de Tora hun oude potten en pannen niet meer konden gebruiken omdat ze niet kosjer waren. Voordat ze de Tora hadden gekregen aten ze immers treife en bovendien slachtte men de dieren niet volgens de halacha. Vandaar dat men destijds bij de eerste maaltijd na het krijgen van de Tora melkkost at, om het probleem van niet-kosjere potten en pannen te omzeilen. En als herinnering daaraan doen wij dat ook. Ook dit is weinig overtuigend in mijn ogen. Want ze hadden ook vegetarisch kunnen eten, waarom juist melkkost? Gewoon tofu met Sjawoe´ot! En vraag me nu niet waar de Joden toen tofu vandaan moesten halen. Als ze al die exotische materialen voor het bouwen van een draagbaar Heiligdom wél hebben, dan moet tofu toch ook geen probleem zijn? Bovendien helpt God graag een handje. Hij laat immers het mannabrood regenen uit de hemel, laat het kwartels waaien en op verzoek bronnen ontspringen in de woestijn. Wie overigens de glosse van rabbi Isserlies in de oorspronkelijke versie doorleest (OH. 494:3), ziet dat het om iets anders gaat. De reden dat men melkkost eet is … dat men van twee broden zal eten. Want volgens de Tora werd er in de Tempel op Sjawoe’ot een offer gebracht van twee broden die van de nieuwe oogst gebakken waren (Wajikra 23:17). Ter herinnering daaraan moeten er op Sjawoe’ot twee broden liggen op onze eettafel, die symbool staat voor het altaar in de Tempel. Eén brood eet je met de vleeskostmaaltijd en één brood bij de melkkostmaaltijd. Want je mag hetzelfde brood niet voor zowel een vlees- als melkkostmaaltijd gebruiken. Dit vanwege melk- of vleesresten die op het brood zijn gekomen, bijvoorbeeld uit je mond als je een hap uit het brood neemt, of door morsen. Door één maaltijd in ieder geval melkkost te maken, weet je zeker dat men van twee verschillende broden zal eten op die feestdag. Oorspronkelijk was één melkkostmaaltijd op Sjawoe’ot dus genoeg. Hoe is het dan zo uit de hand gelopen? Volgens mij is het een samenzwering tussen de melklobby en de rabbijnen. Er zal vast ergens in Brussel een geheim kantoortje bestaan, op de 43e verdieping van een kantoorgebouw, dat de subsidie regelt voor elke geproduceerde kosjere cheesecake. Voorlopig is het dus wachten op de Masjiach ... Keukenhof vrijdag 15 mei 2009 De afgelopen twee weken was het weer vakantie. Enige logica wanneer een bepaalde vakantie begint en weer eindigt, kunnen wij al tijden niet meer ontdekken. Zo moesten twee dochters op een woensdag na de vakantie beginnen – dat normaal toch al een lekker kort dagje is – en een andere dochter op donderdag (!). Goh, dat zal een goedbenutte week zijn, als je donderdag begint te leren en vrijdag alweer om 12.15 uur buiten staat. De vakantiespreiding tussen de verschillende regio’s maakt het allemaal nóg erger. Boze tongen beweren zelfs dat de krokusvakantie in Amsterdam enkele dagen langer duurde dan in Amstelveen. De International School schijnt het ook weer anders te doen. En over de Joodse scholen heb ik het al helemaal niet – die hebben een van de niet-Joodse scholen afwijkend rooster en het Cheider slaagt er zelfs in een rooster te hebben dat helemaal afwijkt van de rest van Nederland, de andere Joodse school incluis! Kortom, iedereen had in onze omgeving vakantie, maar niemand precies tegelijkertijd. Ik beweer dat er bij het Ministerie van Onderwijs iemand zit die elk jaar met dartpijltjes naar een opgehangen kalender gooit en zo de schoolvakantiedata bepaalt. Om dit te testen, ga ik de vakantiedata van de afgelopen 5 jaar invoeren in een statistisch programma, om te kijken of er enig verband is tussen de verschillende jaren en er mogelijk een patroon zichtbaar wordt. Uiteraard had ik zelf geen vakantie, maar je ontkomt er niet aan om tenminste één uitstapje per week met je kinderen te maken. Voor je het weet, stappen ze naar het consultatiebureau of de huisarts, of bellen ze met de Kindertelefoon of vertrouwenspersoon op school, om over affectieve verwaarlozing te klagen. En ga maar eens uitleggen aan de opvoedmaffia dat je niet van Duinrell, de Efteling, Wallibi, of andere gehenna houdt. Godzijdank viel de Efteling buiten de gratie en werd er naarstig naar ander vertier gezocht. De keuze viel op de Keukenhof. Nou ja, keuze … Mijn vrouw werd hierin voornamelijk beïnvloed door enkele Israëlische vriendinnen die haar hadden wijsgemaakt dat de Keukenhof zo bijzonder is, omdat het in al die toeristengidsen staat. Israëli’s zijn namelijk grootafnemers van toeristengidsen. Hoe chaotisch ze in eigen land ook mogen zijn, op vakantie gaat alles volgens het boekje. En dus liep ik samen met vrouw en kinderen op een winderige en druilerige dag op de Keukenhof – want “over een week of twee is het alweer afgelopen en moeten we tot volgend jaar wachten” (Goh, wat erg … dûh). Het was precies zo erg als ik verwachtte. Een hoge toegangsprijs, veel toeristen – vooral veel verregende Japanners – gestileerde bloemperken met hier-en-daar kitscherige watervallen, aangelegde vijvers, slechte koffie en grote hoeveelheden steeds terugkerende tulpen in allerlei onnatuurlijk felle kleuren. Want je krijgt de indruk bij een grote bloemist te zijn – geen sprankje natuur is er te ontdekken. Alles is aangelegd, keurig bijgehouden, geknipt, geïrrigeerd. De bloemen zelf lijken naar de uitzonderlijke vormen en kleuren te zien in een laboratorium in elkaar geknutseld. Daar is geen Goddelijke Schepping of evolutie aan te pas gekomen. Even in de genoomscheider, het reageerbuisje, onder de microscoop, in de magnetron, en zie hier weer een heel nieuwe serie bloemen voor dit jaar. Postfris wel te verstaan. Bij elke bloem staat een naamkaartje. Wie de namen bestudeert, komt tot een opmerkelijke conclusie. Zelfs de namen die aan de bloemen zijn gegeven, verraden het tot cultuur maken van wat ooit natuur was, het ver‘dingen’ van de natuur. Een lijst van opmerkelijke namen die ik aantrof: ‘Comedian’, ‘Dow Jones’, ‘Cum Laude’, ‘Parisienne’, ‘United States’, ‘Royal Virgin’, ‘Ice Cream’, ‘Pick Up’, ‘Ad Rems’. Naast elk bloemperkje wordt natuurlijk reclame gemaakt voor de leveranciers en kwekers van de bloemen, uit Noordwijkerhout of Enkhuizen bijvoorbeeld. Want alles is business. Want je kunt natuurlijk ook kunstwerken aantreffen tussen de gestileerde bloemperken. Neem nou de kunstenares R.N. van wie een fallisch gesteente wordt aangeboden voor maar € 3000. Om voor mij onduidelijke redenen staan er verder nog allerlei symbolen in de Keukenhof die naar New York verwijzen, zoals een kartonnen Vrijheidsbeeld en enkele foto’s van New-Yorkse wijken als Queens. Wat heeft dat met bloemen te maken, denk je dan. Voor een Japanse toerist is het geen beletsel om zich te laten fotograferen voor een bloemperkje met tulpen, met als achtergrond de foto van de wijk Queens. Twee vliegen in één klap. Kan ze zeggen dat ze in de Keukenhof en in New York is geweest … Vroeger dacht men dat de aanblik van en de ervaring met de ruwe, ongecultiveerde natuur bij de mens een godsdienstige, haast mystieke ervaring teweeg kon brengen. De ervaring van de oerkracht van oneindige zeeën, hoge, moeilijk begaanbare machtige bergen, ondoordringbare bossen en de stilte in een ovenhete woestijn, doordrongen de mens van het wonder van de Schepping. Van het wonder dat er überhaupt ‘iets’ is, en niet Niets. Vandaar dat de rabbijnen bij het zien van allerlei natuurfenomenen een beracha (zegenspreuk) instelden: voor de aanblik van hoge bergen en heuvels, machtige zeeën en woestijnen: Gezegend U God, die de Scheppingswerken heeft gemaakt. Voor de oceanen en volgens sommigen de Middellandse Zee: Gezegend U God, die de grote zee heeft gemaakt. Geef mij maar liever het stukje (relatief) ongecultiveerde natuur bij een van de sloten achterom bij mijn huis – waar onkruid en alles door elkaar groeit – dan de hypergestileerde Keukenhof, die vooral een toeristische ontmoeting met de natuur is. Maar, toch wel een zegening verdient: Hamotzi Keukenhof min Ha’aretz – Gezegend U God, die de Keukenhof uit de aarde deed ontstaan ….. Varkensgriep vrijdag 1 mei 2009 Er schijnt een varkensgriep rond te waren. Althans, enkele duizenden Mexicanen werden ziek, en waarschijnlijk stierven er ruim 150. Waaraan weet nog niemand. Sterker nog: er zijn meer bevestigde gevallen van varkensgriep in de VS, dan in Mexico! Ondertussen ruziet men ook nog over de naam. Israëliërs mijden de naam ‘varkensgriep’ omdat varkens onrein zijn. Tja, zo heb je de varkensgriep natuurlijk snel onder de duim – je noemt het gewoon anders! Nu willen ook de Nederlandse landbouworganisaties de naam ‘varkensgriep’ in de ban doen, omdat het, het imago van de sector schaadt. En de Mexicaanse overheid bestrijdt de naam Mexicogriep, want dat is slecht voor het toerisme. En Egypte wil het allemaal niet afwachten en wil alle varkens in het land – die allemaal van Christenen zijn – afmaken. 90 jaar geleden woedde er een wereldwijde griepepidemie, de zogenaamde Spaanse Griep, die eigenlijk meer uit de VS (!) kwam dan uit Spanje. Hoeveel doden er vielen weet men nog steeds niet – lage schattingen houden het op 20 miljoen, hoge op mogelijk zelfs 100 miljoen! Tienduizenden Nederlanders stierven. Grote verspreiders van het virus waren de soldaten die na de Eerste Wereldoorlog weer terug naar huis kwamen, ondertussen het virus van land tot land verspreidend. En dat terwijl er net een wereldoorlog achter de rug was. Tien jaar later was er de grote beurskrach die wereldwijd ook veel financiële slachtoffers maakte. Tijd voor eensgezindheid, denk je dan. Samen de mondiale problemen het hoofd bieden, door gebruik te maken van wetenschap en techniek om deze existentiële problemen op te lossen. Helaas. Wie de geschiedenis kent weet wel beter. De jaren dertig waren de beste tijden voor het racisme, fascisme, antisemitisme, en communisme, die uitmondden in een Tweede Wereldoorlog. Een betere wereld liet nog even op zich wachten … Maar, is een griepepidemie echt niet het hoofd te bieden? Een griepvirus bestaat slechts uit een paar genen met wat eiwitten. Terwijl we het veel ingewikkelder genoom van mens, aap en fruitvlieg wel al doorgronden. Willen we het probleem wel oplossen? Ligt het niet aan de prioriteiten die we stellen? Een nieuwe epidemie zal wereldwijd vele slachtoffers maken. Maar vooral in de arme gedeeltes van de wereld – ca. 96% van de slachtoffers zal daar vallen. Maar ja, daar sterven de mensen toch al als vliegen aan malaria, TBC, AIDS en tal van andere ziektes die ook best te behandelen zijn. Denk overigens niet dat deze griep de enige bedreiging is op wereldschaal. Ondertussen rukt een resistente vorm van TBC op – onder andere in de voormalige USSR – en ook malaria schijnt weer terug te zijn. Reden genoeg dus om nu eens de prioriteiten te veranderen, en de echt belangrijke dingen bovenaan te zetten. Want hoe waardevol vinden we een mensenleven echt? Nu de varkensgriep zoveel aandacht krijgt in de media lees je opeens ook veel meer over ‘gewone griep’. Wat blijkt: in een gemiddeld jaar in Nederland zijn er naar schatting ca. 6000 ‘aan griep gerelateerde sterftegevallen’, voornamelijk onder ouderen en chronisch zieken. Dat is toch best veel, in een rijk land als Nederland? Nu zijn epidemieën natuurlijk zo oud als de mensheid. Niet voor niets leven we in symbiose met sommige bacteriën. Thucydides en Hippocrates beschrijven al dodelijke besmettelijke ziektes, zoals de pest. Maar ook de Tora, ouder dan beide Griekse schrijvers, kent dodelijke, besmettelijke ziektes die een epidemie kunnen veroorzaken. Wie niet luistert naar de woorden van God en de geboden veronachtzaamd, die wordt met allerlei vervelende, besmettelijke, ziektes gestraft: “Indien u mijn inzettingen versmaadt en van mijn verordeningen een afkeer hebt, zodat u geen van mijn geboden doet en mijn verbond verbreekt, dan zal Ik ook aldus met u doen en met verschrikking u bezoeken: tering [sjachefet] en koorts [kadachat], die de ogen verteren en het leven doen verkwijnen” (Wajikra 26:15-16). Dewariem doet het nog even dunnetjes over, en laat ook het plantenrijk meedelen in de ziektes, waarvan de precieze vertaling niet vaststaat: “De Eeuwige zal u slaan met tering, koorts, brand, ontstekingen, droogte, brandkoren en honigdauw: zij zullen u vervolgen, totdat gij te gronde gaat” (Dewariem 28:22). En, niet voor niets schrijft Psalm 91 over de echte gelovige die woont in de Schaduw van de Almachtige: “Je hoeft niet bang te zijn voor de verschrikking van de nacht, De moderne mens weet dat het allemaal wel wat ingewikkelder ligt. Vroom gedrag is geen vrijbrief voor het uitblijven van ziektes, en wetenschappelijke inzichten genezen soms de grootste schurken. Wat overigens weer niet wil zeggen dat er niet toch een of ander verband kan bestaan tussen ons (moreel) gedrag en het ontstaan van besmettelijke ziektes. Maar dat verband zal anders zijn dan religieuze leiders in allerlei godsdiensten ons willen laten denken. In onze dagelijkse gebeden beginnen we onze verzoeken aan God met een zegen voor kennis. “U schenkt de mens kennis [da’at], en leert de mensheid inzicht [binah], schenk ons vanuit Uzelf kennis [de’a], inzicht [binah], en onderscheidingsvermogen [haskel]”. Laten we echt verstandig zijn en eensgezind de problemen het hoofd proberen te bieden. Met ons Intellect dat we volgens onze traditie van God hebben gekregen, moet dit mogelijk zijn. Vakantie vrijdag 17 april 2009 Zo, het zit er weer op die Pesach. Want het was dit jaar weer behoorlijk vermoeiend: de seider (door mij in drie talen gegeven – het Nederlands voor mijn kinderen en Nederlandse gasten, Engels voor onze buitenlandse gasten en Hebreeuws als mijn vrouw – zwaar oververmoeid zoals het hoort – het even niet meer kan volgen), naar sjoel gaan, weer gasten, en die matzes, matzes en matzes. Het viel ook zo lekker: de 1e dag jom tof op woensdagavond, de 2e dag op donderdagavond, dan Sjabbat, vervolgens 1e Paasdag, en tenslotte 2e Paasdag. Wij overwegen dan ook emigratie naar een oord zonder Joden of Christenen. Gelukkig besloten we om op 1e Paasdag weg te gaan naar de Ardennen. Er gezellig twee daagjes uit, even ontspannen. Nou ja, ontspannen … We werden vergezeld door kennissen van het soort ‘Homo Toeristus’. Van die mensen die al om 8 uur ’s ochtends, aangekleed, met hun wandelschoenen en rugzak aan, bij de deur staan om ‘op stap te gaan’. Naar allerlei gezellige toeristische attracties waar ik natuurlijk niet van houd. Tijd voor de treuzeltactiek dus. Omdat ik gezegend ben met een zeer lieve, meegaande vrouw (‘wat jullie willen’, ‘Ik sta open voor alles’, ‘lijkt me best leuk’, ‘wij hebben geen bezwaar’, etc) stond ik er dus alleen voor. We begonnen in Maastricht, op een plein dat – zoals door mij al voorspeld – bijna verlaten was vanwege Pasen. Een fontein en beeld met brandende fakkel – het enige wat zo ongeveer bewoog op het plein – werden door onze mede-reizigers echter zeer op prijs gesteld en goed bevonden voor circa 10 foto’s. Ook stuitten we toevallig op een herdenkingsplaquette aan een kerk voor hen “die vielen voor het vaderland” (of iets dergelijks) en “hen die slachtoffer van het geweld waren” - een Limburgs eufemisme blijkbaar voor “vermoord vanwege hun Joodse afkomst”. Ik ergerde me er overigens aan dat dit aan een kerk hing – waarom niet gewoon ergens neutraal? Bovendien raar dat het op één plaquette staat: mensen die als soldaat stierven en hen die slachtoffer waren van genocide. De Joden waren uiteraard herkenbaar aan de Joodse namen (Herz, Kahn, etc) en de toevoeging ‘en hun kinderen’. Al met al een fijn begin van een ontspannend uitstapje. Door allerlei plasstops, eet- en koffiepauzes te forceren, slaagde ik er met veel moeite in om die eerste dag één onderdeel van het programma af te halen. Die had ik in ieder geval binnen, want het was zo al vermoeiend genoeg. We hadden namelijk ook nog eens ruim twee uur bij een foute glijbaan en kabelbaan in Valkenburg doorgebracht. En we moesten nog een 1½ uur rijden tot ons hotel, ergens in die Ardennen. Mooie omgeving overigens, maar veel kronkelige weggetjes. Het hotel was prima. Hoewel we er niet veel van zouden genieten, omdat we de volgende morgen al vroeg richting de grotten van Han zouden gaan en onderweg nog allerlei andere attracties zouden zien, zo beloofden onze reispartners. Na ’s avonds het foldertje van de grot gelezen te hebben (“400 treden”, “in de grot is het maximaal 13 graden”, “erg vochtig”, etc), wist ik genoeg. De volgende ochtend liepen onze reispartners inderdaad al om 8 uur geheel aangekleed rond. Reden genoeg voor mij om mijn kamer niet voor kwart voor 9 te verlaten. Door eerst nog even een massage in een soort automatische massagebank te nemen en vervolgens in mijn pyama aan het zelfgemaakte ontbijt (Pesach!) te verschijnen, lukte het me om een sfeer van lethargie, luiheid en inertie in de groep te brengen. We vertrokken, Baruch Hasjem, dan ook pas rond 11 uur richting die vervloekte grotten. Terwijl we het ene pittoreske kerkje na het andere passeerden, vroeg ik me peinzend af of hier ooit Joods leven is geweest, in de Ardennen. Iets in mij zei van niet. Ik bedoel, kent u de bekende jesjiva van Han-sur-Lesse? Of de Rebbe van Saint Hubert, de synagoge van Bastogne, of de Rochefort-Haggada? Wanneer we langs een bordje komen met een verwijzing naar Godfried van Bouillon weet ik het zeker. Wat voor Joden een groot trauma was, is blijkbaar toeristisch voor anderen. Terwijl ik verveeld op een matze kauw, probeer ik me te herinneren of die nu iets met de 1e, of juist de 2e Kruistocht te maken had. Nergens natuurlijk een fatsoenlijke bibliotheek of internet te bekennen. Thuis maar eens opzoeken … O ja, de 1e Kruistocht, zoals ik al dacht. In die zomer van 1096 werden duizenden Joden uit het Rijnland – bijvoorbeeld in Mainz, Worms, Spijer, Keulen – op brute wijze gedood (of ze kozen zelf de dood) door de Kruisvaarders (Godfried van Bouillon had met deze moordpartijen overigens niets te maken, wel met die in Jeruzalem). Volgens de historicus Graetz zouden er 12.000 slachtoffers zijn gevallen. Moderne historici zijn geneigd om de impact kleinschaliger voor te stellen en komen op een aantal van circa 3.000 doden. Gezien het feit echter dat de Joodse gemeentes in die tijd zeer klein waren, nog steeds een grote klap. In de Joodse traditie hebben deze gebeurtenissen hun sporen achtergelaten tot op vandaag. De rouwgebruiken in de Omertijd – tussen Pesach en Sjawoe’ot – zouden hierop terug te voeren zijn, omdat de moordpartijen (ongeveer) in deze tijd plaats vonden. Speciale rouwgedichten (kinot) werden door Asjkenazische schrijvers opgesteld en in sjoel gereciteerd. Het gebed ‘Aw harachamiem’ (Barmhartige Vader) is hiervoor opgesteld en staat ook in de Nederlandse Asjkenazische siddoer. Hierin worden de slachtoffers herdacht en beschreven als zij die ‘voor de heiligheid van de Naam stierven’ (Kiddoesj Hasjem). Tegelijkertijd vraagt men God om het vergoten bloed te wreken. Hoewel oorspronkelijk afkomstig uit het Rijnland, werd het gebed ook in Oost-Europa aan de siddoer (gebedenboek) toegevoegd. Ten aanzien van het uitspreken van dit gebed bestaan dan ook verschillende gebruiken. In Nederland volgt men de oorspronkelijke minhag van het Rijnland om dit gebed alleen op de Sjabbat voor Sjawoe’ot en voorafgaande aan Tisja Be’Av (9 Av) uit te spreken. Ook op vakantie word je blijkbaar nog met het Joodse verleden (?) geconfronteerd ... Chameets vrijdag 3 april 2009 Volgens de bekende kabbalist Jitschak Luria is degene die zich op Pesach onthoudt van het eten van het geringste spoortje van chameets, ervan verzekerd dat hij het hele verdere jaar niet meer zal zondigen. Naar aanleiding hiervan hebben wij hier thuis besloten om een ‘War on Chameets’ af te kondigen. Want het moet nu maar eens uit zijn met dat slappe gedoe! Bovendien zondig ik te veel, dus daar moet ook een einde aan komen door een volledig chameets-vrije Pesach. Nog nooit stond dit doel ons helderder voor ogen. Allereerst hebben we ons huis ingedeeld in zones met kleuren: rood (zeer chameetsrijk en hoogst gevaarlijk), oranje (gemiddeld chameetsrijk, gevaarlijk), geel (laag chameetsrijk, laag gevaar) en wit (chameetsvrij en veilig). Ook worden de verschilllende ruimtes in onze onderlinge communicatie met codes aangegeven; ‘K1 is safe’ betekent bijvoorbeeld dat de keuken op de 1e verdieping chameets-vrij is. ‘W0 is gevaarlijk’ betekent bijvoorbeeld dat in mijn werkkamer, waar ik deze column schrijf en die op verdieping ‘0’ ligt (de begane grond), nog hoge concentraties ‘evergreens’, ‘sultana’s’ en andere versnaperingen aangetroffen kunnen worden. Ik bedoel: de mens leeft niet op brood alleen! Meteen de dag na Poeriem werd met de uitvoering van onze tactische operaties begonnen. Het eerste doel was al het chameets dat op Poeriem door ‘goedbedoelende’ vrienden aan ons gegeven werd, te elimineren. Vooral het snoep van de kinderen heeft natuurlijk een hoge prioriteit. Onze jongste dochter (2 jaar) stond eerst wel raar te kijken toen de knetterende vlammen haar felbegeerde snoepjes in korte tijd in een hoopje steenkool veranderden. De eerste uren was ze ontroostbaar en weigerde ze drinken of voedsel tot zich te nemen (op zich geen ramp omdat het toch allemaal chameets bevat). Na enkele uren op haar ‘ingepraat’ te hebben, wisten we haar te overtuigen dat we het beste met haar voor hadden. Immers, ze zou anders in de hel komen door al dat chameets en daar is het nog heter dan dit vuurtje waarin het snoepgoed verdween. Er valt dus best te praten met de jeugd van tegenwoordig. Ook onze oudste dochter dacht ‘slim’ te zijn door te proberen snoepgoed – op haar lichaam getaped – naar buiten te smokkelen. Gelukkig bracht het door ons bij de voordeur opgestelde bodyscan-apparaat uitkomst. Het apparaat hadden we via een bevriende relatie, die op Schiphol werkt, weten te bemachtigen. Omdat het een veel te hoge dosis straling afgeeft (100x de dagelijkse dosis), mocht het daar niet meer gebruikt worden, maar bij huiselijk gebruik hoeft dat natuurlijk geen beletsel te zijn. Zo gaan we een stralende Pesach tegemoet! Omdat het bodyscan-apparaat nogal eens om de tuin te leiden is – door lood in kleding verwerkt bijvoorbeeld – hebben we besloten om ook bij alle bezoekers in ons huis onverwacht een bodycheck uit te voeren, om te kijken of er geen chameets aanwezig is. In het begin leidde dat nog wel eens tot schermutselingen, maar nu mijn vrouw en ik een cursus ‘Krav Maga’ hebben gevolgd en een stroomstootwapen hebben aangeschaft – via een postorderbedrijf op de Kaaymaneilanden – is er opeens veel meer begrip voor deze maatregel bij onze bezoekers. Uiteraard hebben we een noodruimte waarin iemand meteen in quarantaine gezet kan worden - en afgedouched om zo verdere contaminatie te voorkomen. Voor als het echt misgaat, chas wesjalom, hebben we voor ouders en kinderen een noodset gemaakt, bestaande uit een lange plastic regenjas, lieslaarzen, handschoenen, pet en gezichtsmasker met beschermend filter – om zo het kleinste deeltje chameets buiten ons systeem te houden. Nu de laatste week voor Pesach ingaat, zijn we druk aan het oefenen met onze water- en ventilatiesystemen en natuurlijk met de generatoren. Aanstaande maandag gaat het immers gebeuren. Dan worden we losgekoppeld van het chameets-bezoedelde heidense electriciteits- en waternet. We wekken onze eigen stroom op, op kosjere biodiesel – vrij van elke spoortje chameets en kitniyot (peulvruchten). Een eigen watervoorraad hebben we al ver voor Pesach aangelegd in ons voormalige opblaasbare zwembad, waarin het uit de hemel opgevangen regenwater voortdurend gezuiverd wordt. Nu maar hopen dat dit water genoeg zal zijn voor de Pesach-week. Ik bedoel: we zullen niet te vaak moeten douchen. De laatste dag voor Pesach gaan we op eigen lucht leven. Op onze eigen kosjere chameets-vrije lucht – uiteraard continu gefilterd. We zijn nu al druk in de weer om alle ventilatieopeningen af te dichten. Tot slot hebben we alle groenten en al het fruit dat we gaan consumeren in de Pesachweek, al vooraf gewassen in de badkuip, elk stuk fruit of groente afgedroogd met een föhn en per stuk geseald. Uiteraard gebruiken wij geen Pesachbestek, borden, pannen of glazen, maar gebruiken we enkel en alleen wegwerpartikelen. Wel zo veilig. Om ook geen risico te lopen dat de oven wellicht nog een molecuul chameets bevat, hebben we besloten om dit jaar alleen rauwe, onverhitte producten te eten. Vooral rauw vlees en rauwe vis is nog even oefenen, maar je moet iets over hebben voor je religie, vinden wij. Bovendien: sushi is toch ook met rauwe vis? Nee, wij zien de komende dagen vreugdevol tegemoet. Gelouterd en gezuiverd van alle kwade krachten. Gut Pesach! Een jesjiva-gave vrijdag 27 maart 2009 Er mag nu eindelijk over gepraat worden, hoewel er jarenlang een taboe op rustte. Wetenschappers hebben gevonden dat de zomertijd helemaal niet goed is voor mensen. Deze ogenschijnlijk kleine ingreep op het uurwerk schijnt grote gevolgen te hebben op de biologische klok en het dag-nacht ritme van mensen. Vooral voor nachtmensen zoals ik. De wetenschapper die in de krant werd geïnterviewd, pleitte dan ook voor afschaffing van de zomertijd. Baroech Hasjem. Wel kunnen we de komende week een stuk minder fitte mensen verwachten en een stijging van 5% (of zoiets) in het aantal ongelukken. Zo kost die zomertijd natuurlijk meer dan hij oplevert.
Als nachtmens kom ik ’s ochtends maar moeilijk op gang. Niet dat ik in bed blijf liggen – dat kan met vier kinderen natuurlijk niet – maar het feit dat ik rondloop, wil nog niet zeggen dat ik wakker ben! Zo tegen een uur of half elf kom ik lekker op gang. Dat levert nog wel eens problemen op als ik moet lesgeven voor half elf. Gelukkig heb ik het mij eigen gemaakt om al slapende les te geven. Dat ik les geef, met mijn studenten spreek, op mijn stoel wiebel, een telefoontje tussendoor beantwoordt en rondloop, wil dan nog niet zeggen dat ik niet slaap. Deze bijzondere gave krijg je natuurlijk alleen door het doorlopen van een jesjiva-opleiding.
In mijn jesjiva kreeg ik les van een vriendelijk mannetje met baard en grappige ogen – een beetje een Joodse tuinkabouter. Hij had in de VS een B.A. gehaald in een of andere studierichting, zo werd verteld. De jesjiva was namelijk gematigd ultra-orthodox. Vóór elke Talmoedles werd eerst een stukje mussar – ethische en moralistische literatuur – gelezen van zo’n 10-15 minuten. Hiervoor koos hij soms uit de middeleeuwse mussar-boeken met zware titels als: “Poorten van Inkeer”, “De wegen van de Rechtvaardigen”, “De Plichten van het Hart”, of “Het Boek der Oprechten”. Enfin, veel hel-en-verdoemenis thematiek. In andere gevallen viel de keuze op mussar-werkjes uit de latere periode, die van de 18e en 19e eeuw uit Oost-Europa. Boeken die behoorden tot de zogenaamde mussar-beweging van de legendarische rabbijn Israel Salanter en zijn volgelingen, in legendarische oorden als Slobodka, Nevardok, en Chelm. Na deze spirituele opwarming gingen we echt Talmoedisch trainen over allerlei zeer technische onderwerpen in lessen die zo’n anderhalf tot twee uur duurden. Over het leviraathuwelijk (jibboem), het verwerven van een vrouw (kiddoesjien), schadeclaims, of andere zware Talmoedische onderwerpen die geschikt zijn voor ‘pilpoel’. Pilpoel is het tot in de kleinste details uitpluizen van allerlei Talmoedische argumentaties en concepten – volgens sommigen een vorm van verkapte haarkloverij, volgens anderen zeer intellectuele en analytische arbeid.
Gedurende twee seizoenen – de zomer en winter – trad er tijdens de lessen een interessant fenomeen op: het zogenaamde slaap-lernen. In de warme zomermaanden was het namelijk, ondanks de op volle toeren blazende airconditioner, nog steeds verzengend heet in het leslokaal. Eerst begon onze leraar steeds langzamer te praten en vervolgens af en toe met zijn ogen te knipperen. Dan dommelde hij gedurende korte tijd in, om vervolgens gewoon weer verder te gaan met de les – precies vanaf het punt waarop hij was gebleven in de Talmoedtekst vóórdat hij indommelde. De eerste keren keek je als leerling toe, maar daarna begon je ook mee te doen. Zodat de les tijdelijk bestond uit een indommelende leraar en een handjevol soezende leerlingen, die op een tafel of lessenaar een korte ‘powernap’ hielden. Na korte tijd – hoe lang weet ik tot op heden niet – werden we weer simultaan wakker en gingen we gewoon verder met de les. Alsof er niets gebeurd was, praatte mijn leraar verder en probeerden wij op bepaalde momenten slimme vragen te stellen. Totdat na een tijdje iedereen opnieuw indutte, om vervolgens weer wakker te worden, et cetera. In de winter fungeerde de airconditioner als verwarming die hete lucht het lokaal inblies onder het uitstorten van veel lawaai. De warme lucht en het monotone kabaal van het apparaat hadden een slaapverwekkende uitwerking op leraar en leerling. Zodat de zomerse taferelen zich ook nu herhaalden en leraar en leerlingen afwisselend sliepen en lernden – het slaap-lernen, of moet ik zeggen lern-slapen? Wie zonder zonde is, wordt immuun voor ..... vrijdag 20 maart 2009 Naar de radio luisteren doe ik eigenlijk nooit. De enige radioflarden die mijn oor bereiken, zijn die van de autoradio van een taxichauffeur, als ik wel eens gebruik maak van diens diensten. Toch hoor je ook daar veel interessante informatie. Zo viel ik midden in een programma over een soort idols van ‘het leukste zoogdier’ van Nederland. Maar let op, het mogen alleen zoogdieren in het wild zijn. Honden en katten doen niet mee. De organisator legde uit dat er 3 belangrijke factoren zijn die de ‘aaibaarheid’ van het dier bepalen: je mag geen spitse snuit hebben, je moet grote ogen hebben en een vacht. Het wilde zwijn stond overigens niet in de top-10. U ziet, ook hier heeft de Joodse lobby al weer veel invloed. Onlangs bleek gelukkig ook dat straling van mobiele telefoons e.d. niet gevaarlijk is, aldus de Gezondheidsraad in een artikel in het AD: “Niet de daadwerkelijke straling van onder meer mobiele telefoons en draadloze computernetwerken, maar de veronderstelling eraan te worden blootgesteld leidt tot gezondheidsklachten.” Een hele opluchting. Hoewel? Het artikel besluit met de mededeling dat “de raad later zal rapporteren over een onderzoek naar de gevolgen van de straling voor hersentumoren.” Helemaal gerust is men er blijkbaar niet op. Maar, wacht eens even … Dat je ziek zou kunnen worden van straling van mobiele telefoons is verontrustend, maar nog verontrustender is volgens mij dat je ziek kan worden van straling die NIET gevaarlijk is. Alleen maar omdat het ‘tussen je oren zit’. Eigenlijk weten we dit soort dingen al langer, door wat ze het placebo-effect noemen. Mensen die vage klachten hebben, waar dokters niet mee kunnen, krijgen soms een foppil die hen echter wel helpt. Sommige neppillen werken zelfs beter dan echte medicatie. Omgekeerd werkt het blijkbaar ook. Wie denkt dat iets gevaarlijk voor hem is, krijgt allerlei vervelende kwalen en pijntjes zoals hoofdpijn, migraine, oorsuizen, slapeloosheid, vermoeidheid, slechte concentratie en dergelijke. Hoe dit soort dingen werkt, weten we eigenlijk nog niet. Een Jiddisj spreekwoord zegt: ‘tragt gut, wet sein gut’ – ‘denk goed, dan zal het goed worden’. Krijgen al die New-Age-achtige zwevers die het steeds hebben over ‘positief denken’, ‘reframen’, ‘visualisatie’ et cetera dan toch gelijk? Zou overigens wel een enorme besparing zijn van de ziektekosten, als mensen genezen door positief te denken, of visualisatie van het genezingsproces. Deepak Chopra gelooft daar bijvoorbeeld in. Hij beschrijft in verschillende boeken de helende werking van positief denken, hoop en het visualiseren van genezingsprocessen. Door, bijvoorbeeld, je voor te stellen dat je afweercellen een spelletje voetbal spelen met de kankercellen en deze wedstrijd uiteraard winnen. Hoe vaag we dit soort dingen ook vinden, toch kennen ook de rabbijnen vergelijkbare ideeën. In de Talmoed lezen we een verhaal over een bepaalde plaats waar een soort giftige slang de mensen schade toebracht. Men ging naar Rabbi Chanina ben Dosa toe – die als een heilig man werd gezien aan wie vaak wonderen gebeurde – en vertelde over dit agressieve reptiel. Hij zei: ‘Laat mij zijn hol zien.’ Men toonde hem het hol en Rabbi Chanina legde zijn voet over de opening van het hol heen. Het dier kwam naar buiten en beet de rabbijn in zijn voet, waarop het dier stierf. Rabbi Chanina legde het dode dier op zijn schouder en nam het mee naar het Leerhuis. Hij zei tegen de aanwezigen: ‘Kijk, de slang doodt niet, maar de zonde doodt!’ (B.T. Berachot 33a). Je zou vanuit een puur wetenschappelijk standpunt toch zeggen dat gif, dat een menselijk lichaam binnenkomt, daar schade aanricht, onafhankelijk van het religieuze en morele niveau van de persoon in kwestie. De Talmoed, uit naam van Rabbi Chanina, denkt daar blijkbaar anders over. Wie zonder zonde is, wordt immuun voor slangengif! Een soort Joodse vorm van snake handlers? U weet wel, die kleine, radicale kerkjes in de VS die geloven dat, als je maar genoeg in Jezus gelooft, je slangen kunt vasthouden en immuun wordt voor hun gif. Soms drinkt men gif zoals strychnine om dat men gelooft onkwetsbaar te zijn. Aan de soms fatale afloop hiervan te zien, zijn successen uit het verleden geen garantie voor het heden … Maar, zullen we eens samen naar Psalm 91 kijken? Voor wie in de schaduw van de Allerhoogste vertoeft – wat dat ook moge zijn – belooft deze Psalm onkwetsbaarheid voor de pest (Ps. 91:6) en macht over wilde dieren (althans als je het letterlijk neemt): “adder en leeuwenjong zul je met voeten treden, leeuw en slang vertrappen” (Ps. 91:13) Ik zal hier gelijk een DISCLAIMER neerzetten: Lezers, probeer dit allemaal zelf NOOIT thuis! Economie vrijdag 13 maart 2009 Nu de kruitdampen rond Poeriem zijn opgetrokken, is het tijd om de schade op te nemen. Ongetwijfeld weer een grote hoeveelheid fout snoep: toffees, gekonfijt nepfruit, wafels, koekjes en overig snoep met een hoog kleurstofgehalte. Sommig snoep blijkt bovendien van allochtone herkomst: Israël, Canada of de VS. Op het aanrecht zie ik uit mijn ooghoek al enkele ‘ontaarde’ theesoorten staan, die normaliter ons huis natuurlijk niet binnenkomen. Ik heb het dan over Sterremunt- en Kaneelthee. Mijn theorie is, dat het geven van al die gezellige troep eigenlijk een verkapte Pesach-schoonmaak is. Je dumpt gewoon allerlei troep bij de ander, net een maand voor Pesach. Maar pas op, die ander is natuurlijk ook niet op zijn achterhoofd gevallen – die schuift die troep gewoon weer door naar zijn kennissen. En die weer naar anderen, totdat je zomaar je eigen troep terug krijgt. De Poeriem-boomerang noem ik dat… Ik schrijf deze column overigens met handschoenen aan, nu ik net gelezen heb dat er meer bacteriën op een toetsenbord huizen, dan op een WC-bril. Eerder had ik ook al gelezen dat er meer bacteriën op een keukenaanrecht gevonden worden, dan op een WC-bril . We overwegen dan ook serieus om op het toilet te gaan koken, omdat dat de schoonste plek van het huis blijkt te zijn. Las overigens gisteren in de krant dat de coalitieonderhandelingen over de bezuinigingen – u wet wel die kredietcrisis – vastlopen. Raar, want enkele dagen eerder las ik dat Trichet nu juist had gezegd dat de eerste tekenen van herstel er al zijn. Dat hadden ook andere economen al eerder gezegd. Het hele verhaal zou in 2010 al weer voorbij zijn. Waar gaat het dan allemaal over, die bezuinigingen? Ik begrijp er weinig meer van. Ik hoor u al denken: die Mock begrijpt er niets van. Klopt, heb maar één jaar economie gehad in 4-VWO. En ik was niet ontroostbaar toen ik besloot – uiteraard in overleg met mijn ouders, zo gaat dat op een Joodse school – om dat vak te laten vallen. We kregen les van een enigszins excentrieke leraar waarvan mij vooral is bijgebleven dat hij ‘uit principe geen telefoon had’. Hij was in dringende gevallen wel bereikbaar, maar dan moest je geloof ik naar school bellen, die weer belde naar zijn familie, die dan weer een bericht aan hem doorgaf. Enfin, echt de sfeer van het clandestiene werk, voedselbonnen en Radio Oranje. Ons economieboek heette: “Wat is er aan de hand in economisch Nederland”, een saai boek dat met een vrolijk rijmende titel werd ‘opgeleukt’. In die tijd dacht men dat alles wat rijmde, leuk is en beter geïnternaliseerd wordt. De tijden van “Fout gestaan? In de kraan”, “Eerst betalen, dan auto halen”, en zo. “Je krijgt spijt als je te hard rijdt” is hier natuurlijk een slap aftreksel van. Sommige wetenschappers wezen erop dat bij Josephus blijkt, dat veel opstanden tegen de Romeinen uitbraken rond een Sjemita-jaar, vaak na afloop van zo’n jaar. Weinig eten, ondervoeding en de wrede Romeinse overheersing waren toen ook al een explosieve cocktail. Poeriem vrijdag 6 maart 2009 Ik ben al helemaal aan het proefdraaien voor Poeriem en heb de smaak al te pakken. U ook? Vooral de grijze Nederlandse luchten en de nevelige ochtenden helpen natuurlijk een handje mee. Gelukkig dragen ook de kranten hun steentje bij. Zo is eindelijk het raadsel rond ‘navelpluis’ opgelost. En ga nu niet zeggen dat je niet weet wat dat is, of dat het je niet bezighoudt. De Oostenrijkse scheikundige Georg Steinhauser heeft dit fascinerende fenomeen nu - Baroech Hasjeem - opgelost: in de navel blijkt zich een zekere haarsoort te bevinden die pluisjes van kleding ‘vangt’ en de navel in trekt. Tot deze scherpzinnige conclusie kwam hij na drie jaar lang 503 navelpluisjes te bestuderen van o.a. zichzelf, vrienden, familie en collega’s. Hij biedt zelfs drie oplossingen voor dit nijpende probleem: het afscheren van de buikharen, een navelpiercing, of het dragen van oude kleding, omdat die minder pluizen dan nieuwe kleren. Eerder hield deze wetenschapper zich ook al met een ander groot probleem bezig: de slijtage van zijn trouwring. Hierover publiceerde hij een artikel onder de naam: “Quantification of the Abrasive Wear of a Gold Wedding Ring”. Een van de opmerkelijkste Poeriems vierde ik eens zo'n 20 jaar geleden in een Chassidische jesjiva in een arm ontwikkelingsstadje in Israël. Hoewel het een Chassidische jesjiva was ‘ging men niet los’. Raar, dacht ik. Terwijl ze gewoonlijk toch niet hun hand omdraaien voor wat stevige glazen vodka. Nee, op Poeriem ging het er nogal ingetogen, haast calvinistisch aan toe. Geen verkleedpartijen en geen licht aangeschoten jesjiva-leerlingen die op straat lallen – zoals ik dat elders nog wel eens zag – en er heerste zelfs een licht gespannen sfeer. Wat was hier toch aan de hand? Waar was die bekende Chassidische vrolijkheid? Of ik dan niet wist dat de Zohar schrijft dat ‘Jom Kippoeriem’ (zo wordt Jom Kippoer in de Tora genoemd) betekent ‘Jom ke-Poeriem’ – een dag zoals Poeriem. Ja, de heiligste vastendag van het jaar is een dag zoals Poeriem en zelfs ondergeschikt daaraan. Poeriem is nóg heiliger, zo werd me uitgelegd. Want de heiligheid die we met Jom Kippoer bereiken door van eten en drinken af te zien, die bereiken we juist op Poeriem door lekker te eten, goed te drinken en vrolijk te zijn. “Maaaaaaar”, vertrouwde de jesjiva-student me toe, “dat betekent dat echte lichtzinnigheid en leeghoofdigheid op Poeriem, als zeer heilige dag, dus niet thuis horen”. Dergelijk losbandig gedrag hoort bij ‘misnagdiem’ – de historische tegenstanders van de Chassidiem in Oost-Europa, aan wier Godsvrezendheid sowieso al getwijfeld wordt door Chassidiem. Vandaar dat er zelfs jesjivajongens zijn die zich dan verkleden als vrouw! Ik zag mijn gesprekspartner licht rillen bij het uitspreken van deze woorden. Hoewel ik er zelf niet zo veel kwaad in zag, in die als vrouwen uitgedoste mannen met lippenstift op, een pruik en andere parafernalia. Ik bedoel: van mij hoeft het niet, maar ach het hoort een beetje bij de carnavaleske sfeer … Echt overtuigend vond ik het betoog van die jesjiva-jongen toen dus niet. Vooral niet omdat ik een andere Chassied ooit iets heel anders had horen zeggen. Op basis van de overeenkomst in getalswaarde tussen ‘wijn’ en ‘geheim’(zie mijn column van vorige week) is veel drinken juist aan te raden omdat dan je echte innerlijk – je pniemejus in Jiddisj-Hebreeuws – naar buiten komt. Zelfs als dat betekent dat je misschien ogenschijnlijk rare dingen gaat doen die op een normale dag niet kunnen. Ik mag deze minder brave verklaring wel. Hoewel, bij sommigen werd inderdaad hun binnenste zichtbaar, omdat ze zoveel dronken dat ze in stralen hun eten en drinken uitkotsten. Dat kon ik dan weer minder waarderen…. In de wintervakantie was er op de Israëlische TV overigens opschudding over verhalen dat in een bepaalde Chassidische middelbare school alcohol genuttigd zou worden door minderjarigen. Het TV-programma, een soort Zembla, ging er met de verborgen camera op af en kwam terug met sappige beelden. Hierop was te zien hoe leraren van de school wijn en sterker spul aanbieden aan minderjarige jongeren, die even later licht aangeschoten aan tafel zitten. Maar ja, het was Poeriem, verdedigde de directeur van de school zich en normaliter drinken ze natuurlijk niet. Het leek mij een enigszins Clinton-achtig verweer (“Ik inhaleerde niet” en “I never had …” etc). Maar goed. Zoals bekend, bestaat er een gebruik om op Poeriem fake-uitleggen te bedenken op Tora of Talmoed, de zogenaamde Poeriem-Tojres. Deze worden bij voorkeur uitgesproken door een alleen voor Poeriem benoemde ‘Poeriem-Rebbe’, een soort Prins Carnaval dus. Vaak wordt in zo'n nep-drosje ook de draak gestoken met leraren en rabbijnen. Chassidiem moeten ook van deze gewoonte weinig hebben, omdat ze het spotternij en lichtzinnigheid (kaloet rosj) vinden. Tot slot een Poeriemverhaal. Men vertelt dat een bedelaar op Poeriem van Reb Chajim uit Volozhin zijn gift voor de armen had ontvangen. De arme man weigerde echter te vertrekken en wilde nog een keer geld hebben. De rabbijn ging akkoord maar eiste wel dat de arme man hem een nieuwe uitleg (een chiddoesj) op de Megilla zou zeggen. De man vertelde het volgende: In de Midrasj wordt verteld dat Mordechai de profeet Elija ontmoet en van hem hoort over het besluit dat in de Hemel is genomen om de Joden, godbewaar, te vernietigen. Mordechai wil van Elija weten of het besluit in een kleitablet is geschreven en gewijzigd kan worden, of met bloed is geschreven en niet veranderd kan worden. Elija vertelt hem dat het besluit in klei is gegraveerd, waarop Mordechai blij de Joden van Susan inzamelt en het besluit weet af te wenden. “Maar”, vraagt de bedelaar aan Reb Chajim uit Volozhin, waar is in de tekst van de Megilla een bewijs te vinden voor deze Midrasj?”. Voordat de rabbijn kan antwoorden, geeft de bedelaar zelf al het antwoord: “Omdat er staat geschreven Als de koning het goed dunkt, zal er geschreven worden om hen te vernietigen (Esther 3:9). Lees niet: ‘zal er geschreven worden om hen te vernietigen’ (jikatev le’abdam), maar ‘er zal geschreven worden niet met bloed (jikatev lo bedam)’”. De rabbijn is verheugd met dit nieuwe inzicht en geeft de man opnieuw geld. Wanneer Reb Chajim uit Volozhin bij zijn leermeester de Gaon van Wilna komt, vertelt hij het verhaal van de bedelaar aan zijn leraar. Deze onthult zijn leerling tot diens verbazing dat de bedelaar niemand anders was dan de profeet Elija zelf. Taal en getallen vrijdag 27 februari 2009 Naar aanleiding van mijn column van vorige week kreeg ik verschillende reacties van mensen die mij op allerlei bijzondere nieuwsberichten wilden attenderen. Zoals dat van die vrouw die in een parkeergarage van een kind beviel. Maar, het wordt natuurlijk pas echt nieuws als die barende vrouw in die parkeergarage – terwijl ze daar ligt te baren op de achterbank van haar auto – achterop wordt aangereden door een andere auto. De bestuurder van die auto blijkt niemand anders te zijn dan haar minnaar, die haar echter dumpte nadat hij hoorde dat ze zwanger was. Natuurlijk had ik het ook nog kunnen hebben over de pornoster Stormy Daniels die senator wil worden van Louisiana, en de Zimbabwaanse minister van Landbouw, die ervan wordt beschuldigd dat hij meer dan zeventig gloednieuwe trekkers heeft gestolen. Hij had ze verstopt in een grote tent op zijn boerderij, las ik. Da’s nog iets anders dan blocnotes, Tipp-Ex en paperclips van je werk mee naar huis nemen. En hoe verstop je 70 trekkers in een tent? Enfin. Ja, woorden en taal blijven iets dubbels houden. Wanneer we kijken naar de Joodse traditie, dan zien we dat het woord en de taal aan de ene kant iets positiefs is. God schept de wereld door middel van taal. In het eerste hoofdstuk van Bereesjiet (Genesis) komt de frase “En God zei”, zeer vaak voor. Volgens de rabbijnse traditie is de wereld met 10 uitspraken geschapen. In de mystieke traditie zijn het de letters van deze scheppende uitspraken die het universum elke seconde in stand houden. Maar, er is nog iets anders opmerkelijks. Het verhaal over de eerste mensen en ‘de Boom van de Kennis over Goed en Kwaad’ vertelt over hoe zij het Goddelijke gebod overtreden, kennis verkrijgen, maar tegelijkertijd zich bewust worden van allerlei dingen: hun naaktheid, hun seksualiteit volgens sommigen, en hun sterfelijkheid. Wanneer we het desbetreffende hoofdstuk 3 van Bereesjiet (Genesis) lezen, zien we als we het zorgvuldig lezen, dat ook in dit hoofdstuk heel vaak een werkwoordsvorm van ‘zeggen’ gebruikt wordt – meer dan 15 keer zelfs! Allereerst lijken kennis en taal samen te hangen – zonder taal en spreken, geen kennis. Daarnaast lijkt de boodschap te zijn dat taal kan scheppen maar tegelijkertijd kan verwoesten. Spreken kan positieve gevolgen hebben en negatieve – afhankelijk van de situatie. Natuurlijk is het verhaal over de Toren van Babel een variant op dit zelfde thema. De hele mensheid spreekt één taal, lezen we, maar ze doen met die eenheid iets negatiefs – ze willen God evenaren door een Toren te bouwen die tot aan de hemel reikt. God grijpt in en zorgt ervoor dat taal niet meer scheppend werkt, maar verdelend. Het gevolg is een mensheid die meerdere talen en culturen zal ontwikkelen. Wat op zichzelf ook al weer een bron van spanning en strijd zal worden, zodat de mensheid weer gaat verlangen naar een Eindtijd waarin iedereen dezelfde taal gaat spreken. Maar de vraag is of dat vooralsnog werkelijk een oplossing is. Experimenten om dezelfde taal te spreken zijn vaak ontaard in afdwingende en dictatoriale systemen waarin mensen gedwongen worden hetzelfde te praten, te denken en te lezen. Wie de verkeerde boeken schrijft, de verkeerde toneelpersonages uitbeeldt, of het verkeerde lied zingt, wordt heropgevoed in strafkampen of psychiatrische ziekenhuizen, verbannen, of gewoon gedood. De duale werking van taal ligt misschien ook al besloten in de eerste letter van de Tora, een ‘beet’ (‘Bereesjiet’ – In het Begin…), de 2e letter van het alfabet met de getalswaarde 2. In het denken en praten blijf je misschien altijd in een duaal proces zitten, noem het voor mij part dialectisch. Omdat elk concept en elk idee tegelijkertijd het tegenovergestelde schept – de negatie ervan. Binnenkort is het Poeriem en dan moeten we volgens sommigen meer drinken dan normaal. Je moet zoveel drinken totdat je het verschil niet meer weet tussen “gezegend is Mordechai” en “vervloekt is Haman”. Mordechai als exponent van de positieve krachten en Haman als exponent van de negatieve krachten – Amalek. Amalek heeft in het Hebreeuws dezelfde getalswaarde van 240 als het woord voor twijfel (safek). Twijfel hangt nu samen met veelheid, met het duale – als er alleen één mogelijkheid bestaat, is er geen twijfel mogelijk. Maar let op: in het Hebreeuws hebben de woorden voor “gezegend is Mordechai” en “vervloekt is Haman” exact dezelfde getalswaarde van 502. Op een hoger niveau bestaat er toch weer een eenheid. Raar hè? En dat komt misschien allemaal weer omdat wijn (jajin) en geheim (sod) dezelfde getalswaarde hebben van 60. Volgende week meer over Poeriem. Internet-tribalisme vrijdag 20 februari 2009 In het huidige media- en Internettijdperk hebben we 24 uur per dag onbeperkt toegang tot informatie. Een zeer breed geschakeerde informatiestroom. Wie alleen maar enkele Nederlandse kranten en nieuwssites on-line leest, kan daar naast de gebruikelijke wereldellende ook veel individueel leed en bizarre verhalen aantreffen. Of triviale informatie. Veel dierennieuws bijvoorbeeld. Neem nou de kat Youry, die na drie jaar doodgewaand te zijn geweest weer terug bij zijn baasje kwam. Daar word je toch warm van? Minder leuk was een poedel die de neus van de eigenaar afbeet – ergens op de wereld, of was het gewoon in Nederland? Het is nu natuurlijk wachten op een fokverbod op poedels. Dan is er nog de krokodil die een vijfjarig Australisch jongetje opat. De ouders van het jongetje hebben een bedrijf dat toeristen krokodillen in het wild laat zien. “Zij willen niet dat de krokodil, die hun zoontje heeft opgegeten, wordt afgemaakt. De resten van Jeremy zijn operatief uit de buik van het dier verwijderd. Het dier heeft de operatie overleefd,” lees ik. Ik hoor de krokodillenlobby overigens al zeggen dat het aan het kind ligt, die aan de staart van de krokodil heeft getrokken, iets anders heeft ‘uitgehaald’, of bang was. “Want ze ruiken het hè, als je bang voor ze bent”. Verder heeft een aantal biologen voor het eerst op Schiermonnikoog een Nauwe Korfslak aangetroffen. “De korfslak is met het blote oog nauwelijks zichtbaar en zeer zeldzaam.” Zou dat met elkaar samenhangen?, denk ik dan. Verder heeft het Vaticaan ontdekt dat het mannen de meeste moeite kost om niet toe te geven aan hun lustgevoelens, daarna gevolgd door vraatzucht en luiheid. Vrouwen strijden vooral tegen ijdelheid, jaloezie en woede. Hoe weet men dat? Simpel. De conclusies zijn “gebaseerd op een biechtonderzoek van een 95-jarige jezuïtische wetenschapper, broeder Roberto Busa”. Ik hoop dat anonimiteit gewaarborgd is in dit geval. Onderzoekers raden verder mensen met overgewicht, voor hun gezondheid aan om gedurende vier weken zo’n 20 gram chocola per dag te eten. Want “chocola kan helpen om de suikerspiegel en het cholesterolgehalte naar beneden te krijgen. (…) Ook kan het een positief effect hebben op de bloeddruk en bloedcirculatie”. Nu wist ik dit zelf al jaren, maar ik ben wel blij dat het nu wetenschappelijk bewezen is. Tussen man en vrouw wil het ook maar niet lukken. Een man schijnt zijn vrouw te hebben gewurgd tijdens een vrijpartij, nadat ze kreunend de naam van een andere man had genoemd, weet De Telegraaf te melden. Ook in ons eigen Leerdam gaat het er hard aan toe. Daar sloeg een man met een bijl in op de benen van zijn vrouw. De man staat nu terecht. De rechter hield de verdachte met een kort lontje voor, dat hij al eens eerder te ver was gegaan en agressief was geworden: “U was kwaad op uw vrouw omdat zij op de verkeerde manier in bed lag. Uit boosheid heeft u het bed doormidden gezaagd. Dat is toch niet normaal?” Nee, dat lijkt me niet normaal, hoewel ik zelf ook een hekel aan IKEA-meubilair heb. Bij onze zuiderburen was het ruim een week geleden ook raak. Een Belgische vrouw wurgde haar man omdat die te hard snurkte. Verder ben ik de Irakese man bijna vergeten die 52 aanstekers doorgeslikt had. De man bleek getraumatiseerd door zijn ervaringen tijdens de Golfoorlog van 1991. En denk niet dat het in Israël allemaal kosjer is, want daar heeft enkele maanden geleden een lerares aan een orthodoxe jesjiva seks gehad met 5 van haar leerlingen. De getrouwde vrouw van in de dertig had uit lust met haar 17-jarige mannelijke leerlingen geslapen, verklaarde ze later. Voor mijzelf was het overigens wel geruststellend om enkele dagen geleden te lezen dat Kate Moss NIET in verwachting is, maar gewoon wat aangekomen. Wat moet je in vredesnaam met al die informatie? Daar is toch haast geen coherent wereldbeeld meer uit op te maken? De werkelijkheid lijkt absurder en tragi-komischer dan menige film. Maar is het ook allemaal gebeurd? Ik raad iedereen aan om De jacht op de Veluwepoema, van Peter Burger, te lezen. Over sagen en geruchten uit het moderne leven. Ontluisterend om te zien hoe allerlei onware broodje-aap verhalen in de media terecht komen. En hoe buitengewoon hardnekkig deze verhalen te bestrijden zijn. De grote hoeveelheid antisemitische onzin, samenzweringstheorieën en ander bizar gedachtegoed op Internet spreekt boekdelen. Leidt meer informatie inderdaad tot een kleinere en betere wereld – The Global Village (MacLuhan) – of vooral tot een wereld die raarder en enger wordt gevonden en dat uiteindelijk ook zal worden? Is er geen sprake van een soort Internet-tribalisme waarin mensen zich terugtrekken in hun eigen territoria van actieve gamers, fervente forummers, Hyvesgangers en Facebookverslaafden? Of zal het op termijn leiden tot een kennisparadijs waarin de technologische boom – de Boom omtrent Kennis van Goed en Kwaad – weer met de Boom des Levens verbonden zal worden? Productieve en positieve kennis dus, of beter: Wijsheid voor iedereen? Eigenlijk is het raar als je echt gelooft in vrije informatie dat allerlei encyclopedieën niet vrij toegankelijk op Internet staan. En dat allerlei wetenschappelijke boeken en artikelen nog niet gratis te lezen zijn. Ballingschap – verdeeldheid – en Verlossing blijken in Tenach met taal samen te hangen. Het verhaal van de Toren van Babel illustreert de segmenterende en verdelende ‘kracht’ van taal, als motor achter particularistische culturen en religies. Voor de Eindtijd voorspelt de profeet echter een mensheid die één taal spreekt: “Maar dan zal Ik de volkeren andere, reine lippen / taal (Hebr.: safah) geven, opdat zij allen de naam van de Eeuwige aanroepen; opdat zij Hem dienen met eenparige schouder.” En: “Het overblijfsel van Israël (netsach Jisraël) zal geen onrecht doen noch leugen spreken, en in hun mond zal geen bedrieglijke tong gevonden worden …” (Zefanja 3:9, 11). Maar dat wordt misschien ook weer saai, die eenheidsworst… Verkiezingen vrijdag 13 februari 2009 Wanneer u dit leest zijn de verkiezingen in Israël weer voorbij. Ik moet eerlijk bekennen dat ik het nauwelijks gevolgd heb. De verkiezingen verliepen een beetje zoals ik had verwacht. De gebruikelijke schermutselingen in bepaalde stemlokalen, meldingen van fraude en een uitslag waar je weinig mee kan. Want dat is eigenlijk een 15 tot 20 jaar al zo. Israël blijkt diep verdeeld en beide kampen hebben geen, of slechts een krappe minderheid. Bovendien zijn zowel links als rechts opgedeeld in weer allerlei kleinere segmentjes met een hoog, zoals dat heet ‘sectoriaal gehalte’, dat religieus of etnisch kan zijn – Arabisch, Russisch of Oriëntaals in dit geval. Het is natuurlijk nog een kwestie van tijd totdat er ook een Ethiopische partij opstaat. Enfin. Zoals gewoonlijk deelde de Oriëntaalse Shas partij weer amuletten uit om zo hun aanhang over te halen – of moet ik zeggen betoveren? – om op de partij te stemmen. Eigenlijk ontoelaatbaar, vond al jaren geleden het orgaan dat toezicht houdt op de verkiezingen. Maar elke verkiezing duiken ze blijkbaar toch weer op. Ook apart was een voordracht van het religieuze boegbeeld van Shas – rabbijn Ovadia Josef – waarin hij verklaarde dat wie voor Lieberman’s Jisraël Betenoe stemt, Satan steunt, of iets dergelijks. De praktische reden hiervan is dat Shas en Lieberman voor een gedeelte een beetje in dezelfde vijver vissen: de kansarme bevolking in ontwikkelingssteden in het Zuiden van Israël, die al jaren onder de terreur van mortiergranaten en raketten leeft. De winst van Lieberman ging daar op bepaalde plaatsen ten koste van Shas. Ik vind dat altijd een beetje eng, wanneer mensen met allerlei metafysische begrippen gaan goochelen en tegenstanders als Satan zien, of de ‘Andere Zijde’ (Sitra Achra). Zo zijn er bepaalde ultra-orthodoxe Joden die fel anti-zionistisch zijn en de Staat Israël en haar successen (ja die zijn er ook…) toeschrijven aan de ‘Andere Zijde’ (Sitra Achra). Deze spiegelzijde van het Heilige bootst het Heilige na en verleidt de mens, door ogenschijnlijke successen na te bootsen. In werkelijkheid is het natuurlijk Satan die zich vermomt om de mens te laten zondigen op zeer listige wijze, namelijk door bijvoorbeeld hem het gevoel te geven dat hij een goede daad doet, of door hem zijn verstand te benemen en hem in de war te brengen. Vaak heb je dan te maken met sectarische bewegingen die een beetje Essenen-achtig taalgebruik hanteren. Die geloofden immers ook dat de wereld ingedeeld was in mensen die deel hebben aan het licht en mensen die deel hebben aan de duisternis. Vandaar bijvoorbeeld de bewoordingen in een van de rollen die gevonden is: “De oorlog van de zonen van het licht tegen de zonen van de duisternis”. Lekker apocalyptisch dus. Gelukkig was het allemaal minder zwart-wit dan het lijkt, daar bij de Dode Zee. Mensen zijn namelijk niet helemaal slecht of goed, maar hebben voor een bepaald gedeelte deel aan het licht en voor een ander gedeelte aan de duisternis, hoewel het allemaal wel in meerdere mate gedetermineerd lijkt te zijn waartoe je behoort. Ja, theologen maakten ook toen al vernuftige bouwwerken en Calvijn stond niet alleen … Waarom mensen op een religieuze partij in Israël stemmen, begrijp ik eerlijk gezegd niet zo. Nuchter bekeken is volgens mij het aantal religieuze partijen en hun leden in de Knesset, omgekeerd evenredig aan het welzijn van de Staat Israël. Het is er door de jaren heen misschien wel vromer, maar niet beter op geworden. Bovendien zijn religieuze partijen vaak one-issue partijen. Ik ken geen plan van een religieuze partij tot aanpak van de armoede, tot het verbeteren van de positie van bijvoorbeeld losse arbeidskrachten, het terugdringen van auto-ongelukken, het oplossen van milieuproblematiek als luchtvervuiling, het waterprobleem, of een economisch plan om Israël op de kaart te zetten in de 21e eeuw, om maar wat te noemen. “Als er geen meel is, is er geen Tora”, zeiden onze Wijzen al. Maar goed, dat waren dan ook wijzen die zelf de armen uit de mouwen staken. “Maak van de Tora geen spade om mee te graven”, zeiden ze ook. En, “Wie van de Kroon gebruik maakt, die vergaat”. Volgens Maimonides heeft iemand die vindt dat hij door anderen onderhouden moet worden, zodat hij Tora kan leren, geen aandeel in de Toekomende Wereld. Al ben je maar houthakker om in je bestaan te voorzien. “Want elke Tora die niet samengaat met werk, die gaat uiteindelijk ten gronde”. En je zult uiteindelijk de mensen bedriegen, voorspelt een Misjna. Misschien bedrieg je vooral jezelf. Tijdens de laatste operatie in Gaza waren er ultra-orthodoxe leerinstituten die, al vrij snel na het vallen van raketten, besloten om naar meer noordelijke gedeeltes van Israël uit te wijken. Dat viel niet in goede aarde bij veel mensen, omdat juist ultra-orthodoxen hun vrijstelling van de dienstplicht verdedigen met het argument dat ze met hun Tora-leren over Israël waken. Maar als dat zo is, waarom blijf je dan niet zitten in een gevaarlijk gebied en kies je meteen het hazenpad? Een andere onhebbelijkheid in Israël is de agressieve werving van stemmen. Zo worden mensen thuis bezocht of opgebeld of ze op partij ‘X’ willen stemmen. Zo ook een familielid van mijn vrouw. Nadat ze eerst suf was gezeurd door de ene religieus-zionistische partij, probeerden twee leden van Shas het bij een huisbezoek nog eens dunnetjes over te doen. Ze kapte het gesprek echter snel af. “Ik stem niet op Shas. Verder nog iets?” “Ja, uw man, is hij thuis?”, vroegen ze nog steeds beleefd. “Nee”, antwoordde de getergde vrouw. “O, waar is hij dan?”, wilden ze onvermoeibaar weten. “Ga hem maar zoeken en als je hem gevonden hebt, zeg hem dan ook even dat hij thuis moet komen”, zei de vrouw gevat. Niet dat het iets helpt. Bij de volgende verkiezingen staan ze natuurlijk gewoon weer voor de deur, met dezelfde vragen. De taxichauffeur en de zoon van de rabbijn vrijdag 6 februari 2009 Op een of andere manier leef ik op gespannen voet met de tijd. Op tijd komen wil maar niet lukken. Laatst bracht ik nog iemand tot wanhoop, toen ik eerst belde om te zeggen dat ik iets eerder zou komen dan we hadden afgesproken, om vervolgens toch weer te laat te komen. Maar ja, ik was wel minder laat dan als ik op de afgesproken tijd was gekomen. Enkele dagen geleden was het ook weer zo’n dag dat alles samenspant om mij te laat op de plaats van mijn bestemming te krijgen. Mails die binnenlopen, telefoongesprekken en gezinsleden die smeken om aandacht, plus mijn eigen chaotische manier van vertrekken – nog even de krant lezen, dit boek bekijken, dat tijdschrift doorbladeren, et cetera. Voor het laatste stukje van mijn reis tot aan de universiteit besloot ik daarom een taxi te nemen. Ik parkeerde mijn auto in het stukje van het centrum waarvoor ik een parkeervergunning heb en pakte een taxi naar een ander gedeelte van het centrum – hemelsbreed nog geen kilometer verder schat ik – waar mijn vergunning niet geldig is en er dus 4.80 euro per uur betaald moet worden. Middeleeuwse toestanden, al die extra belastingen die je betaalt boven het al hoge belastingtarief in Nederland. Ik vraag me af wanneer de tol op zout weer terug komt. Terwijl ik plaatsneem in de taxi, valt mijn oog op het pasje van de chauffeur. Een exotische naam, zie ik. Toch eens vragen waar die vandaan komt, die naam. Bovendien is dit natuurlijk een uitgelezen kans om de dialoog aan te gaan met iemand uit een andere cultuur. Als Jood heb je nog een grotere plicht om in gesprek te gaan met anderen, begrijp ik uit een merkwaardige, recent gehouden toespraak van minister Van der Laan. Joden en moslims moeten meer met elkaar in gesprek gaan, want anders loopt het hier mis – zo luidt zijn boodschap. Nu ben ik altijd bereid met mensen te praten, maar ik vind het ook fijn als je als Jood weet dat de overheid je bescherming onvoorwaardelijk garandeert. Wat andere Joden elders op de wereld ook zouden uitvreten: de AIDS verspreiden, bloed van gedode niet-Joodse kinderen in de matzes stoppen (goed voor mensen met bloedarmoede), de kredietcrisis expres veroorzaken om de wereldheerschappij te krijgen, de hostie schenden, of de bronnen met pest vergiftigen. Het generaliseren van groepen en een individu uit zo’n groep iets aanrekenen, wat een ander lid van de groep elders op aarde in heden of verleden heeft gedaan (of onterecht van beschuldigd wordt), lijkt mij de kern van antisemitisch en racistisch gedachtegoed. ‘Het is een Perzische naam’, zegt de man nu in goed Nederlands. Een extatische sfeer ontwaakt in mij: iemand uit Iran. Als dat niet de dialoog bij uitstek is… In mijn geestesoog zie ik mezelf naast de taxichauffeur staan, op een groot podium. Enkele begeerlijke dames reiken ons de Nobelprijs voor de vrede uit en hangen een olijfkrans om onze halzen. ‘Ah, Iran’, zeg ik. ‘Ik ben Joods’, open ik gelijk de dialoog met grof geschut. Ik voeg er nog een zin aan toe met teasers als ‘Midden-Oosten’, ‘gespannen situatie’ en ‘oorlog’. Tot mijn teleurstelling gebeurt er helemaal niets. ‘Wij hebben helemaal niets tegen Joden. Ging altijd goed al die verschillende culturen’, zegt de man, om er aan toe te voegen dat ze in Iran niet slim bezig zijn en dat het een prima toeristisch land had kunnen zijn. De chauffeur blijkt een uit Iran gevluchte Koerd te zijn. Want ook in Iran blijken Koerden gediscrimineerd te worden. ‘De revolutie was goed, maar het bracht een andere dictatuur’, zegt hij nu. Ondertussen aangekomen op de plaats van bestemming, betaal ik de man, pak mijn spullen uit de auto en gooi het portier dicht. Terwijl ik het bedompte universiteitsgebouw instap, echoën deze laatste woorden nog in mijn hoofd door. Gaat dat niet altijd zo met revoluties? In het begin lijkt het allemaal zo goed, maar enige tijd later ontdek je dat het oude regime heeft plaatsgemaakt voor een nieuwe, vaak nog ergere dictatuur met een fascistische, gewelddadige signatuur. Omdat men vanuit de (soms vermeende) misstanden van ‘hoe het was’ rechtstreeks wil overspringen naar de glorieuze toekomst en het heden ondertussen maar even vergeet. Maar ja, wat doe je dan? Alles bij het oude laten? Dat was precies hoe het vroeger vaak ging. Religieuze instituties vonden (of vinden ?) vaak dat de gegeven politieke en maatschappelijke verhoudingen zo moesten blijven, omdat ze door God gewild waren. Dat betekende in praktijk dat de geestelijken en de adel het grotendeels voor het zeggen hadden en dat je als gewone man maar moest zien hoe je overleefde. Was je arm of ziek, dan was dat Gods wil. Of natuurlijk een beproeving om te testen hoe rechtschapen je bent. Ik herinner me nog een discussie met een klasgenoot op de lagere school. Als goede Joodse jongen was ik als tienjarige natuurlijk een sociaal-democraat. Mijn klasgenoot echter – de zoon van een rabbijn – zei dat ‘wat de PVDA wil tegen de Tora was’. ‘Waarom dan?’, vroeg ik. ‘Omdat ze willen dat iedereen gelijk is. En als iedereen gelijk is, zijn er ook geen armen meer. En dan kun je dus ook geen tsedaka meer geven. En dat is een mitswe’. Tja. De boodschap van Tenach is dat het geschapen bestaan niet ideaal is. De weg naar het paradijs is voor de mens verborgen gehouden – beschermd door Cherubijnen en een rondwentelend zwaard, volgens Bereesjiet – maar niet geheel afgesloten. De Tora moet de weg naar het verloren paradijs weer terugwijzen. Niet voor niets stonden er Cherubijnen op het deksel van de Heilige Ark waarin de Stenen Tafelen lagen en de wetsrol. De weg terug bestaat, is de boodschap – maar is wel een middenweg. Die niet rigoreus breekt met het verleden en heden, maar de toekomst met voorzichtige stappen tegemoet gaat. Vandaar dat rondzwerven 40 jaar lang in een woestijn met alle ‘ups en downs’, wonderen en misstappen. Al levende leert men. Liefde vrijdag 30 januari 2009 Gisteren had ik een lang en ingewikkeld gesprek met een kennis over de liefde. Of beter gezegd: zijn liefde. Hij is verliefd op een vrouw die echter nog in een relatie met een ander zit, een vrij uitzichtloze relatie. Een klassiek verhaal maar daarmee niet minder complex. Terwijl ik het relaas - verteld op mild melancholische toon - een tijdje aanhoor, onderbreek ik hem (een onhebbelijke Joodse gewoonte van me) met de vraag ’hoe weet je dat je van iemand houdt’. ’Dat voel je van binnen,’ krijg ik als antwoord. Tja. ’Maar’, zeg ik op licht Talmoedische toon, ’mensen houden ook van vis. Maar die slaan ze aan de haak, laten ze stikken, fileren ze, bakken ze en eten ze vervolgens op.’ Volgens mijn gesprekspartner kun je het verschil tussen lust en liefde wel voor jezelf ontdekken. Okay dan. En ook zij houdt van hem, zegt ze en schrijft ze. Voor mijn oog zie ik zwaar geparfumeerde brieven met roze briefhoofden, een sierlijk krullend handschrift en zinsneden als ‘ik kan niet zonder je’, ‘ik verlang naar je’, gelardeerd met metaforen uit de natuur als ‘een roos’, ‘de stralende zonsopgang’, et cetera … Nou vond ik het Hooglied ook nooit echt boeiende literatuur en niet echt romantisch, maar dat zal wel aan mij liggen. ‘Je bent als de merrie voor de wagen van de farao’ (Hgl. 1:9) - ik ben wel benieuwd wat er gebeurt als je in onze tijd tegen een vrouw zegt dat ze op een Ferrari lijkt, op een Porsche cabriolet, of een Rolce Royce. Of dat je zegt dat haar haar op een kudde geiten lijkt (Hgl. 4:1) en haar tanden op een kudde schapen (Hgl. 4:2) lijken (misschien toch eens een andere tandpasta gebruiken?) En wat kan je je precies voorstellen (Hgl. 8:10) bij borsten die op torentjes lijken (en dat allemaal nog ver voor het siliconen tijdperk…)? Zou dit 2500-3000 jaar geleden echt zo tussen twee mensen, die van elkaar houden, gezegd zijn? Of is het gewoon een literaire constructie? De mooiste zinnen zijn naar mijn mening: “Vele wateren kunnen de liefde niet uitdoven en rivieren zullen haar niet wegspoelen. Al bood iemand zijn gehele bezit (in ruil) voor de liefde, men zou hem zeker verachten” (Hgl. 8:7). In de Joodse traditie worden bij het sluiten van een huwelijk zeven berachot (zegeningen) uitgesproken, waarin op twee plaatsen wordt verwezen naar de eerste mens, Adam en zijn vrouw, in een paradijselijk bestaan. Waarmee men aangeeft dat Adam en Eva de ultieme liefde belichamen. Raar, want in de Tora vindt er geen enkele dialoog plaats tussen beide partners. Nee, het lijkt juist een probleemgezin. De ouders geven elkaar de schuld (’zij gaf me van de vrucht’) en uiteindelijk is het huisdier - geen hond maar een slang - de pineut. Bovendien maken de kinderen elkaar uit jaloezie af. Terwijl Adam nog wel zo blij en verliefd (?) lijkt te zijn wanneer God hem Eva brengt: “En Adam zei: ‘Deze keer - een been van mijn gebeente en vlees van mijn vlees! Zij zal ‘iesja’ heten - vrouw - omdat ze uit een ‘iesj’- een man - is genomen” (Bereesjiet 2:23). Rasji is hier echter vrij ontluisterend in zijn commentaar: “‘Deze keer’- Dit leert ons dat Adam eerst seksueel contact heeft gehad met al het vee en het wildgedierte, maar dat zijn geest (da’at) niet tot rust kwam (letterlijk: afkoelde) bij hen.” Adam vond pas bij Eva volledige bevrediging van zijn verlangens. Nee, voor echte romantiek moet je bij Jakob zijn, de eerste man waarvan gezegd wordt dat hij van zijn vrouw hield. Hetgeen hem er overigens niet van weerhoudt om in totaal 4 vrouwen te hebben. Maar dat kon in die tijd (en in onze tijd soms ook …) Want van zoveel bijbelse figuren wordt overigens niet gezegd dat ze van hun vrouw hielden. Maar misschien is dat niet nodig. Schopenhauer zei al dat er geen ongelukkiger huwelijk bestaat dan tussen twee mensen die van elkaar houden. Maar ja, deze Duitse filosoof hield misschien niet zo van vrouwen en was een misantroop. Toch zeggen ze in ultra-orthodoxe kringen soms vergelijkbare dingen. Daar is het niet echt een noodzakelijk vereiste om van iemand te houden voordat je met diegene trouwt. Wel belangrijk is dat je hem of haar niet afstotelijk vindt in uiterlijk of gedrag. De liefde komt wel na het huwelijk. Ik hoor het de getrouwde man in mijn jesjiva nóg zeggen. Ik denk dat men ook in de westerse wereld er lange tijd zo over dacht. Huwelijken werden vooral uit financiële of politieke redenen gesloten. Als je geluk had, ontstond er na het huwelijk echte liefde. Maar ja, met liefde koop je geen brood... Tot slot nog een opmerkelijk dilemma uit de geschriften van Maimonides: “Wie zijn oog heeft laten vallen op een vrouw en doodziek is geworden (van liefdesverdriet of ongerealiseerde lust?) en de artsen zeggen dat er voor hem geen genezing bestaat, behalve waneer zij bereid is om met hem gemeenschap te hebben, dan - zelfs wanneer ze ongehuwd was - mag men hem dit niet toestaan, maar hij zal sterven. En ook mag men hem het niet toestaan om (alleen) vanachter een afscheiding met haar te praten (een platonische realisering van zijn verlangens, of ranzige praatjes?) Zodat de dochters van Israël niet als een object zonder eigenaar worden en dergelijke zaken zullen leiden tot een inbreuk op de zedelijkheid” (Maimonides, H. Jesodé Hatora 5:12 [9]). Tja, ik zie hier zo mogelijkheden in voor een realityshow op SBS6 of ander weinig verheffend net. Voor een op bed liggende zieke man wordt een vrouw gezocht, die seks met hem wil hebben, omdat dat zijn enige genezing is. Uit de kandidaten kan hij dan 1 naar keuze kiezen, die uiteraard 10.000 euro wint. Het publiek kan natuurlijk meestemmen en sms’en. Want alles is tegenwoordig te koop. Oppassen voor slangengif! vrijdag 23 januari 2009 Vorige week sneed ik het onderwerp aan van de relatie tussen de wetten van de Tora en de fysieke wereld. En ja, er zijn mensen die beweren dat er een rechtstreeks verband is tussen de wetten van de Tora en de fysieke werkelijkheid. Kasjroet is een populair onderwerp in deze. Waarom mogen we bepaalde diersoorten of combinaties van voedingsstoffen niet eten? Omdat ze slecht voor het lichaam zijn. Zelfs Maimonides neigt in bepaalde teksten naar een dergelijke rationele uitleg. Het probleem ligt natuurlijk wel in de observatie dat er vele mensen bestaan die niet kosjer eten en supergezond zijn. Maar er is nog een ander verband mogelijk. In deze visie zijn de fysieke wereld en de spirituele wereld met elkaar verbonden en zijn bepaalde fysieke handelingen of stoffen verboden vanwege de spirituele gevolgen. Een dergelijke claim is al een stuk moeilijker te falsificeren. Neem nou de Chatam Sofer (19e eeuw) die schrijft dat de geloofsafval in de moderne tijd – of specifieker ongeloof en ketterse opvattingen (apikorsoet) – samenhangen met de consumptie van niet kosjer eten. Een nog wat opmerkelijkere visie zet dezelfde Chatam Sofer uiteen in één van zijn responsa waarin hij dieper ingaat op het verband tussen geneeskunde en eten. Hier vraagt hij zich af in hoeverre een Jood – vanuit halachisch oogpunt – kan vertrouwen op de medische inzichten van een niet-Joodse dokter. Immers, diens kennis is gebaseerd op kennis van niet-Joodse lichamen en ziektes, en wie zegt dat dezelfde opgedane kennis zomaar toepasbaar is op Joden. Want misschien werkt hun lichaam wel anders vanwege het kosjere voedsel dat ze eten. Ik moet hier meteen bijzeggen dat de Chatam Sofer in zijn geheel kritisch lijkt te staan tegenover de moderne visie op geneeskunde in zijn tijd, die steeds meer gebaseerd is op universele wetten. Met andere woorden: ze gaan er van uit dat het merendeel van de lichamen op dezelfde manier reageren op bepaalde ziektes en geneesmiddelen. De Chatam Sofer echter, vindt bijvoorbeeld dat een dokter geen geneesmiddel mag voorschrijven aan een patiënt die hij niet gezien heeft. Want wie zegt dat dit medicijn goed is voor dit specifieke lichaam. Tenzij het om zeer algemene kwalen en medicijnen gaat waarvan we kunnen zeggen dat ze algemeen geldig zijn (Chatam Sofer, Even HaEzer II, 61; Chatam Sofer Joreh De’a, 101). Helemaal onzin is dit natuurlijk niet, want van elk medicijn zijn bijwerkingen bekend die slechts bij bepaalde mensen optreden, maar bij de meesten niet. Denk ook aan genetische aanleg voor bepaalde ziektes, die mogelijk ook gevolg heeft voor het specifieke verloop van een ziekte en de behandeling daarvan. Grappig hierbij is overigens ook dat de (verouderde) visie van de Chatam Sofer tegenwoordig weer populairder aan het worden is. In integratieve medicijnen en de meer alternatieve hoek benadrukt men ook de persoonlijke en individuele kant van ziekte en genezing. Zo zou iemands levensgeschiedenis van belang zijn bij het ontstaan van de ziekte, maar ook bij de genezing ervan. Waar haalt de Chatam Sofer deze denkbeelden vandaan? Onder andere uit een Talmoedpassage (Avoda Zara 32b) waarin gesproken wordt over het voorschrift om vloeistoffen ’s nachts te bedekken en geen vloeistoffen te drinken die overnacht hebben terwijl ze open en bloot lagen (giloei). Het drinken van onbedekte vloeistoffen zou schadelijk voor het lichaam zijn omdat slangen – en misschien ook andere giftige reptielen – hiervan kunnen drinken en hun gif hierin achterlaten. Hierop merkt een Talmoedgeleerde van ruim 1500 jaar geleden op, dat er Arameeërs zijn (mensen uit Babylonië), die ogenschijnlijk helemaal geen last hebben van het drinken van onbedekte vloeistoffen. Dus waarom zouden Joden dit soort vloeistoffen niet kunnen drinken, lijkt hij op empirische basis te suggereren. De reden hiervoor is – zo vertelt de Talmoed – dat die Arameeërs hun lichaam al schade aangedaan hebben door het eten van insecten en reptielen – wat volgens de Tora verboden is – maar zo hun lichaam wel als het ware immuun hebben gemaakt voor de kwalijke eigenschappen van onbedekte vloeistoffen waarin (mogelijk) gif zit van slangen. Tja... Ik denk dat de Chatam Sofer tevens beïnvloedt is door de Kabbala. De Chatam Sofer was namelijk de leerling van een van de laatste kabbalisten in de 19e eeuw in Duitsland, Natan Adler. Met deze Natan Adler leerde hij intensief Kabbala. En juist de Kabbala legt vaak allerlei rechtstreekse, causale verbanden tussen materie en geest, tussen lichaam en ziel. Een andere kabbalist – Nachmanides (Spanje, 13e eeuw) – doet namelijk ook in zijn Tora-commentaar opmerkelijke uitspraken. In de passage in de Tora over de onreinheid van een vrouw in haar periode, merkt deze kabbalist het volgende op: “En ook wordt er over dit onderwerp het volgende op waarheid berustende experiment verteld … dat wanneer de menstruerende vrouw [nidah] aan het begin van haar periode in een heldere spiegel van metaal kijkt en dit langdurig doet, er op de spiegel rode druppels zichtbaar worden, als bloed. Want deze schadelijke eigenschap in haar [= de onreinheid] brengt het minderwaardige voort en de slechte lucht verbindt zich met de spiegel.” (Ramban op Wajikra 18:19). Met andere woorden, de onreinheid van de vrouw in haar periode wordt door haar ‘uitgestraald’ op de lucht, die als intermediair de kwalijke eigenschappen hiervan op fysieke wijze overdraagt en uitdrukt op het metaal van de spiegel, in de vorm van rode vlekken. Spontane roestvorming misschien, wie zal het zeggen... Cafépraat vrijdag 16 januari 2009 Hoewel ik inmiddels alweer in ons vertrouwde Nederland ben teruggekeerd, wil ik toch nog even een ervaring uit Israёl met u delen. Een andere favoriete bezigheid van me – behalve exotische Joodse boeken kopen – is het drinken van een cappuccino in een café of op een terrasje en te genieten van het natuurschoon om mij heen. Nu heb ik de merkwaardige neiging om vaak terug te keren naar dezelfde plekken – volgens een vriend van me een neurotisch trekje. Zo heb ik in Rechovot een vast tentje waar ik vaak kom om een goede kop koffie te drinken - geen koffieprut die onder de sjieke naam van ´Turkse koffie´ opgediend wordt - en afhankelijk van mijn taille een stuk gebak erbij. Israëli´s zijn een stuk spraakzamer dan Nederlanders en voor je het weet heb je een geanimeerd gesprek met een verder onbekend persoon. Zo had ik met de serveerster een indringend gesprek over haar bezoek aan Nederland 8 jaar geleden, over de voor- en nadelen van Vista, en over het huidige Nederlandse drugsbeleid. Een andere vaste klant vertelde het droevige verhaal over haar vader – een Sjoa-overlevende – die volledig eenzaam stierf, zonder dat er enig familielid of vrienden bij waren. Weer een andere aanwezige bleek in de jaren 80 van de vorige eeuw een tijdje in Nederland te hebben gewoond en was daar nog vol van. In Jeruzalem heb ik ook zo’n vast klein café dat ik regelmatig aandoe en waar levensmoede twintigers de bediening verzorgen. Een van hen vertelde dat hij Oosterse Muziek studeerde, een mij verder onbekende studierichting. De ander, een vrouw, studeerde een tijdje Industriёle vormgeving maar is daar mee gestopt; ze trok het niet meer. Tussen een kalende dertiger en een oude man in een leren jasje uit de jaren 60, ontspon zich een surrealistisch gesprek waarvan ik slechts een gedeelte kon opvangen. Volgens de kale dertiger leed de ezel aan een slecht imago. ´Wie zegt dat ezels dom zijn´, zei hij nu wat harder. Hij herhaalde deze uitspraak nogmaals om zijn gesprekspartner tot een reactie te bewegen. Omdat er echter geen reactie volgde, ging de man maar verder met zijn luidruchtige monoloog. ´Paarden, die zijn pas stom. Bang en schichtig zijn ze. Ze raken bij alles afgeleid. Nee, ezels die hebben pas pit!´ Ik mompel vanuit de zijlijn dat de Masjiach niet voor niets op een ezel rijdt, maar wordt genegeerd. ´Ik wil een ezel hebben´, zei de kale man nu op een bekentenisachtige toon. Nu reageerde de oude man alsof hij plotseling ontwaakte. ´Dat mag helemaal niet, in de bebouwde kom – te gevaarlijk´, zei hij met zijn krakende stem. ´Gevaarlijk?´ ´Wat is daar nu weer gevaarlijk aan?´, wilde de jonge man weten. ´Ze kunnen schade berokkenen aan voorwerpen, huizen en dergelijke en bovendien kan het gevaarlijk zijn voor mensen´. ´Onzin´, baste de kale dertiger, ´paarden zijn door hun schichtigheid veel onberekenbaarder´. ´Ik kan wel een ezel voor je verzorgen, als je dat echt wil. Voor 100 sjekel´, zei de oude man. Hij bleek namelijk bij een of andere organisatie van natuurbescherming te werken, of ooit gewerkt te hebben. En om de daad bij het woord te voegen, pakte de oude man zijn mobiel en tikte een nummer in. Hierna ging helaas een klein gedeelte van het gesprek voor me verloren doordat er nieuwe klanten binnen kwamen. Wel hoorde ik hem in de telefoon roepen dat hij iemand hier had die een ezel wilde hebben, en of degene aan de andere kant van de lijn hem hierin kon voorzien. Hoe het afliep, weet ik niet, want ik moest helaas weg naar een afspraak. Toch moest ik aan dit enigszins merkwaardige gesprek denken. De kale man had een punt te pakken. Als we naar Tenach kijken, dan komt juist het paard er negatief vanaf en niet de ezel! In de verhalen rond de Uittocht uit Egypte vermeldt de Tora meerdere malen dat de Egyptenaren met hun rijtuigen, paarden en ruiters in zee verdwenen. Blijkbaar staan paarden symbool voor Egypte. Dat blijkt ook uit de voorschriften rond de Joodse koning. Die mocht niet te veel paarden hebben (ook niet te veel vrouwen), zodat hij het volk niet terug naar Egypte zou leiden (Dewariem 17:16). Paarden staan voor de luxe, materiёle wereld van Egypte, waar niet meer naar teruggekeerd mag worden. Ook vinden we het paard niet tussen de dieren die de 12 stammen symboliseren, maar de ezel wel! Jissachar is namelijk ´een ezel met stevige botten´ (Bereesjiet 49:14). Hetgeen mij bij de vraag brengt waarom sommige dieren zo’n slecht imago hebben. Neem nu het varken. Dat is inderdaad niet kosjer, maar dat zijn zoveel dieren niet. Toch zijn er weinig dieren die zo een taboe vormen voor Joden, als het varken. Raar, want Tenach is verder niet uitzonderlijk negatief over het varken. Eigenlijk heeft de niet-kosjere status van een dier paradoxaal genoeg een beschermend karakter – het dier mag immers niet gegeten worden! Terwijl een rein dier gedood wordt als voedsel. Maar is er wel een relatie tussen de eigenschappen van een dier en het feit of een bepaald dier wel of niet kosjer is? Zijn varkens, ezels, leeuwen, garnalen en honden ´slecht´ en mogen ze daarom niet gegeten worden? Of beter: vertegenwoordigen ze negatieve spirituele kwaliteiten? Ik denk dat het wel meevalt, want anders zouden nooit niet-kosjere dieren gekozen zijn als symbolen voor de 12 stammen van Israёl: leeuw, ezel, slang, wolf (Bereesjiet 49:8-27). Toch vertelde iemand me laatst dat ze geen knuffeldieren voor haar kleinkinderen kon kopen, omdat die doorgaans niet-kosjer zijn. En de Rebbe had gezegd dat dat niet mocht. Tja. Toch is de vraag naar de relatie tussen de fysieke wereld en de wetten uit de Tora een interessante. Hebben de wetten van de Tora consequenties in de materiёle wereld? Kan je reinheid en onreinheid meten? Is heiligheid een kwaliteit die werkelijk aanwezig is in bepaalde voorwerpen of voedsel? Of laat het niets anders zien dan onze relatie tot bepaalde dingen? Wat me weer doet denken aan dat mikve met lichtelijk sjmotz water, lang geleden toen ik nog haar had en chassidisch was. Enigszins weifelend stond ik aan de rand van het water en aarzelde of ik me daar in zou onderdompelen. ´Moet je je daarin reinigen?´, zei ik tegen mijn mede-chassied. Volgens hem kon je er echter niet ziek van worden want het was een mitswe. Vooruit dan maar. Het water rook - zoals verwacht - ranzig. Later hoorde ik enge verhalen over mensen die hepatitis in een mikve hadden opgelopen. Met de beschermende werking van een mitswe viel het dus wel mee. Of juist tegen. Veel boeken – en een goed huwelijk vrijdag 9 januari 2009 Eén van mijn favoriete bezigheden op vakantie is het zoeken naar Joodse boeken. De drie boekwinkeltjes die ik in Rechovot – mijn vakantieverblijf – regelmatig bezoek, hebben allemaal een zeer klein vloeroppervlak van nog geen 20 vierkante meter. Van een echte etalage of goede verlichting is geen sprake – geen winkeltje, maar een sjtinkeltje dus. Vaak is het kleine winkeltje ook nog eens ingedeeld in verschillende sub-ruimtes zodat het nog het meest op een mierenhol lijkt. Wanneer er meer dan 2-3 klanten in de winkel staan en nog een vrouw met kinderwagen binnenkomt èn een leverancier met boeken op een steekwagentje langskomt – dan ontstaan er interessante rangeer-problemen die we nog uit onze jeugd kennen uit boekjes met allerlei moeilijke raadsels en ‘hersenkrakers’. Maar dat mag de pret voor mij allemaal niet drukken, integendeel. Het eerste winkeltje dat ik bezoek, behoort aan het Chabadhuis in Rechovot. Naast Joodse rituele gebruiksvoorwerpen (talliet, keppel, kandelaars, mezoeza en tefillien op bestelling) verkoopt men ook boeken. Grotendeels uit de Chabadstroming, maar ook van andere ultra-orthodoxe stromingen, zoals van Oriëntaalse rabbijnen en enkele rabbijnen uit de rechterkant (qua vroomheid) van de religieus-zionistische stroming. Mijn oog valt op een lijvig boekwerk met foeilelijke omslag. Om een of andere reden hebben omslagen van ultra-orthodoxe boeken vaak een hoog kitsch-gehalte. 625 Pagina’s over geloof (emoena) en vertrouwen (bitachon) waarbij de auteur ook nog een lijst met vragen en antwoorden heeft opgenomen die door mensen aan hem zijn gesteld op deze twee gebieden. ‘Mag je naar de radio luisteren’, ‘Mag je meedoen aan de loterij’, ‘Wat te doen met een handlezer die slechte dingen voorspelde’, ‘Hoe zit het met de invloed van de planeten’, ‘Hoe verwerf je het geloof’, ‘Is het okay om kalmerende middelen te gebruiken of mag je op God vertrouwen’, et cetera. Mijn belangstelling was gewekt ... Zeker gezien de onwaarschijnlijke prijs van 15 sjekel (nog geen 3 euro). Met het boek in een plastic zakje van erg dun plastic gestoken, vertrok ik opgetogen de winkel. Op naar de volgende winkel die nog smaller is dan het Chabadhuis. De verkoper zit altijd ergens in een hoek van de winkel verborgen, achter de toonbank, onzichtbaar voor de klant. De eigenaar draagt een gehaakt keppeltje en is een moderne religieuze Israeli. Hier vind je boeken geschreven door religieuze academici, moderne Joodse denkers (Soloveitchik), boeken over religieus-zionisme, klassieke traditionele standaardwerken en boeken uit de ultra-orthodoxie. De oogst viel dit keer een beetje tegen en ik besluit niets te kopen. Wel weet ik de verkoper nog 10 minuten bezig te houden met het zoeken naar een waarschijnlijk niet bestaand boek, omdat ik de titel niet goed heb onthouden. Na enkele schappen te hebben doorzocht, komt hij tot de conclusie dat hij het niet heeft, maar er wel van gehoord heeft. ‘Misschien via een advertentie’, zegt hij. Ik knik instemmend en vertrek, op weg naar winkel nummer drie. Deze winkel wordt gedreven door twee authentieke chassidische Joden die altijd beleefd zijn en iedereen vriendelijk te woord staan. Ook de mooie vrouw in strakke spijkerbroek die een beker zoekt voor het overgieten van de handen voor de maaltijd (natla). De vorige reis dat ik hier was, kwam er een ietwat verwarde man binnen die luidkeels riep dat “de Oriëntaalse rabbijn Ovadia Josef de Masjiach is!”. De verkoper reageerde adequaat door te vragen hoe hij dat wist. Er volgde een ingewikkelde uitleg die ik me niet meer precies kan herinneren. Enfin, ook hier was de oogst dit keer matig. Terwijl ik al enigszins teleurgesteld wil vertrekken, zie ik vanuit mijn ooghoek een boek met een New-Age aandoende omslag: “Boodschappen uit de Echte Wereld”. De ondertitel is al even intrigerend: “Daniël – de wereld van een autist”. Er gaat ergens een lampje branden en ik herinner me een tijd geleden een artikel gelezen te hebben over het fenomeen dat sommigen in de ultra-orthodoxe wereld een autistisch kind als medium beschouwen. Als hele hoge zielen die speciaal nogmaals op aarde zijn gekomen om ons de weg te wijzen. Tijdens bijeenkomsten worden autistische kinderen vragen gesteld waar vervolgens door het kind op een of andere manier antwoord op wordt gegeven. Sommigen hebben zware kritiek op het gebruik van autistische kinderen voor dergelijke praktijken. Opgewonden pak ik het boek vast en kijk naar de prijs. 13 Sjekel jubel ik, en haast me naar de kassa. Alsof ik bang ben dat er opeens een devaluatie van de sjekel wordt afgekondigd, waardoor de prijs zou worden verhoogd – iets dat begin jaren 80 van de vorige eeuw toen er zeer hoge inflatie in Israel was, ook werkelijk gebeurde. Dan stond je in de supermarkt en werd opeens alles stilgelegd: een devaluatie. Waarna alle prijzen allemaal opnieuw berekend moesten worden. Uren later was je pas weer thuis met je boodschappen. Terwijl ik het boek al wil weggrissen van de toonbank en weg wil lopen, houdt de verkoper me nog even tegen. “Je weet dat er ook nog een tweede deel is?”, zegt hij in vriendelijk Jiddisj. Ik voel m’n mond droog worden van opwinding. “Een tweede deel? – waar dan?”. Langzaam sloft de man van achter zijn toonbank vandaan richting het boekenschap. “Tja, ik weet niet of ik het heb”, zegt hij. Maar na enig zoeken krijg ik een vrijwel identiek boek als het eerste. Met een ‘2’ op de omslag en een iets afwijkende tekst erop. “Dat is deel 2”. Ook dit deel blijkt 13 sjekel te kosten. Euforisch betaal ik ook dit boek en loop met beide delen de winkel uit. Buiten gekomen, moeten mijn ogen weer even wennen aan het zonlicht. Goedgeluimd loop ik terug naar ons vakantieverblijf. Een ongeluk of dood door schuld? vrijdag 19 december 08 Ik schrijf dit blog / deze column uit Israël, waar ik nu ‘op vakantie ben’. Op het Ben-Gurion vliegveld aangekomen, probeer ik een taxi voor ons gezin te bemachtigen. Dit blijkt allemaal problematisch te zijn voor de taxichauffeur: hoe oud zijn de kinderen, hoeveel kinderen mogen er ook al weer op de achterbank volgens de wet en de verzekeringsmaatschappij, hoe lang is dit meisje, komt de gordel niet te dicht bij haar keel – zodat verstikkingsgevaar bij een ongeluk op de loer ligt?, et cetera ... Het zou allemaal niet zo triest zijn als zich niet net afgelopen dinsdag een ongeluk met 25 doden bij Eilat had voorgedaan. Veroorzaakt door ruzie tussen twee buschauffeurs en bijbehorend roekeloos rijgedrag. Volgens de krant had de chauffeur die het ongeluk veroorzaakte 22 verkeersovertredingen in de loop van de jaren op zijn naam staan, waarvan de laatste 6 jaar geleden ..... Diezelfde dinsdag vond in Jeruzalem het 18e congres plaats voor rabbijnen over geldzaken in de halacha. Blijkbaar geïnspireerd door het ongeluk, vond één van de aanwezige belangrijke rabbijnen – Rabbijn Zalman Nechemja Goldberg – dat wie betrokken was bij een ongeluk met dodelijke slachtoffers, verplicht is vanuit bijbelse optiek om in ballingschap te gaan in een vluchtstad. En dat ook in onze tijden, waarin het bijbelse recht niet toepasbaar is, iemand die een dodelijk ongeluk veroorzaakt, in ballingschap moet. Hoe hij zich dit precies had voorgesteld, wordt uit het krantenartikel niet duidelijk. Toch is het allemaal wat gecompliceerder dan de rabbijn voorstelt. Moeten we niet kijken of het een ongeluk is of nalatigheid, of de dader wel iets te verwijten valt?! Het bijbelse gedachtegoed in deze, is ook complexer en verder van ons ‘gedachte-bed’ dan we ons bewust zijn. Op drie plekken in de Tora lezen we over iemand die verbannen moet worden omdat hij iemand gedood heeft, maar dit niet expres heeft gedaan. Anders is hij een moordenaar, waarvoor geen ballingschap als straf geldt, maar de doodstraf. De eerste passage vinden we in Sjemot (Exodus) 21:12-13. Daar lezen we dat wie een ander (neer)slaat zeker gedood zal moeten worden. Maar wie niet op iemand heeft geloerd – met voorbedachte rade zouden wij zeggen – maar ‘God heeft het hem ter hande gesteld’, die moet naar een voorbestemde plaats vluchten. Blijkbaar veronderstelt men hier dat iemand òf expres handelt en dus een moordenaar is, òf door God gestuurd / bestuurd wordt en daarom / desondanks nog steeds een moordenaar is, maar van een lager niveau – vandaar dat hij moet vluchten. Inderdaad kom je nog in de rabbijnse literatuur de idee tegen dat ‘vanuit de slechten het slechte voortkomt’. Met andere woorden: een ongeluk is geen ongeluk maar een straf voor zowel dader als slachtoffer. Ik denk niet dat wij hier in 2008 - en bijna 2009 -vrolijk van worden. Wat overigens de functie van die vluchtplaats is, komt in deze verzen niet uit de verf. Daar lezen we wel over in Bemidbar (Numeri) 35:9-34. God geeft hier aan Mosje de opdracht om zes vluchtsteden te bestemmen. De vluchtstad die iemand asiel verleent omdat hij een ander per ongeluk heeft gedood. Dat asiel blijkt broodnodig te zijn, omdat hij anders door de bloedwreker wordt gedood – hetgeen volgens de Tora in sommige gevallen okay is (eigen rechter eerst ... zie Bemidbar 35:27). Zo’n ballingschap duurt totdat de Hogepriester dood is, waarna alles vergeten en vergeven is. Het is verder aan de gemeente om vast te stellen of iemand een moordenaar is en daarom de doodstraf verdient, of dat iemand per ongeluk heeft gedood en in ballingschap moet in één van de zes vluchtsteden. Maar hoe bepaal je dat? Bemidbar 35 is daar niet geheel duidelijk over. Het lijkt alsof elk direct contact tussen dader en slachtoffer, dat tot de dood leidt – met een stenen voorwerp, een houten voorwerp, metaal of de blote hand - altijd als moord wordt gezien. Ook wanneer duidelijk zichtbaar is dat uit haat of vijandschap is gehandeld, wordt van opzet uitgegaan en wordt het voorval als moord beschouwd. Alleen wanneer zonder aanleiding, opeens, iemand geduwd wordt, een voorwerp of steen op zich krijgt en sterft – en de dader geen haat of vijandschap jegens het slachtoffer koesterde – moet de dader in ballingschap. Raar, want het is dan toch een ongeluk? Of bestaat een ongeluk niet en is alles verwijtbaar? Let ook op dat de Hebreeuwse tekst, ook in het geval van de tot ballingschap veroordeelde dader, van ‘moordenaar’ spreekt (rotzeach) – blijkbaar kent men geen duidelijk verschil tussen moord, doodslag en een ongeluk. Ik zou niet in een dergelijke samenleving willen leven. Ook heb ik weinig vertrouwen in de gemeente / jury die moet bepalen of sprake is van haat of vijandschap. Wie weet welke intriges de boventoon gaan voeren in een dergelijke samenleving met een hoge graad van sociale dwang, sociale controle en stamverbanden en familieclans ... In Dewariem 19 vinden we de laatste plaats over opzettelijke moord en dood door ongeval. In vers 4 en 5 geeft de Tora het voorbeeld van iemand die in ballingschap moet gaan: Wie iemand zonder denken doodt en hem niet eerder haatte. Het voorbeeld dat gegeven wordt, is iemand die in het bos hout hakt, samen met een andere persoon. Wanneer hij zijn hand met de bijl wil laten neerkomen op het stuk hout, vliegt het ijzer van de steel en raakt de ander die hierdoor gedood wordt. Dit is het klassieke voorbeeld om in ballingschap te gaan – terwijl wij zouden zeggen dat dit toch typisch een ongeluk is. Tenzij de houthakker nalatig was en wist dat de bijl niet stevig was en hij daardoor nalatig en verwijtbaar is. Bovendien heb je als persoon ook een eigen verantwoordelijkheid – ga niet dicht op het houthakken staan, zou ik als jiddisje vader zeggen ... Maimonides geeft in zijn codex een driedeling van soorten dodelijke ongelukken: een ongeluk dat op opzet lijkt, een ongeluk dat op overmacht lijkt en het ongeluk dat uit onnadachtzaam handelen voortkomt. Wie een ongeluk dat op opzet lijkt veroorzaakt, gaat niet in ballingschap omdat waarschijnlijk opzet in het spel is. De bloedwraker mag hem doden. Wat moet hij dus doen om gered te worden, schrijft Maimonides? Oppassen voor de bloedwraker ... Fijne samenleving gaat dat worden ... Wie een ongeluk veroorzaakt dat op overmacht lijkt, is vrij van alles. Als voorbeeld geeft Maimonides in navolging van de Misjna iemand die een vat aan een touw naar boven trekt en het touw breekt, het vat valt en doodt iemand. Wij zouden het hier weer niet mee eens zijn. Wanneer je iets naar boven takelt. moet je allerlei voorzorgsmaatregelen nemen – is het touw wel dik genoeg, was het vat niet te zwaar etc. Terwijl Maimonides weer als voorbeeld van een ongeluk waarop als straf ballingschap staat, het voorbeeld geeft van iemand die een vat naar beneden takelt, waarna het touw breekt en het vat valt en iemand doodt. Of iemand die een ladder afdaalt en hij valt en doodt iemand met zijn gewicht. Al die gevallen zijn ongelukken waarvoor je in ballingschap moet, omdat “bij het naar beneden gaan of neerwaartse bewegingen in de meeste gevallen schade ontstaat, omdat de natuur van zware voorwerpen is, om naar beneden te gaan met snelheid. En omdat hij niet voorzichtig genoeg was en zijn handelen bij het naar beneden gaan niet goed voorbereidde – daarom moet hij in ballingschap.” Een typisch voorbeeld volgens ons van nalatigheid die inderdaad bestraft moet worden, maar niet door ballingschap maar door bijvoorbeeld een hoge geldboete, smartengeld, schadegeld en het verbod om een bepaald beroep uit te oefenen. Tot slot: het volgen van halacha in deze soort zaken zou tot rare toestanden leiden. Zo schrijft Maimonides bijvoorbeeld in navolging van de Talmoed, dat iemand alleen in ballingschap moet indien het slachtoffer meteen dood was. Leefde hij echter nog eventjes na het ongeval, dan is hij vrijgesteld. Ook vind de halacha dat wie een steen naar een dadelpalm gooit om dadels naar beneden te krijgen en de dadeltros inderdaad naar beneden valt en een baby doodt, dat zo iemand vrij is van ballingschap. Omdat het slechts indirect voortkomt uit zijn handelingen. Hij gooit een steen naar de tros en de tros valt en doodt het kindje. Tsja .. De Israëlische State Controller vrijdag 12 december 08 Zoals u misschien wel gemerkt hebt, ben ik gefascineerd door wat meer exotische vormen van Jodendom, althans exotisch in vergelijking met ons Nederlandse Calvinistische Jodendom. Vandaar dat ik meteen geïnteresseerd raakte toen ik in een Israëlische krant een artikel las over een rapport van de 'State Controller' (mevaker hamedina) – een soort Nationale Ombudsman van Israël, maar dan serieuzer – inzake het graf van Rabbi Sjimon bar Jochai in Meron. Even wat achtergrond info: Meron is een vlekje op de kaart van Noord Israël, in de buurt van Sefat, dat eigenlijk alleen bekend staat vanwege het graf van Rabbi Sjimon bar Jochai. Deze rabbijn uit de 2e eeuw was fel anti-Romeins (prima vent dus…) en bovendien een persoonlijkheid waar omheen al in de Talmoed veel wonderbaarlijke verhalen de ronde doen. In de Middeleeuwen meende men na het ontdekken / schrijven van de Zohar (13e eeuw), dat dit mystieke werk door Rabbi Sjimon bar Jochai was geschreven. Vanwege de grote mystieke geheimen in dit boek, bleef de inhoud gedurende zo’n 1000 jaar verborgen voor het grote publiek en was deze alleen bekend bij een kleine kring mystici. De middeleeuwse reizende rabbijn Binjamin uit Tudela beschrijft in zijn dagboek van zijn grote reis van Spanje naar Israël, dat in het plaatsje Meron het graf lag van Rabbi Sjimon bar Jochai. Een bedevaartsplaats was geboren … Vooral toen vanaf de 16e eeuw de Kabbala een grote vlucht nam in het Jodendom, werd dit graf een populaire plek. Maar niemand kon vermoeden welke proporties dit zou aannemen – ook ik niet – totdat ik dit bovengenoemde rapport las van de State Controller… Het graf staat op de TWEEDE plaats van de belangrijkste bedevaartsplaatsen in Israël, waarbij je althans mag aannemen dat de Kotel – de Klaagmuur – op 1 staat. Het geschatte aantal bezoekers per jaar is 1.500.000 – met op een normale dag enkele duizenden bezoekers. Het grootste evenement is rond Lag Be'Omer – de sterfdag van Rabbi Sjimon bar Jochai – ruim twee weken voor Sjawoe'ot. Dan bezoeken tussen de 250.000 en 400.000 mensen het graf. Dit kun je dus niet afdoen als een marginaal verschijnsel, integendeel. Het rapport geeft ons ook nog een ander beeld van wat er rond het graf gebeurt, met details die ons merkwaardig voorkomen. Zo is er een strijd aan de gang over wie baas is over het graf. Vier partijen zijn hier al jaren over aan het ruziën: "Het Sefardische Heilige Erfgoed", "De Asjkenazische Raad van Heilige Erfgoederen", de plaatselijke autoriteiten waaronder de plaats Meron en omgeving valt, en de Staat. Toen ik het las moest ik denken aan de kluchtige taferelen rond de Heilige Grafkerk in Jeruzalem, waarover allerlei kerken ruziën. Zo wordt daar exact beschreven welk gedeelte van de Heilige Grafkerk van welke kerkorde is, en waar de verschillende functionarissen mogen komen en wat hun taken zijn. Dit alles is amusant beschreven door Els van Diggele in haar recente boek Heilige Ruzies. Al met al leidt de strijd om het bezit van het graf tot gebrekkig onderhoud, slechte infrastructuur en allerlei andere misstanden. Van slechte bewaking tot het niet voorbereid zijn op calamiteiten omdat bijvoorbeeld vluchtwegen niet worden vrij gehouden. Ook wordt de 'Wet op het Behoud van Heilige Plaatsen' – die eten, drinken, slapen, verkoop, en bedelen verbiedt – met voeten getreden, foetert de 'State Controller'. Bedelaars, rode-draadjes-tegen-Boze-Oog-verkopers, zegengevers en allerhande marskramer-achtige typetjes doen inbreuk op de heiligheid van de plaats, vindt hij. Tja, dat er gewoon geslapen wordt rond het graf wist ik al jaren voordat de 'State Controller' dat blijkbaar wist. Een gedeelte van de oriëntaalse familie van mijn vrouw gaat al jaren enkele dagen voor Lag Be'Omer gezellig naar Meron, in een soort caravaan van auto's. Tenten, barbecues, waterkokers, stereo en draagbare t.v.'s worden soms gewoon meegenomen. Wanneer was die 'State Controller' voor het laatst in Meron, vraag ik me dan af … Enfin, verder windt hij zich nog op over het illegaal bouwen rond het heilige graf. Allerhande aanbouwsels, gebouwtjes, overkappingen e.d. worden al jaren zonder vergunning bijgebouwd (welcome in Israel …) en dus ook zonder toezicht van een architect. De laatste professionele metingen werden 20 jaar geleden verricht. Een ongeluk door instorting van dergelijke bouwsels of het instorten van het originele graf zelf, is dan ook een serieus gevaar. Onfris wordt het bij het paragraafje over de illegale slacht rond het graf. Volgens het rapport worden er illegaal schapen en geiten geslacht zonder toezicht van de veterinaire dienst, onder slechte hygiënische condities. Verder valt uit het rapport op te maken - althans volgens het krantenartikel – dat er soms rond het graf een illegaal slachthuis uit naam van 'Het Centrum voor de Heilige Plaatsen' actief is. Ook hier worden de regels rond rituele slacht en consumptievlees met voeten getreden. Er zouden, ik citeer, "inwendige organen van de geslachte dieren onderzocht zijn in het kader van instructie [tot rituele slacht] en het kosjer maken van het vlees. Een team van slachters verrichtte de handelingen rond het vlees onder de blote hemel, op opklapbare tafeltjes en kartonnen dozen, vlakbij een ongeasfalteerde weg, waarop bezoekers in auto’s langsreden of te voet langswandelden". Bovendien wordt er voedsel onder de bezoekers uitgedeeld door een andere organisatie, die de naam "Gastvrijheid" (hachnasat ochiem) draagt. Uiteraard is er niemand die toezicht houdt op de versheid van het vlees en de sanitaire voorzieningen tijdens de opslag en verwerking. Heh, lekker … Is er geen middenweg mogelijk tussen Nederlandse regelneverij en laksheid? Voor mensen met een zwakke maag en een hypochondrische inslag raad ik voorlopig in plaats van een uitje naar Meron, een dagje Kinneret aan. De periferie vrijdag 5 december 08 "Nog meer brood in de Kastelenstraat", lees ik op de NIK-site. Is die klucht rond het kosjere brood, die nu al maanden duurt, nog niet afgelopen? Blijkbaar niet. "De nieuwe levensmiddelenwinkel Ha-Chalavit in de Kastelenstraat 114 verkoopt sinds deze week ook brood. Tegen bodemprijzen, naar eigen zeggen. Een heel gesneden wit voor 1,75 euro, een heel gesneden bruin voor 1,95 euro. Daarnaast is er rond Marokkaans brood te koop, wit en bruin stokbrood en bolletjes. Op vrijdag zijn er ook challes (Ha-Chalavit raadt aan die donderdag voor 18.00 uur te bestellen)". Nou daar zullen Joden in Deventer, Nijmegen, Groningen en Maastricht wel blij mee zijn. Als ze nu dagelijks om een uur of 5 ’s ochtends vertrekken, kunnen ze even snel brood in de Kastelenstraat kopen en dan tegen de ochtendspits weer terug naar huis. Je moet wel wat voor je kosjere brood overhebben … Natuurlijk, Amsterdam is qua aantal Joden het belangrijkste centrum in Nederland. Maar toch woont het grootste aantal Joden in de Mediene. Wie in het centrum zit, heeft soms een tunnelvisie over wat er moet gebeuren. Dat zie je de hele geschiedenis door. In Rome denkt het Vaticaan nog steeds dat ze het middelpunt van de wereld is, maar de meeste Katholieken wonen inmiddels in de Derde Wereld. New York denkt dat het het belangrijkste zakencentrum in de wereld is, terwijl er aanwijzingen zijn dat de toekomst (voorlopig) misschien wel in het Verre Oosten ligt. Op Europees niveau is er het 'centrum' in Brussel dat allerlei regelgeving afkondigt, subsidies geeft en wetten wil maken die vaak losgezongen zijn van wat er in de periferie gebeurt. Zo hoorde ik laatst een verhaal van iemand met een uitkering, die tegenwoordig één keer per week in een restaurant moet werken als keukenhulpje. Anders wordt hij in zijn uitkering gekort. Nu denk ik dat mensen weer terug in het werkende leven krijgen, belangrijk is, maar dat keukenhulpje spelen gedurende één keer per week daar weinig aan bijdraagt. Maar dat wordt allemaal door de Dienst Werk en Inkomen (of zoiets) bedacht, een Dienst die geld krijgt van Brussel om dit soort 'nuttige projecten' voor kansarmen op te zetten. Ook het restaurant krijgt een klein gedeelte van het geld, de rest gaat naar consulenten en verdwijnt in de raderen van het systeem. Zelf houdt de uitkeringstrekker er niets extra's aan over. Toen hij aandrong op scholing werd hem te kennen gegeven dat hij daarvoor niet in aanmerking komt, mede gezien zijn leeftijd, en dat extra scholing zijn kansen op betaald werk niet vergroot. Ondertussen werkt hij gratis elk weekend 12 uur ergens in een restaurant in Amsterdam, aldus zijn eigen verhaal. Ook in het Jodendom kennen we de spanning tussen centrum en periferie. Had men in Jeruzalem destijds in de gaten dat de strijd tegen de Romeinen zinloos was en de ondergang van de Tempel naderbij zou brengen? Misschien zag men dat wel beter in de periferie van Israël en in de Diaspora. Ook de synagoge – één van de belangrijkste instituten die het Jodendom levend houden – heeft haar oorsprong (hoogstwaarschijnlijk) in de Diaspora. De meeste vermeldingen in literatuur uit de Oudheid en de meeste archeologische restanten die gevonden zijn, zijn afkomstig van synagoges uit de periferie: uit de Diaspora en de periferie van Israël (Galilea bijvoorbeeld). Het Jodendom heeft meerdere centra gehad door de eeuwen heen: Israël, Egypte, Babylonië, Klein-Azië, Spanje, Duitsland en Frankrijk, Oost-Europa en de V.S. Soms opereren deze centra gelijktijdig in harmonie of zijn ze in een concurrentiestrijd verwikkeld, soms volgen ze elkaar op. Terug naar de periferie van Nederland. De realiteit daar lijkt mij dat kosjer brood, kaas en vlees moeilijk te krijgen zijn. Sommige traditionelen zijn creatief: ze eten vrijwel vegetarisch en maken hun eigen brood en kaas. Joods onderwijs is er niet en Joodse jeugdbewegingen evenmin. Synagoges zijn er in grote steden, maar wekelijks dienst hebben er maar weinig. Kortom: de kans dat je maar weinig aan je Jodendom kunt doen, is groot en vaak nauwelijks een bewuste keuze. Werk genoeg voor mensen die zich grote zorgen maken over de toekomst van het Jodendom buiten de Randstad. Veel van dat goede werk wordt door de IPOR-rabbijnen gedaan, hoewel ook zij maar een fractie van de mensen bereiken. Men weet eigenlijk vaak niet eens hoe groot de doelgroep is en waar men die precies moet zoeken. De recente aanstelling van een opperrabbijn voor het IPOR lijkt mij echter weinig toegevoegde waarde te hebben op het gebied van de strijd tegen assimilatie. Groot was ook mijn verbazing toen ik in een buitenlandse krant las dat de kersverse opperrabbijn zich vooral gaat richten "op het opsporen van oorlogswezen die als Christenen zijn opgevoed en niet weten dat ze Joods zijn" en het conserveren van de 200 Joodse begraafplaatsen (Yediot Acharonot). Tja, hoe pijnlijk deze zaak ook is, maar wat gaat de opperrabbijn nu precies doen met die wezen waarvan de jongsten rond de 65 jaar zijn en de oudsten 75 jaar (of ouder)? (sommigen willen overigens, denk ik, helemaal niet op hun Joodse wortels gewezen worden, omdat het allemaal te traumatisch is). En ook de zorg voor begraafplaatsen is belangrijk, maar is geen facet van het Levende Jodendom. Laten we van de Tora een Levende Tora maken, een Boom des Levens. Ook (en vooral) in de periferie. Zending vrijdag 28 november 08 Op de website van het NIK staan ook nieuwsberichten. Groot was mijn verbazing toen ik daar het volgende las onder de kop "Zending in Buitenveldert" (23-11-2008): "Een kosjere winkelier in Buitenveldert trof een cd-rom in zijn winkel aan die hij niet had ingekocht. Er op stonden het Oude èn Nieuwe Testament in 17 verschillende talen. Tot zijn verrassing vond de eigenaar van een kosjere levensmiddelenwinkel in Amsterdam-Buitenveldert een cd-rom in zijn winkel die kennelijk iemand opzettelijk daar had achtergelaten met het doel zending te bedrijven onder Joden … Overduidelijk blijkt dat het de bedoeling van degene was die de cd-rom achter had gelaten om er voor te zorgen dat het Joodse winkelende publiek het materiaal mee naar huis zou nemen en zich het gedachtegoed eigen zou maken." Los van het feit dat de constatering dat "er wel 17 verschillende talen op de CD stonden" op mijn lachspieren werkte (hoe klinkt de Tora in het Zweeds?), vond ik het opmerkelijk dat men dit als nieuws op de website presenteerde. Blijkbaar raakt men bij het NIK oprecht overstuur als een Joodse winkelier een CD aantreft met daarop teksten van het NT. Alsof het NT niet gewoon bij elke AKO of Bruna te krijgen is, of in meer dan 17 talen leesbaar op internet. Ja, het is stukken moeilijker om een Nederlandstalige Tenach te krijgen in dit land, dan een NT! (Vooral als het NIK zelf niet wilde meewerken aan een nieuwe moderne vertaling van Tenach voor Joden …). Kromme komkommers vrijdag 21 november 08 Kromme komkommers, gebogen wortels en ander vreemd gevormd fruit mag vanaf juli weer terug in de winkel, las ik in het AD ruim een week geleden. Wat blijkt: op Europees niveau waren al sinds 1988 te kromme komkommers – en blijkbaar ook andere vreemdgevormde groente en fruit – verboden voor de handel. Ingewijden onder ons weten uiteraard dat “de maximaal toegestane kromming tien millimeter per tien strekkende centimeter komkommer” bedraagt. Uiteraard is dit weer een voorbeeld waar vreemdgevormde regelgeving op Europees niveau toe leidt. In een artikel in HP / De Tijd van enkele jaren geleden werd een overzicht gegeven van tal van andere rare regels uit Brussel. Een regel die me nog bijstaat is de maximumlengte van cocktailprikkers ….. Toch is dit allemaal minder grappig dan het lijkt. Volgens een Britse supermarktketen wordt “zo'n 20 procent van de oogst in ons land niet gebruikt. We kunnen niet doorgaan met verspilling van groenten en fruit, zelfs voordat het de boerderij of kas verlaat”. Verbijsterend moet je dus concluderen dat een vijfde van de oogst blijkbaar op vaste basis verrot of vernietigd wordt. Volgens diezelfde winkelketen zou de prijs van groente en fruit zelfs 40% kunnen dalen na het afschaffen van de oude regel die andersgevormde groenten en fruit de toegang tot de markt ontzegt! Ik vind verspilling van eten in een wereld waar dagelijks mensen van de honger omkomen gewoonweg pervers. Ook bizar is het feit dat door een rare regel uit Brussel de consument 40% te veel betaalt voor zijn groente en fruit – voedingsmiddelen die we nodig hebben voor onze gezondheid en die geen overbodige luxe zijn. Waarom werd die regel eigenlijk ingevoerd? Vanwege een “brede consensus tussen bedrijfsleven en consument”. Omdat de komkommernorm het verpakken en het vervoer van de groente vergemakkelijkt, aldus een eerder krantenbericht. Met andere woorden: het is veel makkelijker om rechte komkommers te plastificeren en te vervoeren dan kromme komkommers. Oftewel: er passen meer rechte dan kromme komkommers in een vrachtwagen. Dus is het goedkoper om rechte komkommers te selecteren voor de markt. Dat je een vijfde van de oogst verspilt en dat de consument de rekening hiervoor betaalt, zal iedereen verder een zorg zijn. Als de regel niet afgeschaft zou zijn, lag het misschien wel in de verwachting dat er op Europees niveau ‘eugenetisch’ ingegrepen zou worden. Door alleen nog maar rechte komkommerrassen te gaan telen en die door kruising nog rechter te maken. Of misschien door middel van genetische manipulatie de ‘entartete’ groentesoort alsnog recht te breien. En dat geldt natuurlijk ook voor andere ‘misvormde’ soorten groenten en fruit. Volgens de Joodse traditie is taal een zeer belangrijk medium. De manier waarop we taal gebruiken ‘schept werelden’ volgens bepaalde teksten. Volgens andere teksten loopt er een continuüm tussen denken, spreken (taalgebruik) en doen. Het denken wordt in taal vormgegeven en concreter gemaakt, om vervolgens in het doen volledig gestalte te krijgen. Taalgebruik en spreken zijn dus niet neutraal. Wat zegt de manier waarop men spreekt over komkommers en vreemdgevormde groenten, over het denken van deze mensen? Allereerst een soort intolerantie tegen dingen die afwijken. En het maakt hier weinig uit dat een kromme komkommer net zo natuurlijk is als een rechte. Daarnaast het idee dat de weerbarstige werkelijkheid terug te brengen is tot economische calculaties – tot anonieme cijfertjes. En natuurlijk de overtuiging dat alles volledig maakbaar is: de natuur, de mens, de samenleving. Hiermee wordt alles in de wereld een ‘ding’ – ook wanneer dat een levend wezen is, zoals een medemens of een dier (of een plant). De komkommernorm confronteert ons met onze houding tegenover het afwijkende. Hoe kijken we aan tegen mensen uit andere culturen, andere geloven, gehandicapten en chronisch zieken? Het interessante perspectief dat de Tora ons biedt, is echter dat de mens naar het evenbeeld van God is geschapen. En daarmee krijgt hij of zij bij geboorte onvervreemdbare rechten mee. Hierop is de bekende uitspraak terug te voeren dat “wie een mens redt, een hele wereld redt; wie een mens vernietigt die vernietigt een hele wereld”. Los van de vraag hoe die mens er aan de buitenkant uitziet: recht of krom. De idee dat de mens naar het evenbeeld van God is gemaakt werd / wordt helaas nog al eens misbruikt door van de mens een mini-God te maken die naar eigen willekeur over het leven van medemensen en andere levende wezens mag beschikken. Wie de Tora echter goed leest, ziet dat God, Tora en het Leven tot op bepaalde hoogte inwisselbaar worden gebruikt. Het inzicht dat leven uniek en bijzonder is, lijkt mij een goede basis voor een hoger moreel besef. Actie en reactie vrijdag 14 november 08 Obama is dus president geworden. Ik zal er eerlijk over zijn: ik heb de Amerikaanse verkiezingen totaal aan mij voorbij laten gaan. Het was mij al bij voorbaat duidelijk dat Obama zou winnen. Hoe ik dat wist? Heel eenvoudig. Er was zo een anti-Bush stemming ontstaan in de wereld – terecht of onterecht, dat laat ik even in het midden – dat ik het me gewoon niet kon voorstellen dat een Republikein president zou worden. En laten we eerlijk zijn: Obama is gewoon veel beter gebekt dan McCain en weet op meeslepende wijze mensen een visioen voor te houden. Zo is de zaak dus weer een beetje in evenwicht – na de strenge Bush nu de mildere Obama. Want alles wat er gebeurt, roept nu eenmaal tegenkrachten op die het evenwicht proberen te herstellen, als een soort heen-en-weer slingerende pendule. In dit kader was het dan ook opmerkelijk om te zien, dat naarmate de overwinning van Obama duidelijker werd, weer meteen een tegenreactie naar de andere kant te zien was. In het AD was namelijk te lezen dat de verkiezingsoverwinning van Obama geleid heeft tot een run op de wapenwinkels. Omdat men bang is dat Obama de regels voor wapenbezit wil aanscherpen of wapens zelfs helemaal wil verbieden, wanneer hij in januari president wordt. En ook vóór de verkiezingen zag men al dat de vraag naar vuurwapens toenam, toen steeds duidelijker werd dat Obama zou gaan winnen. “Vooral automatische geweren als Kalasjnikovs en AR-15 geweren gingen als warme broodjes over de toonbank”, lees ik. En na enkele milde jaren onder Obama – hoeveel zal de toekomst uitwijzen – zal het wel weer een republikein worden. Actie is reactie … We zien dit trouwens ook in ons land de laatste jaren. Na de relaxte ontspannen sfeer van de good old eighties zijn we nu weer in het stadium van controle, toezicht en regelneverij, dat vooral door de overheid in werking werd gezet en tot alle institutionele lagen van de maatschappij begint door te dringen. Bijna alles wat de burger doet, is verdacht, semi-crimineel of moreel laakbaar. Nee, we willen natuurlijk geen softie zijn, want dat heeft juist alle ellende voortgebracht. En dus lees je over tieners die ingerekend worden omdat ze een rotje te vroeg hebben afgestoken, geen identiteitsbewijs hebben of andere wetten overtreden. Er worden weer volop boetes uitgeschreven voor op de stoep fietsen of andere zaken die de publieke ruimte schaden. Maar ook dit zal ongetwijfeld weer van voorbijgaande aard zijn, wanneer duidelijk wordt wat de gevolgen van een dergelijk klimaat in de samenleving zijn. En dat de echte problemen zò natuurlijk niet opgelost worden. Het economische klimaat blijkt al evenzeer aan cycli onderhevig te zijn. Uit de Tora kennen we de 7-jarige cyclus van voorspoed en schaarste. De moderne economie hanteert nog enkele andere cycli: een kortere van 4-5 jaar, één van 15-25 jaar, en één van 45-60 jaar. En er zijn er zelfs die over cycli van 250 jaar spreken! Best opmerkelijk dat deze slingerbeweging zich dus op meerdere gebieden voordoet. En naar de laatste inzichten moet je als overheid tijdens een crisis juist NIET bezuinigen, maar juist het tegenovergestelde doen: geld uit blijven geven. Een mevrouw in sjoel – u weet wel, die mevrouw die eerder voorspelde dat de huizen binnenkort 1 dollar zouden kosten – vertelde mij dat er een overeenkomst was in het bijbelse Hebreeuws van de Tora, tussen het woord voor bloed (dam) en geld (damiem). ‘Dat leert ons’, zo zei ze mij op samenzweerderige toon, ‘dat bloed en geld een bepaalde verwantschap tonen in de realiteit. Wat gebeurt er wanneer iemand bloed geeft aan een ander? Dan maakt zijn lichaam meteen nieuw bloed aan. Zo is het ook met geld. Wanneer je geld weggeeft, dan wordt er meteen weer nieuw geld aangemaakt in het systeem’… Tja, er zit wel een kern van waarheid in – geld moet stromen – maar de zaak lijkt me iets gecompliceerder dan deze bijbelse ‘uitleg’ veronderstelt. Ook in de populatie van diergroepen in een bepaald territorium zijn cyclische bewegingen gesignaleerd. Bij mensen (en bij sommige diersoorten) kennen we natuurlijk de cyclus van de vrouw, die afwisselend vruchtbare en minder vruchtbare periodes kent. Prediker wist natuurlijk ook alles af van de kringloop van het bestaan, waarbij allerlei cycli elkaar steeds opvolgen. Niet voor niets lees je daar teksten als: De zon komt op, de zon gaat onder, en altijd snelt ze naar de plaats waar ze weer op zal gaan. De wind waait naar het zuiden, dan draait hij naar het noorden. Hij draait en waait en draait, en al draaiend waait de wind weer terug. Alle rivieren stromen naar de zee, toch raakt de zee niet vol. De rivieren keren om, ze gaan weer naar de plaats van waar ze komen, en beginnen weer opnieuw te stromen. (Prediker 1:5-7) En: Er is een tijd om te baren en een tijd om te sterven, een tijd om te planten en een tijd om wat geplant is te oogsten. Een tijd om te doden en een tijd om te genezen, een tijd om af te breken en een tijd om op te bouwen. … Een tijd om lief te hebben en een tijd om te haten, een tijd voor oorlog en een tijd voor vrede. (Prediker 3:2-3, 8) Dit leidt bij Prediker dan inderdaad tot een soort cynisme en berusting in de gegeven kringloop van bloei en verval. Maar als het leven een voortdurende slingerbeweging is tussen twee tegengestelde uitersten, hoe kan de wereld dan ooit naar een situatie van blijvende rust en evenwicht evolueren? Hoe kan er ooit iets fundamenteel veranderen? Is de messiaanse verlossing dan geen illusie met haar duizendjarige vredesrijk? De cynici onder ons zullen dat misschien bevestigen. Maar wat doen optimisten – tegen beter weten in soms – met dit probleem? Misschien moeten we het duale denken (goed-slecht, rijk-arm, slim-dom, hemel-hel, god-duivel, et cetera) wel achter ons laten, zoals sommigen menen en alleen in het ‘nu’ leven – in het ‘today’ (zie John Lennon in ‘Imagine’). Vanuit Joodse optiek zou de ware orthodoxe gelovige misschien zeggen, dat het inderdaad onmogelijk is dat de mensheid zichzelf uit deze wereld van oorzaak en gevolg, van actie en reactie, kan bevrijden – bijzondere individuen uitgezonderd. En dat de Verlossing inderdaad van Boven moet komen, maar echt bevredigend vind ik dit niet. Wordt vervolgd … De regenmaker vrijdag 7 november 08 Gisteren las ik in een Israëlische krant dat 1800 schoolkinderen zich in de ochtend bij het graf van 'Choni de Cirkeltrekker' in Chatzor Hagelilit (Noord-Israël) hadden verzameld om daar om regen te bidden. Voor wie het niet weet: Choni is een regenmaker uit de Joodse traditie, die in de eerste eeuw voor de jaartelling in Israël zou hebben geleefd. Ook de Joodse traditie kent immers heilige mannen met bijzondere krachten, zoals het opwekken van regen. Wanneer er een droogte was, stuurde men een boodschap naar Choni om voor regen te zorgen. Hij trok dan een magische cirkel op de grond, waarin hij ging staan. Vervolgens begon hij te bidden en zwoer de cirkel niet te verlaten totdat God voor regen zorgde. En ... het werkte! Toch waren niet alle rabbijnen erg geporteerd van Choni's krachten (jaloezie?). De Farizeeër Sjimon ben Sjetach vond Choni net een klein kind dat zich misdraagt en maar blijft doorzeuren tegen zijn vader totdat hij krijgt wat hij wil. Zo ook Choni: hij gaat maar door met druk uit te oefenen op God, met in de cirkel staan en het maken van bezweringen totdat God uiteindelijk – om van het gezeur af te zijn – hem de regen geeft waar hij om vraagt. Kortom: Sjimon ben Sjetach vind Choni een magiër die alleen maar geïnteresseerd is in resultaten, maar niet in het echte dienen van God. Want God hoeft niet elk gebed te verhoren. De echte gelovige blijft trouw aan God ook wanneer Hij geen gehoor geeft aan het gebed van de gelovige. Terwijl Choni zijn krachten misbruikt om van God een resultaat af te dwingen. Deze gebedsdienst door schoolkinderen wordt al zo een 13 jaar bij het graf van Choni gehouden, lees ik. Afgelopen jaar werd het echter vanwege technische redenen niet gedaan en inderdaad viel er veel te weinig regen dat jaar – vertelt de organisator van het gebedsevenement aan de krant. De datum van de gebedsdienst was niet willekeurig – gisteren was het 7 Chesjvan. Op deze datum begint men volgens de Joodse traditie, zoals vastgelegd in Misjna en Talmoed, met het vermelden van regen in het dagelijkse Achttiengebed. In feite zijn er twee plaatsen waarop over regen wordt gesproken in dit dagelijkse gebed. De eerste keer aan het begin van het gebed waarin de machtige daden van God herinnerd worden. Zoals God als bron van het aardse leven, als genezer, als steun voor zwakken en hulpbehoevenden en als degene die de opstanding der doden zal laten plaatsvinden. Binnen deze serie weldaden wordt vanaf Sjemini Atseret (het Slotfeest na Soekot) de zinsnede toegevoegd 'die de wind laat blazen en de regen doet neerdalen' (masjiev haruach oemoried hageasjem). Dit is echter alleen een vermelding van God als regenbrenger, maar geen expliciete vraag om regen. In Israël begint men op 7 Chesjvan – ongeveer 14 dagen na Soekot – met het toevoegen van de expliciete vraag om regen in het Achttiengebed: 'en geef dauw en regen tot zegen' (wetén tal oematar liveracha). Deze bede wordt ingevoegd in de 9e zegen die om de landbouw, haar opbrengsten en het levensonderhoud gaat. In oude tijden was de landbouw de belangrijkste economische sector en wél of geen regen betekende het verschil tussen een jaar van overvloed of een jaar van schaarste, tussen leven en dood. In de Diaspora – en daar bedoelde men in de Oudheid vooral Babylonië mee – begon men pas later met het toevoegen van 'en geef dauw en regen tot zegen'. Om precies te zijn begon men met het vragen om regen 60 dagen na de 'equinox' van het najaar – wanneer de zon loodrecht boven de evenaar staat en dag en nacht overal op aarde gelijk zijn. Deze equinox luidt astronomisch gezien bij ons op het Noordelijk Halfrond het begin van de herfst in en valt altijd rond 21-23 september. Men begon in Babylonië dus ergens eind november met het vragen om regen. Deze verschillende data voor het vragen om regen in Israël en Babylonië hebben met klimatologische verschillen tussen beide landen te maken. Het regenseizoen in Babylonië begon later dan in Israël. Bovendien was men in Babylonië veel minder afhankelijk van regenwater voor irrigatie van de akkers dan in Israël. Babylonië lag immers in een waterrijk gebied door de twee grote rivieren die het gebied doorkruisten – de Eufraat en de Tigris – die in alle seizoenen genoeg water bevatten. Maar laten we teruggaan naar het probleem dat Sjimon ben Sjetach opwerpt: wat is het verschil tussen religie en magie? ‘Onderwerping’, zou hij zeggen. Wie God dient, onderwerpt zich aan diens Almacht en erkent de mogelijkheid dat God andere dingen wil en doet dan de gelovige zelf wenst. Terwijl de magiër puur resultaat wil en daarom 'techniek' gebruikt: amuletten, spreuken, bezweringen, talisman, symbolen en tekens, astrologische kennis et cetera. Toch moet je je afvragen of de grens zo duidelijk is. Hoe zit het bijvoorbeeld met de zondebok die de zonden van Israël mee moest dragen naar de woestijn? Is het brengen van elk dierenoffer niet een drukmiddel op God om een bepaald resultaat te bereiken door het aanbieden van een lekkere barbecue? En wordt voor mensen die in de mezoeza een beschermende werking zien, dit stukje perkament geen amulet? Denk aan mensen die geloven dat wanneer iemand godverhoede ziek is, je de mezoeze moet controleren / vervangen. In Zuid-Israël schijnt ergens een 'mezoeza-voeler' te wonen die door aan je mezoeza te voelen allerlei dingen weet over jou en je mede-huisbewoners. Zijn die schoolkinderen bij het graf van Choni nu vrome aanbidders van de Ene God, of magiërs? Omdat ze door te bidden bij het graf van de heilige regenmaker Choni, iets van zijn krachten, die rond zijn graf aanwezig zijn, willen gebruiken, om zo de inwilliging van hun bede om regen af te dwingen? Of wenden ze zich eigenlijk stiekem tot Choni zelf, zodat deze regenmaker – of beter gezegd: diens ziel – als intermediair kan optreden en de regen Boven weet af te dwingen. Ik ben er nog niet helemaal uit. U wel? Slechte gedachtes vrijdag 31 oktober 08 Ik heb een voorliefde voor exotische boekjes (anderen zullen ze misschien als raar, bizar of obscuur omschrijven), vooral als ze uit de ultra-orthodoxe hoek komen. Afgelopen zomer liep ik in Bné Berak op zoek naar boeken. Ik kwam terecht in één van de vele boekenwinkeltjes die deze ultra-orthodoxe stad kent. De vriendelijke eigenaar, met lange pijes en baard, stond me vriendelijk te woord. "Heeft u het boek "Responsa uit de Hemel?", vroeg ik. Ik was al een tijdje naar dit boek op zoek. Het zijn responsa die een middeleeuwse rabbijn schreef over allerlei wettelijke vragen die al dan niet werkelijk aan hem gesteld werden, of waar de rabbijn zelf mee worstelde. In ieder geval had deze rabbijn een opmerkelijke manier om aan zijn antwoorden te komen: hij formuleerde de vraag voordat hij naar bed ging en kreeg vervolgens in zijn droom een antwoord of aanwijzingen om het probleem op te lossen. Helaas had ook deze boekenwinkel het boek niet in voorraad en zou het ook niet binnenkort weer in voorraad hebben.
Enigszins teleurgesteld keek ik de winkel rond op zoek naar andere interessante boeken. Vanuit mijn ooghoek zag ik een klein boekje liggen met bruine voorkant, waarop met sierlijke letters in goud "Sefer Sjemirat Hamachsjava" stond, "Het boek voor het bewaken van het denken". Niet verkeerd, dacht ik, terwijl ik enigszins opgewonden naar de prijs zocht. 19 Sjekel - nog geen 4 euro. Daar kan je het niet voor laten liggen, jubelde ik tegen mezelf. En inderdaad, het boek levert veel lees- en leerplezier op. Hoofdthema is het denken van de mens dat vaak sterker lijkt dan de mens zelf! Juist wanneer je je op het Hogere wil richten, slaat de slechte neiging toe in de vorm van foute gedachtes. Stel, je bent net bezig met het uitvoeren van een mitswe (gebod) of aan het dawwenen (bidden) en je moet denken aan je mooie buurvrouw in nietsverhullende lingerie. Of je hoort een denkbeeldige stem in je zeggen dat God helemaal niet bestaat en dat het allemaal kwatsch is, onzin. Daar sta je dan.
In 100 pagina's wijst de samensteller van het boekje op de kwade invloed van foute gedachtes op de ziel en manieren om van die storende ideeën en fantasieën af te komen. Hiervoor heeft hij allerlei materiaal verzameld uit rabbijnse literatuur vanaf de Middeleeuwen tot de moderne tijd. Al met al draagt het boek een zeer behoudend en conservatief stempel door de vele chassidische rebbes en mystici die geciteerd worden. Nu is het allemaal wat minder raar dan je denkt, wanneer we ons beseffen dat ook de moderne psychologie zich bezig houdt met de invloed van verkeerd denken op de mens. Je kunt denken aan een negatief zelfbeeld, gebrek aan zelfvertrouwen, dwanggedachtes, depressies, fobieën en andere angststoornissen. Denk ook aan al die zelfhulpboeken die hameren op positief denken ("Je kunt het, tsjakka!!”), NLP en andere technieken en tips die je moeten helpen om anders te leren denken. Hosjanna Rabbah vrijdag 24 oktober 08 Nou, Soekot is weer voorbij. De grote herfstmanoeuvres zijn afgelopen … Wat nog even niet voorbij lijkt, is de sores op de beurs. Je kunt er geen pijl op trekken: aandelen laag, olie laag, goud en andere metalen laag – tja wat moet een mens doen? Kon je maar in de toekomst kijken! Nu heb ik goed nieuws voor u: dat kán! Sterker nog: daar had u op maandagochtend 20 oktober in het ochtendgloren de mogelijkheid voor gehad. Inderdaad, op Hosjanna Rabbah – de Grote Hosjanna – zoals de 7e dag van Soekot ook wel wordt genoemd. Waarom deze 7e dag Grote Hosjanna wordt genoemd, is niet geheel duidelijk. Ruim 2000 jaar geleden – toen er nog een Tempel in Jeruzalem stond – was het de gewoonte om elke dag van Soekot enorme wilgentakken aan de hoeken van het grote altaar te bevestigen. Volgens de rabbijnse bronnen waren deze wilgentakken wel 5 meter lang! Vervolgens omcirkelde men het altaar één keer en riep men uit: Ana Hasjem Hosjiea Na! Ana Hasjem Hatslicha na! Oftewel in vlot Nederlands: Alstublieft Eeuwige, red ons! Alstublieft Eeuwige, laat ons slagen! Op Hosjanna Rabbah omcirkelde men het altaar 7 keer! Iets van deze Tempelse traditie is bewaard gebleven in de orthodoxe synagoge-liturgie in de zgn. hakafot – het omcirkelen van de bima met de loelav op Soekot en met de Tora op Simchat Tora. Soekot vrijdag 17 oktober 08 Het is wel een beetje ironisch dat de huidige kredietcrisis samenvalt met de Hoge Feestdagen en Soekot. Rosj Hasjana is immers de dag van het oordeel, dat zich volgens de rabbijnen ook uitstrekt over de economie. Elke Rosj Hasjana wordt er volgens de traditie beslist hoeveel een persoon zal verdienen in het komende jaar. Ook Soekot is een feest dat met oordeel samenhangt. Op Soekot vindt immers het oordeel over het water plaats: hoeveel regen zal er dit jaar vallen? Geen onbelangrijke beslissing in grote delen van de wereld die met droogte kampen (terwijl andere gedeeltes weer met wateroverlast te maken krijgen …). Tijdens Soekot verruilen we gedurende een week ons vaste, solide huis voor een wat gammel hutje. Hiermee geven we de onvoorspelbaarheid en broosheid van het menselijke bestaan weer. En inderdaad hebben de laatste weken laten zien dat het huidige bankwezen brozer is dan je denkt en niet zaligmakend is. In één dag kan je een groot deel van je vermogen kwijt raken op de beurs; je kunt zelfs je huis kwijtraken – het symbool voor zekerheid, beschutting en geborgenheid. Terug naar Soekot. We hadden ook dit jaar weer een aantal kennissen uitgenodigd om met ons de maaltijd te nuttigen in de soeka. In de krant had ik gelezen dat de gemeente Amstelveen zo dom was om haar spaargelden in IJsland te beleggen (ik bedoel: de helft van het jaar is het daar donker en bovendien gelooft een hoog percentage van de 'bevolking' in het bestaan van trollen, elfen en kabouters – serieus waar!) 'Wie stopt zijn spaargeld nou op een IJslandse bank – grapte ik tegen mijn gast'. ‘Ik’, antwoordde hij droogjes. Een korte stilte volgde ... 'Iemand nog wat aardappels?', vroeg mijn vrouw gelukkig. We hebben elke dag van Soekot 7 gasten, bij elke maaltijd. Druk hè? Of toch niet zo, want ik bedoel eigenlijk de zeven oesjpiziem (van het Griekse Hospes), de zeven hemelse gasten die de vromen in hun soeka gedurende Soekot bezoeken. Dit idee komt uit de kabbala, uit de Zohar om precies te zijn. De idee is dat de '7 herders' in de Eindtijd de Masjiach zullen vergezellen wanneer hij Israël komt verlossen. De zeven oesjpiziem zijn: Awraham, Jitschak, Jakov, Josef, Mosjé, Aharon en David. Deze zeven personages zorgden elk op hun manier ervoor dat de Goddelijke Aanwezigheid (Sjechina) op aarde rustte. Volgens de traditie komen deze 7 gasten elke dag van Soekot, maar staat elke dag van Soekot in het teken van één personage, die de hoofdgast is en de anderen als het ware meebrengt. Op de eerste dag van Soekot bijvoorbeeld is Awraham de hoofdgast. De bedoeling is dat degene in de soeka de bijzondere gasten uitnodigt. Dat gebeurt als volgt, bijvoorbeeld op de 1e dag: 'Ik nodig uit aan mijn maaltijd de hoogverheven gasten: Awraham, Jitschak, Jakov, Josef, Mosjé, Aharon en David. Moge het je behagen Awraham, hoogverheven gast, dat hier met mij en met jou samen alle hoogverheven gasten zullen aanzitten: Jitschak, Jakov, Josef, Mosjé, Aharon en David'. Volgens de kabbala staan deze bijbelse personages elk symbool voor een sefira, een Goddelijke eigenschap of uitstraling. Awraham voor Chesed, liefde of goedheid; Jitschak voor Gevoerah, kracht, macht; Jakov voor Tiferet, schoonheid; Josef voor Jesod, fundament; Mosjé voor Netzach, eeuwigheid; Aharon voor Hod, pracht of glorie; en David voor Malchoet, soevereiniteit, koningschap. Volgens de kabbala maakt God zich in de schepping kenbaar door middel van tien uitstralingen van zijn oneindige licht die de hele schepping in een continu proces voeden met de goddelijke energie. Deze uitstralingen worden sefirot genoemd, voorgesteld als fundamentele krachten of principes, goddelijke energiekanalen, goddelijke eigenschappen, goddelijke lichten. Via een dynamisch proces van uitstralen, verdelen, samenvoegen, doorgeven en vermengen, loopt de goddelijke energie stapsgewijs langs verschillende werelden en verdicht uiteindelijk tot materie. Volgens veel stromingen in de kabbala gaat het vooral om het herstellen van de band met deze 7 lagere sefirot. De eerste 3 sefirot (keter, chogma en bina) zijn te verheven om je mee bezig te houden. Zij zijn als het ware het intellect van het goddelijke. Toch blijft bij mij de vraag knagen of nu echt bedoeld wordt dat de bijbelse personages werkelijk aanwezig zijn in je Soeka. Ik bedoel: dat lijkt op heiligenverering of zelfs op het 'zich wenden tot de doden', dat de Tora zo rigoreus verbiedt. Of is het bijbelse personage slechts een symbool voor een bepaald goddelijk aspect? Wie het weet mag het zeggen ... Onze zondes vrijdag 2010 oktober 08 Wanneer u dit leest, is Jom Kipoer alweer achter de rug. U bent nog aan het 'nagenieten'. Volgens sommige rabbijnen wordt het uiteindelijke oordeel pas op Soekot uitgesproken, op Hosjanna Rabbah. Dus we blijven nog even in de sfeer van Jom Kipoer ... Het was ongetwijfeld ook dit jaar weer een lange zit. Het valt immers niet mee om 2 hele gebedenboeken uit te bidden (althans in de NIK-uitgave met die kaki-schutkleur). Wat me elk jaar weer opvalt, is die steeds terugkerende zondebelijdenis (widoej). Maar liefst een kleine 10 keer wordt die uitgesproken! Je zou toch zeggen dat drie keer genoeg zou zijn … Waarom zou je eigenlijk na één keer je zonde te hebben beleden, dit op dezelfde dag nog een keer doen? Zo veel zondes zijn er toch hopelijk niet bijgekomen in die uren die je in sjoel staat? Of het moet bij je thuis een waar Sodom en Gemorra zijn, maar daar gaan we maar niet van uit. Maar laten we nog even naar die zondebelijdenis kijken. Sommige omschrijvingen van zondes lijken wat abstract (vertaling NIK-machzor): Voor een zonde tegenover u begaan in overmoed. Voor een zonde tegenover u begaan door dwaze uitingen. Voor een zonde tegenover u begaan door een uitdagende houding. Voor een zonde tegenover u begaan door verwaten blik. Voor een zonde tegenover u begaan door vlug te lopen om het kwade te doen. Tja, wat bedoel je er precies mee? Ik mis een beetje een concrete link met het alledaagse leven dat vol zit met allerlei zondetjes – de doorsnee hufterigheid. Vandaar een alternatieve herkenbare uitwerking: Voor een zonde tegenover u en anderen begaan door a-sociaal rijgedrag. Voor een zonde tegenover u en anderen begaan door voordringen in een rij. Voor een zonde tegenover u en anderen begaan door het pesten en sarren van collega's op het werk. Voor een zonde tegenover u en anderen begaan door het stelen van badhanddoeken / badjassen uit (te) dure hotels. Voor een zonde tegenover u en anderen begaan door het niet terugsturen van verkeerd bezorgde post. Voor een zonde tegenover u en anderen begaan door anderen te beledigen. Voor een zonde tegenover u en anderen begaan door het veroorzaken van geluidsoverlast. Dat is toch wel wat herkenbaarder, denk ik. Ook moeilijk vind ik de passage: ‘Voor zonden waarvoor wij schuldig zouden zijn geweest, één van de vier doodstraffen door het gerecht: steniging, verbranding, onthoofding en wurging’. Je hebt dan opeens geen honger meer. Maar zijn we echt zulke grote zondaars als hier beweerd wordt? Ik denk dat het met de doorsnee sjoelbezoeker wel meevalt. Het echte gajes van de wereld komt natuurlijk niet naar sjoel en houdt zich ook niet aan Jom Kipoer… En bovendien geloven wij (hopelijk) allang niet meer in de doodstraf (behalve bij oorlogsmisdaden misschien) – en zeker niet in wrede uitvoeringen. Volgens mij is er iets anders aan de hand. Die lange waslijst van zondes die beleden moeten worden – waarvan de meeste mensen het gros niet begaan heeft – krijgt een haast ritueel karakter. Vroeger – in bijbelse en Tempelse tijden – was het allemaal een stuk eenvoudiger. Wie zondigde wist precies wat hij of zij moest doen om in het reine te komen: je brengt een specifiek offer voor die specifieke zonde – dat kan een lam, een ram of een stier of bijvoorbeeld duif zijn – naar de Tempel, alwaar het dier na het uitspreken van een zondebelijdenis werd geofferd. Een zeer krachtig ritueel voor die tijd (maar niet voor onze tijd…). Na het verdwijnen van de Tempel en de offercultus, verdwijnt ook dit bijbelse model met haar duidelijke rituelen. Zonde, inkeer en verzoening worden steeds meer geïnternaliseerd en gepsychologiseerd. Dat is aan de ene kant mooi omdat het tot een meer persoonlijk beleden religie leidt. Maar het is aan de andere kant negatief omdat er geen duidelijke grenzen bestaan en de deur op een kier staat voor overmatig en negatief zondebesef en eindeloos navelgestaar. Want zonder de juiste bijbelse rituelen weet je nooit of je genoeg gedaan hebt. Het brengen van een offer is objectief meetbaar – het doen van tesjoewa al veel minder. Hoe slecht moet je je voelen, hoe veel berouw moet je hebben? In extreme vormen leidde dat incidenteel tot zelfkastijding. Middeleeuwse Chassidiem uit Duitsland vonden bijvoorbeeld dat je voor bepaalde zondes naakt in ijswater moest zitten, of je door insecten moest laten steken, of 40 dagen vasten, et cetera. Nee, dat bijbelse model was zo gek nog niet … Een niet onaardige variant is het geven van een bepaald bedrag aan liefdadigheid als 'offer' voor een zonde – vooral het getal 18 'chai' is populair. Een dergelijke bepaling schept duidelijkheid en geeft een maat aan het proces van inkeer en berouw. Dan weet je precies waar je aan toe bent … Hopelijk. Een oud kabbalistisch gebed vrijdag 3 oktober 08 Kabbala is ín. Waar je gaat in de Joodse wereld kom je Joden tegen die met kabbala bezig zijn: van ultra-orthodox tot liberaal. Maar niet alleen Joden zijn bezig met kabbala. Ook niet-Joden zijn er intensief mee bezig – met Madonna als grote voorbeeld. In Nederland vinden Joden kabbala vaak zweverig, vaag of zelfs gevaarlijk: Je moet toch 40 zijn voordat je kabbala mag leren, dat is toch niet voor niets? Bovendien ligt kabbala niet goed bij Joden die vooral het Jodendom als rationeel beschouwen. Daar horen al die kabbalistische folklore, volksgebruiken, en bijgelovige, magische ideeën toch niet bij? Over engelen, godsnamen en allemaal andere ‘onzin’. Calvinistisch Jodendom noem ik dat wel eens ...
Toch zijn we ook in Nederland vroeger minder nuchter geweest. Hiervoor raad ik de lezer aan om een gebedenboek (machzor) voor Rosj Hasjana te pakken (de zgn. Mulder uit ca. 1870) en het stuk van het blazen van de Sjofar op te slaan, voor het Moesafgebed. |
Leo Mock kreeg zijn opleiding in Israël aan een talmoedhogeschool (jesjiwa). Verder studeerde hij Joodse geschiedenis aan de Bar-Ilan Universiteit en oude geschiedenis aan de UvA. Hij is sinds 1999 docent bij de Vakgroep Hebreeuws van de UvA. Samen met co-auteur rabbijn R. Evers schreef hij Aan tafel bij de rabbijn - eten en drinken in bijbels perspectief (1999). In Zappen door de Talmoed (2002) en Surfen op de zee van de Talmoed (2004) vindt de lezer zijn talmoedcolumns die hij in de periode 1999-2003 publiceerde in het NIW. Voor Crescas verzorgt Leo Mock, naast zijn wekelijkse web-column, diverse Talmoed-cursussen.
Volg dit blog automatisch!
Wilt u automatisch op de hoogte worden gehouden wanneer er een nieuw bericht op deze weblog verschijnt? Abonneer u dan op de RSS-feed. Abonneer via RSS Abonneer via Google
Klik hier voor meer informatie over RSS maart 2010:
De langste Poeriem ooit Herken de Poeriemgrap! februari 2010: Rare vragen, rare antwoorden Rabbijn Elon in problemen Gescheiden buslijnen Nogmaals de diboek januari 2010: Diboek Natuurrampen Een boek kopen Uitvinding van de bakker Oud-en-Nieuw december 2009: Taal Halachisch veroorzaakte kinderloosheid november 2009: Dawwenen op het juiste moment Kosjer Bidden om regen Het wisselen van de seizoenen oktober 2009: Leerhuizen in de mediene Een boek uitlezen Onze minhag Een soeka in de Diaspora Soekotmelancholie september 2009: Jom Kippoer Leeuwen en beren Woordeloze haast De 'midrechov' in Jeruzalem augustus 2009: Tatoeages, een beladen imago Op bezoek bij S juni 2009: Vakantie Generatiekloof mei 2009: Cheesecake Keukenhof Varkensgriep april 2009: Vakantie Chameets maart 2009: Een jesjiva-gave Wie zonder zonde is, wordt immuun voor ..... Economie Poeriem februari 2009: Taal en getallen Internet-tribalisme Verkiezingen De taxichauffeur en de zoon van de rabbijn januari 2009: Liefde Oppassen voor slangengif! Cafépraat Veel boeken – en een goed huwelijk december 2008: Een ongeluk of dood door schuld? De Israëlische State Controller De periferie november 2008: Zending Kromme komkommers Actie en reactie De regenmaker oktober 2008: Slechte gedachtes Hosjanna Rabbah Soekot Onze zondes Een oud kabbalistisch gebed |
||||