|
PARASJAT HASJAWOEA, NOTITIES VAN LEO MOCK
Parasjat Wajakheel - Pekoedee zondag 7 maart 2010 De dubbele parasja van deze week vertelt hoe de bouw van de Misjkan – de draagbare tempel – daadwerkelijk werd uitgevoerd. Immers, de afgelopen weken lazen we hoe God aan Mosjé tot in de kleine details alle onderdelen beschrijft van het heiligdom, de voorwerpen, en de kleren voor de priesters. Nu moest alles ook werkelijk uitgevoerd worden. Je kunt op papier goede plannen maken, de echte test begint pas bij de uitvoering. Belast met de bouw is Betsalel – zoon van Oeri, zoon van Choer, van de stam Juda — die ‘vervuld is van de geest van God’. Maar, ook met wijsheid [chogma], inzicht [tewoena] en kennis [da’at] (35:31). Hij is een vakman en beheerst verschillende ambachten: het bewerken van goud, zilver, koper, steen, en hout (35:32–33) en bovendien is hij in staat om anderen in deze vaardigheden te onderrichten (35:34). Betsalel wordt bijgestaan door Aholiav, zoon van Achisamag uit de stam Dan, en door een heel team van ‘wijzen van hart, in wier hart God wijsheid had gegeven’ (36:2). Die teamgeest was erg belangrijk. Volgens een bekende mening was de bouw van het Heiligdom namelijk bedoeld om als verzoening te dienen voor de zonde van het gouden kalf. God kwam tegemoet aan een bepaald gebrek dat aan het licht gekomen was door deze misstap. De oorzaak van het maken van het gouden kalf was gelegen in het onvermogen om zonder zichtbare leider, zonder Mozes-figuur, richting te kunnen geven aan de religieuze en emotionele gevoelens. Het gouden kalf moest als oriënterend symbool dienen dat de onrust en onzekerheid bij gemeenschap en individu moest wegnemen. Vandaar de opdracht om na dit debacle een Heiligdom te maken dat permanent aanwezig zal zijn in de gemeenschap en dat als spiritueel kompas en emotionele uitlaatklep kan dienen. Maar dan moet het wel door de gehele gemeenschap gedragen worden. Daarom moest iedereen, zonder aanzien des persoons, bijdragen aan de bouw en het onderhoud van het Heiligdom in de vorm van een te doneren halve sjekel (30:13). Daarnaast stond het iedereen vrij om naar eigen goeddunken nog verdere gaven te doen (35:29). En zo lezen we over ‘alle vrouwen - wijs van hart - die eigenhandig sponnen’, en linnen draden sponnen van de gekleurde wol (35:25). Anderen waren weer behendig in het spinnen van geitenhaar (35:26). En net zoals bij het maken van het gouden kalf (32:3), doneerden mannen en vrouwen hun gouden sieraden voor de bouw van het Heiligdom: armbanden, neusringen, vingerringen en de chumaz (35:22) — volgens de rabbijnen een gouden sieraad dat door vrouwen op hun intieme plaats werd gedragen (zie Rasjie op 35:22). Er was wel een beperking verbonden aan de bouw van het Heiligdom: de parasja opent met een vermaning over het werkverbod op Sjabbat. Er mocht geen enkel werk verricht worden op de rustdag (35:2–3). De rabbijnen komen tot de conclusie dat alle werkzaamheden die voor de bouw en het functioneren van het Heiligdom nodig waren - op Sjabbat niet gedaan mogen worden. Aldus komt men in de Misjna Sjabbat tot een lijst van 39 hoofdwerkzaamheden die verboden zijn: van bijvoorbeeld ploegen en zaaien tot dragen, slachten en twee letters schrijven. Want ook de Sjabbat is een tempel die richting geeft aan het religieuze leven, gebouwd in de dimensie van de tijd en misschien daarom nog wel zuiverder van aard dan het echte aardse Heiligdom …
|
Het Tora-commentaar op deze pagina is van de hand van Leo Mock. Dit commentaar is afkomstig uit zijn in 2008 verschenen boek ‘In de marge van de Parsje, notities bij de wekelijkse Tora-lezing’. Wij zijn Leo Mock veel dank verschuldigd voor het beschikbaar stellen van zijn teksten.In sjoel (de synagoge) wordt iedere week een gedeelte uit de Tora gelezen (Parasjat hasjawoea = afdeling van de week). Op deze pagina vindt u het commentaar op de afdeling die de komende sjabbat wordt gelezen. Iedere zondag wordt een nieuw Tora-commentaar geplaatst voor de daarop volgende week. Met behulp van onderstaand overzicht kunt u alle eerder verschenen commentaren nog eens nalezen. Leo Mock kreeg zijn opleiding in Israël aan een talmoedhogeschool (jesjiwa). Verder studeerde hij Joodse geschiedenis aan de Bar-Ilan Universiteit en oude geschiedenis aan de UvA. Hij is docent bij de Vakgroep Hebreeuws van de UvA. Sinds de oprichting (1999) heeft hij diverse cursussen voor Crescas verzorgd. Verder schrijft Leo Mock een wekelijkse column op onze website. juli 2010:
Parasjat Ekev Parasjat Wa'etchanan Parasjat Dewariem Parasjat Matot - Masee juni 2010: Parasjat Pinchas Parasjat Balak Parasjat Choekat Parasjat Korach mei 2010: Parasjat Sjelach Lecha Parasjat Beha'alotecha Parasjat Naso Parasjat Bemidbar Parasjat Behar - Bechoekotaj april 2010: Parasjat Emor Parasjat Acharee Mot - Kedosjiem Parasjat Tazria - Metzora Parasjat Sjemini maart 2010: Parasjat Tsav Parasjat Wajikra Parasjat Wajakheel - Pekoedee februari 2010: Parasjat Ki Tisa Parasjat Tetsawee Parasjat Teroema Parasjat Misjpatiem januari 2010: Parasjat Jitro Parasjat Besjalach Parasjat Bo Parasjat Wa'era Parasjat Sjemot december 2009: Parasjat Wajechi Parasjat Wajigasj Parasjat Mikeets Parasjat Wajeesjev november 2009: Parasjat Wajisjlach Parasjat Wajetsee Parasjat Toledot Parasjat Chajee Sara Parasjat Wajeera oktober 2009: Parasjat Lech Lecha Parasjat Noach Parasjat Bereesjiet |
||||||