Parasjat Wajechi
zondag 27 december 2009  

In de parasja van deze week komen de verhalen rond Jakov, Joséf en de broers tot een einde. Joséf heeft zijn hele familie naar Egypte weten te halen en hen in Gosjen een vestigingsplaats gegeven (Bereesjiet 47:27). Jakov is aan het einde van zijn leven gekomen en vraagt van Joséf om hem na zijn dood in Israël te begraven, bij zijn voorouders (47:29–30). Dan wordt Jakov ziek en gaat Joséf op zijn laatste bezoek naar Jakov. Jakov wil Joséf’s zonen Menasje en Efrajim de zegen geven en belooft hen een speciale status. De beide zonen zullen een status krijgen als Jakov’s eigen zonen, en dus beiden twee van de twaalf stammen van Israël vormen. Zo wordt Joséf’s toekomstige aandeel in het heilige land verdubbeld door het grondgebied van de stam Efrajim en de stam Menasje (48:6). Bij de zegen van de zoons gaat de voorkeur van Jakov merkwaardig genoeg uit naar de jongste zoon van Joséf – hij krijgt de rechterhand op zijn hoofd gelegd, en Menasje – de eerstgeborene – de linkerhand. Volgens sommigen omdat Jakov ziet dat uit Efrajim Jehosjoe’a zal voortkomen, die Mosjé zal opvolgen en het land Israël in bezit zal nemen. Rechts is nu eenmaal belangrijker dan links in de traditie. Joséf denkt dat Jakov een fout maakt en probeert de rechterhand van Jakov van het hoofd van Efrajim – de jongste zoon – weg te halen, en op het hoofd van Menasje te leggen. Maar Jakov legt uit dat zijn keuze bewust is gemaakt: ‘Ik weet het mijn zoon, ik weet het … maar zijn jongere broer (Efrajim) zal groter zijn dan hij (Menasje)’ (48:19).

Dan volgt Jakov’s zegen aan zijn eigen kinderen. Hoewel, zegen … Sommigen krijgen ook kritiek, stevige zelfs. Ruben is weliswaar eerstgeborene ‘sterkte van mijn mannelijke kracht’, maar ook degene die ‘het echtelijke bed van zijn vader beklommen heeft’ (48:4 — zie hierover ook Bereesjiet 35:22). En Sjimon en Levi zijn lichtontvlambare types:
‘vervloekt zij hun woede want zij is sterk, en hun toorn want die is hevig’ (48:7). Ook bij het zegenen blijft Joséf de voorkeur van Jakov houden: ‘Zegeningen van de hemel boven en zegeningen van de watermassa’s die over de aarde beneden zijn uitgespreid; zegeningen van borsten en van de moederschoot’ (48:25). Moge de zegeningen van Jakov ook op het hoofd van Joséf komen, op de kruin van de bijzondere (de gekroonde) onder zijn broers’ (48:26).

Dan sterft Jakov en wordt verenigd met zijn volksgenoten/stamgenoten (49:33). Althans dat lijkt de tekst te stellen. Ik zeg dat zo voorzichtig omdat Rasjie een wel zeer opmerkelijk commentaar geeft op vers 49:33 waarin over Jakov’s dood wordt gerept: ‘En Jakov stierf [wajigvah] en werd verenigd met zijn volksgenoten/stamgenoten.’ Rasjie ‘valt’ over het feit dat het gewone Hebreeuwse woord voor sterven [lamoet] niet wordt gebruikt, maar wajigvah dat we ook elders aantreffen: ‘Toen stierf [wajigvah] al het vlees (alle wezens) dat zich op aarde beweegt’ (Bereesjiet 7:21). Wajigvah wordt namelijk daar gewoon vertaald met sterven, vergaan. Niettemin komt Rasjie met de opmerkelijke uitleg dat het ontbreken van het gewone woord voor sterven bij Jakov er op wijst ‘dat onze aartsvader Jakov niet stierf’. Hij verwijst hierbij naar een opmerkelijke uitspraak in de Talmoed (Ta’anit 5b) van Rabbi Jitschak uit naam van Rabbi Jochanan: ‘onze aartsvader Jakov stierf niet’. Rabbi Nachman begrijpt er niets van. ‘Hebben ze hem dan zo maar (om niets) in een grafrede beweend, zijn lichaam gebalsemd en begraven?!’ (zie Bereesjiet 50:2–13). Rabbi Jitschak komt echter met een uitleg op een vers om deze opmerkelijke uitspraak duidelijk te maken: “‘En jij, vrees niet mijn dienaar Jakov – zo spreekt de Eeuwige – en wees niet bang Israël. Want zie Ik verlos/help je vanuit verre streken en je kinderen vanuit het land van hun gevangenschap” (Jer. 30:10). Het vers vergelijkt hem (Jakov) met zijn kinderen (het Joodse volk). Het woordspel zit hem in de betekenis van de namen Jakov en Israël, die zowel naar de aartsvader verwijzen als naar het collectief van Israël. Net zoals zijn kinderen – het volk Israël – in leven zijn (en verlost zullen worden), zo is ook hij (Jakov) in leven.’

Deze Midrasj op dit vers wil duidelijk maken dat bijzondere mensen weliswaar sterven, net als iedereen, maar hun gedachtegoed niet. Op bepaalde manier blijven ze voortleven in dit gedachtegoed. Op voorwaarde dat ze kinderen (of leerlingen) hebben die in hun voetsporen treden en de weg voortzetten. Het drukt tevens het geloof uit in de onsterfelijkheid van het collectief van het volk Israël. Een mooie gedachte. Sommige verklaarders maken er toch iets opmerkelijkers van door het meer letterlijk te nemen. Jakov stierf niet, zoals ook andere bijbelse figuren als de profeet Elijahoe en Henoch niet stierven, maar levend het Paradijs betraden. Of nog extremer, door een voortbestaan van Jakov na zijn dood te veronderstellen in een heel dun, ijl lichaam – een zogenaamd ‘astraal lichaam’ waarmee de ziel van bijzondere mensen wordt ‘gekleed’ na hun dood. Met dit ijle lichaam kunnen ze zich soms nog eens na hun dood aan mensen tonen om een opdracht van God te volbrengen (Zie Nachmanides en R. Bechaje op Bereesjiet 49:33). Voor moderne mensen een raar idee en niet te incorporeren in een rationeel wereldbeeld, maar voor mensen in de Middeleeuwen een serieuze zaak. We moeten ons soms onze mentale en culturele afstand tot de teksten uit de traditie bewust blijven.



<< Parasjat WajigasjParasjat Sjemot >>

Het Tora-commentaar op deze pagina is van de hand van Leo Mock. Dit commentaar is afkomstig uit zijn in 2008 verschenen boek ‘In de marge van de Parsje, notities bij de wekelijkse Tora-lezing’. Wij zijn Leo Mock veel dank verschuldigd voor het beschikbaar stellen van zijn teksten.

In sjoel (de synagoge) wordt iedere week een gedeelte uit de Tora gelezen (Parasjat hasjawoea = afdeling van de week). Op deze pagina vindt u het commentaar op de afdeling die de komende sjabbat wordt gelezen. Iedere zondag wordt een nieuw Tora-commentaar geplaatst voor de daarop volgende week. Met behulp van onderstaand overzicht kunt u alle eerder verschenen commentaren nog eens nalezen.

Leo Mock kreeg zijn opleiding in Israël aan een talmoedhogeschool (jesjiwa). Verder studeerde hij Joodse geschiedenis aan de Bar-Ilan Universiteit en oude geschiedenis aan de UvA. Hij is docent bij de Vakgroep Hebreeuws van de UvA. Sinds de oprichting (1999) heeft hij diverse cursussen voor Crescas verzorgd. Verder schrijft Leo Mock een wekelijkse column op onze website.


juli 2010:
Parasjat Ekev
Parasjat Wa'etchanan
Parasjat Dewariem
Parasjat Matot - Masee

juni 2010:
Parasjat Pinchas
Parasjat Balak
Parasjat Choekat
Parasjat Korach

mei 2010:
Parasjat Sjelach Lecha
Parasjat Beha'alotecha
Parasjat Naso
Parasjat Bemidbar
Parasjat Behar - Bechoekotaj

april 2010:
Parasjat Emor
Parasjat Acharee Mot - Kedosjiem
Parasjat Tazria - Metzora
Parasjat Sjemini

maart 2010:
Parasjat Tsav
Parasjat Wajikra
Parasjat Wajakheel - Pekoedee

februari 2010:
Parasjat Ki Tisa
Parasjat Tetsawee
Parasjat Teroema
Parasjat Misjpatiem

januari 2010:
Parasjat Jitro
Parasjat Besjalach
Parasjat Bo
Parasjat Wa'era
Parasjat Sjemot

december 2009:
Parasjat Wajechi
Parasjat Wajigasj
Parasjat Mikeets
Parasjat Wajeesjev

november 2009:
Parasjat Wajisjlach
Parasjat Wajetsee
Parasjat Toledot
Parasjat Chajee Sara
Parasjat Wajeera

oktober 2009:
Parasjat Lech Lecha
Parasjat Noach
Parasjat Bereesjiet


Amphora