Parasjat Bereesjiet
zondag 11 oktober 2009  

‘In het begin schiep God de hemel en de aarde’ (Bereesjiet 1:1). Hoeveel inktpotten zijn er al niet besteed aan deze openingszin uit de Tora. Natuurlijk, de materie is interessant genoeg.

Schepping of evolutie, schepping uit het Niets of vanuit een eeuwige materie? Waarbij naar onze moderne wetenschappelijke inzichten opgemerkt dient te worden dat materie en energie – sinds Einstein’s relativiteitstheorie – inwisselbaar zijn. Maar, verhalen over de oerknal blijven speculaties. Ik denk in ieder geval niet dat de functie van het eerste hoofdstuk van Genesis is, om uit te leggen hoe de wereld exact tot stand is gekomen. Daar is de wetenschap voor. De werkelijke toedracht rond het ontstaan van het Al lijkt me overigens per definitie niet door het menselijke denken te doorgronden. En laten we dat zo houden. Als alles bekend is, is het leven van zijn mysterie ontdaan. Wat wel essentieel is, dat er gesproken wordt van een ‘begin’. Waar sprake is van een begin lijkt logischerwijs ook sprake van een eind. In de eerste zin wordt ons dus gelijkertijd voorgehouden dat de materie en het leven dat hieruit is opgebouwd eindig is, de mens dus ook. Grappig genoeg raakt de theologie hier de wetenschap. Immers, ook volgens de wetenschap komt aan het bestaan van het heelal ooit een einde. Ons zonnestelsel zal al veel eerder zijn vergaan, opgeslokt door de zon die na eerst feller dan ooit te hebben gebrand, zal uitdoven. In de Bijbel lezen we vrijwel hetzelfde over wat er ooit in een Eindtijd zal gebeuren: ‘Want ziet, die dag komt, brandend als een oven, dan zullen alle hoogmoedigen, en al wie goddeloosheid doet, als een stoppel zijn, en de toekomstige dag zal ze in vlam zetten, zegt de Eeuwige der heerscharen [Tseva’ot], die hen geen wortel of tak zal laten’ (Malachi 4:1). Alleen wordt dit ondergaan van alles in het Niets, in een duidelijk moreel kader gezet: de hoogmoedigen en goddelozen zullen hier het slachtoffer van zijn. De rechtvaardigen zullen voortleven in een wereld die blijkbaar immaterieel zal zijn. De idee van de begrenzing van de materie vanuit tijdsperspectief sluit goed aan bij een traditionele uitleg op de gebruikte Godsnaam in dit eerste vers. De tekst gebruikt namelijk elohiem als omschrijving van God, in tegenstelling tot de andere veelgebruikte vierletterige onuitspreekbare Godsnaam jhwh in de Tora.

Het tweede hoofdstuk van Genesis, waarin de schepping van de wereld nog een keer wordt verteld (of wordt hier een totaal andere versie gegeven?) gebruikt de beide Godsnamen, in het Nederlands vaak vertaald als ‘God’ [elohiem] en ‘Eeuwige’ [jhwh]. De rabbijnse exegese ziet in beide namen verschillende aspecten van God, van manieren waarop Hij zich aan / in de wereld manifesteert. Waar de naam jhwh wordt gebruikt, worden de kwaliteiten van genade [rachamim] en liefdadigheid [chesed], van expansie en ruimte maken, benadrukt. De naam elohiem daarentegen benadrukt de eigenschappen van strengheid [dien], kracht [gewoera] en oordeel [misjpat], van beperking en grenzen stellen. Het gebruik van de naam elohiem in dit eerste vers is dan op zijn plaats. Het benadrukt immers de begrenzingen die aan de materie en het leven gesteld werden bij de schepping.

Zelf heb ik altijd problemen met de Godsnaam elohiem, die notabene een meervoud suggereert. Deze Godsnaam komt op verschillende plaatsen in deze parasja terug en is problematisch. Wat te denken van een vers als: ‘Want God [elohiem] weet dat op de dag dat jullie ervan eten (van de Boom van Kennis omtrent Goed en Kwaad) jullie ogen geopend worden. En jullie zullen zijn als God [elohiem] door kennis te hebben over Goed en Kwaad’ (3:5).

Kan de mens als God zijn? Dat is toch haast een ketterse gedachte, en op gespannen voet met het monotheïsme. Verklaarders verzachten de tekst wat door elohiem hier uit te leggen als engelen. Een ander voorbeeld is: ‘En het was toen de mens zich begon te vermeerderen op de aarde en hem dochters werden geboren. Dat de Zonen Gods [bne ha-Elohiem] zagen dat de mensendochters mooi waren, en zij namen [29] zich vrouwen naar alles wat zij kozen’ (6:1–2). Wie zijn deze Zonen Gods nu? De mens voorstellen als ‘zoon van God’ is best problematisch, hoewel de Tora dat op een andere plaats wel doet (Dewariem 14:1). De klassieke verklaarders – in navolging van de rabbijnen uit de Oudheid – houden het op de zonen van de rechters, de betere klasse. De term elohiem kan ook rechter betekenen, volgens de rabbijnse interpretatie die verwijst naar het oordelende karakter van de Godsnaam elohiem. Het gaat hier dus om een sociaal onrecht waarbij de sterkere klasse de onderklasse uitbuit door de vrouwen af te pikken.

Oude verhalende exegese ziet in deze Zonen Gods ook hier engelen, en vertelt het verhaal over gevallen engelen die hier op aarde seksueel contact aangaan met aardse vrouwen. Deze gevallen engelen bederven de mensen door hen verfoeilijke kennis te geven op het gebied van magie, lichaamsversiering en oorlogstuig. Opnieuw dus het thema van kennis die de mens bederft. Dit maal komt de verkeerde kennis echter van Boven – engelen – en niet van de Aarde – de Boom van de Kennis. Volgens de mystiek is de getallenwaarde van de naam elohiem gelijk aan die van het woord de natuur [ha-tewa]. Volgens de getallenleer hebben bepaalde woorden, die een gelijke numerieke waarde hebben, ook een bepaald verband met elkaar. De naam elohiem wijst dan vooral op God zoals die zich voordoet in en door de natuur en niet als een bovennatuurlijke, transcendente, onbereikbare en onkenbare macht. De term elohiem die helemaal aan het begin van de Tora wordt geïntroduceerd, blijkt dus een wel zeer ambigue term te zijn, alle theologische apologieën ten spijt.



 Parasjat Noach >>

Het Tora-commentaar op deze pagina is van de hand van Leo Mock. Dit commentaar is afkomstig uit zijn in 2008 verschenen boek ‘In de marge van de Parsje, notities bij de wekelijkse Tora-lezing’. Wij zijn Leo Mock veel dank verschuldigd voor het beschikbaar stellen van zijn teksten.

In sjoel (de synagoge) wordt iedere week een gedeelte uit de Tora gelezen (Parasjat hasjawoea = afdeling van de week). Op deze pagina vindt u het commentaar op de afdeling die de komende sjabbat wordt gelezen. Iedere zondag wordt een nieuw Tora-commentaar geplaatst voor de daarop volgende week. Met behulp van onderstaand overzicht kunt u alle eerder verschenen commentaren nog eens nalezen.

Leo Mock kreeg zijn opleiding in Israël aan een talmoedhogeschool (jesjiwa). Verder studeerde hij Joodse geschiedenis aan de Bar-Ilan Universiteit en oude geschiedenis aan de UvA. Hij is docent bij de Vakgroep Hebreeuws van de UvA. Sinds de oprichting (1999) heeft hij diverse cursussen voor Crescas verzorgd. Verder schrijft Leo Mock een wekelijkse column op onze website.


juli 2010:
Parasjat Ekev
Parasjat Wa'etchanan
Parasjat Dewariem
Parasjat Matot - Masee

juni 2010:
Parasjat Pinchas
Parasjat Balak
Parasjat Choekat
Parasjat Korach

mei 2010:
Parasjat Sjelach Lecha
Parasjat Beha'alotecha
Parasjat Naso
Parasjat Bemidbar
Parasjat Behar - Bechoekotaj

april 2010:
Parasjat Emor
Parasjat Acharee Mot - Kedosjiem
Parasjat Tazria - Metzora
Parasjat Sjemini

maart 2010:
Parasjat Tsav
Parasjat Wajikra
Parasjat Wajakheel - Pekoedee

februari 2010:
Parasjat Ki Tisa
Parasjat Tetsawee
Parasjat Teroema
Parasjat Misjpatiem

januari 2010:
Parasjat Jitro
Parasjat Besjalach
Parasjat Bo
Parasjat Wa'era
Parasjat Sjemot

december 2009:
Parasjat Wajechi
Parasjat Wajigasj
Parasjat Mikeets
Parasjat Wajeesjev

november 2009:
Parasjat Wajisjlach
Parasjat Wajetsee
Parasjat Toledot
Parasjat Chajee Sara
Parasjat Wajeera

oktober 2009:
Parasjat Lech Lecha
Parasjat Noach
Parasjat Bereesjiet


Amphora